Skip to main content

Full text of "Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg. Jaarboek van Limburgs Geschied- en Oudheidkundliche Genootschap"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non- commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at http : //books . google . com/| 






ST>^lK| 



■^ : V 



^ ^\> tV: 



Publications de la Société historique 
et archéologique dans Ie Limbourg 

Jmburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap 



■ iM'nfc...J 



SILAS Vftlöflt bÜN^lNG 1 
BEQÜEST 
lUNlVERSlTY orMICHIGANJ 
GENERAL LIBRARY J 




Digitized by 



Google 



7;// 

.50 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



PUBLIGATIONS - 

DE LA SOCIÉTÉ 

HI8T0RIQÜE ET ARCHÉOLOGIQÜE 



DANS 



LE DUCHÉ DE LIMBOURG. 



TOME XXXIX. 



TOME XIX. 



Vis unita tnajor. 



1903. 






MAESTRICHT, 

LEITER-NYPELS. 
1903. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 






GESCHIEDENIS 



KLOOSTER DER KRUISHEEREN TE MAASTRICHT. 



VOORWOORD. 



Bij de samenstelling dezer monographie hebben mij hoofd- 
zakelijk gediend de op het Rijksarchief te Maastricht berustende 
rekeningen-registers der prioren en procuratoren van het Kruis- 
heerenklooster aldaar (110 registers loopende van 1450 tot 1796). 

De andere werken die ik geraadpleegd heb, zijn ter plaatse 
aangegeven. 

Wegens de vele genealogische bizonderheden die er in voor- 
komen, heb ik gemeend eenigen dienst te bewijzen met het „Liber 
Anniversariorum Conventus Trajectensis O. S. C." in zijn geheel 
op te nemen. 

Het is bijna geheel geschreven door den procurator Stephanus 
van Sittard (1475—1504). 

Wanneer de jaargetijden door een ander zijn geboekt, heb ik 
den naam van den schrijver aangegeven. 



Digitized by 



Google 



— 4 — 

Door vergelijking met de rekeningenregisters, viel het gemak- 
kelijk de verschillende soorten van geschrift vast te stellen. 

Een woord van oprechten dank aan de Heeren A. J. A. Flament, 
Rijksarchivaris, D' P. Doppler, commies-chartermeester en J. 
EvERSEN, adjunct-commies aan het Rijksarchief in Limburg te 
Maastricht, voor de behulpzame en voorkomende wijze waarop 
zij mij mijne taak hebben vergemakkelijkt. 

H. P. A. VAN HASSELT, 

ord. S. Crucis. 



Digitized by 



Google 



HOOFDSTUK I. 



Stichting der Orde van het H. Kruis. 



Theodorus de Celles, de stichter der Kruisheerenorde, aan- 
schouwde het eerste levenslicht te Celles bij Dinant in 1166. 
Zijne ouders waren Walther de Beaufort-Spontin en Oda van 
Bretagne, stichters van den tak „de Celles". 

Met de opleiding van hunnen zoon belastten zij de kanunniken 
der collegiale kerk aldaar. Nadat de jongeling zijne studiën had 
voleind, werd hij aan het hof geplaatst van den toen maligen 
bisschop van Luik, Radulf van Zaehringen. In diens gevolg onder- 
nam hij den kruistocht naar het H. Land onder Frederik Barbarossa. 

Toen er, na den dood van Barbarossa, oneenigheid uitbrak 
onder de vorsten die aan den kruistocht deelnamen, was de bisschop 
van Luik, Radulf, een dergenen, die weigerden de reis verder 
voort te zetten. Hij keerde met zijn gevolg, waarbij zich ook 
Theodorus bevond, huiswaarts (i). 

Als belooning voor bewezen diensten en als blijk van waar- 
deering zijner deugden, schonk hij den jongen man een kanonikaat 
aan zijne kathedraal. Radulf zou evenwel zijne zetelstad niet 
terugzien. Hij stierf waarschijnlijk door vergif, te Herderen bij 
Freiburg 5 Augustus 1191. 

Theodorus nam, bij zijn aankomst te Luik, bezit van zijn 



(1) De bewering van P. Verduc (Vie du B. Théodore de Celles, Périgue.x 1681) 
en eenige anderen, dat Theodorus de lieilige plaatsen te Jerusalem, enz. bezocht heeft, 
verdient geen geloof. 

Het komt mij — met Heliot en Fisen twijfelachtig voor dat de Turken een 
hunner doodsvijanden zoo maar in die stad lieten doordringen. 



Digitized by 



Google 



— 6 — 

kanonikaat en zoowel onderden nieuwen bisschop Albert(4- 1194) 
als onder diens beide opvolgers, blonk hij uit door godsdienstigen 
ijver en nauwgezette plichtsbetrachting. 

Omstreeks 1201 werden de statuten der kanunniken verscherpt 
door Guido van Preneste, pauselijk legaat, die eenigen tijd te 
Luik de gast was van den bisschop Hugo de Pierrepont. 

De kanunniken werden o. m. verplicht het kerkelijk officie 
getrouw en in zijn geheel bij te wonen en weer in gemeenschap 
te leven (i). 

Toen evenwel na eenige jaren, wegens de vele aanvragen om 
dispensatie, deze laatste bepaling met goedvinden van den legaat 
werd ingetrokken en de uitkeering der prebenden weer aan de 
kanunniken afzonderlijk geschiedde, schonk Theodorus daarvan 
het grootste deel aan de armen, daarin nagevolgd door eenigen 
zijner Confraters, die, gelijk hij, aan het gemeenschappelijk leven 
de voorkeur gaven. Wat verder van Theodorus staat opgeteekend 
tot 1210, is mijns inziens niet betrouwbaar. Met zekerheid echter 
weten wij, dat hij in het Zuiden van Frankrijk tegen de Albigensers 
predikte en daar de vriendschap en het vertrouwen genoot van 
den grooten H. Dominicus en van Fulco, den vromen bisschop 
van Toulouse, in wiens gezelschap wij hem aantreffen, als hij in 
1210 naar zijn vaderland terugkeert (^). 

Inmiddels was bij Theodorus het plan gerijpt om zich geheel 
van de wereld af te zonderen. In dit plan werd hij gesterkt door 
de aanmoedigende woorden van Maria, de heilige recluse van 
Oignies, wier raad hij daaromtrent meermalen had ingewonnen. 

Bij zijn terugkomst in Luik gaf hij zijn voornemen te kennen 
aan zijn bisschop Hugo de Pierrepont. Deze keurde dit niet alleen 
goed, maar schonk hem zelfs de kapel van St. Theobald nabij 
Hoei (Clair lieu) en beloofde hem zijn steun. 

Theodorus deed dus afstand van zijn kanonikaat en begaf zich 
naar de aangewezen plaats. Daar leidde hij een kloosterlijk leven 



(1) J. Habets, Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom Roermond en van de 
bisdommen die het in deze gewesten zijn voorafgegaan^ deel I pp. 99, 173. 

O Bisschop Fulco van Toulouse predikte den kruistocht tegen de Albigensers in 
het land van Luik omstreeks 1211. Hij was Cistercienser-abt tot 1206, toen werd hij 
tot bisschop van Toulouse gewijd. 



Digitized by 



Google 



— 7 — 

en wijdde zich bijzonder aan de vereering 'van het H. Krnis. Vier 
andere priesters, waaronder Petrus de W^lcourt uit het geslacht 
der graven van Rochefort, Loon en Chiny, voegden zich weldra 
bij hem (1211). 

Na aan hunne bezittingen verzaakt te hebben, leefden zij voor- 
taan slechts van aalmoezen en volgden, onder de leiding van 
Theodorus de Celles, den regel van den H. Augustinus. 

De grondslag der nieuwe Kruisorde was gelegd. 

In 1214 vroeg Theodorus de goedkeuring van zijn voorgenomen 
kloosterregel aan Hugolino, bisschop van Ostia (i), die toen als 
pauselijk legaat in deze streken vertoefde. Maar deze kon zijne 
bede niet inwilligen, omdat dit buiten zijne bevoegdheid lag. Hij 
raadde Theodorus aan zich rechtstreeks tot den Paus te wenden, 
zulks te meer daar er binnen kort een algemeen Concilie zou 
gehouden worden, waar men de kloosterorden ter sprake zou 
brengen. 

Men veroorloove ons hier eene kleine afwijking. 

Ook in Italië bestond toen reeds eene Orde van 't H. Kruis 
(crocigeri). Wanneer deze gesticht is, ligt geheel in het duister. 
De schrijvers der middeleeuwen doen hare stichting opklimmen 
tot den H. Paus Cletus. Dit beschouwen wij als een fabel, ook 
wat P. Verduc en anderen verhalen van den H. Quiriacus (2). 

Het is zoo goed als zeker, dat de Orde haar ontstaan te danken 
had aan de Kruistochten en reeds bestond vóór dat Alexander III 
den pauselijken stoel beklom. Immers, toen deze paus moest 
vluchten voor de vervolgingen van Keizer Frederik Barbarossa, 
vond hij een toevluchtsoord in verschillende kloosters van die 
Orde. In 1169 toen de vrede aan de Kerk was teruggeschonken, 
gaf hij aan hunne kloosters een vasten regel en nam ze onder 
zijne bescherming. 



P) Hugolino GjDti uit het huis der Scgni, bloedverwant van paus Innocentius III, 
door wien hij in 1198 tot kardinaal en in 1206 tot bisschop van Ostia werd ver- 
heven, was herhaaldelijk legaat in Duitschland, Italië en elders. In 1227 werd hij 
Paus en nam den naam aan van Gregorius IX. 

(2) P. Verduc, Vü de Théodare de Celles^ Périgueux 1681. — Bousingaut, 
Voyage des Pays-Bas. 

Het eerste werkje vooral bevat zooveel onnauwkeurigheden en onwaarschijnlijk- 
heden, dat men nauwelijks weet waaraan zich te houden. 



Digitized by 



Google 



— 8 — 

Na verloop van tijd was er evenwel de regeltucht zeer verslapt 
en Paus Innocentius III had besloten daarin verandering te 
brengen. Werkelijk kwam die zaak op het Concilie van Lateranen 
ter sprake, de tucht werd hersteld, de Orde hervormd en met 
vele privilegies verrijkt (i). 

Volgens Russel (Chronicon Ord. S*^® Crucis) was ook Theodorus 
de Celles op het Concilie aanwezig om de goedkeuring voor zijn 
nieuwe Kruisorde te vragen. Later, op den feestdag van Kruis- 
vinding (3 Mei) 1216 zou hij als algemeene Overste der Luiksche 
en Italiaansche Kruisheeren zijn aangesteld. 

Deze vereeniging, ofschoon een daadzaak, was echter zeer gebrekkig. 

Zulks bleek vooral toen Theodorus de Celles in 1236 overleden 
was en Pierre de Walcourt tot zijn opvolger werd gekozen. 

Deze heilige man belegde in 1247 eene vergadering van alle 
prioren uit België en Italië en stelde hun voor, bij den regel van 
den H. Augustinus de statuten aan te nemen gelijk die waren 
opgemaakt voor de Predikheeren door zijn vriend, den H.Raymondus 
de Pennafort, generaal dier orde. Daarbij zou men dan de be- 
palingen voegen, die op de verschillende algemeene kapittels waren 
gemaakt en de aldus gevormde statuten ter goedkeuring en be- 
vestiging overleggen aan Z. H. den Paus. 

Dit werd goedgevonden. 

Het volgend jaar werden de nieuwe statuten op het kapittel te 
Hoei door den Mag. Generaal de Walcourt ingediend. Slechts een 
zeer klein getal Italiaansche prioren was aanwezig; de meesten 
waren verhinderd, omdat zij uit vrees voor Frederik II en zijn 
leger de verre reis niet durfden ondernemen. 

De nieuw opgemaakte statuten (*) werden door paus Innocentius IV 
gedurende zijn verblijf te Lyon goedgekeurd, de Orde op nieuw 
bevestigd (23 Oct. 1248) en later door denzelfden Paus met vele 



Q) Mansi, Histoire du pafe Innocent III et de ses contemporains par Frédéric 
Hurter. Bruxelles 1839, tenie II, page 596. 

O Tegelijk met deze statuten werd ook het wit habijt aangenomen. Tot nog toe 
waren de Kruisheeren in het zwart gekleed en droegen het kruis op de borst. Het 
grauwe scapulier bij de nieuwe kleeding behoorende, werd eerst later (1528), onder 
den Mag. Generaal Laurentius van Gladbach, door Paus Clemens VII in een zwart 
veranderd. 



Digitized by 



Google 



— 9 — 

voorrechten verrijkt. Hendrik van Gelre, bisschop van Luik, gaf 
zijn vidimus-brief den 31 December 1248. 

De Italiaansche Kruisheeren scheidden zich nu geheel van de 
Belgische af, omdat zij zich met de gemaakte veranderingen niet 
konden vereenigen, en weigerden in 1249, toen Petrus de Walcourt 
overleed O), deel te nemen aan de keuze van eenen nieuwen 
Generaal. 

Zij bleven op zichzelven nog een tijd lang voortbestaan, totdat 
zij in 1656 door Paus Alexander VII werden opgeheven. 

Nadat de statuten en bepalingen der nieuwe Kruisorde behoorlijk 
waren goedgekeurd en bevestigd, kon zij zich gemakkelijker uit- 
breiden. Reeds in 1248 namen verschillende Luiksche Kruisheeren 
als aalmoezeniers deel aan den Kruistocht onder den H. Lodewijk. 

Bij zijn terugkomst stelde deze hen door zijn mildheid in staat, 
een hoofdklooster hunner Orde in Parijs (Rue de la Bretonnerie") 
te bouwen. Zijn broeder Alphonsus stichtte omstreeks dienzelfden 
tijd een Kruisheerenklooster te Toulouse en reeds onder den 
Magister Generaal Jean Sainctfontaine (+ 1277) waren de Fransche 
huizen in twee provinciën, Parijs en Toulouse, verdeeld. 

De deugden en de zelfopoffering der kloosterlingen hadden de 
aandacht getrokken, zoowel van de geestelijke als van de wereld- 
lijke overheid. Terwijl de eerste de nieuwe Orde met vele voor- 
rechten verrijkte, trachtte de laatste in haar grondgebied Kruis- 
heerenkloosters te verkrijgen. 

Te Namen vestigden zich de Kruisheeren reeds vóór 1250, te 
Luik in 1273, te Suxy in 1286 en te Doornik in 1298. 

Ook in Engeland kwamen er — met het hoofdklooster te 
Londen (1482) — vele huizen van de Orde tot stand. 

In de veertiende eeuw ontstonden die van Beyenburg (1299), 
Hohenbusch bij Erkelenz (1302), Keulen (1307), Asperen (1315), 
Schwarzenbroich (1340), Carignan (1341), Virton (1341), Caen 
(1357), St. Agatha (1371), Aken (1372) en Venlo (1399). 

Op het laatst dier eeuw begon de regeltucht in de Orde 



p) Petrus de Walcourt werd begraven in de parochiekerk te Maeseyck, op verlangen 
van den graaf van Loon, zijnen bloedverwant, daar de Kruisheerenkerk te Hoei nog 
niet veel meer was dan een kapel en de graaf wilde, dat Petrus meer overeenkomstig 
zijn stand en rang zou worden ter aarde besteld. 



Digitized by 



Google 



— 10 — 

eenigszins te verslappen, hetgeen vooral toenam onder den Mag. 
Gen. Jean d'Avins, die door simonie en geholpen door machtige 
vrienden, zich in 1396 aan het hoofd der Orde had weten te 
plaatsen. Op het generaal kapittel te Hoei gehouden in 1410 
wisten de patres capitulares hem te bewegen zijn ambt neer te 
leggen, en in zijn plaats werd nu tot Generaal gekozen Libertus 
van Bommel, prior van 't klooster te Venlo, een man van 
beproefde deugd, groote wetenschap en vol heiligen ijver. 

Onder zijn bestuur kwam er nieuw leven in de Orde, de tucht 
werd hersteld en vóór het einde der vijftiende eeuw waren er 
reeds meer dan dertig nieuwe huizen gesticht (i). 

Streng werd de hand gehouden aan het bijwonen van het 
jaarlijksch algemeen kapittel te Hoei. 

Daar kwamen alle prioren bijeen en uit de „acta" van deze 
kapittels blijkt duidelijk, hoezeer (vooral in de 16* eeuw) het 
noodig was elkander door woord en voorbeeld aan te moedigen. 

De strijd, dien de Kruisheeren, bijzonderlijk in de Rijnprovincie, 
moesten volhouden tegen de steeds verder doordringende „her- 
vorming" [in Wickrath, Glintfeld, Duisberg, Byenburg en elders 
waren zij de eenige priesters, die getrouw op hun post bleven (*)] 
hun tegenspoed in Holland, waar zij werden vervolgd en ver- 



(1) Roermond 1422. 
Tecklenburg 1422. 
Goes 1429. 
Bentlagen 1437. 
Maastricht 1437. 
Coolen (Kernicl) 1443. 
Dusseldorf 1443. 
Falkenhagen 1443. 
Schiedam 1445. 
Manenvoede 

(bij Weselj 1446. 
Hoorn 1461. 
Sneek 1461. 



ter Apcl 1465. 
' Franeker 1466. 
*s Hertogenbosch 1468. 
Houscheid 1469. 
Aalne 1474. 
Woudrichem 1475. 
Maeseyck 1476. 
Duiken 1479. 
St. Annaland 1481. 
Emmerik 1483. 
Bruggen 

bij Roermond 1484. 



Ehrenstein 1487. 
Chaulne 1487. 
St. Helena 

bij Trier 1488. 
Angers 1490. 
Wickrath 1490. 
Dinant 1490. 
Schermer 1490. 
Boppard 1498. 
Duisburg 1499. 
Glintfeld 1499. 



Brandenburg 1484. 

(') Treffend is de klacht van RussePs Ciironicon Ord. S. Cr., dat in 1635 schreef; 
O quot alibi similia Catholicae religionis commoda creant nostri inter hereticos 
soli? Puto Juliobrugis, Duysbergae, Mariae Pacis, Glinfcld, Byenborg, Benslagen et 
in aliis locis ubi Crucigeri soli contra gliscentes vicinas hereses in vinea Domini 
operarii sunt ! 



Digitized by 



Google 



— u — 

jaagd, het leed en de nadeelen die hun berokkend werden in 
Engeland door Hendrik VIII en zijne dochter de » maagdelijke", 
Elisabeth leveren ons eene uitgebreide geschiedenis. 

Maar het ligt buiten onze bedoeling en ook buiten ons bestek 
de geschiedenis te schrijven der Kruisheeren-orde, ik heb er 
slechts een klein geschiedkundig overzicht van willen geven tot 
het begin der 15* eeuw, omdat toen het Maastrichtsche klooster 
tot stand kwam, waarvan ik de stichting en de geschiedenis 
wensch na te gaan. 



Digitized by 



Google 



HOOFDLTUK II. 



Stichting van het Kruisheerenklooster te Maastricht. 



a) De Kerk. 

Gelijk wij zagen, was sedert 1410 aan de prioren der Kruis- 
heerenkloosters de verplichting opgelegd, om met hunne capitula- 
rissen jaarlijks het algemeen kapittel te komen bijwonen, dat moest 
gehouden worden te Hoei, de verblijfplaats van den Magister 
Generaal der Orde. 

De prioren uit de Maas- en Rijnstreek namen gewoonlijk hun weg 
over Maastricht en logeerden daar bij de geestelijkheid der stad. 

Maar in de jaren, dat de heiligdomsvaarten plaats hadden, waren 
zij dikwijls genoodzaakt een onderkomen te zoeken bij leeken. 

Dit was ook het geval geweest in 1433 en toen zij het volgende 
jaar terugkeerden werd hun de gastvrijheid aangeboden door Heer 
Egidius van Elderen — ook wel van Vleytingen Q') — genaamd. 



{}) Egidius van Elderen wordt in een stipaal (geschreven omstreeks 1640) genoemd; 
„filius naturalis domini de des Heeren Elderen, et fuit cum domino de Eldris in 
Jerusalem". Op eene andere plaats in datzelfde stipaal staat hij als volgt vermeld: 
„filius naturalis Theodrici de Eynenberch, domini de des Heeren Elderen miHtis 
Jerosolimitani et fuit cum predicto suo patre in Hierusalem". Hel geslacht Eynenberch 
heeft echter nooit over 's Heeren Elderen geregeerd ; hier heeft dus eene vergissing 
plaats gehad, die zich misschien als volgt laat verbeteren. 

Dirik van Hamal tot Elderen (tweede zoon van Willem van Hamal, heer tot 
Elderen enz. en van Katharina van Corswarem) bezocht het H. Land, vanwaar hij in 
1419 wederkeerde (Publications de la Société Historique et Archéologique dans Ic 
duché de Limbourg, Tom X. 1873 bl. 436). 

In 1433 schonk Dirk van Eynenberch, schepen van Nfaastricht — in datzelfde jaar 
overleden -- aan Egidius de Eldris of de Vleytingen, vijf huisjes, gelegen op de 



Digitized by 



Google 



— 13 — 

Hij stelde ter hunner beschikking eenige huizen gelegen op de 
Kommel, welke hij in 1433 als erfdeel had ontvangen van Dirk 
van Eynenberch, schepen van Maastricht. 

Kort daarop bood hij die vijf huizen met den daaraan grenzenden 
tuin den Generaal der Kruisheerenorde ten geschenke aan, op 
voorwaarde, dat hij op die plaats een kerk en klooster zou stichten. 

Dit aanbod werd ter sprake gebracht op het generaal kapittel 
te Hoei in 1436 en aldaar werd besloten de schenking te aan- 
vaarden en de toestemming te vragen aan den prins-bisschop van 
Luik, Jan van Heinsberch, alsook aan den Deken en het kapittel 
van St. Servaas, tot het stichten van een kerk en klooster op 
de Kommel. 

Het klooster van Venlo zou voor onbepaalden tijd de nieuwe 
stichting aannemen als „filia" met de zorgen en lasten er aan 
verbonden. 

Fr. Michael van Testelt, uit het klooster van Namen, werd als 
„rector domus*' met het voorloopig bestuur en het beheer dier 
eigendommen belast. De fraters Servatius van Hasselt, Henricus 
van Aalst en Martinus van Leyden werden aangewezen om hem 
naar Maastricht te vergezellen. 

Toen Egidius van Elderen het besluit van het generaal kapittel 
had vernomen, liet hij den 6« September 1436 de schenkingsakt 
opmaken (i) en gaf daarenboven nog honderd griffioenen om 
eenige op de huizen rustende lasten af te lossen en in de eerste 
behoeften hunner nieuwe bewoners te voorzien. 

Den 8» October 1437 gaven Joannes van Dale, pastoor der 
parochie van St. Jan en Joannes van Nieuwensteyn, deken van 
het St. Ser vaaskapittel, de gevraagde toestemming onder de vol- 
gende voorwaarden: de Kruisheeren mochten op de aangewezen 
plaats een kerk en klooster bouwen, aldaar de goddelijke diensten 
verrichten en een vrije begraafplaats hebben. Op Zon- en feest- 



Kommel, op voorwaarde dat hij de daarop lastende schulden zou aflossen. In de 
akte daarvan opgemaakt, wordt Egidius de Eldris nergens als zijn zoon vermeld. 

Wij hebben dus met twee verschillende personen te doen, die echter denzelfden 
voornaam droegen en heeft de schrijver van het stipaal den naam van Egidius* vader 
versmolten met dien van den schepen van Maastricht. Egidius de Eldris was gehuwd 
met Johanna . . . ? en woonde in 1428 te Gingelom. 

(1) Zie bijlage n*» 3. 



Digitized by 



Google 



— 14 — 

dagen mochten zij echter in hunne kerk niet prediken op hetzelfde 
uur, dat zulks geschiedde in de voormelde parochiekerk. Als 
erkenning van het patronaatsrecht, moesten zij jaarlijks twee vaten 
rogge opbrengen aan de kerk van St. Servaas en zes vaten rogge 
aan den pastoor der St. Janskerk (}). 

Den 4 Januari 1438 werd de bisschoppelijke goedkeuring door 
Jan van Hcinsberg verleend (2). 

Dadelijk begon men nu de geschonken huizen in te richten tot 
voorloopige woonplaats. Op dezelfde plek waar nog heden de 
kerk staat, werd een houten noodkerkje getimmerd, met slroo 
gedekt. De wijbisschop van Luik, Dionysius, bisschop van Rossen, 
Ord. Carm., zegende het in den 25 Juli 1438, en consacreerde 
het altaar, dat werd toegewijd aan het H. Kruis, Onze Lieve 
Vrouw, St. Jan Evangelist en de HH. Helena, Adrianus en 
Cecilia. 

Hij wijdde tevens het kerkhof en schonk een aflaat van veertig 
dagen aan allen, die op de feesten van bovengenoemde heiligen 
de Kruisheerenkerk zouden bezoeken. 

Van Willem Gruyter kochten de Kruisheeren vijf huisjes met 
een daarbij behoorend erf, grenzend aan de houten noodkerk 
alwaar in 1440 gedurende de heiligdomsvaart de eerste steen 
werd gelegd van het priesterkoor door den „rector domus" 
Michael van Testelt. 

De bouw vorderde zeer langzaam, hetgeen voornamelijk hieraan 
toe te schrijven was, dat tegelijkertijd aan het nieuwe klooster 
werd gebouwd. Eerst in 1459 kwam het nieuwe priesterkoor 
gereed: het was voorzien van een toren (3) (dachreiter) met 
klokken, uur- en slagwerk. Dit laatste was geleverd door meester 
Antonius a Viseto (Visé). Toren en priesterkoor werden in dat- 
zelfde jaar met leien gedekt door meester Walter van Valken- 
burg. De torenspits eindigde in een bol, waarop een kruis met 
weerhaan, die door zekeren meester Gerardus waren verguld. 
Dezelfde schilderde in 1461 het koorgewelf. De bouwmeesters 

(1) Zie bijlage n^ 4. 

(2) Zie bijlage n» 5. 

(8) Tilman van Binghenrode (zie: P. Doppler, Nécrologe de la confrérü des cha- 
pelains de la ci-devant collegiale de St.Servais a Maestrichl^ pag. 100) schonk 
voor den bouw des torens honderd griffioenen. 



Digitized by 



Google 



— 15 — 

van koor en toren waren Petrus Toom en Johannes van Haeren, 
het smeedwerk was geleverd door Bartholomeus Van der Borch. 

Een hevige storm veroorzaakte den 29 Juli 1462 zooveel schade 
aan den toren dat hij op nieuw met leien moest worden gedekt. 

Het koor is in laat gotischen stijl opgetrokken en door acht 
groote vensters ruimschoots verlicht. In verhouding tot de later 
bijgebouwde kerk is het zeer langwerpig (dit is trouwens bij 
koorkerken gewoonlijk het geval) en neemt een derde deel in 
van de geheele kerk. 

Het altaar dat nog in gebruik was, werd tijdelijk overgebracht 
naar het nieuwe koor, totdat men het in 1470 vernietigde en 
verving door een ander dat meer in overeenstemming was met 
de plaats. De toenmalige Generaal der Kruisheeren, Peregrinus 
van Kampen, schonk daarvoor den altaarsteen. 

Ter weerszijden van het koor verrezen eveneens twee altaren 
en den 4 December van datzelfde jaar werden het koor en de 
nieuwe altaren plechtig geconsacreerd door Libertus van Broeckem, 
Ord. Min., bisschop van Barut (episcopus Biricensis) en wij-bisschop 
van Lodewijk van Bourbon, bisschop van Luik. 

Het rechter zijaltaar werd toegewijd aan de HH. Dionysius, 
Cornelius, Laurentius en alle HH. Martelaren, het linker aan 
O. L. Vrouw, de HH. Ursula, Cecilia, Barbara en alle H. Maagden. 
Het feest van Kerkwijding werd vastgesteld op den eersten Zondag 
na het octaaf van O. L. V. Visitatie (2 Juli). 

Het sierlijk bewerkte koorgestoelte werd in 1462 van wagen- 
schot gemaakt en prijkte met de beelden van den Goddelijken 
Zaligmaker en zijne twaalf Apostelen. In de rekeningen van den 
procurator staat de prijs van het benoodigde hout (100 grif- 
fioenen en 36 boddreger) aangegeven, ongerekend het arbeidsloon. 
Later — in de 17* eeuw — vernieuwde men het koorgestoelte, 
het oude werd afgebroken en de beelden verhuisden naar den 
refter. Den 22 Juli 1480, bij een hevig onweer, sloeg de bliksem 
in den toren en het nieuwgebouwde koor en richtte groote schade 
aan. De toren, die tamelijk hoog schijnt geweest te zijn, had 
zooveel geleden, dat hij vernieuwd moest worden. Hij werd 
echter aanmerkelijk kleiner. De klokken waren zoodanig beschadigd 
dat zij niet meer gebruikt konden worden. Een paar jaar later 
werden zij door den klokkengieter Joannes Stampart van Heugem 
gerepareerd. 



Digitized by 



Google 



-^ 16 — 

Was het priesterkoor middelerwijl voltooid, de verdere bouw 
der kerk vorderde slechts langzaam en werd dikwijls onder- 
broken, want een voldoend kapitaal om geregeld te bouwen 
bezaten de Maastrichtsche Kruisheeren niet. Slechts datgene, wat 
zij hadden overgespaard, werd in bouwmaterialen en arbeids- 
loon omgezet. 

Wel werkte men naar een vast plan, maar vóór alles moest 
rekening gehouden worden met den toestand der kas, omdat men 
tot eiken prijs wilde vermijden klooster en kerk met schulden 
te belasten. 

Reeds in 1439, onmiddelijk nadat de toestemming der Kerkelijke 
overheid voor de stichting van het klooster gegeven was, hadden 
de Kruisheeren een „Broederschap van het H. Kruis" opgericht. 

Het doel daarvan was om bij de leden gelden in te zamelen, 
die uitsluitend dienen moesten voor en besteed worden aan den 
bouw en de versiering van kerk en klooster (i). 

Jaarlijks kozen de leden dier broederschap vier „meysters" of 
„rectoers (Cruijtz meysters") dezen vormden met den prior een 
soort van kerkeraad en beslisten over de wijze waarop het be- 
schikbare geld moest worden aangewend. In de Goede week deden 
de „Cruijtz meysters", ieder van een kruisheer vergezeld, eenen 
rondgang in de stad bij de leden der broederschap (2). 

De helft van het ingezamelde geld bleef onder berusting der 
„Cruijtz meysters", de andere helft werd aan den prior ter hand 
gesteld om „honnen orbaer doermede te doene". 

Dit geld was echter verre van toereikend, vandaar dat de prior 
herhaalde malen de werkza^imheden moest doen staken. 

Eigenaardig en kenmerkend voor den godsdienstzin dier dagen 
is het verschijnsel dat meerdere ambachtslieden, die in de buurt 
der Kruisheeren woonden, hunne vrije uren besteedden om ter 
eere Gods eenige werkzaamheden aan de nieuwe stichting te 
verrichten. Zoo bouwde zekere Goswijn Rademakers in 1487 naast 



(1) Zie bijlage n« 6. 

(*) Na het beleg van 1579 vond ik echter van die broederschap geen melding meer 
gemaakt. De hoofdoorzaak dat zij werd opgeheven, was wel de treurige toestand, 
waarin zich toen de stad bevond. 



Digitized by 



Google 



— 17 — 

de schuur, een huisje waartoe hem de materialen werden verstrekt, 
en dat dienen moest om een zieken confrater te herbergen die 
door leproosheid was aangetast. Een ander metselaar Laurentius, 
Passers werkte ook in zijn vrije uren „ter eere Godts" aan de 
muren der kerk. 

Gelijk wij zooeven zagen was het nieuwe hoogaltaar reeds in 
1470 in het priesterkoor geplaatst. Herman Alartz een godvree- 
zend burger van Maastricht (-f- Aug. 1514) droeg er veel toe bij 
om het te voltooien en te versieren. 

In 1485 schonk hij een retable Qj met beschilderde predella, 
alsook twee groote sierlijk bewerkte koperen kolommen, die ter 
weerszijden vóór het hoogaltaar geplaatst werden. Zij droegen 
elk een kandelaar en dienden tot verbinding der cortinae (2). 
Dit alles was 'geleverd door de Maastrichtenaren Prynt, Coninx 
en Ostlinger. Daarenboven gal Herman Alartz nog eenige gor- 
dijnen van verschillende kleuren naargelang zulks het officie zou 
vorderen. 

Willem van der Motten en zijn vrouw Margareta schonken 
een schoon tapijt voor het priesterkoor. Ook maakten zij bij 
testament eene stichting voor eene lamp, die dagelijks moest 
branden onder het kerkelijk officie en de conventueele Mis. 

De Kruisheeren ontvingen ook nog de volgende kelken ten 
geschenke : 

een kelk met versiersel (cum rubeo ornamento) van Conrad 
Cockenbeckers en zijn huisvrouw Heylwigj 



(1) In 1624 werd de retable vervangen door een geschilderd altaarstuk, voorstellende 
den strijd van den H. Aartsengel Michaël met den draak. 

O De cortinae (gordijnen) hingen ter weerszijden van het altaar. De Luiksche 
Statuten van 1288 schrijven het gebruik van zulke cortinae in alle kerken voor: 
Cap. V. Cortinae a lateribus altaris utrinque appendantur, nee ab aliquo tempore 
Sacrificii retrahantur. 

In de Synode van Maastricht 13 April 1458 werden de kerkfebrieken verplicht tot 
het aanschaffen en onderhouden van «cortinae dependentes juxta altare». 
(J. Habets, 6>/. cü, deel I pag. 324). 

Deze Synode werd voorgezeten door den vice-decanus Herman van Wijdoye, 
pastoor te Groot-Spauwen. (G. D. Franquinet, Inventuris der oorkonden van O. L. 
V. ie Maastrüht, dl. I, bl. 228). 

Elf cortinae bezat de kerk van Susteren, toen door de abdis Imago van Loon in 1174 
een inventaris der kerksieraden werd opgemaakt (J. Habets, De abdij Susteren^ ^,^b). 



Digitized by 



Google 



— 18 — 

een kelk die 23 rijnsche guldens waard was van Arnoldus de 
Baest (1), deken van St. Paulus te Luik en kanunnik van St. Ser- 
vaas te Maastricht. 

Johannes Collijns (overleden in 1471) gaf een kelk versierd 
met zijn naam en familiewapen. 

Jan Haen en Catharina zijn huisvrouw, te Veiilo, gaven op 
het laatst der 15« eeuw eveneens een kelk. 

In het begin der 16« eeuw schonk Margareta Mathie een zilveren 
kelk. 

Twee breede houten deurco sloten het priesterkoor af en 
boven die afsluiting hing ec» groot kruisbeeld (zgn. triomfkruis), 
waartoe Godefridus Mijodcom uit „het Anker", broeder van den 
lateren prior Mathias Mijnekom, de materialen had verstrekt. 

Den 1«" AugtwtQs (feest van St. Petrus banden) 1501 werd de 
eerste steen gelegd van de eigenlijke kerk (middenschip en zijbeuken) 
door vrouwe Margareta van Sittard. 

Eerst acht jaar later was men tot aan het dak gevorderd, dat 
met leien werd gedekt. 

De kerk is opgetrokken in laat-gothischen stijl en heeft drie beuken. 

Het middenschip wordt gesteund door tien zware kolommen, 
die in een zoogenaamd stergewelf uitloopen. De smalle Zuiderbeuk 
heeft geen vensters omdat een der kloosterpanden daaraan grenst; 
slechts boven het gewelf van dien beuk zijn er, in het middenschip 
der kerk, vensters aangebracht. Daardoor is deze zijde, in verge- 
lijking met de overigens zeer verlichte totaalbouw, eenigszins somber. 
Het koor heeft acht groote kerkramen. Een lijst van zeer schoon 
bewerkte rosetten geeft aan het koor een sierlijk uiterlijk. 

Op het Zuider-zijaltaar stond het beeld van O. L. Vr., dat in 
1515 ten geschenke werd gegeven door Judocus van der Plas en 
Johannes Heinsberch, waard en brouwer, wonende op de Twee- 
bergerstraat. Beiden hadden een zoon in de Kruisheerenorde. 

Het Noorder-zijaltaar prijkte sinds 1510 met een beeld van den 



(Ij Arnold de Baest komt voor als kanunnik van St. Servaas te Maastricht in 1453. 
Hij was ook kanunnik der St. Pauluskerk te Luik, waarvan hij in 1460 tot deken 
werd gekozen. Hij bleef zulks tot aan zijn dood in 1472. (P. Doppler, Nécrolot^e 
de la Confrérie des Chapelains de la ci^devant collegiale de SLServais a Mats- 
tricht, p. 28). 



Digitized by 



Google 



— 19 — 

H. Dionysius,dat gemaakt en gegeven was door Dionysius Riemslegers 
en zijn vrouw Margareta, die ook later, volgens hun verlangen, 
aan den voet van dat altaar hunne laatste rustplaats vonden. 
Herman Riemslegers uit de Spilstraat had het beeld gepolychromeerd. 

Omstreeks dienzelfden tijd werd in het Zuiderpand (i) een 
tweede zijkapel bijgebouwd en aan den H. Aartsengel Michael 
toegewijd. Toen kwam ook de broederschap van St. Michael tot 
stand, die tot aan de suppressie van het klooster in 1797 is blijven 
voortbestaan. In 1512 leverde meester Johannes „de beeldesnider" 
het beeld van den H. Aartsengel, hetwelk door meester Jacobus 
werd geschilderd. 

Beiden hadden ook al de andere beelden der kerk — behalve 
dat van den H. Dionysius — geleverd. 

Een legaat (*) wijst ook nog op een tweede altaar aan de 
Oostzijde der kerk. 

Zoowel het hoogaltaar als de zijaltaren werden op het laatst 
der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw door andere 
vervangen, waarvan men er heden nog twee in de voormalige 
Kruisheerenkerk kan zien (8). 

Ook de koperen kolommen bij het hoogaltaar behoorende, 
werden omstreeks 1750 opgeofferd aan den toen heerschenden 
wansmaak, waarvan de nog bestaande altaren getuigenis afleggen. 

Boven de kapel van O. L. V. (Zuidzijde) was het nachtkoor, 



(1) In 1600 was er in dienzelfden zijbeuk ook nog een St. Anna kapel. 

(') Den 29 April 1518 vermaakte Gerardus Cortenbach eene som gelds voor eenc 
wekelij ksche mis, alle Zondagen te lezen op het altaar aan de Oostzijde der kerk 
gelegen «waarop een beeld van den H. Petrus zal geplaatst worden «. 

O Aan welke heiligen de twee nog bestaande altaren waren toegewijd heb ik 
niet kunnen achterhalen. De vier zij-altaren van O. L. V., den H. Dionysius, den 
H. Michael en de H. Anna, waren voorzien van geschilderde altaarstukken : daarop 
zijn de bestaande twee altaren niet ingericht. De twee eerste altaarstukken waren 
geschilderd door Jacob Neereys in 1609. Deze ontving voor dat van het altaar van 
O. L. V. de som van 400 gulden. 

De twee laatste waren geleverd door fr. Petrus Pietkin, minderbroeder te Luik, 
in 1661. 

In 1708 werd het oude hoogaluar vervangen door een ander in renaissance stijl. 
Iq 1733 verrijkte de schilder Coclers o. m. het koor met de afbeeldingen der vier 
Evangelisten. 



Digitized by 



Google 



— 20 - 

alsmede een klein orgel (i); een deur verbond het koor met de 
eerste verdieping van het klooster. 

In 1561 schonk de deken van St. Ser vaaskapittel, Nicolaas van 
der Straten, een Sacramentshuisje dat aan de Evangeliezijde in 
het priesterkoor werd gebouwd. Een vrij nauwkeurige beschrij- 
ving van dat eigenaardig bouwwerk laten wij volgen in de 
bijlagen (2). 

b) Het Klooster. 

Wanneer de Kruisheeren in 1438 te Maastricht kwamen, 
betrokken zij de Zuidzijde van het latere klooster, de vijf huisjes 
hun door Egidius de Eldris geschonken. 

Tot ongeveer 1520 bleven zij daar hunne cellen bewonen. 
Intusschen werden, door het toenemend getal kloosterlingen, de 
vertrekken die voor de gezamenlijke geestelijke oefeningen, voor 
den gemeenschappelijken maaltijd enz. bestemd waren, te klein. 
Het klooster moest dus vergroot of vernieuwd worden 

Men ging van het plan uit, de vijf huizen met de kerk te 
verbinden door twee vleugelgebouwen, het eene aan de Oost- 
het andere aan de Westzijde. Dit plan is uitgevoerd, maar niet 
als bij tooverslag. De nieuwe gebouwen kwamen, evenals de 
kerk, slechts bij gedeelten tot stand. Men begon met huizen 
rondom het klooster aan te koopen. Het eerste huis waarvan 
men eigenaar werd lag tegenover de Abtstraat. De rector schola- 
rum der St. Servaaskerk, Dirk van Hoeghenwalde, schonk het 
in 1446 aan zijn neef Dirk, kruisheer in het klooster te Aken. 
Nog hetzelfde jaar gaf deze het over aan de Kruisheeren van 
Maastricht, die er stal en schuur van maakten. 

Het tweede huis, het zoogenaamde „boeghmeeckershuys" met 
een derde daaraan grenzend, werd gekocht in 1453 om eenen 



(1) In 1621, onder den prior Martinus Pauli, werd de plaats van het nachtkoor tot 
hoogzaal ingericht en van een nieuw orgel voorzien. Dat orgel was vervaardigd door 
Herman Pietkin, kruisheer te Namen, die ook de orgels had gemaakt in de Kruis 
heerenkerken te Dusseldorf, Doornik, Namen en Luik. 

(2) Zie Bijlage 8. 



Digitized by 



Google 



— 21 — 

uitgang te krijgen naar de Tweebergerstraat. Te dien einde werd 
het »boeghmeeckershuys" afgebroken en het andere over den aldus 
verkregen gang (de tegenwoordige Kruisheerengang) heengebouwd. 
In 1493 deed prior Walter van Herenthals dit weder van de 
hand aan Dirk Pypers (Pipertz, Pypartz), toen pastoor der St. 
Janskerk (i). In 1455 kocht het klooster van Franco Prickinx en 
Jacob Thees een perceel gronds, naast het koor der kerk (Oost- 
zijde) gelegen; later nog een tweede perceel dat aan het eerste 
grensde, van Petrus Hoenincx te *'Heerderen. 

Op het eerste perceel verrees in 1480 een nieuwe sacristie met 
kapittelzaal, op het tweede in 1481 een ruim lokaal, dat voorloopig 
tot refter kon dienen. In Maart 1495 legde prior Walter van 
Herenthals in den tuin, die bij de primitieve schenking behoorde, 
den eersten steen voor een nieuwen refter, keuken, studiezaal, 
enz. Dit nieuwe gebouw, aan de kerk grenzend, vormde den 
Westervleugel. De eerste verdieping van dezen nieuwen bouw 
moest dienen voor de cellen der kloosterlingen; maar ofschoon 
men omstreeks 1500 het benedengedeelte in gebruik nam, waren 
de cellen nog niet gereed. Eerst in 1520, gelijk wij hierboven 
zagen, konden die door de kloosterlingen betrokken worden. De 
vroegere nood-refter werd nu ingericht tot gastenkwartier en 
priorswoning; daarboven bevonden zich de ziekenkamers, bibliotheek 
en logeervertrekken. 

Een der huizen der Zuidzijde gebruikte men omstreeks 1460 
voor brouwerij en bakhuis (*), maar reeds in 1461 waren groote 
herstellingen noodzakelijk, daar de brouwerij door een nood- 
lottig toeval bijna geheel uitbrandde. In 1520, toen de kloosterlingen 
hunne nieuwe cellen betrokken, brak de prior Mathias Mijnekom 
de geheele Zuidzijde tot den grond af en liet daar, naar den 
trant der overige gebouwen, een nieuw gedeelte optrekken. 

De corridor langs de kerk, de Oost- en Westvleugel met de 



(1) Van 1510 — 1616 was Dirk Pypers rector bij de zusters Franciscanessen in de 
Beyart (P. Doppler, Het voortnalig klooster *Dal van Josaphat» of *de Beyard»^ 
van den derden regel van den //. Franciscus te Maastricht). Daarna werd hij 
vicarius der S. Servaaskerk. 

(^ In 1456 brouwden de Kruisheeren zelf nog niet: zij betrokken hun bier van 
Willem Capuyns «int hoechuijs" en van Dirk Op te Grave. 

Voor Willem Capuyns zie: Liber Anniversariorum, Kal. Maii (1 Mei) hierachter. 



Digitized by 



Google 



— 22 — 

Zuidzijde, waar zich de verschillende werkplaatsen (brouwerij, 
bakkerij, timmerhuis enz.) bevonden, vormden een eenigszins on- 
regelmatig vierkant. 

De kloosterpanden hadden het uitzicht op een binnenplaats en 
waren door groote ramen ruimschoots verlicht. Deze werden 
door den prior Joannes Proenen voorzien met vensters van 
gebrand glas. Hiervoor vroeg hij op het generaal kapittel van 
1539, eenigen onderstand aan de prioren der andere kloosters. De 
volgende prioren droegen daartoe elk een gelderschen rijder bij : 
Gerardus Haeps, prior van Roermond, Martinus Holthalen, prior 
van Bruggen (bij Roermond), Simon van Asten, prior vanWick- 
rath, Joannes Haymois, prior van Keulen, Jacob Dym, prior van 
Emmerik, Arnoldus Gladbach, prior van Mariënvrede, Joannes 
Gladbach, prior van Schwarzenbroich bij Aken, Laurentius de 
Vernia, prior van Aken, Rudolf van Bocholt, prior van Dussel- 
dorf, Joannes Huijsen, prior van Duisburg, Rudolf Paludanus 
(van den Broek), prior van St. Agatha, Antonius van Nymegen, 
prior van Venlo en Mathias von Grefrath, prior van Hohenhusch 
bij Erkelenz. 

Het groote venster boven den hoofdingang aan de Oostzijde 
was in 1533 gegeven door den Magister Generaal der Orde, 
Thomas van Gouda. 

Ook de regeering der stad Maastricht liet zich niet onbetuigd, 
want in 1537 werden nieuwe vensters voor de gastenkamer ge- 
schonken door „scout ende scepenen van syn Keyserlicke Maje- 
steyt ende van den hertoch van Brabant in die stadt Tricht". De 
broeders van den prior (i) stelden hem eveneens veertig florijnen 
ter hand voor datzelfde doel. 

Rondom het klooster verkreeg men door aankoop en door 
schenking eenige stukken terrein: ten Noorden o. a. een tuin als 
patrimonium van den procurator Servaes Heynsberch (later prior). 
Deze tuin bestemde men gedeeltelijk voor kerkhof, dat met een 
muur werd omgeven. Het overige gedeelte, werd de heden nog 
bestaande uitgang naar de Kommel. Omstreeks 1560 waren de 
kloostergebouwen rondom door huizen ingesloten, die het eigen- 
dom der Kruisheeren waren. Drie poortgebouwen, waarvan er 



(1) Zie hierna, in de naamlijst der prioren, Joannes Proenen. 



Digitized by 



Google 



— 23 — 

een nog aanwezig is, gaven van uit de Kommel, de Calvariestraat 
en den Kruisheerengang, toegang tot de kerk en het klooster. 

In den loop der tijden hebben de kloostergebouwen menige 
verandering ondergaan. Dank aan de herstellingswerken, onder 
het bestuur van den hoogstverdienstelijken oud-referendaris van 
Kunsten en Wetenschappen Jhr. V. de Stuers, is tegenwoordig 
het klooster weer bijna geheel tot zijn vroegeren bouwtrant 
teruggebracht. 



Digitized by 



Google 



HOOFDSTUK III. 



Geschiedkundige bijzonderheden. 



De Kruisheeren hielden zich in den beginne voornamelijk bezig 
met hunne geestelijke oefeningen en de bediening hunner kerk, 
terwijl zij hun overigen tijd wijdden aan de studie en het afschrijven, 
illumineeren en inbinden van boeken. Hunne handschriften vooral 
waren zeer gezocht. In 1528 vernieuwde Franciscus van Nijmegen 
de koorboeken der Collegiale kerken van Maastricht, Sittard en 
Visé en voorzag die van illuminures. 

Theodricus van Sittard komt sinds dien tijd aanhoudend voor als 
boekbinder en hield zich daarenboven nog bezig met het drukken 
en schilderen van plaatjes. Uit de registers van den prior Arnoldus 
Millen blijkt echter, dat te Maastricht de drukkerij van Jacobus 
Bathen uit Leuven reeds in werking was op 6 October 1552. 
Dit was de eerste boekdrukkerij van het prins-bisdom Luik. 

Het schrijf- en copiëerwerk nam dus langzamerhand af, maar 
daarvoor traden spoedig andere werkzaamheden in de plaats. De 
Cellebroeders, die in hunne Orde geen priesters hadden, lieten 
hunne kerkelijke diensten door Kruisheeren verrichten. In 1550 
en later was een der Kruisheeren „custos" van de kerk van St. 
Maarten te Wijck. 

Na het beleg van 1579 bedienden zij deparochiën van Haccourt, 
Bombaye en Waltwiller, ook waren zij op verschillende tijden 
werkzaam als rectoren bij de Grauwzusters, bij de Sepulchrinen 
en bij de Zusters van het St. Andriesklooster. 

Van den ijver en de verdiensten der Kruisheeren legt de ge- 
schiedenis getuigenis af. Vooral wijzen wij op de hooge achting, 
die zij genoten zoowel van den Magistraal als van de inwoners 



Digitized by 



Google 



- 25 — 

der stad. Vele Maastrichtsche Jongelieden namen het Ordekleed 
aan. In de zestiende eeuw bestond de grootste helft der Com- 
munauteit uit Maastrichtenaars en meermalen gaf het gemeente- 
bestuur blijken van zijne sympathie door bij verschillende gele- 
genheden het klooster te helpen en bij te staan. 

In het najaar van 1529 brak in deze streken een hevige pest- 
ziekte uit (Engelsch zweet, sudor anglicanus), die duizenden — 
meestal personen van rijpen leeftijd — ten grave sleepte. De 
ziekte openbaarde zich plotseling en had bijna altijd, binnen de 
vier en twintig uren, den dood ten gevolge. Ook Maastricht 
werd zeer geteisterd. De geestelijkheid der stad wedijverde in 
het verplegen en verzorgen der pestzieken, ondanks het groote 
gevaar van besmetting. De Kruisheeren onderscheidden zich door 
hunne hulpvaardigheid. De fraters Franciscus van Nijmegen, 
Theodoricus van Sittard, Gijsbertus Gielen, Libertus Vaechs, 
Petrus Plas, Joannes van Wyck en Mathias Strucht waren, 
gedurende de zeven weken, dat de schrikkelijke plaag aanhield, 
dag en nacht in de weer om de zieken te verplegen en bij te 
staan. Reeds den 27 November van dat jaar viel Mathias Strucht 
als offer zijner menschlievendheid en plichtsbetrachting. In vijftien 
uren tijds maakte de pest een einde aan zijn jeugdig en veel- 
belovend leven. 

De regeering der stad stelde de hulp, door de Kruisheeren 
verleend, op hoogen prijs. Zij zond hun een zeer vleiend schrijven 
van dankbetuiging en waardeering en schonk hun daarenboven 
eene belooning van vijf-en-twintig Hornsche guldens. 

Omstreeks 1 532 bedreigden de Turken Hongarije en Duitschland. 

Op den rijksdag door Keizer Karel V te Neurenberg gehouden 
vroeg hij de hulp zijner Staten. De Prins-bisschop van Luik 
moest voor zijn aandeel een som van 20.000 imperialen opbrengen 
tot het aanwerven en onderhouden van 120 ruiters en 380 man 
voetvolk. Alle kerken en kloosters van het diocees werden diens- 
volgens geschat en moesten naar gelang dier schatting hun aan- 
deel in de belasting betalen. 

Tilman van Herkenrode, kanunnik der St. Janskerk en abt 
van St. Jacob te Luik, stelde de, door de Kruisheeren te betalen 
som, op zes florijnen brabantsch, waarvoor hij een kwitantie 
afgaf, onder dagteekening van 25 September 1532 en geteekend 
-Tilman''. 



Digitized by 



Google 



— 26 — 

In datzelfde jaar werd door paus Clemens VII aan keizer Karel V 
verlof gegeven een nieuwen taks te heffen op de goederen der 
geestelijkheid, ten einde op die wijze de noodige gelden in te 
zamelen om weerstand te bieden aan de dreigende invallen der 
Turken. De bul, door paus Clemens uitgevaardigd, is door prior 
Proenen overgeschreven in het kort verhaal, dat hij over den 
Turkenoorlog te boek stelde. Dat overzicht heb ik niet kunnen 
bemachtigen. In zijn stipaal, waaruit deze gegevens geput zijn, 
heeft hij de bul weggelaten. In Mei 1534 ging men in het land 
van Tricht, Limburg en Valkcnberg tot de uitvoering dier bul 
over. Daarmede werden belast de Deken van Nivelles en Hie- 
ronimus Hammen van de Rekenkamer des hertogen van Brabant. 
Dezen zonden aan de Kruisheeren van Maastricht een schrijven 
van den volgenden inhoud : 

„Devoeten en onssen gueden frunden prior ende Convente van 
„den Cruysbroederen in der Stadt van Maestricht. 

„Devoete heeren in Goede, besundere guede frunden, achtervol- 
„gende den expressen laste dye wy hebben vander Koeniginne 
„ende den zeer eerweerdige vaeder in Gode myne heere den eerts- 
„biscop van Palerme om in desen lande van Overmaese ter executiën 
„te stellen zeeckere pausselycke bullen aengaende der subsidien ende 
„hulpe onssen heere den Keyser by onssen alreheylichsten vaeder den 
y.Paus geaccordeert te hebbenende the heffen op dy clergie, godts- 
„huysen, gasthuyseri en ander geistelycke plaetsen der bussdomme 
„van Luydick, Collen ende andere, scryven wy tegenwoordichlycken 
„aen U ende niettemin ordineren ende bevelen van ons voorscreven 
„heeren dess Keysers wegen dat binnen den tyde van dry daegen 
„nae der presentatien van desen onssen brieven U gedaen, ghy by 
„onss kompt oft by Uwen gedeputeerden seynt in der stadt van 
„Lymborch in onssen handen dye declaratie ende specificatie van allen 
„den leenguederen, eygengueden, cynsgueden en alle anderen vruch- 
„ten erfiycke renten ende the lyne, thienden. jaergetyden, offeranden 
„ende dislributien ende voerts alle anderen ordinaris en extraordinaris 
„incoemen U en uwen convente toebehoerende soe wel binnen als 
„buyten der stad van Tricht ende in allen anderen landen en heerlyck- 
„heden dessellefs ons heren des Keysers, oever ende in dcse syde 
„der Maese gelegen, mitten commeren ende lasten daerop wesende, 
„ende daartoe noch dyé registeren en reeckenningen vanden tyde van 



Digitized by 



Google 



— 27 — 

„X oft XII jaeren daerop dienende om daeruut eenen siaet by ons 
jpghemaeckt the weerden, achtervolgende dye last dyewydaervan 
afhebben. En dess en wilt niet laeten, ten eynde ghy ons gheinen 
^occasie en geeft tegen U en uwen gueden rigereuselyck te pro- 
„cedeeren, dwellick wy lyver verhuet saegen. Devote heeren in 
„Gode besundere goede vrinden onsse here Godt zy mitt U. 
«Gescreven te Lymborch XXIII Mai anno XV<^ XXXIIIL 

»Dye Commissarissen ons heeren des Keysers in den landen van 
„Oevermaese, Wel Uwe de Loech 

Hammen. 

Tengevolge van dezen brief deden de Kruisheeren een staat 
opmaken van de goederen, die zij in bovengenoemde landen 
bezaten, en werden zij genoodzaakt te storten de som van 
46 flor. brab. en 6 stuivers, in handen van Nicolaas Raeven, den 
rentmeester van Limburg. Daar zij echter deze som niet in eens 
betalen konden, geschiedde zulks in twee termijnen: de eerste 
(23 fl. 3 st.) in December 1534, in Februari 1535 volgde de 
andere helft. 

De twee kwitanties door Nicolaas Raeven daarvoor gegeven 
luiden als volgt: 

I. „Item ich Claes Raeven rentmeister tot Lymborch bekenne 
ontfangen te hebben van broeder Servatius van Henssberch procu- 
rator dess Cloesters van den Cruyssbroederen binnen der stadt 
van Maestricht van wegen dess selleven cloesters ende op hon tax 
inder contributien vander geystlycken dye somme van dryende- 
twintich gulden ende dry stuivers brabantie, the XX st. brab. den 
gulden, üirkonde deser mynder eygen hantscrifften en hantteicken 
hyer onder gesedt ultima decembris anno XV^ XXXV style van 
Luydick''. N. Rave. 

II. „Item ich Claes Raeve rentmeister tot Lymborch bekenne 
ontfangen te hebben by hant van broeder Servatius van Heynss- 
berch, procurator van den Cruyssbruederen binnen der stadt van 
Maestricht van wegen desselleven Cloesters van den Cruyssbroe- 
deren dye somme van sessendeviertich gulden en ses stuveren 
brabans the XX st. brabants den gulden ende dat op ende in 
betaelingen van den voerscreven cloester van den Cruyssbroederen 
binnen Maestricht tax ende quote in der contributien vander 



Digitized by 



Google 



— 28 — 

geislickheit by mynen heer den Ertsbuscop van Pylerme gemaeckt 
sexta Octobris neestleden vanden guederen dess voerscrevea 
cloesters van den Cruyssbroederen en daervan dye declaratie ende 
specificatie oevergegeven is geweest in handen vanden Commissa- 
rissen in den lande van Oevermaese geordineert. Oirkonde deser 
mynre eygener handscrifFten en hantteickene hyr onder gesett 
des XVI daichs februarii anno XV^ XXXV stile van Luydick*'. 

N. Rave. 

De stad Maastricht was ten gevolge der moeielijke tijdsomstan- 
digheden op zware lasten gekomen en in 1535 besloten de bur- 
gemeesters en gezworenen door het heffen van een maal- en 
weeggeld in den berooiden toestand der gemeentekas te Voorzien. 
Zij noodigden den prior der Kruisheeren en de rectoren der 
Zusters van „de Beyart", de Witte Vrouwen, het St. Andries- 
klooster en den Nieuwenhof ten stadhuize en verzochten hun om 
deze belasting op te brengen gelijk de andere burgers der stad. 
De kloosteroversten antwoordden, dat zij daarop niet onmiddellijk 
konden en mochten beslissen, noch de gevraagde belasting betalen 
zonder inbreuk te maken op hunne immuniteiten. Zij verzochten 
derhalve aan het Stadsbestuur hun dat voorstel schriftelijk te 
doen geworden, opdat zij daarover met hunne respectievelijke kapit- 
tels en oversten zouden kunnen beraadslagen. Daarop zonden 
burgemeesters en gezworenen het volgend schrijven: 

„Eerweerdige relligiose in Christo pater prior en gemeyne brue- 
„deren dess cloesters van den Cruyssbroederen, goede gemeyne 
„medeborgeren 

„Want dye guede stadt Tricht int verantwoerden der sellever 
„stadt rechten, vryheiden ende privilegiën tot verscheiden groeten 
„swaeren lasten (alss genoechsam openbaer kundich) coemen is 
„woe daerom dye selleven lasten the muegen afleggen en min- 
„deren, burgemeisteren, geswoeren raet ende gelederen eyndrech- 
„tic mit ouch tmeisten gevolge van den XXIII ambachten 
„geordineert ende verdraegen 't maelgelt ende waegelt ten tyt van 
„vier iaren nae den anderen neestvolgende op thesetten en opge- 
„satt hebben. In fuegen van ellicken vaet gemaelen terven eynen 
„stuver, van ellicken vaet gemaelen rogge eyne halven stuver 
„current en van eynen hondert pont dat ter waeghen behoert eyn 
„noegenmennicken brabants der stadt behoeff the geven. 



Digitized by 



Google 



— 29 — 

„Is daerom aen U eerweerdicheyt dye begheerte der borghe- 
^meisteren, geswoeren ende raet gelederen ende gemeynre burgeren 
„dat dye seleve U eerw: als goede medeburgeren in dit voerscreven 
„opsetten oick willen consentieren, dwellick sy aen U eerw: 
„geerne onderstaen sullen en willen te verdienen ende tot U eerw : 
„in allen tyden hon halden ende bewysen als guede getruwe 
„medeborgeren toestaet en behoert te doen. 

„Begherende deser honre petitien U eerw: guetlyck antwoert. 

„Uut beveel mynre heeren burghemeysteren, geswoeren en raet 
voergenoempt: 

Lambertus Coeninx, secretarius. 

Het antwoord der kloosters luidde als volgt: 

„Op allsullicke scrifiFtelyke petitien van uch eerweerdige, wyse, 
„voersinnige heeren borghemeisteren en geswoeren deser gueder 
„stadt Maestricht voergehalden anno 1535 opten seventhienden dach 
„novembris den gheistelyckén heeren Johan Proenen prior en mit 
„hoem broeder Servaes Heinsberch procurator dess convents van 
„den Cruysbroederen, heer Sybertus van Rannenraede pater des 
„cloesters van den dael van Josaphat, her Gerart Haerlem pater 
„opten Meechdendries, heer Johan van Megen pater van de Witten 
„Vrouwen, heer Lenaert van Lymborch pater opten Nuwenhofi: 
„geven sy uch eerweerdige, voersinnige heeren borghemeisteren 
„en geswoeren deemoedelycken te kennen dat sy ofFt hoene cloester 
„onlanx binnen cortten tyden veel lasten ende besweerenisse gehadt 
„hebben aen onssen genedigen heer den cardinael ende busscop van 
„Luydick the hulpen ter expeditien ende reysen tegen den Turcke 
„als uwer eerw: kondich is. Ende daernae in dit tegenwoerdich 
„jaer van 1535 wederomme getaxeert syn op dye helscheit honder 
„guederen van der Keyserlycker Majesteit als oeck u eerw: wael 
„kundich is ende wy derselver uw eer: wael sulden doen blycken 
„offs noet weer ende voel anderen lasten ende beswerenisse. 

„Niet the min desen niet thegenstaenden aengemerckt dye guet- 
„iycke en fruntlycke bede ende begheerten van uch eer: heeren 
„soe presentieren sy sich nog ter eeren en waelfaert der goeder 
„stadt op dit pass als guede medeburgheren nae inhalt der ordi- 
„nantie deser scriften the contribueren. Ende daerby noch ouch 
„over uch eer: heeren en deser goeder stadt saeliger voertganck 
„Godt almechtich getrouwelycke te bidden tot allen tyden. 



Digitized by 



Google 



— 30 — 

„Beheltelycke onder protestatien deser goeder stadt privilegiën 
„niet afF te nemen. Ende onsser geistelycke jurisdictien, vryheit, 
„privilegiën ende indulten in honre macht blyvende. AUei dit ter 
„goede beden en begheerte geerne en guetlycke consentieren en 
„dit believen anno 1535 octava novembris'*. 

Een der secretarissen van den raad der stad gaf van dezen 
brief het volgende ontvangbewijs : 

„Op Maendach den VIII««^ dach Novembris A» X V^ XXXV soe 
„hebben dye eerweerdighe relligiose en devoete persoenen voerscreven 
„dese hon scrifielycken antwort den gemeynen raet overgegeven 
„en allsullicke petitie alssmen vander stadt wegen aen hoem begeert 
„heeft. Ende mich secretario hyeronder genoempt bevoelen tsellef 
„te onderteyckenen dwellick ick uut beveel wye voerscreven ge- 
„doen hebbe. Paulus Wynandi (i), jussu generalis concilii". 

Nieuwe moeielijkheden deden zich weldra voor en nieuwe 
lasten werden aan de stad en hare inwoners opgelegd door de 
staatkundige verwikkelingen van de jaren 1541 en 1542. 

Willem van Gulick, hertog van Gelre had in het voorjaar van 
1541 een verbond gesloten met Frans I koning van Frankrijk 
tegen Keizer Karel V en een oorlog dreigde uit te breken. De 
gravin de la Marck had ook de bescherming van den koning van 
Frankrijk ingeroepen en vroeg zijne medewerking om van den 
prins-bisschop van Luik de betaling te erlangen van een groote 
som gelds, als schadeloosstelling voor het ter doodbrengen van 
graaf Willem de la Marck, die in 1485 te Maastricht was onthalsd. 

De Turken bedreigden Hongarije en Oostenrijk en de Rijksdag 
van Spiers stemde de lichting van 8000 ruiters en 40000 voet- 
knechten om tegen de Turken strijd te voeren. Het contingent 
van den Westfaalschen kring bedroeg 1024 ruiters en 5394 voet- 
knechten, waarvan het prins-bisdom Luik 150 ruiters en 465 voet- 
knechten moest leveren. De prins verwittigde daarvan zijne staten 
14 April 1542. De lasten, zeide hij, zullen gedragen worden door 
al onze onderdanen. De Staten gaven tot deze lichting hunne 
toestemming en bepaalden de bezoldiging der legeraanvoerders (*). 

In Juni 1542 brak de oorlog uit tusschen Keizer Karel V en 



(1) Paulus Winandts stierf 22 October 1652. 

O J. Daris, Histotre du diocese et de la Principauté de Liége^ XVI siècle p. 130. 



Digitized by 



Google 



— 31 — 

den Koning van Frankrijk met zijne bondgenooten. De hertog 
van Gelre had een leger op de been gebracht van 12000 voet- 
knechten en 1500 ruiters en ontving van Frans I eene versterking 
van 600 ruiters onder aanvoering van Longueval. De Gelderschen 
onder aanvoering van Maarten van Rossem, Meinart van Ham 
en de Gulikschen onder Herman van Sittard vielen de Neder- 
landen binnen. Maarten van Rossem voerde zijne troepen naar 
de Meierij van 's Hertogenbosch, maar werd reeds na korten tijd 
tot den aftocht genoodzaakt. Vervolgens trachtte hij het prinsdom 
Luik binnen te dringen en zich aldus naar het Luxemburgsche 
te begeven, waar hij zich met de troepen van den hertog van 
Orleans zou vereenigen. Cornelius van Bergen, prins-bisschop van 
Luik nam onmiddelijk de noodige maatregelen om een inval in 
zijn grondgebied tegen te gaan. In overleg met de Staten hield 
hij de troepen terug, die op het punt stonden naar Hongarije 
tegen de Turken op te trekken, en liet nog achttien (i) vendels 
voetknechten werven. Deze troepen, aangevoerd door Richard de 
Mérode, heer van Frentz, Sampt en Stampei, werden in de voor- 
naamste steden van het prinsdom gelegd om iederen aanval van 
de Gelderschen te kunnen weerstaan. Ook de stad Maastricht — 
door Maarten van Rossem bedreigd — werd door hare twee 
Souvereinen, de Gouvernante der Nederlanden en den Prins- 
bisschop van Luik — in staat van tegenweer gesteld. De geeste- 
lijkheid van het bisdom Luik moest voor deze nieuwe lichtingen 
eene belasting opbrengen van 40.000 brabantsche guldens. Er 
werd besloten de vroegere Turkentaks te verviervoudigen, zoodat 
de Kruisheeren, die toen voor zes florijnen waren aangeslagen, (2) 
er nu vier en twintig moesten betalen. De Deken van St. Jan te 
Luik, Waltherus de Corswarem, was met het innen der gelden 
belast. Toen zijne afgevaardigde zich 14 Juli 1542 bij de Kruis- 
heeren aanbood om hun aandeel in de belasting in ontvangst te 
nemen, liet hij bij den procurator Servatius Heijnsberg een 
afschrift achter van zijn lastbrief, waarop de bijdragen der overige 
geestelijke gestichten van Maastricht vermeld stonden. Zoodoende 



(Ij Aldus het stipaal van den prior Proenen. — Daris, Hist. etc. als boven p. 130 en 
131 spreekt van dertien en van acht vendels. 
(^ Zie bladz. 25. 



Digitized by 



Google 



— 32 — 

is het curieus document voor ons bewaard gebleven, waardoor 
wij eenigszins over den geldelijken toestand dier kloosters een 
oordeel kunnen vellen: 

De commandeur Bernshom van de Alde Biesen ~ 800 flor. brab. 

Kapittel van St. Servaas 560 fl. bb., het kapittel van Onze 
Lieve Vrouw 560 f. b., de Antonieten 240 f. b., De Beyart 200 f. b., 
St. Andries 80 f. b.. Witte Vrouwen 60 f. b.. De Predikheeren 
40 f. b., De Kruisheeren 24 f. b., De Bogaarden 24 f. b., De 
Nieuwenhof 24 f. b. 

Den 31" Juli 1542 noodigden de burgemeesters en gezworenen 
van Maastricht, de verschillende kloosteroversten der stad ten 
stadhuize, en verzochten hun om bij te dragen tot het aanleggen 
van verdedigingswerken, het maken van loopgraven enz., alsook 
om het oud koperwerk af te staan dat dienen moest om er kanon- 
nen van te gieten. De Kruisheeren leverden vijftig, de Predikheeren 
een en vijftig pond koper. Wat het graven enz. betrof, daarop 
gaven de gezamentlijke kloosters hun antwoord in het volgend 
schrijven : 

„Eerweerdige heeren borghemeisteren, geswoeren en eersaemen 
„raet deser stadt. Optghene dat gisteren ons voorgegeven is als van 
„behulp ende succurs the doen tot groete nootsaecken om graeven en 
„wallen te stereken, antwoerden wy cloesteren der Predicaren, 
„Minrebruederen, Augustynen, Cruyssbruederen, Bogarden, Celle- 
„bruederen, Wittenvrouwen, Beyart, Mechdendries ende Nuwenhoff 
„alletyt mit protestatien, dat wy mit desen geinrely wys niet en 
„willen crencken offt aflFnemen onsen privilegiën, vryheiden ende 
„exemptien, niettegenstaende oeck groete lasten en swaer schat- 
„tingen als wy cloesters onlanx gehadt en gegeven hebben tot 
„onderhaldinge der ruyter ende knechten, in behoeff der bescher- 
„minge dys lants, waervan ander borger deser stadt vry syn. 
„Nochtans ter begeerten van onser heeren offereeren wy guetlyck 
„en lieflyck: Dat eyn eygelyck cloester voerscreven by syn keer- 
„spel (als dat graeven sall) daerby voegen sall dry persoenen, 
„uytgenoemen alletyt dat men ons niet versuecken sall om the 
„graeven op sondaegen en anderen geboeden vierdagen, willende 
„dat verhaelcn op andere werckendaegen. Hyr mit presteeren wy 
„onsen getrouwen dienst om Godt allemechtich alletyt te bidden 
„voer saelicheit en welfart onsser heren borghemeisteren en ge- 
„swoeren in der gueder stadt voersscreven". 



Digitized by 



Google 



— 33 — 

Dank aan de krachtige voorzorgsmaatregelen door den Prins- 
bisschop van Luik en zijne steden genomen bleef Maastricht en 
het prinsdom van een inval der Geldersche vijandelijke troepen 
verschoond. 

Sedert 1562 begon het Calvinisme zich in de omliggende ge- 
westen uit te breiden en, door den sleun van belanghebbende 
edelen, immer in kracht toe te nemen. De nieuwe bisschop van 
Luik, Gerardus van Groesbeek, zag het dreigend gevaar zijner 
dierbare kudde en vroeg aan pater Leonard van Kessel S. J , des- 
tijds aan het hoofd van het college te Keulen, hem eenige priesters 
te zenden. Deze stelde eenige paters ter beschikking van den bis- 
schop, waaronder een bloedverwant van den beroemden en hei- 
ligen Petrus Canisius namelijk Henricus Denis of Dionysius, 
die door den bisschop te Maastricht werd geplaatst. Hen- 
ricus Denis was een zeer begaafd man, die eene buitengewone 
welsprekendheid paarde aan eene groote geleerdheid. Na korten 
tijd keerde hij naar Keulen terug, maar reeds in het jaar 1566 
was hij weer te Maastricht en nam zijn intrek bij den Deken 
der Collegiale kerk van O. L. Vrouw, Richaldus de Merode. 

Inmiddels waren er twee nieuwgezinde predikanten. Jan Scheitz- 
habener en Herman Stuycker (i), vergezeld van een menigte 
vreemdelingen te Maastricht aangekomen en weldra barstten de 
onlusten uit. 

Den 29 September 1566 bemachtigden zij, geholpen door een 
troep ontevredenen, met geweld de St. Mathiaskerk waar zij alles 
vernielden, den 3 November drongen zij in de kerk der Augus- 
tijnen richtten er groote verwoestingen aan en wilden zich daarna 
naar de kerk der Predikheeren begeven. Dank echter aan het 
krachtig optreden van den schout, Strijthaegen, werd hun voor- 
nemen verijdeld en slaagden er de goedgezinde burgers in, de 
onruststokers tot aan de Maasbrug terug te drijven. Door de 
energieke maatregelen van de Regeering der stad, moesten de 
nieuwgezinden er voorloopig van afzien, zich voorgoed in Maas- 
tricht te vestigen. Dit belette evenwel niet, dat er velen de 
nieuwe leer in meerdere of mindere mate waren toegedaan. De 



P) liij het volk cx)k genoemd Cachosius en Stercorius. Later veranderde hij zelf 
zijn naam ia dien van Modet. 
3 



Digitized by 



Google 



— 34 — 

ijver en welsprekendheid van pater Dionysius vonden dus een 
ruim arbeidsveld en zijne pogingen werden met den gunstigsten 
uitslag bekroond (i). 

Reeds kort na zijn aankomst te Maastricht treffen wij hem 
meermalen aan bij de Kruisheeren, met wie hij op zeer vriend- 
schappelijken voet stond. Vooral droeg hij den hoogbejaarden prior 
Servaas Heinsberg en den supprior Arnoldus Coemans(2) de grootste 
achting toe, en dikwijls bezocht hij hen in gezelschap van den 
Deken van St. Servaaskapittel, Nicolaas van der Straeten. Deze 
laatste, een getrouw vriend en groot weldoener der Kruisheeren, 
had hun, gelijk wij hierboven zagen, in 1561 het noodige geld 
verstrekt voor een H. Sacramentshuisje. Daarbij had hij het ver- 
langen geuit en bij testament nader omschreven, om aan den voet 
van dat H. Sacramentshuisje begraven te worden. In zijn jeugd 
had de Deken los geleefd, werd echter later een man van getrouwe 
plichtsbetrachting. Onder de leiding van Henricus Dionysius, die 
vanaf 1568 bij hem inwoonde werd hij weldra een voorbeeld tan 
deugd en boetvaardigheid. Terecht noemde men hem den Keursteen 
der Kanunniken en den Vader der Armen. 

Groot was zijne vereering voorden volijverigen en deugdzamen 
Jezuïet en deze achtte wederkeerig den Deken hoog. Hun beider 
wensch, om eens in hetzelfde graf te rusten, werd, spoediger wel- 
licht dan zij verwachtten, vervuld. Den 8 November 1571 overleed 
Henricus Dionysius, na een hevige bloedspuwing, die weldra in 
tering overging. 

Prachtig was zijn begrafenis, herhaaldelijk werden de klokken 
geluid, kerk en altaar waren op het plechtigst in zwart gehuld 
en de voornaamsten der stad vergezelden de lijkstatie met flam- 
bouwen naar de Kruisheerenkerk, waar zijn lichaam in het koor, 



(1) Voor nadere bijzonderheden verwijzen wij naar het werkje van pater A. Haak- 
man, S. J., „Levensschets van Henricus Dionysius, apostel van Maastricht", waaruit 
ook deze gegevens genomen zijn. 

(3) Arnoldus Coemans, supprior der Kruisheeren van Maastriclit, bracht hét verhaal 
der wonderbare genezing van een doofstom meisje door de voorspraak van Henricus 
Dionysius — 31 Dec. 1571 — in latijnsche verzen. Deze zijn reeds verschenen in de 
Publications . . . tome IX 1872 p. 233. 

Te oordeelen naar eenige punten van overeenkomst met dat gedicht, was Arnoldus 
Coemans ook de bewerker vau Dionysius* grafschrift. 



Digitized by 



Google 



— 35 — 

naast het hoogaltaar, aan den voet van het sacramentshuisje werd 
ter aarde besteld. Den 28 December 1573 overleed de Deken 
Nicolaas van der Straeten. Toen de doodgravers kwamen om zijn 
graf te maken vonden zij, tot aller verbazing de grafstee van 
Henricus Dionysius reeds geopend, diens kist ontbloot en daarnaast 
plaats gemaakt voor het stoffelijk overschot van den Deken. Het 
volk liep van alle kanten te samen om dit wonder te zien (^). 
De grafschriften der beide vrienden luiden als volgt (S): 
Henricus Dionysius, hic tumulatus, Jesu 
Nominis excellens religiosus erat 
Divini verbi Doctor clarissimus, idem 
Qui vigil hac Geusias arcuit urbe faces 
Qui legis haec, da vota Deo et deposce quietem 
Defuncto, et mortis sedulus esto memor 
Obiit an : CID D LXXI die VIII Novembris. 
D. O. M. 
Venerabili morumque ac vitae integritate multipliciter insigni 
D. Nicolao Stratio, Ecclesiae B. Servatii Canonico pauperumque 
in eleemosynis elargiendis patrono liberalissimo. 

Obiit Anno CIO. 10 LXXIII ipsa die Innocentium 
R. I. P. 
Omtrent het beleg en de inneming van Maastricht in 1579 door 
de Spanjaarden onder den hertog van Parma is mij uit de kloos- 
terarchieven zeer weinig gebleken. Het register van den procurator 
is regelmatig bijgehouden tot en met den 30 Juni 1579. Daarna 
zwijgt het en geen enkele post is er meer geboekt tot den 16*" 
Juni 1580, toen de Magister Generaal der Orde, Willem van 
Heynsberg een bezoek aan het klooster bracht. 

Het was geheel uitgestorven 9 slechts één Kruisheer, Jan van 
Randenrade, was nog in leven. Al de anderen waren aan de, na 



(") Conrad Muyssen, kapellaan der St. Servaaskerk, die daarbij tegenwoordig was, 
deed van deze gebeurtenis eene notarieele akt opmaken door den notaris Conrad 
Salen. Getuigen daarbij waren : Leonardus van Hennisdael, rij proost van St. Servaas 
en Andreas van den HaafF ontvanger van St. Servaaskapittel. Dit geschiedde 17 
Januari 1601. Het document is in zijn geheel opgenomen in de Publications . . . . 
tomc IX p. 233 en berust in het Rijksarchief te 13russel Fiandr. Belg. Carton 1001. 

O A. F. Haakman S. J., Levensschets van Henricus Dionysius S. J., apostel van 
van Maastricht p. 22. 



Digitized by 



Google 



— 36 — 

het beleg heerschende pest bezweken (i). Voorloopig werd Jan 
van Randenrade tot „custos domus" (huisbewaarder) aangesteld 
en deze kweet zich, ondanks vele moeielijkheden en ontberingen, 
met nauwgezetheid van zijn taak. 

Vóór het beleg had men een groot gedeelte der klooster- 
bibliotheek naar Aken doen vervoeren en daarvoor de hulp 
gevraagd van Frans Monicx (*) (Monix, Municx, Muncx), neef. 
van den procurator Nicolaus Sanders. De kar, waarmede men 
deze boeken vervoerde, werd evenwel onderweg door een troep 
soldaten aangehouden en Monicx moest honderd pistolen betalen 
om vrijen doortocht te erlangen. 

Later, 11 Augustus 1582, werden de boeken uit Aken terug- 
gehaald en ontving Frans Monicx terugbetaling van de honderd 
pistolen op de volgende wijze: De schout Christiaan Eynatten(3) 
had, voor een jaargetijde aan de Kruisheeren bij testament ver- 
maakt de som van vijftig brabantsche guldens en zijn damasten 
„tabbert om kasuyffel daeraf te maecken". 

Daar nu Monicx executeur testamentaire was en dus deze som 
aan de Kruisheeren moest uitkeeren, werd hij daarvan vrijgesteld 
en de rekening met gesloten beurzen vereffend. 

Al waren kerk en klooster gespaard gebleven, toch hadden zij 
veel geleden. In de eerste raadsnotulen van 1580 treffen wij onder 
meer ook de Kruisheeren aan, die gelden ontvangen om hunne 
woningen te herstellen. 



(1) Hunne namen zijn: Nicolaas Coenen (Spauwen) prior, Arnoldus Coemans sup- 
prior, Nicolaas Sanders procurator, Gysbertus Hamont, Libertus Hoen alias Kartyls 
jubilarius, Theodericus van Leuven, Gerardus van Elderen. Deze twee laatsten waren 
waarsdiijnlijk leekebroeders. 

(-) Frans Monicx komt na het beleg voor als goeverneur der leurders en als ge- 
zworen burgemeester der stad. Ook was hij «Cruytzmeyster» zie bladz. 16. Een 
ander Cruylsmeyster, Cornelis Reesen, sedert 1578 goeverneur der Crcmers, was 
uitgesloten bij het algemeen pardon door Parma verleend den 11 Augustus 1579. 

(^) Christiaan Eynatten en zijn vrouw Johanua van Brussel werden begraven in 
het koor der Kruisheerenkerk. 

31 Aug. 1555 overleed Johannes Eynatten, vader van bovengenoeniden Christiaan, 
schout, en van Hieronymus secretaris der stad. Zijn dochter Katharina was gehuwd 
met Adam Daems schepen ; twee andere dochters heetten Maria en Beatrix. 

Adam Daems overleed in Januari 1558; Hieronimus Eynatten overleed 22 Maart 1563. 
Beiden werden in de Kruisheerenkerk begraven. 



Digitized by 



Google 



— 37 — 

Het gewelf en de muren der kerk waren op veel plaatsen zeer 
beschadigd; het klooster geleek een ruïne. Vele andere huizen 
rondom het klooster en aan de Kruisheeren toebehoorend stonden 
leeg of waren onbewoonbaar. Zes andere, nabij de schuur gelegen, 
waren afgebroken ot verbrand („gebernt"). 

De prior Hubertus van Stavelot — in 1581 aangesteld — moest 
verschillende voorwerpen te gelde maken om de eerste onkosten 
te kunnen bestrijden. Zoo verkocht hij eenig zilverwerk (ampullen, 
pyxis enz.) tot een bedrag van vijf en zestig brabandsche guldens 
om het gewelf der kerk te herstellen. Zijn broeder Lambertus van 
Spa schonk hem voor dat doel eene som van zestig brabantsche 
guldens. Ook de koperen brouwketel werd voor twintig brab. 
guldens van de hand gedaan en het geld in bouwmaterialen omgezet. 
Het duurde geruimen tijd eer het klooster de geleden rampspoeden 
eenigszins te boven kwam: het geraakte echter nooit meer tot 
zijn ouden bloei. In de eerste jaren na 1580 waren er maar een 
paar Kruisheeren aanwezig. De Orde van het H. Kruis, die bijna 
uitsluitend bestond in Holland, België en de Rijnprovincie, had 
veel van de vervolgingen en oorlogen te lijden C^) en kon niet 
zoo spoedig voor behoorlijke aanvulling zorgen. 

Eerst omstreeks 1600 kon alles weer zijn gewonen loop her 
nemen en in 1615 bestond de communauteit weer uit negen leden 
waarbij drie leekebroeders. 

In 1628 November begaf zich de toenmalige prior Martinus Pauli 
voor zaken op reis naar Luik. Terwijl hij te Bouvery een bezoek 
aflegde bij zijn neef Pierre Thirion, drongen plotseling zeven 
Hollandsche soldaten het huis binnen. Zij maakten zich meester 
van den prior, ontnamen hem zijn geld, voerden hem gevankelijk 
naar Emmerik en deden hem onderweg allerlei mishandelingen 
verduren. Te Emmerik aangekomen werd hij in de gevangenis 
geworpen; voor zijn losgeld werden vijfhonderd patacons geëischt. 

De Kruisheeren van Maastricht konden zulk een groot bedrag 
niet aanstonds uitkeeren en wendden zich tot den Mag. Generaal, 
Augustinus Neaerius, met verzoek om die som op hunne vaste 

Q) Niet alleen stonden de Kruisheeren zelf pal, zoodat nóch het protestantisme, 
nóch later het Jansenisme, zich op één enkel geval van aposutie beroemen konden: 
zij waren ook, zooak 'blijkt uit de bescheiden, een steun in het geloof der om. 
wonenden. 



Digitized by 



Google 



— 38 — 

goederen te mogen opnemen. Öeze droeg zulks op aan den prior 
van het klooster te Luik HenricusSylvius( van 1637— 1639), suiBFragaan 
bisschop van Luik en bisschop van Dionysie\ welke in onderhandeling 
trad met Thomas Guillaume de Nyess, kanunnik van de collegiale 
kerk van St. Martinus „en Mont d'Aulive". De kanunnik leende 
op de bezittingen der Maastrichtsche Kruisheeren het kapitaal van 
vijfhonderd patacons, waarvoor hij jaarlijks eene rente van tachtig 
brabantsche guldens zou ontvangen. Op het laatst van Maart 
1629 werd het losgeld voldaan en prior PauH in vrijheid gesteld. 

Nieuwe tegenspoeden zouden echter het klooster spoedig 
treffen. In 1632 viel Maastricht, na een beleg van bijna 3 maanden 
(9 Juni -22 Augustus) in handen van den Prins van Oranje. 
Het klooster en de kerk hadden veel geleden: de kloosterpanden, 
het dak der kerk, de kapel van St. Michael waren zeer beschadigd 
door de kanonskogels. Bijna een jaar lang waren timmerlieden en 
metselaars bezig om de geleden schade te herstellen. 

Daarenboven hadden de kloosterlingen vele plagerijen van de 
overwinnaars te verduren. 

Al was bij de overgave der stad bepaald dat „de Heere Hoogh- 
proost van St. Servaes en alle geestelycke, kerkelycke en religieuse 
personen, alsmede de Heere Hoogh-proost onzer L. Vrouwe, 
beyde heeren Dekens en de Capitulen met hare suppoosten, 
de vier pastoren, de collegie van de Sociëtyt, alle cloosters 
ende persoonen van wat staat, digniteyt, qualiteit, ordre ofte 
functie die zyn, geene uitgezonderd zullen blyven ende worden 
gemainteneert in ende op alle haere respectieve goederen, incomsten, 
digniteyten, privilegiën, vryheden, exemptiën, heerlyckheden, fonc- 
tiën, bedieningen, gebruycken ende possessiën soo buyten als binnen 
de voorzeide stadt", zoo werden de Kruisheeren, na eenigen tijd, 
toch gedwongen hun aandeel in de belastingen op te brengen, 
ofschoon zulks lijnrecht in strijd was met hunne exemptiën. Toen 
zij daartegen hunne stem verhieven, ontvingen zij voor antwoord 
slechts nieuwen smaad. 

Den 6 Aug. 1635 drongen de soldaten in hunnen tuin binnen, 
vernielden den muur en de fruitboomen. Den 3 September van 
datzelfde jaar werd aan al de kloosteroversten het verbod gegeven 
»om vreemde religieusen of monniken in de plaats der verstor- 
venen aan te nemen " 



Digitized by 



Google 



— 39 — 

Bovendien eischte men op de lasterlijke aanklacht der predikanten 
bij de Staten, voor ,,de geordende ende pauselyke ecclesiastike'* 
personen binnen Maastricht, eenen eed van den volgenden inhoud: 
„Wij belooven ende sweeren den Staten Generaal der Vereenigde 
Nederlanden, die byde Unie ende hanthoudinghe van de gerefor- 
meerde religie sullen blyven, als heeren van Maestricht, gehou en 
getrouw te zyn, dat wy deszelve, als oock den Raet van State 
der voorzegde Vereenigde Nederlanden, in haar ordonnantiën en 
bevelen sullen gehoorsaemen, ende ons wyders draeghen en com- 
porteeren als vroeme ende onderdane ondersaeten toestaet ende 
behooren te doen. Soo waerlick moet ons Godt almachtich helpen". 

Tegen dezen eed protesteerde geheel de geestelijkheid zoowel 
bij den Hertog van Bouillon, gouverneur der stad, als bij den 
Prins van Oranje (den 18 September 1635). 

Als gegronde reden gaven zij aan, dat het vorderen van dien 
eed wantrouwen te kennen gaf; dat nooit door Spanje's Koning 
zulk een eed van de geestelijkheid gevorderd was (een privilegie 
dat zij, krachtens het derde artikel der capitulatie van Aug. 
1632 moesten blijven genieten) en dat eindelijk het afleggen van 
dien eed geheel noodeloos heeten moest, daar de geestelijk- 
heid, ook zonder dien eed even getrouw zou blijven. Daarbij 
kwam dat de termen van den eed zeer onduidelijk waren en 
lichtelijk tot verkeerde uitlegging aanleiding geven konden, 
alsof namelijk ook de geestelijken de bevelen betreffende de hand- 
houding van de gereformeerde religie zouden moeten observeeren, 
iets wat geheel met hun geweten in strijd was. 

Gedurende het beleg van Maastricht door de Franschen onder 
Lodewijk XIV (6 Juni - 1 Juli 1673) werden kerk en klooster 
wederom deerlijk gehavend (i) en het was den kloosterlingen 
onmogelijk de kosten der herstellingswerken uit eigen middelen 
te bestrijden. Zij wendden zich dus, bij monde van hunnen sup- 
prior, onmiddellijk tot koning Lodewijk en deze schonk hun, den 
23 Augustus van datzelfde jaar, de niet onaanzienlijke som van 
een en twintig honderd gulden, als gedeeltelijke vergoeding der 
geleden schade. 

(ï) In het vooruitzicht van het beleg, hadden de Kruisheeren reeds in April van 
dat jaar hunne voornaamste kerksieraden naar hun klooster te Luik doen over- 
brengen. In het voorjaar van 1673 verden die weder teruggehaald. 



Digitized by 



Google 



— 40 - 

Voorzien van de noodige geloofsbrieven begaven zich de frate 
Leenaars, Meyers en Eyken op weg naar de verschillende Kru 
heerenkloosters der Maas- en Rijnstreek. Hunne reis werd m 
vrij goeden uitslag bekroond (i); het duurde echter nog biji 
twee jaar eer kerk en klooster behoorlijk waren gerestaureerd. 

Gedurende de volgende jaren had het klooster aanhoudei 
inkwartiering van soldaten en ruiters, waardoor het ten zeers 
gedrukt werd (2). 

In 1682 moesten de Kruisheeren voor het onderhoud zorg< 
van twintig soldaten en zulks herhaalde zich in 1692 (3), toen; 
daarenboven een gedeelte van het klooster en van hunne zolde 
moesten afstaan om ruiters, paarden en krijgsvoorraad te berge 

Tot aan den inval der Franschen in 1794 bieden de registe 
der prioren en procuratoren zeer weinig bijzonders. Het gei 
kloosterlingen bleef gewoonlijk hetzelfde en beperkte zich meest 
tot tien priesters en drie of vier leekebroeders. 

Nadat het klooster bij de wet van 15 fructidor an IV Ql Se 
tember 1796) was opgeheven, werden de Kruisheeren in 17' 
verjaagd. Op dat oogenblik bestond de Communiteit uit de r 
volgende leden: 

Joseph Leurs, prior (4). 

Pieter Gaspar Vriendts, procurator. 

Johannes Haenen. 

Antonius Mulckens (0). 

Franciscus van Brabant. 

Petrus DungeloefF. 

Godefridus Willems (0). 



(1) De Magister-Generaal schonk fl. 200, het klooster van Luik fl. 40, dat \ 
Namen fl, 20, dat van Gooien fl. lf>, dat van Dusseldorp fl. 20, dat van Keulen fl. 
dat van Bentlagen fl. 20, dat van Hohenbusch fl. 40, dat van Bruggen fl. 27.10, < 
van St. Agatha fl. 40, dat van Wegberg fl. 15, dat van Venlo fl. 24 en dat van Wi 
rath fl. 28. 

(') In 1675 heerschte er in de Maasstreek eene groote schaarschtc aan leve 
middelen en veldvruchten. Het vat haver werd verkocht voor 3 fl. 9 st. 

(8) Zie bijlage 10. 

(<) Zie in de naamlijst der kruisheeren hierna. 

C^) Zie » » » » p » 

{^) Godefridus Willems overleed te Wijck den 21 December 1835. Hij nam 1 
archief der Kruisheeren mede, hetwelk bestond uit 110 registers, eenige bundels do< 



Digitized by 



Google 



— 41 — 

Petrus Johannes Peters. 

Johannes Eymael leekebroeder. 

Leonardus Hoho, id. 

Een arrèté van het Directoire van 23 fructidor an V (9 Sep- 
tember 1797) bepaalde dat de kerk en het klooster moesten ver- 
kocht worden. 

Daartoe kwam het echter niet. In den Franschen tijd werd het 
eerst tot militair munitiemagazijn en later tot kazerne ingericht. 
Tegenwoordig dient een gedeelte der kerk en van het klooster 
tot garnizoensbakkerij, in het ander gedeelte — sedert de laatste 
jaren schoon gerestaureerd is het Rijkslandbouwproefstation ge- 
vestigd. 



menten en een paar honderd charters op perkament. Bij zijn dood werd door den Staat 
beslag op dat archief gelegd ingevolge de wet van 15 Fructidor an IV. Tot 20 November 
18S0 bleven deze archieven bewaard op het kantoor van den ontvanger der domeinen: 
alsdan werden zij door de zorg van den toenmaligen archivaris Jos. Habets bij het provin- 
ciaal archief ingelijfd. 



Digitized by 



Google 



HOOFDSTUK IV. 



a). Prioren. 



1. Michael van Testelt (1439—1458) (i). 

Hij was te Namen in de Orde van het H. Kruis getreder 
aldaar van 1426 — 1429 als prior werkzaam. Hij werd bij de st 
ting van het Maastrichtsche klooster eerst als „rector domus' 
later als prior aangesteld. Hij schijnt een voortreffelijk kar 
redenaar geweest te zijn, althans gedurende zijn prioraat te M 
tricht bevond hij zich zeer dikwijls in Brabant, voornamelijl 
Lier, Diest, Aarschot en omstreken om daar het predikambt 
te oefenen (*). Ook in het stipaal van den prior Proenen staa 
opgeteekent als „habens gratiam verbi in sermocinando 
modicam". In den zomer van 1458 bevond hij zich in de 
streken van Lier. Daar overviel hem eene koorts, die weldra 
einde aan zijne dagen zou maken. Doodziek en uitgeput kwam 
den 1 Juli te Maastricht aan en reeds Vrijdag in het Octaaf 
O. L. V. Visitatie (2 Juli) ging hij tot een beter leven c 
Aangezien het getal kloosterlingen nog niet toereikend was 
tot een priorkeuze te kunnen overgaan, bleef de procurator 
vatius Hasselt tot 1460 het nieuwe klooster als „rector don 
besturen. Toen werd, door den Magister Generalis, Theodr 
van Hall, als prior aangesteld: 

2. Johannes Clocker (1460-1462). 



i}) De aldus geplaatste jaartallen geven den duur aan van hun ambt als 
supprior, procurator. Hij de conventualen is het jaartal aangegeven, waarin zij 
komen in de verschillende registers. 

(') Waarschijnlijk was hij ook in die streken geboren. Testelt ligt bij Aarsch 



Digitized by 



Google 



— 43 — 

Deze was te Aken geboren en ook aldaar in de Orde getreden. 
Slechts twee jaar stond hij aan het hoofd van het Maastrichtsche 
klooster. Om gezondheidsredenen legde hij zijn prioraat neer en 
keerde naar Aken terug, alwaar hij, na nog vele jaren als sup- 
prior werkzaam te zijn geweest, op hoogen ouderdom overleed. 

3. Wilhelmus Welters (1462—1476) zoon van Henricus Welters 
en Mechtildis, was geboren te Horst en trad te Venlo in de 
Orde. In 1453 — 1458 komt hij daar als prior voor (}) en later 
bestuurde hij als zoodanig het klooster te Yvoy(*), totdat hij in 
1462 te Maastricht als opvolger van Joannes Clocker werd aangesteld. 

Prior Welters was een der comparanten die de schenking 
aanvaardden der St. Jacobskapel te Maeseyck 23 November 1474. 
De anderen waren de Kruisheeren Christianus de Bonne en 

Antonius ? In 1476 werd hij prior te Maeseyck. Niet lang 

mocht hij als zoodanig werkzaam zijn; reeds in 1478 overleed 
hij aldaar. 

4. Henricus a Colonia (1476-1483) trad te St. Agatha bij 
Cuyck in de Orde en was van 1471 tot 1476 prior van het 
Kruisheerenklooster te Gooien (Kerniel bij Borgloon). Hij werd 
door den Generaal, Nicolaus van Haarlem, tot prior van Maastricht 
aangesteld, omdat men het over de keuze van een nieuwen prior 
niet goed eens kon worden. Begaafd met eene buitengewone wel- 
sprekendheid, stond hij bekend als een der voornaamste redenaars 
dezer gewesten (S). In 1475 werd hij door het generaal kapittel 
naar Rome afgevaardigd met fr. Henricus van Wesel, om de 
jubilé-aflaat te verdienen (*) en aan den Paus de bevestiging te 
vragen van de privilegiën der Orde. Deze werd verleend door 
Sixtus IV bij buUe van 27 Mei 1475 (*>). Na zijn terugkeer van 
Rome werd hij op St. Valentijnsdag (14 Februari) 1476 tot prior 
van Maastricht benoemd. 

Toen hij in 1483 een bezoek bracht aan het klooster te Maeseyck 
werd hij daar door ziekte overvallen en overleed na eenige dagen. 



Q) De Maasgouw, Orgaan voor Limburgsche geschiedenis, taal- en letterkunde, 
19» jaargang, 30 April 1897. 
O Carignan, provincie Luxemburg. 

P^) Zie ook J. Daris, Noiice histariqtu sur les é<(lises du diocese de Liége tome I p. 384. 
(O Annales Ord. S. Crucis door D' C. R. Hermans deel I bladz. 138. 
(») Cod. Dipl. Ord. S. Crucis I bladz. 378. 



Digitized by 



Google 



~ 44 — 

Hij werd in de Kruisheerenkerk van Maeseyck begraven bij 
den ingang van het koor. 

5. Walter Pistoris (Beckers) van Herenthals (1483-1517). 
Deze was te Herenthals geboren en te Maastricht in de orde 

getreden. Bij zijne benoeming tot prior was hij als „terminarius" 
te Maeseyck werkzaam. Vier en dertig jaren lang stond hij aan 
het hoofd van het Maastrichtsche klooster, dat onder zijn bestuur 
een hoogen trap van bloei bereikte. 

Zijn geheel patrimonium en een legaat van zijn broeder, Johannes 
Pistoris (^), die seculier priester was, besteedde hij aan den bouw 
der kerk en van den westervleugel des kloosters, waar de refter, 
de keuken en het calefactorium gelegen waren. 

Hij smaakte de voldoening de voltrekking te zien van het door 
hem ondernomen werk, en stierf hoogbejaard, na zijn gouden 
jubelfeest als kloosterling te hebben gevierd, den 9 October 1517 

Hij was een man van buitengewone hoedanigheden, en voor 
de geestelijke zoowel als voor de tijdelijke welvaart van zijn 
klooster ijverde hij zijn geheel leven lang (2). 

6. Mathias Mynecom van Wyck (1517 — 1527) werd den 1 Novem- 
ber 1517 tot zijn opvolger gekozen. Hij was de zoon van Johannes 

Mynecom (overleden 16 December 1476) en Catharina ? Zijn 

broeder Godefridus had in „het Anker" een handel in bouwma- 
terialen. Mathias was eenigen tijd supprior van het Maastrichtsche 
klooster en daarna ook, gedurende een paar jaar, prior te Luik. 
Van 1513 tot 1517 vinden wij hem echter als procurator te Maas- 
tricht werkzaam, totdat hij tot prior werd gekozen. Hij hield zich 
veel bezig met wiskunde en tijdrekening waarom hij dan ook ge- 
woonlijk prijkt met den naam van „Astronomus". 

In 1521 woonde hij als definiior der Orde het generaal kapittel 
bij, waarop de Mag. Generaal, Wilhelmus de Rivo (^) (Van den 
Oever), werd vervangen door Laurentius Gladbach. 

(^) Johannes Pistoris van Herenthals was kapeliaan der St. Nicolaaskerk te Maas- 
tricht. Hij vermaakte aan zijn broeder Walterus, behalve de noodige gelden voor 
de stichting van een jaargetijde, nog een bedrag van vierhonderd gouden Rijnsche 
guldens. Hij had nog een broeder, Wilhelmus genaamd. 

(') Prior Proenen noemt hem : vere hu milis, mansuetus, longanimus habens gratiam 
populi et fratrum, vere pacificus^ multa bona exempla relinquens fra tribus et maxime 
in institutione disciplinae. 

(') De zuster van Wilhelmus de Rivo, Katharina, woonde te Maastricht en werd 
in de Kruisheerenkerk begraven. (Zie Necrologium in de Bijlagen). 



Digitized by 



Google 



— 45 — 

Na een tienjarig prioraat vroeg hij zijn ontslag, hetwelk hem, 
na eenige aarzeling, den 21 April 1527 werd verleend. Hij bleef 
evenwel nog tot 1529 als supprior werkzaam en overleed te 
Maastricht in 1544. 

7. Ludolphus van Leeuwen (1527— 1528), zijn opvolger, was te 
Leeuwen (hertogdom Gel re) geboren en trad onder den prior 
Walter van Herenthals te Maastricht in de Kruisheerenorde, 
anno 1486. Achtereenvolgens vond ik melding van hem gemaakt 
als koster (sacrista), biechtvader (confessarius^ en predikant. Hij 
overleed den 14 October 1528 aan ouderdomszwakte („senio 
confractus" staat er in het register van den procurator). 

8. Johannes Proenen (1528—1543), den 21 October tot zijn 
opvolger gekozen, was de zoon van Aart Proenen (}) uit „de 
Roos*' nabij het stadhuis, en Maria Paryss (of Paris). Hij trad 
te Maastricht in de Kruisheerenorde in 1520 en deed zijn eerste 
H. Mis in 1525. Hij was de broeder van Servaas Proenen, 
aldaar overleden 3 November 1549); Theobald Proenen, ge- 
huwd met Margareta Meertens, wonende te Antwerpen; Geraert 
Proenen gehuwd met Katharina . . . wonende te Keulen; Frans 
Proenen gehuwd met Katharina Dolhaerts wonende te Maastricht; 
Dominicus Proenen, en Sophia Proenen gehuwd met Willem 
Huysmans, dokter in de medicijnen, wonende op de Markt te 
Luik. 

Twee zijner nichten waren religieuzen in het St. Agnes- 
klooster te Maeseyck; prior Proenen woonde in September 1533 
hunne inkleeding bij; het volgend jaar was hij ook bij hunne 
professie tegenwoordig. Veel legde hij ten koste aan de uitbrei- 
ding der bibliotheek; in zijn uitgavenregister bevinden zich eene 
groote menigte titels van boeken, welke hij heeft aangekocht. 
Behalve vele ascetische werken en geschriften van kerkvaders. 



(1) Aart (Arnold?) Proenen was „Stadspeyraeyster" en stierf 28 November 1518. 
Zijn echtgenoote Maria Parys overleed 21 December 1536. Beiden zijn in de 
Kruisheerenkerk begraven, alwaar hun grafzerk nog aanwezig is. 

Het opschrift daarvan luidt als volgt: 

„Hyr ligt occk begrave die eersame Arnt Proene, peimeister deser goder Stadt 
sterff A» XVc XVIII den XXVIII Novembris en Joffrou Marie Paris syn huisfrou 
sterf A* XVc en XXXVI de XXI dach Decembris". 

De steen is in 't midden doorgebroken. 



Digitized by 



Google 



— 46 — 

prijken daar ook eenige zonderlinge titels van boeken, handelende 
over geneeskunde, botanie enz. 

Hij verbouwde en verfraaide het klooster, dat onderzijn bestuur 
geheel werd afgewerkt, en overleed in het najaar van 1543. 

9. Petrus Plas, geboortig van Maastricht en aldaar ook in de 
Orde getreden, volgde hem op, doch overleed reeds in December 
1543 in het klooster te Namen, op zijn terugreis van Hoei, waar 
hij zijne verkiezing tot prior van Maastricht had laten bevestigen. 

10. Arnoldus Millen van Hasselt (Januari 1543-f September 1553), 
conventualis van Maastricht, was de zoon van Reinier Millen, 
burgemeester van Hasselt, en had tot broeders: Nicolaas, Reinier 
en Dionysius, alle drie burgers van Hasselt (i). 

Hij overleed in September 1553 na langen tijd sukkelend te zijn 
geweest. 

11. Servatius Heinsberch (26 October 1553- 26 April 1570). 
Zijne ouders waren Johannes Pauwelszoon Heinsberch, wonende 
in de Tweebergerstraat en Luitgardis Pottens, dochter van Willem 
Pottens van Montenaken. Na den dood zijner eerste vrouw, her- 
trouwde Johannes Heinsberch met Dina....? 

Reeds onder den prior Waltherus van Herenthals was Servatius 
Heinsberch in de Orde getreden, den 15° Maart 1523 werd hij te 
Luik priester gewijd. In 1524 werd hij tot procurator benoemd 
en bleef als zoodanig werkzaam totdat hij als opvolger van Arnol- 
dus Millen werd gekozen den 26 October 1553. De Kruisheeren 
van Schiedam hadden in Januari 1545 eveneens verlangd hem aan 
het hoofd van hun klooster geplaatst te zien en hunne stemmen 
op hem uitgebracht. Hij bedankte echter (2) met toestemming van 
den M. Generaal, voor die eer en bleef te Maastricht. In 1556 
werd hij door een zware ziekte overvallen en zijn einde nabij 
geloovende vroeg hij den 7 Januari zijn ontslag als prior. De ziekte 
had echter een gunstig verloop en men wist hem op zijn genomen 
besluit te doen terugkomen. Op aandringen van den M. Generaal 



(1) Zijne zuster schijnt met een lid der familie Geloess gehuwd te zijn geweest. 
In zijn uitga venregister vond ik de volgende noot: 

1545 — 1 februarii — dedi famulo portanti et ponenti vitream fenestram in nova 
camera prioris quam dono dederunt nobiles viri Johannes et Stephanus Geloess de 
Hasselt nepotes mei. . . . 

(=) In zijn plaats kozen toen de Schiedamsche Kruisheeren Judocusab Hasselt tot prior. 



Digitized by 



Google 



— 47 — 

Theodricus van Ubach nam hij van af 23 Januari 1557 bij zijn 
prioraat ook het procuratorschap waar „propterdifficillima tempora 
et famem grassantem". 

Hij bestuurde zijn klooster in deze moeielijke tijden met het 
grootste beleid en blijkt een man te zijn geweest van groote 
godsvrucht en taaie werkkracht. 

Den 21 September 1570 had hij nog de reis ondernomen naar 
het Generaal kapittel te Hoei, onmiddelijk na zijn tehuiskomst 
werd hij ziek en overleed den 26 April daaraanvolgend. 

12. Johannes Haelwijck (Mei 1570 — October 1 576), geboortig van 
Leeuwen (hertogdom Gelre), werd tot zijn opvolger gekozen. 

13. Nicolaus Coenen (October 1576-1579), geboren te Groot- 
Spauwen. Hij overleed aan de pest welke na het beleg van 1579 
heerschte. Zijne registers zijn regelmatig bijgehouden tot aan den 
dag der inneming van Maastricht door de Spanjaarden — 29 Juni. 

In 1580 — 16 Juni — bracht de Generaal Wilhelmus van Heinsberg 
een bezoek aan het zwaar geteisterde Maastrichtsche klooster. 
Alle Kruisheeren, op één na, waren aan de pest bezweken. Jan 
van Randenrade, de eenig overlevende, nam tijdelijk het bestuur 
waar tot 18 September 1581. Toen werd als prior aangesteld 

14. Hubertus van Stavelot, die als zoodanig overleed den 
28 Augustus 1585. 

Fr. Gerardus Bysman, procurator, bestuurde daarna lijdelijk 
het klooster. In de Acta Capituli O. S. C. 1586 komt de be- 
noeming voor van zekeren fr. Henricus Voirst tot prior van 
Maastricht (i). In geen enkel register vond ik echier melding van 
hem gemaakt, terwijl reeds in 1587 de rekeningen zijn onder- 
teekend door den prior 

15. Johannes van Leeuwen (1587—9 Augustus 1598). 
Waarschijnlijk is deze dezelfde als sub 12. Tot 10 Februari 

1586 was hij rector bij de zusters tertiarissen van Peer en keerde 
toen naar Maastricht terug. 

16. Lambertus Moens (Aug. 1598-10 Mei 1600), uit het Kruis- 
heerenklooster van Gooien (Kerniel), bestuurde het klooster van 
Maastricht tot 10 Mei 1600. Hij was prior van Gooien van 
1582—1591 en woonde in 1586 als definitor het generaal kapittel bij. 



Q) Zie Annales Caoonicorum regularum O. S. Cr. Codex Diplomaticus II p. 95, 



Digitized by 



Google 



- 48 — 

17. Johannes Laurentius van Erp (10 Mei 1600-22 Oct.l 
Deze trad te Maastricht in de Orde, werd getonsureerd in 
1588 en priester gewijd in Juni 1589. 

18. Francois Borset (25 October 1607 — 27 April 1619 
conventualis van het klooster te Hoei, waarheen hij terugl< 
nadat hij bedankt had. 

De supprior Johannes Adriaens nam tijdelijk het bestuur 
tot den 16° Mei, toen de priorkeuze kon plaats hebben. Tc 
volger van Borset werd gekozen (^). 

19. Martinus Pauli van Weeze (16 Mei 1619 - f 23 April 
alsdan prior te Gooien. Van zijne gevangenschap en de vc 
gebeurtenissen onder zijn langdurig prioraat hebben wij vr 
reeds gesproken. 

Martinus Pauli was de zoon van Henricus Pauli en Cathar 
Na den dood van haren eersten man hertrouwd zij met ^ 
de Geuret, dien zij eveneens overleefde. Zij sleet hare laatste 1( 
jaren in een huis toebehoorende aan en gelegen naast het kl( 
en overleed den 18 October 1633. 

20. Arnoldus Brugard (27 April 1645 —f 9 Dec. 1665). ] 
hij reeds zeven jaar het Maasirichtsche klooster als prior bes 
had, kwamen de kloosterlingen tegen de verkiezing op, en bewe 
dat hij onwettig gekozen was. Eene visitatie had plaats i 
Generaal der Orde verklaarde na grondig onderzoek de verki 
geldig en wettig. Tot 9 Dec. 1665 heeft hij geregeld zijn re 
bijgehouden en is ook dienzelfden dag overleden. 

21. Theodorus Godding (14 December 1665 — 6 Mei 1 
Deze was de zoon van Theodorus en van Helwig Pauli, en 
geboren te Emael 17 April 1614. Hij trad in het kloostei 
Kruisheeren te Maastricht, werd procurator en later prior 
werd blind en legde toen zijne waardigheid neder. Hij I 
echter nog tot in Juni 1684. 

22. Johannes Meyers (6 Mei 1679 — f 1682^; vroeger w; 
pastoor te Waltwiller, in 1669 komt hij voor als rector der zi 
Tertiarissen in Peer. 



(*) In zijn register bevindt zich de volgende noot: Anno 1612, ipso festo La 
(10 Augustus) incendium maximum fuit in platea tuebergen inceptum usque ; 
dictas in *t Roest et circiter 42 domus exustae sunt. 



Digitized by 



Google 



4d 

23. Laurentius Van der Haegen (22 Juni 1682 — f 27 Maai*t 
1711), zoon van Theodorus Van der Haegen, trad te Maastricht in 
de Orde in 1666 en werd geprofest den 14 Augustus 1667. Hij 
woonde als definitor der orde het generale kapittel bij van 24 
April 1698. 

24. Leonardus Godding (9 Mei 1711 — f 1 April 1721) was 
eerst procurator van af 1678. Hij overleed als jubilarius 1 April 
1721, hij was neef van Theodorus Godding hiervoren genoemd, 
en geboren te Emael 7 Maart 1645 uit het huwelijk van Leonard 
en Beatrix Lenaers. 

25. Willem Marres (April 1721 — f 10 Maart 1722'; trad te 
Maastricht in de Orde 1690 en deed zijne eerste H. Mis den 
12 Januari 1693. 

26. Willem Cruts (10 April 1722 — f 17 Maart 1745) was te 
Maastricht geprofest in 1706 en deed zijn eerste H. Mis in 
December 1709. 

27. Michaël Jorissen (6 Mei 1745 — f Maart 1766) werd gepro- 
fest te Maastricht den 8 November 1717, en was prior te Gooien 
van 27 October 1738 tot 5 Mei 1745 toen hij prior van Maastricht 
gekozen werd. Hij komt voor als definitor der orde in 1752 en 
overleed als jubilarius. 

28. Willem Jacobs (19 April 1766 — 24 Aug. 1778) komt voor 
als definitor der Orde in 1774 en 1789. Hij werd den 24 Aug. 
1778 tot prior van Schwarzenbroich gekozen. 

29. Joseph Leurs (van 24 Aug. 1778 tot 1796) was de zoon van 
Laurens Leurs, burgemeester en schepen van Sitiard. Na de sup- 
pressie van het Maastrichtsche klooster verbleef hij eenigen tijd 
bij zijne familie te Sittard en begaf zich toen naar het klooster 
te St. Agatha, alwaar hij overleed als Commissarius Generalis der 
Orde den 23 April 1806, nauwelijks zes en vijftig jaar oud. 



Digitized by 



Google 



b). Supprioren. 



1. Henricus ab Alusto (van Aalst) tot 1468. 

2. Servatius ab Hasselt, tot aan zijn dood 11 Nov. 1463. 

3. Leonardus ? trad in de Orde in 1458, werd priester gewijd 

in Juni 1461, volgde Servatius ab Hasselt op als supprior. In 
1467 werd hij prior van het Kruisheerenklooster te Hohenbusch 
bij Erkelenz. 

4. Cristianus de Bonne, Johannis Xantis in 1488 (1). 

5. Franciscus van Nymegen komt als supprior voor in 1494. 
In 1531 was hij supprior te Franeker. 

6. Helger Box van Valkenberg stierf als supprior den 1 Juli 
1519. In een akt van 1518 teekent hij als Helger de Cortenbach, 
supprior O. S. C. 

7. Ludolphus van Leeuwen tot 1526. 

8. Johannes Proenen 1526. 

9. Mathias Mynecom 1526—1529. 

10. Theodoricus van Nymegen trad te Maastricht in de Orde 
in 1508. Als supprior komt hij voor van 1529 tot aan zijn dood 
13 November 1544. 

11. Libertus Vaechs, zoon van Libertus Vaechs en Catharina 

? Zijn broeder Johannes was commissarius der stad Maastricht. 

Hij werd subdiaken gewijd in 1517 en was ook eenigen tijd, tot 
26 Aug. 1536 supprior van het klooster te Hoorn. Te Maastricht 
komt hij als supprior voor van 1546 tot 1556. 

12. Dominicus Krijns, zoon van Paulus Krijns (overleden Zaterdag 



Q) Zie bijlage 8. 



Digitized by 



Google 



- 51 -- 

na St. Hubertus 1552) en Katharina van der Plas Cgest. 24 Juni 
1555. Beiden werden in de Kruisheerenkerk begraven). Dominicus 
werd geprofest in 1538 en overleed als supprior 2 Januari 1569. 

13. Arnoldus Coemans was zijn opvolger. Hij overleed aan de 
pest, die na het beleg van 1579 uitbrak. Zijn broeder Jacobus was 
in 1601 pastoor der St. Nicolaaskerk te Maastricht, een andere 
broeder, Maurits, overleed te Deventer in 1553 en werd in de 
Minderbroederskerk aldaar begraven. 

14. Gerardus Bysman was supprior van 1581 tot 1585. Hij was 
tegelijkertijd procurator; in die laatste hoedanigheid bleef hij werk- 
zaam tot 1593. Hij was nog te Maastricht in 1606. 

15. Jaspar van Hoei 1575 — 1590. Deze komt in 1576 voor 
als conventualis van het Maastrichtsche klooster, maar schijnt vóór 
1579 naar een ander huis te zijn overgeplaatst. In 1583 treffen wij 
hem weer aan te Maastricht, alwaar hij in 1590 overleed. Gerar- 
dus Bysman nam tijdelijk zijne functie over. 

16. Lambertus a Gastro, zoon van Arnoldus a Gastro en Gatha- 
rina Laurens, komt als supprior voor in de jaren 1604 en 1606. 
Hij vierde zijn gouden feest als kloosterling en stierf in Mei 1652. 

17. Egidius Griten werd als supprior aangesteld den 22 Novem- 
ber 1606, hij was zulks nog in 1618. 

18. Johannes Adriaans komt voor als supprior in 1617, 1618 en 
1619. In 1620 vertrok hij naar het klooster St. Agatha en was 
in 1633 prior te Duisburg. 

19. Henricus komt voor in 1620 en 1621 

20. Nicolaas Bonhomme bevond zich in het klooster te Maas- 
tricht in 1609. Als supprior komt hij voor in 1628. 

21. Joannes Lamberti of Lammertz was supprior in 1630, van 
1614— 1619 was hij procurator, in 1622 was hij te Schwarzenbroich, 
in 1630 vertrok hij naar Goolen-Kerniel. 

22. Gerardus Mormans, zoon van Leonardus Mormans van Maas- 
tricht (t 2 Juni 1632) werd aldaar geprofest 4 Mei 1621. Hij' 
stierf als supprior 19 Aug. 1633. 

23. Arnoldus Brugard, supprior van 1633 tot 1645. 

24. Wilhelmus Snijders komt als supprior voor in 1652 
alsook in 1663. 

25. Servatius Van der Maer, trad te Maastricht in de Kruisheeren- 
orde A** 1620, werd priester gewijd te Luik in Juni 1629, hij was 



Digitized by 



Google 



- 52 - 

te Duisburg in het klooster in 1633, maar bevond zich weer te 
Maastricht in 1634. Hij overleed als supprior in October 1660. 

26. Ludovicus Pauly, te Maastricht in de Orde getreden in 
Juli 1637, was supprior in 1665. 

27. Jacobus Vallee dict Hautain, gekleed den 27 Juli 1650 was 
supprior van 1676 tot 1690. Na den dood van zijn opvolger werd 
hij wederom supprior tot 1714, zijn sterfjaar. 

28. Johannes van Manshoven volgde hem in 1690 op als sup- 
prior en bleef zulks tot aan zijn dood, den 26 Augustus 1694. 

29. Willem Cruts trad te Maastricht in de Orde in 1705, deed zijn 
eerste H. Mis in December 1709. Van 1714 tot 1721 was hij supprior. 

30. Willem Emons te Maastricht geprofest in 1705 volgde hem 
op als supprior en bleef als dusdanig werkzaam tot aan zijn 
dood 1744. 

31. Petrus Horsmans, trad in de Orde 9 Juli 1709 en deed 
zijn eerste H. Mis in September 1714. Hij was supprior van 
Januari 1744 tot zijn dood 8 Juli 1754. 

32. Mathias Gielen trad te Maastricht in de Orde 11 Mei 1712, 
deed zijn eerste H. Mis 27 Sept. 1715 en was supprior van Juli 
1754 tot zijn dood 15 April 1762. 

33. Johannes Matheus Verliers, te Maastricht geprofest 25 
Februari 1725. Supprior van April 1762 tot aan zijn dood 15 
September 1778. 

34. Andreas Hellinx, deed zijn eerste H. Mis te Maastricht op 
Kerstmis 1764. Als supprior komt hij voor van September 1778 
tot 1783. Bij de suppressie staat hij niet vermeld. 



Digitized by 



Google 



c). Procuratoren. 



1. Henricus van Aalst, j waren beurtelings procu- 

2. Servatius van Hasselt f 1456, \ rator tot 1464. 

3. Martinus van Leiden 1464 en 1465. 

4. Leonius van St. Oedenrode, trad te Maastricht in de orde 
in üctober 1458, werd procurator in 1466 en bleef zulks tot aan 
zijn dood in 1486. 

5. Gerardus Byl „in dye Coevoet" omstreeks 1485. In dat jaar 
teekende hij als procurator een koopakte. 

6. Franciscus van Nymegen 1486. Hij komt nog voor in 1494 
als supprior en in 1526 als conventualis te Maastricht. In 1531 
was hij supprior van het klooster te Franeker. 

7. Stephanus Ketelbueter van Sittard (}\ deed zijne eerste 
H. Mis in 1475 en was procurator van 1486 tot aan zijn dood 
in 1504. 

8. Mathias Mynecom 1504—1512, werd later prior. 

9. Ludolphus van Leeuwen 9 September 1513 tot Pinksteren 
1514; werd later prior. 

10. Gysbertus Gielen, zoon van Jacobus Gielen en Gertrudis (*)j 
in 1509 priester gewijd, was procurator van af Pinksteren 1514 
tot in Februari 1519. Hij overleed in Januari 1536. 

11. Mathias Cloetz van Valckenburch, geprofest in 1508 was 
procurator van af 11 Februari 1519 tot aan zijn dood, den 20 
Mei 1523. 



(1) Zijn broeder Renier was gehuwd met Metten Clinckens. 

(*) Een tweede zoon, Hubertus genaamd, overleed 3 September 1619. 



Digitized by 



Google 



— B4 — 

12. Servatius Hcinsberch 1523 tot 1553; werd later prior. 

13. Libertus Hoens alias Kartyls ('), priester gewijd in Mei 
1529, was cellier 1544—1549 en procurator van 1553 tot 1559. 
Hij vierde zijn gouden jubelfeest als kloosterling en stierf aan de 
pest, na het beleg van 1579. 

14. Arnoldus Coemjins 1559—1569; later supprior. 

15. Nicolaus Sanders 6 September 1569 tot 1579; deze deed 
zijne professie 12 Maart 1534, werd subdiaken gewijd in Mei 
1535, diaken in Maart 1536 en priester in Juni van datzelfde 
jaar. 

16. Gerardus Bysman 1582 — 1593; was ook supprior. 

17. Laurentius van Erp 1593 1600, was prior en procurator 
tegelijk tot 1606. 

18. Samuel Carnet 1606-1609. 

19. Lambertus de Gastro, zoon van Arnoldus de Gastro en 
GatharinaLaurens, 9Mei 1609 tot 1614. In 1626 werd hij verplaatst 
naar Kerniel (Gooien); hij stierf als jubilarius in Mei 1652 (zie 
hiervóór bladz. 51). 

20. Johannes Lamberti of Lammertz, 12 April 1614 tot 21 April 
1619. In 1622 vertrok hij naar Schwarzenbroich, maar wij vinden 
hem in 1628 weer te Maastricht. 

21. Johannes Adriaansz nam het procuratorschap waar tot aan 
de keuze van Martinus Pauli tot prior. 

22. Martinus Pauli, prior en procurator 1619—1645. 

23. Arnoldus Brugard prior en procurator 1645 tot 1652 en van 
1658 tot aan zijn dood in 1665. 

24. Theodorus Godding 1652—1658, prior en procurator van 
1665 tot 1671. 

25. Joannes Gonincx 1671 tot 1677. 

26. Leonardus Godding 1677 tot 17! 1, later prior. 

27. Willem Marres 9 Mei 1711 tot April 1721, later prior. 

28. Willem Gruts April 1721 tot 14 April 1722, prior en pro- 
curator 1738-1745. 

29. Partholomeus van Haeren 10 April 1722 tot 1 Mei 1727. 



Q) Zijn luster was gehuwd met Petrus Kanghieters te Wyck. Petrus stierf 
3 Mei 1547, 



Digitized by 



Google 



- 56 - 

30. Michael Jorissen van 1 Mei 1727 tot 20 November 1738, 
later prior. 

31. Petrus Horsmans, supprior en procurator van 5 Maart 1745 
tot 1 April 1746. 

32. Gysbertus van Gulpen 1 April 1746 tot 29 Mei 1754. Hij 
overleed in Januari 1755. 

33. Johannes Verliers 29 Mei 1754 tot 15 April 1762. 

34. Petrus Gispar Vriendts 15 April 1762 tot aan de suppressie. 



Digitized by 



Google 



d). Conventuales. 



1. Helyas 1452. 

2. Mathias van Leiden 1452. 

3. Egidius, geprofest in 1460. 

4. Johannes Wree 1461. 

5. Christianus de Bonne 1465. 

6. Daniel 1464. 

7. Theodricus .... 1464. 

8. Reyner 1465. 

9. Johannes Clusen, trad in de Orde 1468. 

10. Johannes van Delft 1473. 

11. Walterus, leekebroeder 1474. 

12. Alexander Vinck, zoon van Arnoldus Vinck te Venlo, ge- 
profest 1474, komt nog voor in 1509. 

13. Arnoldus, leekebroeder 1480. 

14. Lambertus id 1482. 

15. Bartholomeus id. 1490. 

16. Johannes Stouten van Einspick 1484, stierf 6 Februari 1500. 

17. Gerardus van Leeuwen 1486—1517. 

18. Wilhelmus van Arnhem 1486- 1517. 

19. Herman van Nuyss 1486-1509. 

20. Johannes van Leerdam 1486, werd priester gewijd 1488. 

21. Dionysius leekebroeder 1486. 

22. Johannes van Xanten (i) 1486. (Zie Bijlage 8). 



Q) Johannes Xantis of van Xanten werd door leprooshcid aangetast omstreeks 1487. 
Op aandringen van de stedelijke overheid moest hij Maastricht verlaten. Hij vroeg en 
kreeg verlof van den Generaal der Orde om zich te Xanten te mogen vestigen. Voorzien 



Digitized by 



Google 



^ 57 — 

23. Gysbertus stierf in 1488. 

24. Gerrit van Leuven 1494. 

25. Johannes van Leuven 1508—1532. 

26. Wilhelmus Culener geprofest 1509, was leekebroeder, komt 
nog voor in 1517. 

27. Jacobus, leekebroeder 1509. 

28. Lambertus van Calcar 1508. 

29. Walram van Meerssen, leekebroeder 1509. 

30. Petrus van Sittard priester gewijd 1517,stierf 22 Juni 1519. 

31. Servatius Sondervorst, zoon van Johannes Sondervorst, schoen- 
maker te Maastricht trad in de Orde 19 April 1508 en overleed 
in Juli 1519. 

32. Johannes Gruysen, zoon van Johannes Gruysen te Wyck (i), 
deed zijn 1« H Mis 1517, komt voor tot 1542. 

33. Johannes van Elsloo, donaat, stierf in 1521. 

34. Henricus van Leuven, leekebroeder en kok, 1513. 

35. Arnoldus van de Graaf, leekebroeder en portier, 1513. 

36. Jasper Schaefdriess, priester gewijd 1519, overleed 1569. 

37. Henricus van Loyenaken, leekebroeder en kok, werd gepro- 
fest in Augustus 1521. 

38. Arnoldus Prenten, donaat en stabularius, 1520. 

39. Johannes van Maeseyck, leekebroeder, 1520. 

40. Henricus van Hasselt, geprofest 7 October 1522, priester 
gewijd in September 1527, was custos, komt voor in 1532, 1542, 
1548. 

41. Johannes Stockem, geprofest 1527. 

42. Theodericus van Sittard, werd priester gewijd in Mei 1529, 
werd in 1556 naar Hoei overgeplaatst. 

43. Mathias Strucht, subdiaken, stierf aan de pest 27 Novem- 
ber 1529. 

44. Godefridus van Uffel, leekebroeder 1512. 

45. Johannes van Eupen, „ 1518. 



van de noodige brieven van zijne overheden begaf hij zich in 1488 op weg, en overleed in 
bovengemelde sud na er een paar jaren vertoefd te hebben. 

Hij was de zoon van Henricus Hulshorst en Margareta Buyskens. Na het overlijden 
van haren eersten man hertrouwde Margareta met Jacobus Stcckenborch. Zij woonden 
te Maastricht en zijn ook aldaar overleden. 

(1) Deze overleed 11 Maan 1532. 



Digitized by 



Google 



— 58 — 

46. Carolus de Borset, leekebroeder, 1524. 

47. Nicolaas de Meer van Ruckelingen, 1535. 

48. Johannes van Maartenslinden, verplaatst naar Schiedam in 
September 1562. 

49. Gerardus .... 1555. 

50. Johannes Bruest, trad in de Orde 30 April 1558 en werd 
priester gewijd 27 Maart 1563. 

51. Johannes van Randenrade, deed zijn professie den 26 Juni 
1569, werd in 1583 verplaatst naar Hoei CZie pag. 35). 

52. Gysbertus Hamont, zoon van Rutger Hamont en Maria . . ? 
(Rutger stierf den 21 October 1573), deed zijne professie 29 
Mei 1552, ontving het subdiaconaat in Maart 1553 en stierf aan 
de pest na het beleg van 1579. 

53. Gerardus van Elderen, geprofest 8 Mei 1570, overleed aan 
de pest na het beleg van 1579. 

54 Franco geprofest in 1571, deed zijn eerste H. Mis in 

October 1573. 

55. Theodricus van Leuven, trad in de Orde in Juni 1544 
deed zi)n eerste H. Mis in Juli 1549, stierf aan de pest na het 
beleg van 1579. 

56. Thomas 1570. 

57. Jasper van Hoei, 1583, 1591. 

58. Wilhelmus Tuleman, 1586, 1596. 

59. Johannes, leekebroeder, 1581. 

59. Wilhelmus Rayemekers, zoon van Henricus Rayemekers (i), 
1599-^1606. 

60. Carolus, leekebroeder en portier 1544, 1549. 

61. Henricus Hasselt, leekebroeder en stabularius 1552. 

62. Arnoldus Keileners 1542. 

63. Nicolaus Bonhomme 1609, 1610. 

64. Martinus 1606, 1611. 

65. Michael a Busco, diaken gewijd in 1612, stierf 10 Maart 1615. 

66. Augustinus 1615, priester gewijd in December 1622. 

67. Egidius Bysmans 1618. Deze was prior geweest van het 
klooster te Gooien— Kerniel 1591—1596. 

68. Johannes Hougen 1606—1624. 



(') Deze overleed in Mei 1608 en werd in de Kruisheercnkcrk begraven. 



Digitized by 



Google 



— 59 — 

69. Carolus van Boelsbeeck, geprofest 13 Februari 1617, priester 
gewijd 17 September 1620, komt voor tot 1633. 

70. Andreas 1614. 

71. Balduinus 1617. 

72. Servatius van der Maer, trad in de Orde 1620, priester 
gewijd te Luik in Juni 1622, was in 1633 te Duisburg. In 1634 
was hij echter weer te Maastricht, alwaar hij overleed in October 1660. 

73. Franciscus Houzenraedt 1620—1629. 

74. Wilhelmus, leekebroeder en stabularius komt voor in 1619. 
Hij werd in 1620 naar Schwarzenbroich verplaatst. 

75. Mathias , novice 1623. 

76. Laurentius Pietken, novice 1622. 

77. Guillaume Pied de Boeuf, trad in de Orde in Juni 1624, 
komt geregeld voor tot 15 Juni 1631. 

78. Ix)uis Sancin, deed zijn eerste H. Mis in 1630, komt voor 
tot in 1652. 

79. Ludovicus Pauli, trad in de Orde in Juli 1637, komt voor 
tot in 1661. 

80. Henricus Caulot was novice in 1631, komt voor tot 1646. 

81. Jacobus novice in 1634, komt voor tot in 1645. 

82. Simon, leekebroeder 1633. 

83. Franciscus Xhenceval 1624—1634. 

84. Franciscus trad in de Orde 1645, stierfin Februari 1661. 

85. Jean Bosquin 1650, stierf in 1667. 

86. Theodatus vertrok naar Gooien in 1624. 

87. Jacobus Palmars 1652, overleed 6 Juli 1674. 

88. Joannes Meyers junior (^) 1676, stierf 3 Januari 1700. 

89. Lambertus Eyken 1672—1676. 

90. Johannes Berlier trad in de Orde 13 Januari 1683, overleed 
in Maart 1700. 

91. Mathias Bastiaens 1685. 
92 Haucin 1654. 

93. Martinus Leenaerts 1665, overleed 30 December 1687. 

94. Mathias, leekebroeder, 1665—1672. 

95. Nicolaus, id. 1666-1672. 

96 Penten, geprofest in Augustus 1687, komt voor 1700. 



0) Ter onderscheiding van Johannes Meijers, senior, den latcren prior. 



Digitized by 



Google 



— 60 — 

97. Johanncs Gonnien 1690, stierf 21 April 1696. 

98. Petrus Thijs, leekebroeder, 1685. 

99 Claudius Gadet, trad in de orde 20 December 1718, deed 
zijn eerste H. Mis 28 April 1721, overleed 21 Maart 1752. 

100. Cornelius Michels, geprofest 25 Februari 1725 overleed 
5 September 1752. 

101. Johannes Antonius Loyens trad in de orde 1731 stierf in 1760. 

102. Joseph Franssen, geprofest 1744, deed zijn eerste H. Mis 
den 28 October 1746, overleed in 1782. 

103. Henricus Silvester Janssens, geprofest 1747, overleed 5 De- 
cember 1756. 

104. Paulus Marres, deed zijn eerste H. Mis in Juli 1712, over- 
leed in 1741. 

105. Mathias Welters trad in de orde in 1698, deed zijn eerste 
H. Mis in Juli 1700, werd omstreeks 1739 overgeplaatst naar Bijen- 
burg. 

106. Johannes Mathias Resen 1751 tot zijn dood 23 December 1764. 

107. Wilhelmus Cretz, trad in de orde 1744, overleed 15 April 
1773, priester gewijd in 1738. 

108. Michael Daenen, leekebroeder, geprofest 8 Juli 1714, stierf 
als jubilarius 30 December 1767. 

109. Johannes Proenen, trad in de Orde in November 1723, 
deed zijn eerste H. Mis in 1728. 

110 Paulus Daenen,leekebroeder 1757 tot zijn dood December 1782. 

111. Johannes Meusen, leekebroeder en tuinier trad in de orde 
in 1744, overleed 20 October 1774. 

112. Jean Sauvegard 1721. 

113. Egidius Couxhuer de Chrisney, trad in de orde 22 Januari 
1698. 

114. Henricus Lysens trad in de orde 19 Juli 1698, overleed 8 
Augustus 1715. 

115. Petrus leekebroeder, 1721. 

116. Jacobus .... id. 1721. 

117 Reijnders trad in de Orde in September 1724. 

118. Johannes Haenen, deed zijn eerste H. Mis 15 Augustus 1768, 
komt voor bij de suppressie. 

119. Johannes van Utrecht, trad in de Orde 8 December 1763, 
deed zijne eerste H. Mis 6 Januari 1767. 



Digitized by 



Google 



^ éi - 

120. Antonius Mulcken, trad in de Orde 20 September 1766, 
deed zijn eerste H. Mis 11 Maart 1767, komt voor bij de ophef- 
fing in 1797. 

121. Franciscus van Brabant, geprofest 28 April 1770, deed zijn 
eerste H. Mis in September J771, komt voor bij de suppressie. 

122. Petrus Dungeloeff, geprofest in December 1772, komt voor 
bij de suppressie. 

123 de Selys, komt voor in 1779, overleed 8 December 

1781. 

124. Petrus Johannes Peters, komt voor bij de suppressie. 

125. Johannes van Eymael, leekebroeder, geboren te Reckheim 
7 April 1771, komt eveneens voor bij de suppressie en overleed 
te Smeermaes Lanaeken 12 Mei 1836. 

126. Leonardus Hoho, leekebroeder, komt voor bij de suppressie. 

127. Godefridus Willems, komt voor bij de suppressie, overleed 
te Wijck 21 December 1835 (Zie bladz. 39). 



Digitized by 



Google 



HOOFDSTUK V. 



Liber Anniversariorum vel Necrologlum Conventus 
Crucigerorum Trajecti ad Mosam. 



Jaimarius, 



KL. Januarius habet dies XXX luna XXXI. 

III A CiRCUMCISIO DOMINI. DuPLEX. 

Anniversarium Arnoldi Proenen, uxoris et amicoruin 
utriusque quod celebrabitur semper prima die mensis, nisi 
evidens festivitas impedierit: unde habuimus semel in 
promptis centum grifones utpote in principio mensis Maii. 
B ini nonas Januarii. Octava S* Stephani. 

Anniversarium Reyneri Huynen et Margaretha uxoris ejus, 
qui legavit nobis in lestamento suo 46 grifones in pura 
elemosina. 
XI C iii nonas Januarii. Octava S' Johannis. 

D II nonas Januarii. Octava S^^^"™ Innocentium. 

Obiit anno Domini 1411 in Octava Innocentium Lubertus 
Joannis primus Ordinis reformator ac magister Generalis. 
XIX E nonas Januarii. Vigilia. 
VIII F VIII Idus Januarii. Epiphania Domini. Totum duplex. 

G VII Idus Januarii. 
XVI A VI Idus Januarii. 
V B V Idus Januarii. 

C iiii Idus Januarii. Pauli primi heremite. Memoria. 
XIII D III Idus Januarii Anniversarium Jacobi Koenen hospitisin 



Digitized by 



Google 



-^ 63 - 

die Kyvy et Luitgardis uxoris ejus, necnon parentum et 
amicorum utriusque. Qui Jacobus legavit nobis pro anni- 
versario prescripto 31/2 marcas per proximiores heredes 
assignandas aut mediantibus 35 florenis currentibus redi- 
mendis. Redemptio facta est de prescriptis marcis anno 
1535 Februarii 8 per Wilhelmum hospitem int Hoechuys, 
Petrum eorumdem filii et Mariae filiae, mediantibus triginta 
quinque floribus currentibus in promptis persol utis. (Schrift 
van prior Servaes Heinsberch). 

11 E II Idus Januarii. 

F Idus Januarii Oct. Epiphanie Domini. Simplex. 

Anniversarium Cypriani Proestens et Margarethae uxoris 
ejus de Kaustart unde habemus in Kaustart iii modios 
spelte hereditarie. 

X G IX kl. Februarii. Felicis Confessoris. iii lectionis. 

Anniversarium Mathei Cupar de Venray sepulti in cimi- 
terio nostro et domini Nicholai fratris ejus, necnon et 
parentum et ceterorum fratrum et sororum ejus pro quo 
habemus viii solidos annuatim. 

A.nniversarium Thewis Scrynemaker de Berne et uxoris 
ejus qui in edificiis ligneis novarum domorum juxta 
plateam anterioris porte per eum factis fecit gratiam circa 
xviii florenos uti possit current: annivers: ascribi. 
A xviii kal : Februarii. Mauri Confessoris. iii lectionis. 
Anniversarium honorabilis viri Johannis Pistoris fratris 
prioris nostri Walteri de Herenthals et parentum ejusdem. 
Conventus habuit pro isto anniversario semel in vita xv 
florenos aureos renenses et post mortem suam omnia bona 
sua relicta, quae .... gebantur ad estimationem octingen- 
torum florenorum hornensium. 

Anniversarium Reyneri Borman et Cecilie uxoris ejus 
cum vigiiiis ix lectionum et cum missa cantuali de Requiem 
cum commendationibus unde habemus annue iv modios 
siliginis in Steyn. 

xviiiB xvii kal: Februarii. Marcelli Pape et Martyris. iii 
lectiones. 

Anniversarium Aleydis Kulemans unde habuit conventus 
semel xv florenos hornenses. 



Digitized by 



Google 



- 64 - 

Vil C XVI kal: Februarii. Antonii Abbatis. DupleX. 

Anniversarium Ade van Nuwenhoen de Colonia, sepulti 
in ecclesia nostra ante altare B. Marie Virginis cum 
commendacionibus pro quo habcmus in eodem altari unam 
missam septimanalem. Habemus annue in Colonia viii 
florenos, computatis quatuor marcis Coioniensibus per 
florenum. 

Obiit anno 1528 V»»» P.Wilhelmus de Rivo, Trajectensis, 
Magister Generalis duodecimus in reformatione. Sed cessit 
officio et sepultus est Londoniis in Anglia. Ex parte 
sororis hujus Katharinae de Rivo conventus habet certas 
terras pro anniversario suo. 

Anniversarium Domini Antonii Buyten, canonici M. B. V. 
et parentum et desideratorum. 
D XV kal. Februarii. Prisce Virginis et Martyris iii 
lectiones. 

Anniversarium Mechtildis Noetstock, sororis Lamberti 
Noetstock sepulte in ecclesia nostra juxta altare B. M. V. 
que legavit nostro conventui sex flor. currentes redimibiles 
supra domum Jan Boenen pistoris op 't Orthuys van der 
roystraeten opten groeten gracht. Obiit anno (15)62 Januarii 
XVIII, altera Anthonii, quos sex florenos currentes Lambertus 
Noetstock nobis transportavit coram Krykelman et Bunde 
scabinis anno (15)73 ipsa Lucie Virginis. (Schrift van 
Prior Servaas Heinsberg). 

XV E xiiii kal. Februarii. 

iiii F XIII kal. Februari. Fabiani et Sebastiani martyrum. 

TOTUM DUPLEX. 

G XII kal. Februarii. Agnetis, Virginis et Martyris. Duplex. 
Anniversarium Yde uxoris Hermanni Alardi, qui simul 
legaverunt nobis unam lampadem (i), perpetuis temporibus 
ante imaginem crucifixi ante chorum, propter quam expo- 
suerunt semel 50 florenos quibus emeramus certos redditus 
propter conservationem ipsius lampadis. Isti etiam dederunt 
tabulam in summo altari et 2 columpnas aeneas et cortinas 
diversi coloris et multa alia bona ad usum fabrice 



(I) In margine staat bijgeschreven: Lampas fundata ante imaginem cruxifixi ante chorum. 



Digitized by 



Google 



- 65 - 

ecclesie nostre. Et post mortem eorum legaverunt nobis 
successionem in bonis suis relictis cum amicis eorum. 
Unde multa bona habuimus tam in vita quam ex legatis 
et fuerunt maximi fautores hujus conventus (Schrift van 
Steplianus van Siltard^. Item legaverunt nobis in testamento 
suo 121/2 florenos currentes annue super oppido Trajectensi 
ad opus unius misse septimanalis, illo adjecto quod 
sacerdos celebrans illam missam, legat post missam super 
eorum sepulturam unum de Profundis, aspergendo eamdem 
aqua benedicta. Item legaverunt in eodem testamento sex 
uncias argenti pro duabus ampullis in summo altari. Item 
cum hoc 50 florenos currentes ad usum fabrice ecclesie. 
Et post obitum eorum habuit conventus cum consensu 
Georgii Hermanni et Boelreman heredum predictorum 
conjugum quartam omnium bonorum mobilium pereosdem 
relictorum partem. Item adhuc in vita assignarunt sive 
dederunt conventui unum modium siliginis hereditarie in 
Opkan sine aliquo alio onere super bona conventus monialium 
in Hocht, praeter adhuc multa alia et quasi infinita bene- 
ficia in vita nobis exhibita. Ipsi et eorum heredes semper 
fuerunt potiores amici et fautores ac promotores conventus 
singularissimi (i). (Schrift van supprior Arn. Coemans). 

Xïi A XI kal. Februari. Vincentii Martyris. Duplex. 

1 B X ka). Februarii. Emerentiane Virginis et Martyris. 
Memoria. 

Anniversarium V. P. F. Hermanni Pietkin sacerdotis et 
professi in conventu nostro Namurci et parentum ejus et 
amicorum pro quibus desideravit, qui post plurimos et 



0) Het testament van Herman Alartz en Ida zijne huisvrouw berust op het Rijks- 
ardiief te Maastricht en is gedateerd 23 December 1604. De volgende clausule van 
dat testament slaat op het hierbovenvermelde: 

„Item in den yersten heeft Yda voergenoempt besatt en gelaeten den Cruysbroederen 
binnen Triecht haer beste feyl tot twee casulen daeraf te maken; noch leet sy den 
Cruysbroederen haercn rym der met silvcr beslaegcn iss, den besten, om dacr van 
dye crucen opten casulen te maecken; voert meer laeten sy den Cruysbroederen 
boevengenoempt, cyn sil veren croesen waegende sess uncien ende ist niet soe swaer, 
soe sall men daerop leggen tot sess uncien toe om daervan te maecken twee silvercn 
pullen op ten hocgcn altaer in der kerken van den Cruysbroederen nac hoerre beider doet". 
5 



Digitized by 



Google 



— 66 — 

gravissimos in conficiendis organis ad obsequium Dei in 
domo nostro primaria et multis ecclesiis ordinis nostri 
praesertim in nostra confecto exantlatus labores piissime 
in Domino Leodii obdormivit. (Schrift van prior Martinus 
Pauli). 
C IX kal. Februarii. 

Obiit vigesima quarta Januari 1654 in conventu primor- 
diali Huy Reverendissimus in Christo Pater P. Petrus 
Blavier, totius sacri ordinis Magister Generalis, vir pius 
et pacificus, cujus anima requiescat in sancta pace. (Schrift 
van prior Arnoldus Brugard). 

IX D VII kal. Fcbruraii. Conversio Sancti Pauli Apostoli. 
Duplex. 

Anniversarium Domini Leonii de Rysinghen, canonici 
gtae Crucis Leodiensis et suorum progenitorum, qui nobis 
legavit annum gratie sue qui intravit tertia die post ejus 
defunctionem videlicet anno Dni xiiii^^ LXVii,xxviJanuarii 
ascendentes ad nonaginta grifones et ulterius, appositos 
ad diversos conventus usus necessarios. 
E VII kal. Februarii. 

Anniversarium Servatii Vander Wee sloetmackers et Marie 
uxoris ejus sepulti in ecclesia nostra juxta sepulchrum 
domine inden Vogelsanck et pro parentibus, prolibus et 
omnibus desideratis, qui preter fundationem unius sep- 
timanalis Misse adhuc quatuor vasa siliginis legarunt per 
sedecim aureos redimibilia juxta tenorem testamenti. Que 
redemit Servatius Hellinx, faber in den Beer, filius Gerardi 
Hellinx, maritus Christine, filie unice Servatii et Marie 
prescriptorum, anno xv^ sexagesimo sexto Januarii xvi. 
Sunt applicati ad edifitium et reparationem tecti ecclesie 
et chori. (Schrift van prior Servaas Heinsberch). 

XVII F VI kal. Februarii. JuLiANi Episcopi et CoNFESSORis.Memoria. 
Anniversarium Margarethe Monix cujus filie legaverunt 
nobis unam marcam. 

Anniversarium Domini Henrici Bos, tempore Regis Fran- 
corum hujus oppidi consulis a quo conventus habuit 221/2 
virgaias magnas terrae situatas extra portam Bruxellensem. 
Obiit 1689 — 24 Januarii. (Schrift van Prior Laurentius 
van der Haegen). 



Digitized by 



Google 



— 67 — 

VI G V kal. Februarii. Agnetis. iii lectiones. 

Obiit Anno Domini 1467 Dominus Theodricus Hall ipso 
die Juliani episcopi et confessoris, magister vi in refor- 
matione. 

Anniversarium Christiani Eynatten et Johanne de Bruxel- 
lis uxoris ejus sepulti in choro nostro, pro quo recepimus 
ab heredibus Cortenbach circa trecentos florenos brabantie 
semel. (Schrift van prior Servaas Heinsberch). 
A iiii kal. Februarii. 

Anniversarium Hermanni Lepelhem de Weert et Katharine 
de Vleytingen uxoris ejus et parentum ejusdem Katharine 
unde habemus x et ix virgatas magnas terre arabilis in 
Laufelt. 

xiiii B III kal. Februarii. 

XII C II kal. Februarii. 

Anniversarium honeste virginis Margarethe van Berge, 
quondam famule Dominae de Munster Bilsen sepulte in 
templo nostro extra cancellos ante aram Dive Anne, que 
legavit nobis sex vasa siliginis hereditarie. (Schrift van 
supprior Arnoldus Coemans). 

Februarius, 

D Kal. Februarii, habet dies xxviii Luna xxix. Ignacii. iii 
lectiones. 

Anniversarium Conrardi Kokenbeckers et Heylwigis uxoris 
ejus unde habemus annuatim iiii marcas et calicem cum 
rubeo ornamento. 

Andreas Bouwens J. U. licentiatus, schabinus et civis 
Trajectensis cum domicella conjuge sua Gertrude Happart 
fundavit missam unam pro fidelibus defunctis singulis 
vigiliis sive profestis B. Mariae Virginis quotannis in 
perpetuum apud Fratres Cruciferos Trajecti legendam, 
scilicet in profesto Purificationis, Annuntiationis, Visitationis, 
Assumptionis, Nativitatis, Praesentationis et Conceptionis 
B. Mariae Virginis, quod si autem vigilia vel profestum 
contingeret impediii in ecclesia, debebit legi dicta missa 
sequenti proximo die dicti festi, ratione cujus conventui 



Digitized by 



Google 



.- 68 — 

per dictum Bouwens satisfactum est. Ita actum et fundatum 
die 30 Decembris 1631. (Schrift van prior Martinus Paul i.) 

XI E iiii nonas Februarii. 

Anniversarium Arnoldi Proenen, uxoris et amicorum 
utriusque quod celebrabitur prima die mensis nisi evidens 
festivitas impedierit. 

XIX F III nonas Februarii. Blasii Episcopi et Martyris. ui 
lectiones. 
Anniversarium Andree Conincs,uxoris et parentum utriusque. 

VIII G Anniversarium patrum et matrum ordinis. Vigilie ix lectio- 
num — II nonas Februarii — cantande cum missa et 
commendationibus. 
A Nonas Februari. Agathe Virginis et Martyris. Simplex. 
Anniversarium Domini Petri Brixsteyn et parentum et 
benefactorum ejus, unde habuit conventus semcl xii florenos. 

XVI B VIII Idus Februarii. Dorethee Virginis et Martyris. 
III lectiones. 

Anniversarium Marie Monix, parentum et benefactorum 
et amicorum suorum, unde conventus habet unam m.arcam 
supra domus, videlicet inden Wingart in parochia S* Mathie 
perpetui census. 

Obiit anno Domini Millesimo Quingentesimo videlicet in 
Jubileo religiosus confrater noster et conventualis frater 
Johannes Stouten de Eynspick, presbiter, ipso die S-^*- 
Dorothee virginis, de cujus patrimonio pervenerunt con- 
ventui nostro. (Schrift van den prior Walier van Herenthalsy 

V C VII Idus Februarii. 
D VI Idus Februarii. 

XII E V Idus Februarii. 

Anniversarium Marie de Vucht, matrone in den Vogelsanck 
et amicorum desideratorum ejus cum tricenario. Quod 
quinquies in anno sit et sempcr cum tricenario perpetuis 
temporibus unde plura beneficia habuimus. 
Item ex legato hujus habuit conventus septem florenos 
currentes super oppido Trajectensi redemptos ut patet ex 
tcstamento. Item adhuc ducentos florenos currentes ad opus 
unius misse singulis sextis feriis legende. Praeterea legavit 
conventui quartam partem omnium bonorum immobilium 



Digitized by 



Google 



— eg- 
de quibus in testamento jam disposuit, aliam quoque quartam 
fratri suo Wilhelmo commensali nostro relictam etiam 
recepit conventus. Insuper adhuc legavit conventui dimidie- 
tatem omnium bonorum mobilium illo adjecto quod . . . 
provenientem applicabimus ad bona hereditaria et quod 
mediantibus illis atque aliis bonis hereditariis conventui 
legatis dabitur in die anniversarii ejusdem quod sit circa 
Catharine singulis frairibus in conventus refectoriodimidia 
quarta boni vini renensis. Habet conventus ex bonis 
hereditariis praefate matrone dimidietatem quatuor bona- 
riorum et 2^/2 virgatarum terre arabilis, prope Linde 
S* Martini et xxii virgatas magnas terre arabilis prope 
Riempst et Heerderen situatas juxta tenorem litterarum 
sigillatarum justitiarum de Hcerderen et Blisien, praeter 
plura alia et quasi infinita beneficia per eamdem multi- 
pliciter conventui exhibita: fuit enim singularissima hujus 
conventus benefactrix et patrona (i). 

(Schrift van Dominicus Kryns). 

F iiri Idus Februarii. Scolasticae Virginis. Memoria. 

G III Idus Februarii. 

Obiit anno Domini 1415 pridie ld. Februarii Dominus 
Joannes de Merten Magister Secundus in reformacione. 
Anniversarium Wilhelmi de Eymael et Gertrudis uxoris 
ejus qui legaverunt nobis marcam perpetui census super 
domum Aleydis Pelsers redemptam per eamdem per ix 



(^) In haar testament van 1515 bevinden zich nog de volgende clausulen: „Item 
sy loet den Cruysbreuderen voorss. haeren besten rym en liaeren besten pater 
noster den heylgen Cruys ter eeren. Item noch voert van allen haeren anderen 
erffgueden daer sy niet van gedisponiert heefft waer dye gelegen syn en die nae haer 
doet bevonden sullen woerden laei sy en beset dat men se deylen sal, ie weten eyn 
deyl den Cruysbruederen Triecht voorss. dat ander deyl haer broeder Willem, dat 
derde gedeylte haere suster Lysbetten ende dat vierde gedeylie haers broeders Hoenen 
kinderen". Zij was gehuwd geweest met Geert Hoen. 

Haar zuster Elisabeth de Vucht van Maastricht was getrouwd niet Joannes Pauli 
van Tongeren. Haar broeder Willem woonde in bij de Kruishceren: 

•Want sy (de Kruisheeren) aen haeren broeder Wilhcm by hon wonaftich wesende 
mennige en voel doechd en minnedyenst en frunscappe gedaen hebben en noch 
doen moegen 



Digitized by 



Google 



— 70 — 

grifones expositos in usu fabrice nove ecclesiuncule nostrc 
lignee, que Gertrudis obiit circa istud tempus anno 

XlW^ LXIII. 

X A II Idus Februarii. 

Anniversarium Johannis Heynsberch, qui obiit anno quin- 
quagesimo primo (1551) undecima februarii et Luyte Pot- 
tens ejus uxoris, que obiit anno xv^ decimo nono, sepultorum 
in ecclesia nostra prope sepulchrum Marie de Vucht ad 
lapidem aque benedicte, legitimorum parentum fratris 
Servatii Heynsberch procuratoris et prioris hujus conven- 
tus, unde conventus habet partem orti continentem circa 
1^2 virgatas magnas amortizatas in curia brabantica et 
etiam quinque hornenses in Ginck, ratione quorum fiet 
hoc tempore commodius quo poterit anniversarium cum 
vigiliis, missa et cum commendationibus post missam super 
sepulchrum eorum. Et post hoc gratiosa pitantia (}) in 
cibo et vino renensi in refectorio vocatisque duobus 
amicis de parentum eorum (Schrift van den prior Servaas 
Heynsberch) 
B ld. Februarii. 

XVIII C XVI kal. Marcii. Valentini Martyris. iii lectiones. 

Anniversarium Petri Michaelis et Elisabeth uxoris ejus qui 
fuerunt magni fautores ordinis nostri et benefactores et 
specialiter hujus conventus. 

VII D XV kal. Marcii. 

Anniversarium parentum, fratrum, sororum et omnium 
desideratorum amicorum confratris nostri Liberti Hoen alias 
Kartyls, ex cujus patrimonio praeter alia recepit conven- 
tus semel summam ducentorum florenorum hornensium 
applicatorum ad domum et cameras hospitum per vene- 
rabilem dominum Joannem Proenen priorem hujus con- 
ventus. (Schrift van den prior Servaas Heinsberch). 
E XIII kal. Marcii. 



(1) Pitantia, eigenlijk Pictanda,beteekent volgens Ducangc: G^/d7j^ar/j/w;;«////Vi^^//>f- 
^mae latinitatis, Portio monachica in esculentis ad valorem unius Pictaefeen kleine munt). 

Zulke legaten, waarbij den kloosterlingen op een bepaalden dag eene versnapering 
werd bezorgd, waren zeer gebruikelijk. Dit blijkt trouwens ook uit andere plaatsen 
vaxi ons liber Anniversariorum. 



Digitized by 



Google 



— 71 — 

Anniversarium Libertae Cupers et parentum ejus scilicet 
Francisci Daelers cuni uxore, quae Liberta pro suo et paren- 
tum et sororis anniversario reliquit nobis iii marcas. 

XV F XIII kal. Marcii. 

nu G XII kal. Marcii. 
A XI kal. Marcii. 

Anniversarium Henrici van der Hoeven mercatoris qui 
legavit nobis in testamento suo quinquaginta florenos 
Renenses anno Lxxii (1472). 

XII B X kal. Marcii. 

Anno Domini 1653 deJdit nobis Adriana Swagen vivens, 
quinquaginta florenos brabantiae, pro tribus missis per- 
petuis futuris temporibus legendis ad ejus intentionem, 
quos applicavi anno 1654 ad tres florenos brabantiae annui 
redditus cmptos a Joanne Wynants scabino Blisiensi coram 
Domino Walthero . . . uti notario . . . Una est legenda 
ipso Michaelis Archangeli, reliquae duae inter Octavas 
ejusdem. (Schrift van den prior Arnoldus Brugard). 

I C IX kal. Marcii. 

Anniversarium Venerabilis P. Patris. 
D VIII kal. Marcii. Kathedra Sancti Petri. Duplex. 

IX E VII kal. Marcii. 

Anniversarium Domicelli Johannis Dathyn cum duabus 
uxoribus suis legittimis scilicet Crispina et Mechtilde ac 
proiibus eorumdem ac etiam parentibus, unde habemus 
perpetue in Houtem supra bona Conrardi 1 maldrum 
siliginis (de laatste drie woorden zijn uitgeschrapt en door 
de hand van den prior Walter van Herenthals als volgt 
vervangen:) unde habemus certas terras sitas sub dominio 
et territorio de Heyr (nog een later bijschrift van den sup- 
prior Arnoldus Coemans:) dimidietatem yidelicet septem 
bonariorum terrae arabilis, alteram dimidietatem emit con- 
ventus a filio eorum Wilhelmo. 
F VI kal. Marcii. 

XVII G v kal. Marcii. 

Anniversarium Domini Arnoldi de Baest, decani St. Pauli 
Leodiensis et canonici St. Servacii Trajectensis et Mar- 
gharete Schomans de Sepperen ancille sue unde habemus 
unum calicem valentem xxiii florenos renenses. 



Digitized by 



Google 



— 72 — 

VI A III kal. Marcii. 

Anniversarium Aleydis Zanderi quae donavit nobis in 
elemosinam duas quartas olei que debent requiri in Spiritu 
Sancto trajectensi prima feria vi in quadragesima, unde 
extant liiterae etc. 
B III kal. Marcii. 

Anniversarium Reverendi Domini Canonici Adami Broe- 
chaet, presb)'teri et camerarii Ecciesie Sancti Servaiii qui 
legavit nobis quatuor casulas, holosericas tres et quartam 
ceruleam paulo viliorem pro Adventu et totidem iii albas 
preciosas cum ampullis argenteis, quod semper celebrati- 
bur die sui obitus nempe vigesimaseptima februari! ; obiit 
anno 1649. (Schrift van prior Arnoldus Brugard.) 

xiiii G II kal. Marcii. 

Marius. 

III D kal. Marcii liabet dies xxxi Luna xxx. Albini Episcopi. 
Memoria. 

Anniversarium Johannis Scoenhoet et Mechiildis uxoris 
cjus et amicorum eorum, unde habuimus quartam partem 
orti situati juxta monasterium nostrum in valore x et octo 
florenorum renensium. 

Anniversarium Generosi viri Domini Arnoldi de Ordin- 
ghen militis, a quo habemus hereditarie quatuor modios 
spelte hereditarie in Can. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque, quod celebrabitur semper prima Dominica men- 
sis, nisi evidens festum intervenerit. 

Anniversarium fraternitatis Sanctae Crucis hujus conven- 
tus sicut instituit Magister Henricus de Noviomago gene- 
ralis cum vigilia et missa. 
Anniversarium fraternitatis S* Michaelis. 
Anniversarium Elisabeth de Biessen et parentum ejus quod 
celebrabitur quatuor temporum unde habuimus dimidium 
modium siliginis in tcrritorio de Mopertingen hereditarie. 
Anniversarium Gerardi Clemmen et ambarum uxorum 
ejus cum tricenario quod celebrabitur in hebdomada 
quatuor temporum unde conventus habuit annue xii modios 
spelte in Reymerstock. 



Digitized by 



Google 



— 73 — 

Anniversarium Johannis de Boelsbeeck et Juttae uxoris 
ejus et parentum etaliorum amicorum utriusque et omnium 
fidelium defunctorum quod celebrabitur semper in quatuor 
temporibus aut in die obitus utriusque cum vigiliis et missa, 
unde habemus annue triginta quatuor modios cum qua- 
tuor vasa spelte in Boelsbeeck et in Mortyr. 
Anniversarium Heylwidis Poes de Vleytingen quod celebra- 
bitur quatuor temporibus, unde habet conventus annue v 
vasa siliginis in territorio de Vleytingen. 
Anniversarium Marie de Novo lapide, beghine apud nos 
sepulte, et parentum ejus, quod etiam fiet quatuor tem- 
poribus. 

Anniversarium Jacobi de Buyl senioriset ambarum uxorum 
ejus, quod etiam celebrabitur in quatuor temporibus. 
Anniversarium Margarethe Mathie et parentum et Katha- 
rine sororis ejus et aliorum pro quibus desideravit, 
quod debet semper servari in quatuor temporibus 
anni. 

Anniversarium Jacobi Gumpart cum una missa 
Anniversarium Katherine de Rivo cum una missa quod 
debet servari in singulis quatuor temporibus, ex cujus 
legatione habet conventus septem virgatas terre arabilis 
situate achter leeten prope den alden byessen. 

(Schrift van prior Servaas Heinsberch). 
Anniversarium Domicelli Johannis de Kestelt et Dominae 
Mariae de Spontyn uxoris ejus, qui legaverunt nobis duos 
modios speltae in Millen ad celebrandum anniversarium 
ipsorum et eorumdem amicorum cum una missa, vigiliis 
et commendacionibus sexta feria quatuor temporum per- 
petuis temporibus et si non vacaverit tune prima sexta 
feria sequenti. Quae missa debet celebrari super altare 
Beatae Mariae Virginis ubi ambo sunt sepulti, ratione 
cujus sepulturae habemus adhuc octo vasa siligmis hereditarii 
pactus in Hoelbeeck ex legato ejusdem domicelli Johannis 
(Schrift van S. Heinsberg) (later bijschrift van dezelfde 
hand:) prescripti duo modii sunt rcdempti et rursum 
applicati. 
Anniversarium Arnoldi van Diepenbeek et Elisabeth uxoris 



Digitized by 



Google 



— 74 — 

ejus, qui legavit nobis undecim virgatas terrae situatas 
aen den Douzberch ad celebrandum perpetuis temporibus 
prima sexta feria in Martio et prima sexta feria Septembris 
anniversarium suum et uxoris (Schrift van Servaas Hems- 
berch^. Notandum quod praefata Elisabeth legavit nobis in 
testamento suo duos marcas super domum suam redimibiies 
per XX florenos hornenses (Schrift van Dominicus Kryns). 
E VI Nonas Marcii. 

XI F V Non: Marcii. 
G ini Non. Marcii. 

Anniversarium Domicelli Gherardi de Cortenbach et uxoris 
suae legitimae Agnetis filiae Egidii van den Broeck necnon 
aliarum animarum fidelium ad votum et intentionem dicti 
domicelli Gherardi ac etiam unici eorum filii domicelli 
Ludovici suaeque legitimae uxoris Katharinae Elreborns 
ac prolium suorum et animarum parentum utrorumque. 
Ratione cujus anniversarii presignati ac trium reliquorum 
suis in locis etc. designatorum aliorumque verum et 
servitiorum perpetuorum videlicet unius missae quotidianae 
cum commendacionibus et clausulis ut patet in litteris. 
Idem domicellus contulit conventui nostro in promptis 
summam mille et triginta unius florenorummonetepagamenti 
currentis, . . . convertendum et applicandum ad viii modios 
siliginis hereditarii pactus et mensure Trajectensis seu alios 
quoslibet redditus aut bona hereditaria ad opus dicti con- 
ventus, celebrandum semper fideliter circa quatuor tempora 
in die seu feria magis opportuna. 

XIX A iii nonas Marcii. 

VIII B II nonas Marcii. 

Anniversarium Johannis de Boelsbeeck et Juttae uxoris 
ejus et parentum et aliorum amicorum utriusque et om- 
nium fidelium defunctorum. 
C Nonas Marcii. Thomae de Aqüino. Simplex. 

Anniversarium honestae filiae Catharinae Ploumen in choro 
nostro sepultae, quae obiit ipso die Thomae anno 1653, 
ex cujus legato accepimus ab ejus heredibus nongentos 
florenos in promptis pecuniis et redditum pecunarum 
trecentorum op dye munte hypothecatum, ultra trecentos 



Digitized by 



Google 



— 75 — 

florenos quos acceperat Reverendus Pater Martinus Pauli 
anno 1643 cum onere etiam vigiliarum novem lectionum 
et duorum sacrorum sub summo legendorum et honestae 
pitantiae fratribus dandae in communi refectorio uti latius 
constat per testamentum. Item adhoc legavit nobis sex 
vasa in Vael, quas pecunias applicavimus ad quinquaginta 
florenos annui redditus ex quibus solvit Lambertus Lous- 
bergh ex Gronsfelt duodecim cum medio et unus hones- 
tus civis Trajectensis triginta septem cum medio. (Schrift 
van den prior Arnoldus Brugard). 

XVI D VIII Idus Marcii. 

Anniversarium Tiimanni Bingheiroede (i), primi fautoris 
domus hujus praecipui, qui dedit semei centum grifones 
pro erectione campanilis, exceptis reliquis quos successive 
dedit. 

V E VII Idus Marcii. 
F VI Idus Marcii. 

Anniversarium honorabilis domini, domini Stephani de 
Doenraede, necnon venerabilis domini Domini Ghoeswini 
etiam de Doenrade ac amborum parentum, consanguineo- 
rum, amicorum et benefactorum, atque Katharine Harmans 
et Elisabeth Koppens earumque parentum et amicorum 
cum septem missis pro quibus recepit conventus noster 
scmel duas marcas census perpetui oppidi Trajectensis 
mediantibus viginti florenis currentibus oppidi praefati 
semel in promptis receptis (Schrift van prior Walter 
Pistoris) applicatis ad fabricam et ratione septem missa- 
rum ipso die anniversarii celebrandarum; praescriptus 
dominus Goeswinus donavit conventui specialiter adhuc 
viginti florenos currentes anno XV^ quadragesimo quarto 
in Mayo ad hereditarios apph'candos. (Bijschrift van Ser- 
vatius Heynsberg). 

XIII G V Idus Marcii. 

II A iiii Idus Marcii. Gregorii pape. Duplex. 

Anniversarium Mariae Mareys et filii sui sepuiti in nostra 
ecclesia et parentum et amicorum eorumdem; unde habe- 
mus dimidiam marcam in vico abbatis. 



(1) Zie Doppler, Nécrologe etc. page 100. 



Digitized by 



Google 



— 76 — 

Anniversarium Johannis Collyns et duarum uxorum ejus 
cum amicis eorum unde habemus unam marcam in die 
Spilmakcrstraet super quamdam domum ejus et unum 
calicem cum nomine et signo suis cum ceteris multis 
beneficiis. Obiit anno Lxxi (1471). 

Anniversarium domicelli Gherardi de Marca et Katharinae 
uxoris ejus qui legaverunt seu in vita dederunt nobis quatuor 
modios speltae hereditarie in Wangh. 
B III Idus Marcii. 

X G II Idus Marcii. 

Anniversarium Margharetae Buyskens, matris fratris Joannis 
Xanctis et parentum ipsius ac duorum pro tempore mari- 
torum Henrici Hulshorst et Jacobi Steckenborch et filio- 
rum eorundem; recepimus semel xxxiii florenos renenses 
currentes valentes circa illud tempus circa xx florenos 
aureos. 
D Idus Marcii. 

Anniversarium Henrici Waghemans et Elisabeth uxoris 
suae et filiorum et filiarum Bernadini, Henrici, Mariae et 
Elisabeth unde habemus unum modium siliginis, mensure 
Tongrensis ad certa bona dudum Mathiae Gretis in Bolre. 

XVIII E XVII kal. Aprilis. 

Anniversarium honeste matrone Gertrudis de Meer et 
parentum, amicorum et omnium desideratorum tum vivorum 
quam defunctorum cum vigiliis, missa caniuali cum com- 
mendacionibus post missam, videlicet Responsorio, Libera 
cum tribus versibus, Miserere et de Profundis in medio 
chori. Quod anniversarium hic vel in septimana ante diem 
sanctam Dominicam Palmarum servabitur, et ipsa die 
Dominica Palmarum fiet fratribus in refectorio pitantia, 
videlicet de piscibus marinis uno bono cabbeliaauwe vel 
elft et quinque vel sex quartis albi vini renensis, ratione 
cujus et unius missae septimanalis singulis septimanis in 
honorem Beate Marie sabbato celebrande. Recepimuscentum 
florenos brabantie anno xv^- quinquagesimo septimo Octobris 
xxiiii ad certos redditus applicandos. 

(Schrift van den prior Servatius Heinsberch). 

VII F XVI kal. Aprilis. Ghertrudis Virginis. 



Digitized by 



Google 



^ 7? - 

Anniversarium Ode dicte de Scuren unde habuimus unum 
griffonem semel in promptis. 

Anniversarium Wilheimi de Aquis hospitis in Anglia et 
parentum et benefactorum." Qui dedit nobis anno domini 
Lxxix (1479) unam et dimidiam marcam perpetui census 
/;/ die Mariestrate super tres domos. 
G XV kal. Aprilis. 
XV A xiiii kal. Aprilis. 

Anniversarium honorabilis viri Domini Petri de Gortenbach, 
sigilliferi quondam Reverend issimorum Dominorum nostro- 
rum Episcoporum Leodiensium, videlicet Domini Johannis 
de Hoerne et Domini Erardi de Marca, qui legavit conventui 
nostro pro eodem anniversario sui, suorumque parentum 
ac consanguineorum semel quinquaginta florenos braban- 
tiae expositos ad fabricam; obiit autem anno Domini 
XV- vigcsimo (Schrift van prior Mathias Mynecom) 
iiii B XIII kal. Aprilis. 

Anniversarium Leonardi Rolandi, claustrarii Ecclesiae St. 
Servatii et filii ejus. 
G XII kal. Aprilis. Benedicti abbatis. Simplex. 

Anniversarium magni probitatis viri et domus nostre fautoris 
praecipui Domini Gerardi Clut, quondam scabini oppidi 
Trajectensis, unde habemus glossam psalterii in antiqua 
littera. 
XII D XI kal. Aprilis. 

Anniversarium honesti viri Joannis Nelissen, fautoris hujus 
domus in capella Sancti Michaelis sepulti et Elisabeth 
uxoris ejus qui dederunt conventui. . . (Schrift van den 
prior Martinus Pauli). 
E X kal. Aprilis. 
F IX kal. Aprilis. 
IX G VIII kal. Aprilis. 

Anniversarium Gerardi de Scoenbeeck, scabini Trajecten- 
sis a quo habemus xx stupheros annui census op aen 
beljuin super domus Johannis de Ochem. 
A VII kal. Aprilis. 
xiiii B VI kal. Aprilis. 
VI G V kal. Aprilis» 



Digitized by 



Google 



-• 78 - 

Anniversarium Thome schoti pauperis nobiscum sepulti, 
qui reliquit nobis omnia sua ascendentia ad valorem quin- 
decim florenorum monete brabantiae. (Schrift van Servatius 
Heynsberch). 
D iiii kal. Aprilis. 

xiiii E III kal. Aprilis. 

III F II kal. Aprilis. 

Anniversarium filii Jacobi de Hinsberch, interfecti cum 
duce Burgondie apud Nansia, unde habemus in Spauwen 
iiii virgatas terrae arabilis valentes annuatim 11^/2 vasa 
siliginis. 

Aprilis, 

G Kal. Aprilis habet dies xxxi (sic) Luna xxx. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque quod celebrabitur semper prima die mensis nisi 
evidens festivitas intervenerit. 

XI A iiii nonas Aprilis. 
B III nonas Aprilis. 

Anniversarium Gilberti Honich pro tempore commen- 
salis nostri in ecclesia nostra anteriori sepulti qui con- 
ventui omnia bona sua mobilia et immobilia legavit. 

XIX G II nonas Aprilis. Ambrosii Episcopi. Duplex. 

Anniversarium Johannae Bruninx, quae nobis multa legavit. 
Anniversarium Anthonii Beerts hospitis in den Tharys et 
Catherinae uxoris ejus unde conventui habet in Millen xii 
vasa speltae mensura Tongrensi. 

(Schrift van den prior Theodorus Godding). 

VIII D nonas Aprilis. 

XVI E VIII Idus Aprilis. 

V F VII Idus Aprilis. 

Anniversarium Henrici de Remerstock qui nobis legavit 
perpetuis temporibus in villagio dicto sint Margraten xv 
vasa siliginis pacti Trajectensis pro perpetua septimanali 
missa de Sancta Cruce. 
G VI Idus Aprilis. 

Anniversarium honorabilis viri Johannis de Hoeghenen 



Digitized by 



Google 



~ 79 — 

et Mechtildis ejus legittime conthoralis, unde habemus X 
marcas perpetui census constitutas in opido Trajectensi. 

XIII A V Idus Aprilis. 

Anniversarium Henrici Ramekers, patris Confratris nostri 
Guillielmi coci nostri, unde conventus habet circa duo 
bonuaria terrae in Can. (Schrift van prior Martinus Pauli). 

n B iili Idus Apriiis. 

Anniversarium Johannis Quade et Katherine de Bunde 
uxoris ejus unde habuimus semel iii florenos renenses 
aureos. 
G iii Idus Aprilis. 

X Dn Idus Aprilis. 

Anniversarium Katherine Ryken et parentum et maritorum 
ejus necnon et omnium pro quibus ipsa desideravit cum 
vigilia et tribus missis, unde dedit in eleemosinam con- 
ventui nostro semel x grifones ad redditus perpetuos con- 
vertendos. 
E Idus Aprilis. 

XVIII F XVII kal. Maii Tiburcii et Valeriani Martyrum. iii lec- 
tiones. 

Anniversarium cujusdam mulieris dicte Florencie unde 
habemus annue unam marcam. 

V G XVI kal. Maii. 

Anniversarium Liberti Vaechs et Katherine uxoris ejus 
parentum confratris nostri Liberti Vaechs ex cujus patri- 
monio conventus noster recepit septingentos et quinquaginta 
florenos currentes praeter alia beneficia. Ad quod quidem 
anniversarium vocari debent duo vel tres ex proximioribus 
heredibus ad officium in ecclesia audiendum, et post hoc 
ad portionem conventus in refectorio cum fratribus vel 
cum priore in camera hospitum ad eorum optionem invi- 
tandi salva vini (si potare libeat) specialiter per eossolu- 
tione facienda. (Schrift van Servatius Heinsberch). 
A XV kal. Maii. 

Anniversarium Mathei de Mersen et uxoris ejus. 

XV B xiiii kal. Maii. 

Anniversarium Katherine Bosmans uxoris legittime Ade 
Roefs unde habuimus semel in promptis pecuniis quatuor 



Digitized by 



Google 



-. 80 - 

dorenos postulati a Domino suo Mathia Bosmanscanonlco 
S* Servacii Trajectensis et duas partes omeliarum et ser- 
monum de tempore et de sanctis et unam partem vitas 
Sanctorum Patrum. Que obiit anno xiiii^ XLVii, xvii die 
Aprilis. 

iiii C XIII kal. Mali. 
D XII kal. Maii. 

Anniversarium Hermanni de Lepelhem junioris de Weert 
et Katherine uxoris sue et parentum ejusdem uxoris, unde 
habemus x et ix virgatas magnas terre arabilis in Laufelt 
et ad^ quitaverunt. 

XTi E XI kal. Maii. 

I F X kal. Maii. 

Anno Domini xv^ xv de licentia reverend! patris nostri 
generalis Domini Wilhelmi de Rivo acceptavimus ad in- 
tencionem honorabilium Jacobi Knocps de Wiert et Marie 
uxoris sue secunde et pro suis vivis et defunctis unam 
memoriam perpetuam in una missa singulis septimanis' et 
unum anniversarium perpetuum cum vigiliis ix lectionum 
et missa pro defunctis. 

Anno Domini 1645 obiit Reverendus Pater Martinus Pauli 
hujus conventus Prior qui laudabiliter viginti quinque 
annis rexit, iteratisque vicibus totius ordinis Diffinitor 

exstitit, cujus animam precibus commendo. (Schrift 

van den prior Arnoldus Brugard). 
G IX kal. Maii. 

IX A VIII kal. Maii. Georgii Martyris. Simplex. 
B VII kal. Maii. 

XVII C VI kal. Maii. Marci Ewangeliste. Duplex. Letania major. 
Anniversarium Ide Schotteldrayers et Nicolai ejus mariti 
apud nos scpulte in ecclesia nostra anteriori et suorum 
amicorum unde habemus annue x marcas, [redemptas per 
Godefridum in Anchora mediantibus centum florenis hor- 
nensibus positis ad fabricam, nam juxta tenorem testamenti 
redimibilcs erant per heredes cum tanta summa centum 
videlicet florenis hornensibus — later bijschrift van Mathias 
Mynecom]. 

VI D V kal. Maii. 



Digitized by 



Google 



-- 81 -• 

E iiii kal. Maii. 

XIII F III kal. Mail. Vitalis Matyris. ui lectiones. 

Anniversarium honeste virginis Marie Brouwens que testa- 
mento suo legavit conventui nostroducentos florenos monetae 
currentis, ex quibus emimus ab honorabili viro Johanne 
Henisdael quondam questore oppidi duodecim florenos et 
decem stupheros annui redditus, pro quorum securiiate et 
cautione surrogavit nos in locum suum ad recipiendos dictos 
florenos ab Ida relicta Wilhelmi Lomoix habitante prope 
conventum Sancti Andreae cum obligatione ut in contractu 
plenius continentur quod anniversarium celebrandum est 
xxviii Aprilis. 

III G II kal. Maii. Petri martyris. Simplex. 

Anniversarum Domini Petri de Meroede, canonici Sancti 
Severini Coloniensis, ex parte ordinis qui dedit eidem ordini 
in subsidium fratrum in capituio nostro generali ccc florenos 
renenses expositos pro redditibus hereditariis capituio 
generali servientibus^ item nos semel habuimus ab ipso c 
florenos renenses expositos ad fabricam chori. 
Anniversarium cujusdam incolae Goesensis (i), magni fau- 
toris ordinis nostri, et suorum pro quibus desideravit. Qui 
dedit nobis in usu expensarum capituli generalis annue x 
florenos renenses, quare capitulum generale diffinivit cum 
suis inscribi in libris anniversariorum per totum ordinem et 
debet teneri cum anniversario Petri de Meroede pres- 
cripti tempore capituli generalis in omnibus conventibus 
ordinis nostri. 

Maius. 

A kal. Maii. 

Anniversarium Wilhelmi de Cortersom cum tribus missis 
de cujus legato habemus octo virgatas terre situate intra 
Visetum et den Dousberch^ jungentes bonis pertinentibus 
Sancto Spiritu. (Schrift van Servatius Heinsberch). 
Anniversarium Wilhelmi Capuyns senioris et Wilhelmi 
filii ejus hospitis int hoechhuys et Jutte uxoris et prolium 



(1) Zijn naam was: Philippus d'Hondt. 
6 



Digitized by 



Google 



— 82 — 

eorumdem et Yde Capuyns uxoris Johannis Wynandi et 
proiium et Johannis Wynandi mariti praescripte Yde 
Capuyns et est desideratum quod Dominica praecedenti 
denuncietur in ambone; unde habuimus anno xcv (1495) 
IX florenos renenses currentes. 

XI B kal. Maii habet dies xxxi luna xxx. Philippi et Jacobi. 
Anniversarium Arnoldi Proenen et Mechtildis uxoris suae 
cum liberis ac parentibus eorumdem, quod celebrabitur 
perpetuis temporibus singulis mensibus anni hoc est duo- 
decies in anno videlicet prima dominica mensis, nisi evidens 
festivitas impediens occurrerit, cum vigiliis et sequenti die 
cum missa de requie simplici vel cantuali duntaxat in 
posterum fratrum copiositas atque conventus facultas per- 
miserit, pro quibus anniversariis ipse prescriptus Arnoldus 
nostro conventui in promptis coniulit c grifones anno Domini 
M*> cccc** Lix in profesto ascensionis Domini, partim 
expositos ad tectum et turrim novi chori nostri, partim 
vero expositis in emptione cujusdam pecie terre x et viii 
virgatorum situate in territorio de Pietersom. 
Anniversarium Marie de Corthersom et mariti ejus et ami- 
corum, que legavit nobis quandam domum pro isto anniver- 
sario servando fet perpetuis temporibus debeant per nos 
impartiri tria vasa siliginis prima Maii pauperibus elee- 
mosinam. (Schrift van Servatius Heinsberch). 
G VI nonas Maii. 

Anniversarium Laurencii Lenkens et Katherine uxoris 
sue filiique eorum cum amborum parentibus eorumque 
liberis quod fieri voluit quamdiu vivit prefata Katherina. 
Inceptum anno Lxiiii (1464). 

XIX D V nonas Maii. 

Anniversarium Reyneri Boermans et Agnetis uxoris sue 
de Opoeteren necnon Reyneri filii eorum legittini ac 
Gecilie uxoris sue legittime pro quo legavit idem Reyne- 
rus circiter tria bonaria terre arabilis vel pascue jacencia 
in dominio de Steyn ultra mosam, valencia singulis annis 
unum modium siliginis pacti Trajectensis salvo pluri. 
Iste terre sunt commutate pro pactu hereditario unius 
modii siliginis ibidem per fratrem Walterum de Heren- 



Digitized by 



Google 



•^ 83 - 

thals unde extant littere sigillate. (Schrift van Dominicus 
Krijns). 

VIII E mi nonas Maii. Festum Corone Domini. Simplex. 
F III nonas Maii. 

vxi G II nonas Maii. Johannes ante portam latinam. Duplex. 
Anniversarium Domicelli Gherardi de Corttenbach et uxoris 
sue legittime Agnetis, filie Egidii Van den Broeck. Nee- 
non aliarum animarum fidelium ad votum et intencionem 
dicti domicelli Gerardi ac etiam unici eorum filii domicelli 
Ludovici sueque legittime uxoris Katherine Elreborns ac 
prolium suarum et animarum parentum utrorumque. 
Racione cujus anniversarii presignati ac trium reliquorum 
suis in locis etiam designatorum aliorumque onerum et 
serviciorum perpetuorum, videlicet unius misse quotidiane 
cum condicionibus et clausulis ut patet in iitteris. Idem 
domicellus contulit nostro conventui semel in promptis 
summam mille et triginta unius florenorum monete et 
pagamenti currentis fideliter convertendam et applican- 
dam ad vii^/2 modios siliginis hereditarii pactus et men- 
sure Trajectensis seu alios quoslibet redditus aut bona 
hereditaria ad opus dicti conventus celebrandum semper 
fideliter circa 4*>' tempora in die seu feria magis oportuna. 
V A nonas Maii. 
B VIII Idus Maii. 

Anniversarium Domini Jacobi Sluysman (*), cappellani 
S'Servacii Trajectensis, parentum ejus ac benefactorum a 
quo habuimus x vlichutas et mediam hereditarie. 
xui G VII Idus Maii. 

Anniversarium probae et innuptae virginis Petronille de 
Asten legittime filie Petri de Asten quondam virgiferi in 
ecclesia Beate Marie Virginis hujus oppidi. Qui pro cele- 
brando anniversario suo suorumque parentum et amico- 
rum omnium defunctorum singulis annis, prout consuetum 
et decens est, in nostro conventu servari legavit nostro 
conventui in suo testamento, condito anno xv- vicesimo 



P) Zie voor Jacobus Sluysman: F. Dopfler, Nécroh^e de Li confrérie des Cha* 
pelam de la ci-devant collegiale de S. Servais, pp. 39, 80, 150, 01. 



Digitized by 



Google 



— 84 — 

quarto Aprilis nona, in promptis pecuniis semel dandis 
quinquaginta hornenses postulati. Insuper ad hucperpetuis 
temporibus hereditarie triginta quinque solidos super bonis 
Henrici Wennemeeckers in Wyck opt oirthuyss van de 
Koerverstraete. Item adhuc sex solidos 1111/2 denarios super 
bonis Henrici de Amstenraede in Wyck. (Schrift van 
Servatius Heinsberch). 

II D VI Idus Maii. Gordiani et Epymaechi Martyrum. iii 
lectiones. 
E V Idus Maii. 

X F iiii Idus Maii. Nerei, Achillei et Pancracii. iii lectiones. 
G lil Idus Maii. Servacii, Episcopi et Confessoris. Duplex. 
Anniversarim Marie de Vucht matrone in den Voghel- 
sanck et suorum amicorum desideratorum cum tricenario. 
Ut patet quinto ld: februarii. (Bijschrift van Dominicus 
Kryns). 

xviiiA II Idus Maii. 

Anniversarium singularis amici et fautoris nostri Conven- 
tus magistri Jacobi Brant et Elysabeth uxoris sue legittime 
necnon parentum ac consanguineorum utriusque. Qui ma- 
gister Jacobus in variis causis conventus fideliter et fre- 
quenter etiam gratis deservivit. Defunctus tandem apud 
conventum nostrum et in ecclesia nostra sepultus anno 
Domini nostri Jesu Christi mv^ xxviii in festo Sanctissime 
Trinitatis, cujus anima requiescat pace eterna; post cujus 
obitum prefata Elyzabeth relicta ob hujusmodi anniversa- 
rium perpetuum ac sepulturam de quibusl:bet diversarum 
earum salariis fortasse minus plene persolutis coram notario 
subcripto necnon et testibus subscriptis videlicet Jacobo 
van Tyl et Jacobo Rotifice integraliter remisit atque qui- 
tavit prefatum conventum nostrum. (Schrift van Mathias 
Mynecom). (is geteekend^ Ita est: Jacobus de Merva. 

VII B Idus Maii. 

G XVII kal. Junii. 

Anniversarium Johannis de Berckden et Elisabeth uxoris 
vulgariter nominati in den doeren boem^ unde habet conven- 
tus annuatim unam marcam super domum praest in vicó 
qui dicitur lenkelen. 



Digitized by 



Google 



— 85 — 

XV D XVI kal. Junii. 

Anniversarium Mathei Noitstock et Agnetis uxoris ejuset 
parentum ejusdem Agnetis unde habuimus multa bona. 
Unde etiam anno xv- xx° habuimus adhuc xxv florenos 
currentes legatos nobis per eandem Agnetem ad usum 
fabricae. (Bijschrift van Mathias Mynecom). 
iiii E XV kal. Junii. 

F xiiii kal. Junii. Potentianae Virginis. Memoria. 

Anniversarium Petri dicti Crucenberch quondam fautoris 
hujus domus permaximi. 
xu G XIII kal. Junii. 

Anniversarium Mathie Clueters et parentum illiusJohan- 
nis et Haleydis Clueters, qui dedit nobis semel triginta 
florenos currentes. (Schrift van Joannis Proenen). 
A. XII kal. Junii. 

Anniversarium venerabilis Domini et Magistri Danielis 
Cluetz, canonici Sancti Lamberti Leodiensis, qui obüt 
anno xv^ quinquagesimo tertio Maii xxi, qui legavit 
nostro conventui semel viginti florenos brabantie ad emen- 
dum et comparandum unum florenum brabantie annuatim 
levandum in sui suorumque anniversarii perpetui memoriam. 

ni B XI kal. Junii. 

IX C X kal. Junii. 
D IX kal. Junii. 

Anniversarium Reyneri de Smissen et parentum et bene- 
factorum ejus, qui nobis legavit duos modios siliginis men- 
sure Trajectensis hereditarie pro quibus se et suis unius 
misse quotidiane participes fieri desideravit (testamentum 
illius continet de 4 modiis siliginis hereditarie et quod 
fieret una missa cotidiana, duo modii sunt nobis assignati 
in Houtem per domicellum Alardum van der Smissen, 
reliqui duo modii sunt redempti per heredes prefati 
Reneri per ducentos quadraginta grifones ad certos red- 
ditus in Heerderen et Viseto campestri applicatos. (Bij- 
schrift van Joannes Proenen). 

XVII E vm kal. Junii. Urbani Pape et Martyris. iii Icctiones. 
Anniversarium Elisabeth de Biessen et parentum ejus, quod 
celebrabitur in anno videlicet singulis quatuor temporibus 



Digitized by 



Google 



- 86 — 

anni cum vigiliis et missa pro defuntis; ipsa Elisabeth 
contulit conventui dimidium modium siiiginis annui pactus 
in dominio de Mopertinghen. 

Anniversarium Marie de Novo lapide beghine apud nos 
sepulte et parentum ejus. 

Anniversarium Jacobi de Buyl senioris et duarum uxorum 
ejus. 

Anniversarium Margharete Mathie de Sancto Trudone et 
parentum et Katherine sororis ejus et aliorum pro quibus 
desideravit quod debet semper servari in temporibus anni. 
Anniversarium Gerardi Clemmen et ambarum uxorum 
ejus cum tricenario, quod celebrabitur in ebdomada 4®^ 
temporum. 

Anniversarium Johannis de Boeisbeeck et Jutte uxoris ejus 
et parentum et aliorum amicorum utriusque et omnium 
fidelium defunctorum, quod fiet semper singulis 4*>' tempo- 
ribus anni et in die obitus utriusque cum vigiliis et missa, 
unde habemus annue hereditarie xxxiiir modios et iiii vasa 
spelte in Boeisbeeck et Moriyr. 

Anniversarium Heylwigis Poes de Vleytinghen quod cele- 
brabitur in 4'' temporibus unde habemus quinque vasa 
siiiginis hereditarie in Vleytinghen. 

Anniversarium Domicelli Johannis de Kesielt et dominc 
Marie de Spontyn uxoris ejus cum una missa, vigiliis et 
commendationibus legendis per sacerdotem super sepul- 
chrum eorum ante altare Beate Marie Virginis in singulis 
quatuor temporibus. (Schrift van Servatius Heinsberch). 
Anniversarium Katherine de Ryvo cum una missa in sin- 
gulis quatuor temporibus. (Schrift van denzelfde). 
VI F VII kal. Junii. 
G VI kal. Junii. 

Anniversarium Domini Huberti de Peer (i) capellani Sancti 
Servacii et parentum suorum et pro quibus desideravit, 
qui dedit conventui nostro tria vasa siiiginis hereditarie in 
Heerderen. 



{^) Zie P. Doppler, Nécrohge eic. p. 81. 



Digitized by 



Google 



— 87 — 

Anno Domini 1652 may die obiit Pater Lambertus 

a Gastro, sacerdos et jubilarius. (Schrift van Arnoldus 
Brugard). 

xiili A. V kal. Junii. 

Anniversarium Johannis Becker super monetam unde 
habuimus semel xx florenos currentes. 
Anniversarium Reverendi Patris Theodori Godding; danda 
est pitantia in vino et assato ex ordinatione Reverendis- 
simi Patris Generalis. Hic pater per quatuordecim annos 
fuit prior hujus domus et ob supervenientem cecitatem 
officio cessit. (Schrift van Laurentius Van der Haegen). 

III B iiii kal. Junii. 
C III kal. Junii. 

Anniversarium Henrici Welters de Horst et Mechtildis 
uxoris ejus parentum prioris nostri Wilhelmi de Horst 
unde habuimus semel in promptis pecuniis circa xii florenos 
Renenses. 
XI D II kal. Junii. Petronille Virginis. Memoria. 

yunius. 

E Kal. Junius habet dies xxx Luna xxix. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque quod celebrabitur, semper prima die mensis nisi 
evidens festivitas impedierit. 
XIX F iiii nonas Junii. Marcellini et Petri Martyrum, iii 
lectiones. 

Anniversarium Aleydis Pelsers et mariti sui in ecclesia 
nostra sepulte, a qua conventus semel habuit centum et 
quinque florenos currentes loco tredeciin vasa siliginis 
redemptorum per heredes Aleydis prescripte, que xiii vasa 
siliginis fuerunt prius nobis assignata per heredes pres- 
criplos loco sedecim virgatarum terre arabilisquas Aleydis 
prescripta per testamentum legavit nobis pro una heb- 
domadali missa perpetuis futuris temporibus in conventu 
nostro celebranda. Et in sublevamen isiius Misse et pro 
uno anniversario adhuc prescripta legavit nobis sex vasa 
siliginis hereditarii pactus in Wiire vulgariter Wautwilre; 
cum istis pecuniis et aliis empta est una petia terre in 
Amelsdorp etc. 



Digitized by 



Google 



— 88 — 

XIII G III nonas Junii. 

Anniversarium parentum Domini van den Wael, sacellani 
Sancti Servatii, de consensu Prioris nostri et omnium ca- 
pitularium acceptatum, quod perpetuis futuris temporibus 
celebrabitur cum Dyacono et Subdj^acono cum commen- 
dationibus post missam infra octavas venerabilis Sacramenti, 
sive Missa sit de eodem Venerabili vel defunctis idem est, 
dummodo fructus sacrificii ipsis applicatur. Qui dominus 
van den Wael contulit conventui nostro anno Domini 
1646, 29 Maii unam casulam cum stola, manipulo, anti 
pendio altaris et uno velo calicis cincto dentillis aureis 
coloris violacei parum mortificati: Item unum insignem 
crucifixum in cujus pede est imago Beatae Mariae Virginis 
argentea et aliis in locis leliquiae Sacrae. Item duas custo- 
dias corporalium cum duobus aliis velis calicum et unum 
album antipendium et duo pocula alba imponcndis floribus 
super altaria convenientia, estimata in genere ad centum 
florenos: Item 21 Novembris ejusdem anni solvit predictus 
Dominus van den Wael magistro Petro Aurifabrosexaginta 
florenos brabaniiae pro amplificatione pretacti crucifixi 
cum onere legendi vigilias novem lectionum pridie Can- 
tandi Anniversarii et unam missam sub summo Sacro: 
Item etiam statutum est ut post obiium dicti domini van 
den Wael presens anniversarium pro ipso fieri debebit. 
Obiit anno Domini 1651 Septembris die decima tertia 
quo die servabitur anniversarium, vel eo impedito in pro- 
ximiori die vacante et in augmentum anniversarii legavit 
nobis tres supremos aureos, unam casulam rubram Damas- 
cenam, unum Missale Romanum mediocris formae. Hic 
vacat quia voluit transferri in diem obitus sui scilicet 13 
Septembris pretactos tres supremos aureos applicavi ad 
redditum pecuniarum in Wang. 
A II nonas Junii. 

V B nonas Junii. 

Anniversarium Henrici Droeff et Aleydis uxoris ejus et 
prolium. 
C VIII Idus Junii. 

XIII D VII Idus Junii. 



Digitized by 



Google 



— 89 — 

Anniversarium Domini Arnoldi de Eldris canonici et Sco- 
lastici Sancti Servacii Trajectensis. 

II E VI Idus Junü. Medardi, Episcopi et Confessoris. Memoria. 
F V Idus Junü. Primi et Feliciani Martyrum. ui lectiones. 
Anniversarium Domini Lanceloti Halewyck. Danda est 
pitantia in vino est assato. 

Nota quod fratres praefati Domini Lanceloti, canonici dum 
viveret ecclesiae collegiatae Sancti Servatii, obtulerunt 
nobis centum impériales pro anniversario annue cum pitantia 
celebrando et non fuit facta mentio ulterioris obligationis, 
sed aliquibus annis postea elapsis non voluerunt nobis 
numerare pecunias nisi legeremus etiam Vigilias defunc- 
torum et in die anniversarii post mensam miserere cum 
de profundis pro defuncto domino ut patet ex contracto 
desuper facto anno 1686. Pecuniae sunt applicatae cum 
adhuc aliis pecuiiiis pro emenda petia terrae triginta octo 
virgatarum extra por tam Bruxellensem a Joanne Olesle- 
ghers anno 1686, 12 Augusti. (Schrift van den prior 
Laurentius van der Haeghen.) 

X G mi Idus Junü. 

A III Idus Junü. Barnabe Apostoli. Duplex. 

Anniversarium Domini Mathie Bosman, canonici Sancti 
Servacii Trajectensis, qui nobis legavit decretales cum glossa, 
textum decretalium sine glossa, sermones Bernardi in 
papyro, glossa Ludolphi super Psalterium, Ysidorum de 
Summo bono et unum crusibile argenteum purum. Qui 
obüt anno lxxi (1471). 

XVIII B II Idus Junü. Basilidis et Sociarum Martyrum. iii lec- 
tiones. 

Anniversarium Nobilis viri Domini Ludovici de Massche- 
rccl, canonici Sancti Lamberti Leodiensis, qui obüt anno 
Domini xvo iiii penultima decembris, unde habuimus 
semel circa x et viii florenos hornenses expositos ad fabri- 
cam posterioris ecclesie. Hic tamen opportunius tenetur. 

VII C Idus Junü. 

Anniversarium honorabiüs et providi viri Ruihgeri Hamont 
et Marie uxoris ejus parentum Confratris nostri Ghisberti 
Hamont, qui circa hoc tempus suas primitias celebravit 



Digitized by 



Google 



— 90 — 

et ob id sempcr servabitur prescriptum anniversariutn cum 
vigiliis novem leciionum, missa cantuali et commendatio- 
nibus et hoc cum gratiosa pitantia ferculorum et vini renen- 
sis iSet fratribus in communi refectorio. Ratione cujus 
prescriptus Ruthgerus annoxv- quinquagesimo sexto Junii 
decima septima legavit et donavit nostro conventui tres 
florenos brabantie semper redimibiles cum sexaginta flore- 
nos brabantie super domo sua Leodii sita in Agimont inter 
domum Mathie Buysten et ab inferiori et hortum domi- 
celli Anthonii de Brabantia a superiori partibus situata, 
conditione adjecta cum hujusmodi tres floreni redimuntur 
quod illos denarios ex illo redemptione provenientes 
tenebitur prior et conventus applicare ad certos redditus 
super bonis contrapignoribus, et hac pitantia fratres non 
priventur in futuris perpetuis temporibus et prescriptum 
anniversarium rite et legittime etiam servetur. (Schrift 
van Servatius Heinsberch). 

Ita est Rutger de Hamont. 
In die obitus sui sicut idem Rutgherus in sua ultima in- 
firmitate petivit, qui obiit 1573, xxi die Octobris Clater 
bijschrift). Idem probus Rutgerus Hamont ut domum 
suam a prefato gravamine exoneraret ac penitus liberam 
redderet, assignavit nobis aliud contrapignus, nempe me 
dium bonarium terre arabilis in campo de Tongerloe dicto 
op ten Borgherzveech ex quo nobis annue sex floreni hor- 
nenses penduntur. Que ah'enatio sive commutatio cum 
consensu capituh' facta est et acceptata anno Lxxiii (1573) 
maii xvi, unde extant littere. (Schrift van den supprior 
Arnoldus Coemans). 

XV E XVII kal. Julii. Viti et Moüesti Martyrum. iii lectiones. 
Anniversarium Arnoldi Vinck de Venloe, fratris confratris 
nostri Zanderi de Venloe, unde habuimus anno Domini 
xv^ XII semel xxxii florenos expositos ad usus currentes. 

iiii F XVI kal. Julii. CiRici et Julite Martyrum. iii lectiones. 
Anniversarium Pauli Kryns et Katherine van den Plass, 
parentum confratris nostri Dominici, ex cujus patrimonio 
provenerunt conventui ducenti floreni brabantie et cyphus 
argenteus valens septem florenos brabantiae. Et legaverunt 



Digitized by 



Google 



— 91 — 

pro illorum perpetuo anniversario etiam preter illud xviii 
marcas super domutn Petri de Peer in die quaede vlyege- 
straet sitam redimibili juxta contenta libri scabinorum. 
Ratione cujus anniversarii dabitur fratribus in communi 
refectorio tune sex quarte albi vini renensis invitatis et 
vocatis duobus de proximioribus amicis et heredibus etiam 
in communi refectorio secundum tenorem testamenti. Se- 
pulti sunt ambo in ecclesia nostra anteriori juxta lapidem 
aquc benedicte et casu quo redimantur prescripte marce 
appiicabitur talis pecunia ad alios redditus quo pictantia 
in hoc anniversario perpetue fratribus detur. (Schrift van 
prior Servaas Heinsberch). 
G XV kal. Julii. 

Anniversarium Mechtildis Lemmels atque Ghisberti mariti 
sui suorumque parentum et amicorum unde habuit con- 
ventus unam marcam census hereditarii in den Vrijthof 
super domum Nycholai in Serra. 

Anniversarium probe vidue Catherine Aquensis que nobis 
in suo testamenio reliquit centum florenos monete currentis 
anno septuagesimo octavo cum sui defuncti mariti Leo- 
nardi memoria. (Schrift van den supprior Arn. Goemans). 

XII A xiin ka). Julii. Marcï et Marcelliani. ui lectiones. 

I B XIII kal. Julii. Gervasii et Prothasii martyrum. Simplex. 
C xn kal. Julii. 

IX D XI kal. Julii. 

E X kal. Julii. Sanctorumdecemmillium martyrum. Duplex. 
Anniversarium Godefridi de Meer et Marie uxorisejus que 
fuit magna fautrix hujus conventuset a quaconventus plura 
recepit. 

xvii F IX kal. Julii. Vigilia. 

VI G vin kal. Julii. Nativitas S^ Johannis Baptiste. Totum 

DUPLEX. 

A VII kal. Julii. 

Anniversarium sive commemoratio Jacobi Lumbardi et 
Katherine uxoris ejus et amicorum utriusque unde recepit 
conventus semel dumtaxat x grifones et quinque bodreger 
expositos ad opus fabrice novi chori. 
xiin B VI kal. Julii. Johannis et Pauli Martyrum. Simplex. 



Digitized by 



Google 



— 92 — 

Anniversarium Marie de Vucht matrone in den Vogltel- 
sanck et suorum amicorum desidcratorum cum tricenario 
unde habemus ut supra quinta idus februarii. 
Anniversarium Margaretae Nullens et Reverendi domini 
Henrici Nysmans et Ameliae Nysmans omniumque desi- 
deratorum a quibus conventus habet unum bonarium 
lerrae prope Willer in duabus petiis scilicet duodecim 
virgatas et octo virgatas. In quo anniversario habebunt 
religiosi assatum et pintam vini in prandio et similiter 
piniam vini vesperi. (Schrift van LaurentiusvanderHaegen). 

VI C V kal. Julii. 

D iiii kal. Julii. Leonis Pape. Memoria, Vigilia. 

XI E III kal. Julii. Petri et Pault Apostolorum. Totum duplex. 
F II kal. Julii. Commemoratio Sancti Pauli. Duplex. 
Anniversarium Alardi de Roetem et Barbare uxoris ejus 
qui nobis legaverunt centum florenos renenses ad usum 
fabrice nostre et pro xxx tricenariis. Et in Wiek unam 
marcam et iii stuferos perpetui census. Obiit Alardus 
millesimo quadringentesimo sexagesimo septimo. 

Julius, 

xix G Kal. Julii. Habet dies xxxi Luna xxx. Octava Johannis 
Baptiste. Simplex. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque, quod celebrabitur semper prima dominica 
mensis nisi evidens festum impedierit. 

viii A VI nonas Julii. Visitatio Beate Marie. Totum duplex. 
B V nonas Julii. 

Anniversarium Domini Mathie Van der Nedermoelen et 
parentum et benefactorum ejus. 

Et pro ipsis habet conventus celebrare duas missas singulis 
septimanis perpetue unam de dominica et unam pro de- 
functis. Unde habet conventus quinque bonaria terrarum 
arabilium situata in Ameldorp prope Wylre. 

xvi C im nonas Julii. 

Anniversarium Magistri Petri Boumans medici et Marie 



Digitized by 



Google 



~ 93 - 

Ruethelinx uxoris ejus sepultorum in ecclesia nostra, a 
quibus habemus quinque marcas perpetui census super 
domum op ten groeten gracht contiguam porte van Weeset. 
(Schrift van prior Servatius Heinsberch). 
D III nonas Julii. 

E II nonas Julii. Octava Apostolorum Petri et Pauli. 
Simplex. 

xm F nonas Julii. Anniversarium quiescentium in cimiteriis nostris. 
Anniversarium Venerabilis patris nostri, fatris Michaelis 
de Testelt, hujus conventus primi prioris. 

n G VII Idus Julii. 

Anniversarium Johannis de Grevenraede et Magharete 
uxoris cjus defuncte et parentum et prolium utriusque, 
unde habemus unam marcam hereditarie. 
A VII Idus Julii. 

X B VI Idus Julii. vii Fratrum Martyrum. iii lectiones. 

Anniversarium honorabilis viri domini Johannis Servacii, 
capellani Sancti Pauli Leodiensis, unde habuimus semel x 
florenos aureos et unam coronam trancie auream. Etiam 
anniversarium Elisabeth ancille ejusdem domini Johannis. 
C v Idus Juli. 

Anniversarium Johannis Smeets juvenis, qui peste obiit 
anno 1633 et legavit conventui nostro ad orandum pro 
eo et parentibus ejus defunctis quadringentos florenos brab. 
semel ab ejus heredibus dandos, pro quibus habendis 
commovimus litem quam pacificavimus 12 februarii 1635 
et recepimus nisi trecentos, quia heredes allegabant eum 
plus legasse quam habuerat, cujus anima requiescat in 
pace. (Schrift van den prior Martinus Pauli). 

xviii D mi Idus Julii. 

Anniversarium Jacobi de Buyl, burgensis Trajcctensis divitis 
negociatoris et amici nostri singularis. Qui obiit anno 
xmi^ Lxxx, XII Julii et legavit nobis pecunias ad unum 
medium siliginis emendum ut fieret anniversarium ejus ac 
duarum uxorum ejus quatuor temporibus anni. 

vil E m Idus Julii. 

Anniversarium fratris Waltheri de Geel tercie regule beati 
Francisci qui nobiscum obiit ac sepelitur. Qui legavit nobis 



Digitized by 



Google 



- 94 -- 

pene omnia sua tam in pecuniis quam aliis rebus ascendentia 
ad LX gritones vel circiter. Hic obiit anno xiiir xxim\ 
Anniversarium Domini Nycholai Sammen, capellani S* Scr- 
vacii, apud nos sepulti in choro, 
F II Idus Julii. 

Anniversarium Symonis Samps et uxoris ejus qui fuerunt 
magni fautores nostri conventus. Et habuimus ab eis 
diversis temporibus xcvii grifones in pecuniis. 

XV G Idus Julii. Divisio Apostolorum. Duplex. 

iiii A xvii kal. Augusti. 

Anniversarium Jacobi Vellens alias Gumpart pro tempore 
com mensalis nostri in ecclesia nostra anteriori sepulti. 
Anniversarium Reyneri Bormans et uxoris sue Cecilie cum 
vigiliis IX lectionum et cum missa cantuali de Requie 
cum commendacionibus. 
B XVI kal. Augusti. 

Anniversarium Domini Egidii de Ponte, canonici et cantoris 
ecclesie S. Marie Leodiensis diocesis, et parentum et bene- 
factorum ejus. 

XII C XV kal. Augusti. Translacio Sancte Odilie Virginis. 

TOTUM DUPLEX. 

Anniversarium Ade de Nuwenhem de Colonia sepulti 
ante altare Beate Marie Virginis cum commendacionibus. 

I D xiiii kal. Augusti. 

Anno 1677 30 Julii obiit Reverendus Dominus Nicolaus 
de HannefTe magister generalis a reformatione 22dus, 
vir suo tempore insignis (Schrift van Laurentius van der 
Haegen). 
E xiii kal. Augusti. 

IX F XII kal. Augusti. Praxedis Virginis. iii lectiones. 

Anniversarium Godefridi Cobben unde habemus 1/2 mar- 
cam te Hoebruggen in Wyck super bona Mathei Delres. 
G XI kal. Augusti. Marie Magdalene. Totum duplex. 
Anniversarium Domini Johannis Maen, quondam capellani 
ecclesie Sancti Servatii, ratione cujus habet conventus quin- 
que solidos annui census super mosiim piscinm, 
Anniversarium honeste matrone Ghertrudis de Meer que 
preter plura beneficia pro ecclesia et anniversario circa 



Digitized by 



Google 



-. 95 - 

Palmarum servandis cum pitantia vini renensis et piscium 
ipsa die palmarum, etiam hoc die Marie Magdalene et 
ipsa die nativitatis Domini ordinavit et legavit, quod in 
communi refectorio fratres habebunt pitantiam quatuor 
aut quinque quartorum albi vini renensis secundum exi- 
gentiam temporis. Salvo quod omnes in missis et oratio- 
nibus orabunt pro anima ipsius et omnium desideratorum 
et ipsa die Marie Magdalene ratione quarum duarum pitan- 
tiarum legavit quadraginta florenos brabantie applicandos 
ad redditus. (Schrift van den prior Servatius Heinsberch). 

xiiii A X kal. Augusti. Apollinaris Martyris. iii lectiones. 

Anniversarium Servatii et Marie Noellens conjugum, paren- 
tum honestarum innuptarum virginum Anne et ApoUonie 
Nulens sororuni in ecclesia sepultarum. Que Anna obiit 
anno xv^ quinquagesimo sexto in vigilia Jacobi pro quo 
anniversario magis convenienti die circa hoc tempus ser- 
vando dedit Apollonia semel in promptis triginta florenos 
brabantie per decem coronas et duo nobilia cum rosa ad 
hereditaria applicandos. In hoc anniversario gratiosa pitan- 
tia vini in refectorio. Et post missam cantatam visitare 
sepulchrum cum commendacionibus. (Schrift van prior 
Servatius Heinsberch). 

VI B IX kal. Augusti. Christine Virginis. Memoria. Vigilia. 
Anniversarium Johannis Clickars et Marie uxoris ejus et 
suorum amicorum a quibus emimus dudum vm vasa sili- 
ginis heredittarii redditus, quae poterant redimi anno domini 
XV- quinta ratione moderationis tune in patria ordinate, 
sed tune opposuimus ad pretrium emptionis prime et fuit 
nobis gratia facta in illa appositione. 
Anniversarium domine Elizabeth Crops apud albas* domi- 
nas defuncta que nobis legavit duo vasa siliginis super 
hereditates suos patrimoniales, que solvit relicta fratris 
prefate Elizabeth. (Schrift van prior Servatius Heinsberch). 
C Yiii kal. Augusti. Jacobi Apostoli. Duplex. 

Obiit venerabilis Dominus Jacobus Cornelii capellanus 
Sancii Servatii anno xv^ quadragesimo quarto, Julii trige- 
sima. Qui legavit nostro conventui tres florenos hornenses 
cum dimidio hereditarios in Maeseyck supra unam domum 



Digitized by 



Google 



^ 96 - 

pertinentem relicte Martini Stockbroeck in platea dicta 
die Maeseyckstraet pro anniversario sui suorumque paren- 
tum ipso die Sancti Jacobi apostoli servando cum missa 
de Sancta Trinitate, secunda collecta de Sancto Jacobo et 
tertia collecta omnipotens sempiterne Deus qui vivorum 
etc. cum commendatione miserere, de profundis cum . . . . 
post missam dicendis. (Schrift van prior Servatius 
Heinsberch). 

xmi D VII kal. Augusti. Sancte Anne Vidue. Duplex. 

Anno Domini xv^ Johannes Doelmans (y) et socer ejus 
Petrus assignaverunt nobis certas terras arabiles sitas juxta 
Hoegem vigore testamenti bone memorie Laurentii Tans 
et Barbare uxoris ejus pro quibus habemus celebrare unam 
^ missam in emdomada (sic) perpetuam et unum anniver- 
sarium in festo S. Anne. (Circa quod quidem anniversarium 
semper invitari debent duo de proximioribus prefatorum 
conjugum consanguineis ac venerabilis Pater Dominus prior 
conventus fratrum predicatorum, quibus cum fratribus 
nostris in prandio fiet gratiosa pitantia, et hoc idem faciunt 
ipsi predicatores quum servatur istud anniversarium. 
(Bijschrift v. Walter v. Herenthals). 

III E VI kal. Augusti. 

F V kal. Augusti. Nazarii Celsi et Panthaleonis. iii lec- 
tiones. 

Obiit anno Domini 1441 ipso die Nazarii et Sociorum 
ejus Dominus Helmicus Amoris, Magister tercius in refor- 
matione. 

XI G im kal. Augusti.FELicis Pape et Sociorum ejus. iii lectiones. 
Anniversarium honorabilis viri Domini Jacobi de Gruytroy 
presbyteri et parentum et benefactorum suorum et pro aliis 
pro quibus desideravit. Pro quo dedit conventui nostro vii 
vasa siliginis perpetui pactus super certa contrapignora 
in territorio de Petershem, de quibus habemus litteras. 

XIX A m kal Augusti. Abdon et Sennes martvrum. iii lectiones. 



(I) Johannes Doelmans was gehuwd met Katharina Thans, dochter van Laurens 
Thans, vleeschhouwer en Barbara.... Haar broeder Petrus Thans oefende hetzelfde 
beroep uit. 



Digitized by 



Google 



~ 97 — 

Anniversarium Johannis Sondervorst calcificis et duarum 
uxorum ejus Bele et Mechtildis secundae uxoris sue nobis- 
cum in ecclesia sepulte anno xv^ xxi maii quarta. Qui 
Johannis donavit et assignavit nobis anno domini xv^ vice- 
simo primo maii octava viginti novem solidos annui here- 
ditarii census super domum Johannis Waynartz pistoris 
situatam in den Stock, Item Mente Prenten sororis Jo- 
hannis prescripti ex cujus legato habemus etiam supra ean- 
dem domum prescriptam unam marcam hereditarii census. 
(Schrift van prior Servatius Heinsberch). 
B II kal. Augusti. Germani Episcopi. iii lectiones. 
Anniversarium Domini Henrici de Valle. 
Anniversarium Elisabeth Carleys de Mechlinia unde ha- 
buimus semel ix florenos brabantinos qui fuerunt expositi 
ad vestes sacras. 

Augustus, 

vin G Kal. Augusti. Habet dies xxx luna xxix. Ad Vincula 
Petri. Duplex. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque quod celebrabitur semper dominica prima mensis 
nisi evidens festum impediat. 

Anniversarium Aleydis Monix et fratris sui domini Helie, 
vlcarii in ecclesia Sti. Servacii, necnon Marie sororis ejus 
que obiit quinta feria post Purificationem. Horum execu- 
torcs scilicet Gerardus de Hasselt, Petrus de Asten et 
Gysbertus Honich dederunt nobis in puram eleemosinam 
circa ii modios siliginis mensurae Trajectensis annuatim ad 
orandum pro ipsis. Ex legato hujus testamenti habemus 
unam marcam annuatim super forum lignorum. 

XVI D ira nonas Augusti. Stephani Pape et Martyris.iii lectiones. 
Anniversarium honesti viri Magistri Gherardi Meer, quon- 
dam burgimagistri hujus oppidi et Bele uxoris illius et 
parentum utrorumque et prolium et omnium desiderato- 
rum vivorum et defunctorum, ratione cujus anniversarii 
atque unius misse septimanalis dedit conventui nostro 
predictus Magister Gherardus semel in promptis centum 



Digitized by 



Google 



— 98 — 

et quadraginia florenos hornenses aut eorum verum valo 
rem in currenti, facientes trecentos et sex florenos anno 
domini Millesimo quingentesimo quadragesimo tertio, 
mensis Juiii die ultima. 

Idem prescriptus magister Gherardus de Meer pro pitantia 
vini renensis semper in hoc die anniversarii fratribus in 
communi refectorio danda dedit in augmentum semei 
viginti florenos brabantie a<» xv' LViiii in Octobri. (Schrift 
van prior Servatius Heinsberch). 

V E III nonas Augusti. Invencio Sancti Stephani. Simplex. 
F II nonas Augusti. 

Anniversarium Margarete Vasten que obiit peste 5 Augusti 
anno 1633 et legavit conventui nostro ultra suam parvam 
supellectiiem ducentos florenos brabantie a hospite in Galea 
recipiendos semel, quos numerarunt nobis heredes 23 Martii 
anni 1635. (Schrift van Martinus Pauli). 

XIII G nonas Augusti. Dominici Confessoris. Simplex. 

Anniversarium Marie de Vucht, matrone in den Voghel- 
sanck et suorum amicorum et desideratorum cum tricenario. 

II A VIII Idus Augusti. Transfiguratio Domini. Totum duplex. 
Anniversarium Hermanni Lepelhem de Wiert et Katherine 
uxoris ejus et parentum ejusdem Katherine. 
B VII Idus Augusti. Donati Episcopi. iii iectiones. 
Anniversarium Arnoldi Vinck de Venloe. 
Anniversarium Nicolai Sanders de Wyck et Margarete 
uxoris ejus et parentum utrorumque et prolium, parentum 
confratris nostri Nicolai Sanders cellarii. Ex cujus patri- 
monio recepit conventus semel in promptis quingentos et 
sexaginta florenos currentes anno xv^ quinquagesimo octavo 
in martio applicaios in Morthyr 51/2 floren. brab. redimi- 
biles; unde pitantia fiet in anniversario aliorum parentum 
fratrum hujus conventus. (Schrift van prior Servatius 
Heinsberch). 

X C VI Idus Augusti. Ciriaci et Sociorum. 111 Iectiones. 

Anniversarium Henrici van der Borch et Bartholomei 
filii sui cum uxoribus et amicis utrorumque ratione cujus 
ipse. Bartholomeus donavit conventui xv grifones, quos ipse 



Digitized by 



Google 



— 99 — 

conventus eidem tenebatur ex multifariis operibus ferra- 
mentorum ad opus novi chori et campanilis. 
D V Idus Augusti. Vigilia. 

XVIII E iiii Idus Augusti. Laurencii Martyris. Duplex. 

Anniversarium Magistri Richardi Tronchillon, vicariiepis- 
copi leodiensis, pro cujus anniversario et ancille ejus Ka- 
therine dedit dominus Johannes de Dommelberghe capel- 
lanus suus semel nobis x florenos currentes. 

vn F ni Idus Augusti. Tyburcii Martyris. Memoria. 

Anniversarium parentum et fratris et amicorum Mille 
Schrees, Johannis Schoenbeeck viri sui et Petri Scherees 
fratris sui et Johannis Volmoelen secundi mariti, unde 
habuimus multa bona. 
G n Idus Augusti. 

Anniversarium Gerardi Noitstock et Gertrudis uxoris ejus 
et parentum utriusque defunctorum et aliorum pro quibus 
desideravit, unde habemus annue ii marcas. 
A Idus Augusti. Ypoliti et Sociorum ejus. Simplex. 

Anniversarium Domini Petri de Pomerio de Herck pres; 
byieri in ecclesia nostra anteriori sepuiti, de quo habuimus 
XXX florenos renenses semel pro sepultura, exequis et 
anniversario ejusdem. 

nn B XIX kal. Septembris. Eusebii Confessoris. Memoria. Vigilia. 
C XVIII kal. Septembris. Assumptio Beate Marie. Totum 
duplex. 

Anniversarium honesti viri Arnoldi a Gastro et Catherine 
Laurentii parentum confratris nostri Lamberti a Gastro 
necnon duarum sororum Tyskine et Arnolde, ex cujus 
patrimonio conventus annue habet 12 florenos brabaniie 
unde extant littere scabinales et fiet fratribus larga pitan- 
tia in refectorio; prescriptum redditum emit noster pre- 

cessor solvendo Patris Gastro et hinc nulla 

danda pitantia. (Schrift van Ar noldus Brugard). 

xn D XVII kal. Septembris. 

Anniversarium domicelle Gatherine Hildernisse, que obiit 
13 Augusti anno 1631 et legavit conventui nostro sex 
florenos et quindecim stuferos brabanticos annui redditus 
per eam emptos ad et supra domum et hortum octodecim 



Digitized by 



Google 



— 100 — 

virgatarum Lamberti Muylen in Hoelbeeck sitam 5 februarii 
1604, inde dabitur fratribus assatum cum viginti poculis 
melioris cerevisie, ut eo devotiusorentpro refrigerioanime 
ejus et amicorum suorum. (Schrift van Martinus Pauli). 

I E XVI kal. Septembris. Octava Sancti Laurencii. Simplex. 
Anniversarium venerabilis patris fratris Henrici de Colonia, 
quarti prioris hujus conventus. 
F XV kal. Septembris. Helene Regine. Totum duplex. 
Anniversarium Gherardi Clemmen hospitis in Cesare et 
Jutte de Eckelroede uxoris ejus, quod celebrabitur cum 
vigiliis IX lectionum et sequenti die cum missa de requie 
cum tricenario eadem die inchoando ad finem usque con- 
tinuando singulis annis perpetuis temponbus, unde recepit 
conventus xvii florenos renenses cum quibus et aliis pecu- 
niis adjunctis emit viii virgatas terre arabilis in curia dicta 
den Daelhof in Wylre, et hec prescripta terre pelia re- 
dempta sint infra anni vcndicionis per proximos ipsius 
venditoris, refusa pecuniarum summa, sed iterato applicata 
est ad quamdam peciam terre arabilis xviii virgatarum Juxta 
villagium de Loyennaken quam hereditario jure possidemus. 
,,Et postea ordinaverunt quod predictum anniversarium 
quinquies in anno fieret cum singulis suis tricenariis et ad 
hoc sic intertenendum assignaverunt conventui super cur- 
tim de Reymerstock prope Sint Margraten xii modios 
spelte hereditarie". (Bijschrift van Dominicus Krijns). 

IX G xiiii kal. Septembris. 

A XIII kal. Septembris. Bernardi Abbatis. Simplex. 

XVII B XII kal. Septembris. 

Obiit anno Domini 1473 duodecimo kalendis Septembris 
Dominus Peregrinus de Campis magister septimus in 
reformacione. 

VI C XI kal. Septembris. Octave Sancte Marie. Simplex. 
D X kal. Septembris. 

Anniversarium Leonardi Pelsers de Vucht en Gertrudis 

uxoris ejus de quibus habuimus semel unum florenum 

renensem. 

Anniversarium Bartholomei Scroux juvenis, qui obiit deci- 

ma martii anni 1637 et legavit cum consensu matris suae 



Digitized by 



Google 



— 101 — 

conventui nostro sex florenos brab. pro suo anniversario 
servando hoc die cum missa cantuali et pauperibus, etiam 
alios sex florenos brab., convocatis ad hoc anniversarium 
ut orent pro eo per panes vel in pecunia distribuendos; 
cujus testamentum scripsit N. Bruysterbosch notarius, et 
est sepultus in ecclesia nostra prope altare Beatae Mariae 
Virginis. (Schrift van Martinus Pauli). 

xmi E IX kal. Septembris. Bartholomei Apostoli. Duplex. 

Anniversarium Hermanni Alardi et Yde uxoris ejus et 
amicorum utriusque, unde conventus habuit multa bona. 
Et Leonardi Sellart et uxoris ejus unde habet conventus 
unam marcam super domum ipsius in Wiek Juxta portam 
te Hoegbruggen et istud anniversarium debet jfieri simul; 
in isto anniversario habebit pitantiam conventus: Her- 
mannus predictus instituit. 

„pro qua pitancia intertenenda assignatus est unus mo- 
dius siliginis hereditarii pactus, quem Hermannus predictus 
donavit conventui super bona conventus de Hocht in Can 
sita et preter alia multa ut suo in die Agnetis notatum 
est." (Later bijschrift). 

III F vni kal. Septembris. 

Anniversarium Johannis Boeghenmekers et Marie uxoris 
ejus unde habemus iiii marcas perpetui census, ii super 
domum Gerardi Mols sive Marie Mertens op dye Hueff- 
straet et I ibi perpetue super domum Wynand Coemans 
et adhuc dimidiam marcam in vico tendiculorum super 
domum Roboldi de Millen 5 item adhuc iii stuferos super 
domum Hermanni de Aquisgrano in vico dicto Gracht- 
straet et adhuc quinque solidos super domum fabri scilicet 
angularem de f laten duorufti montium, Reliquos in solidos 
habuimus in promptis pecuniis. 
G VII kal. Septembris. 

XI A VI kal. Septembris. RuFi Martyris. Memoria. 

XIX B V kal. Septembris. Augustini Episcopi. Totum duplex. 
G iiii kal. Septembris. Décollacio Sancti Johannis Bap- 
TisTE. Simplex. 

Anniversarium Arnoldi de Biecht et parentum ejus unde 
habemus dimidiam marcam annue. 



Digitized by 



Google 



— 102 — 

VIII D III kal. Septembris. Felicis et Audaucti. Memoria. 

Anniversarium Johannis Zingelbeeck et uxoris ejus unde 
plura habemus. (Later bijschrift): Notandum est quod 
prescriptus Johannes et uxor ejus legaverunt nobis ad 
opus fabrice nostre tertiam partem domua eorum, et ter- 
tiam partem quorumdam tendiculorum retro domum pres- 
criptam cum tertia parte vinee in dye O situate, illo 
adjecto quod conventus tenebatur semel dare fratribus 
observantibus in monte S* Petri viginti quinque florenos 
aureos et pastori S* Hiiarii unam marcam hereditarie ad 
orandum fideliter pro animabus eorum, alteram tertiam 
bonorum prescriptorum legaverunt ad opus fabrice ec- 
clesie S* Mathei Trajectensis, tertiam vero partem hospitali 
S* Spiritus Trajectensis et Confraternitatibus Sacellanorum 
ecclesiarum S* Servatii et Beate Virginis Trajectensis 
equaliter dividendam legaverunt, ut patet latius in tes- 
tamentum. 
E II kal. Septembris. 

September. 

XVI F kal. Septembris. Habet dies xxx luna xxix Egidii Abbatis. 
Memoria. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque, quod celebrabitur semper dominica prima mensis 
nisi evidens festum impediat. 

Anniversarium Elisabeth uxoris Zanderi, pistoris vicini 
nostri, sepulte ante altare beate Marie Virginis in ecclesia 
nostra, unde habuit conventus circa dimidiam marcam 
hereditarie. 

V G iiii nonas Septembris. 

Anniversarium Arnoldi de Dyepenbeeck et Elisabeth uxo- 
ris ejus qui legavit nobis undecim virgatas terre arabilis 
situatas aen den Donizberch op die zoiiwe^ pro celebratione 
anniversarii sui suique uxoris et amicorum perpetuis tem- 
poribus prima sexta feria in Martio et prima sexta feria 
in Septembri. Elizabeth etiam predicta legavit nobis in 
testamento suo super domum suam duas marcas redimibiles 



Digitized by 



Google 



— 103 — 

per XX florenos. (Schrift van prior Servatius Heinsberch). 
A m nonas Septembris. 

Anniversarium Wil helmi Van der Motten et Mille uxoris 
ejus sepultorum apud nos, unde plura habcmus. Isti duo 
fundaverunt unam lampadem perpetuis temporibus, que 
ardebit semper tempore divini officii scilicet ad horas et 
missam et ad laudes beatissime virginis Marie. Pro quibus 
scilicet anniversario et lampade legaverunt conventui here- 
ditarie annuatim unum modium siliginis mensure Leodien- 
sis et duo modia spelte mensure Tongrensis. 

xiïi B II nonas Septembris. Octava Sancti Augustini. Simplex. 
Anniversarium Hermanni Tielen et Gebele uxoris ejus 
unde habemus duas marcas perpetui census in vico Marie 
minoris, 

Anniversarium Marie ab Acken in ecclesia nostra sepulte 
et parentum ejus que legavit nobis omnia bona sua mo- 
bilia, que consanguinei ejus redimeruni certa pecunie summa, 
ut patet in registris receptorum; que obiit anno 1632 
mensis Septembris quarta die. (Schrift van Martinus Pauli) 

n B nonas Septembris. 

Anniversarium familiarum et benefactorum ordinis. 
Anniversarium Domini Balduini de Dyc, quondam canonici 
Sancti Lamberti Leodiensis necnon ecclesie Sancti Servacii 
Trajectensis, pro quo habuimus xx florenos renenses in 
promptis pecuniis in principio nostre fundationis. 
Anniversarium Domini Michaelis de Weyden, canonici 
St. Marie Trajectensis, de quo habuimus semel mi scuta 
Philippi. 
D VIII Idus Septembris. 
Anniversarium Andree Rubertz et Ide uxoris ejus et paren- 
tum et filiorum utriusque scilicet Petri Jonckers et Ide 
uxoris ejus et Johannis Rubertz et Marie uxoris ejus et 
prolium ; et Lamberti de Hees cum prolibus et amicis, 
unde habuimus semel in promptis x florenos hornenses. 

X E vii Idus Septembris. 

Anniversarium Cornelie Clou wen et Gertrudis uxoris ejus 
et parentum utriusque, unde habuimus unam marcam 
super domus suas annuatim. 



Digitized by 



Google 



— 104 — 
F VI Idus Septembris. Nativitas Ste. Marie Virginis. Totum 

DUPLEX. 

Anniversarium honesti viri Gherardi Prenten int Grny 
thuys^ unde recepimus semel unum modium siliginis et 
unam amam vini rubei. 

xviii G V Idus Septembris. Gorgonii Martyris. Memoria. 

Anniversarium Petri Pisset et parentum ejus qui obiit 
4'** Octobris 1642 et legavit decem florenos bb. Leodii 
supra domum prope S. Adalbertum pro pitantia in vino, 
residua autem pecunia cibo applicabitur. (Schrift van prior 
Laurentius van der Haegen). 

VI A ïïii Idus Septembris. 

B III Idus Septembris. Prothi et Jacincti (sic) Martyrum. 
Memoria. 

Anniversarium Christiani de Bonne et Katherine uxoris 
ejus, parentis Christiani de Leodio, unde habemus annuatim 
in Joeck xxxix visa siliginis et alia utensilia. 

XV C II Idus Septembris 

Anniversarium Arnoidi Vinck de Venloe unde habemus ut 
supra. 

iiii D Idus Septembris 

E xviii kal. Octobris. Exaltacio Ste Crucis. Totum duplex. 

xii F XVII kal Octobris. Octava Beate Marie. Simplex. 

Anniversarium Domicelli Gerardi de Cortenbach et uxoris 
sue legittime Agnetis, filie Egidii Van den Broeck, necnon 
aliarum animarum fidelium ad votum et intentionem 
dicti Domicelli Gherardi ac etiam unici eorum filii 
Domicelli Ludovici sueque legittime uxoris Katherine 
Elreborns ac prolium suarum et animarum parentum 
utrorumque. Ad quod quidem anniversarium tamen in 
hac mense Septembri annue celebrandum invitare ac 
vocare debemus ad prandium duas personas de proximio- 
ribus heredibus suis et consanguineis, necnon capellanum 
sive reciorem aut deservitorem pro tempore ecclesie sue 
matricis parochialis scilicet Sancti Johannis Baptiste ejus- 
demque ecclesie custodem sive matricularium pro tem- 
pore, ut ipso die anniversarii cum fratribus in refectorio 
comedant et ut decet procurentur, ac post inquisicionem 



Digitized by 



Google 



— 105 — 

per eosdem invitatos diligenter factam compertoque juxta 
cuncta et singula per domicellum predictum ordinata, ut 
in litteris sigillatis patet, rite per nos aut conventum nos- 
trum factum fuerit, unicuique predictorum quatuor per- 
sonaliter comparentium decenter gratificando donabimus 
saitem capellano prefato in prompta pecunia pro presentia 
sua duas quartas vini renensis, dicto vero custodi sive 
matriculario unam quartam consimilis vini renensis pro 
presentia sua preter et ultra expensas tune factas. Insuper 
eodem die pauperibus Christi ad dicti conventus nostri 
portam declinantibus porrigemus propter Deum et in 
puram eleemosinam dabimus iii vasa siliginis conjunctim 
vel divisim prout nobis videbitur magisexpedireprosalute 
et profectu animarum ipsius domicelli et suorum. Ratione 
cujus anniversarii presignati ac trium reliquorum suis in 
locis etiam designatorum aliorumque onerum et servicio- 
rum perpetuorum videlicet unius misse quotidiane cum 
condicionibus et clausulis ut patet in litteris. Idem domi- 
cellus conventui nostro contulit in promptis semel sum- 
mam mille et xxxi florenos monete et pagamenti curren- 
tis convertendam et applicandam ad septem modios et 
dimidium siliginis hereditarii pactus et mensurae Trajec- 
tensis seu alios quoslibet redditus aut bona hereditaria ad 
opus dicti nostri conventus. 

G XVI kal. Octobris. Eufemie Virginis. Memoria. 

Anniversarium Mechtildis Visschers unde habuimus xii 

grifFones pro erectione turris. 

Anniversarium Domini Chri tiani van de Wal sacellani 

Sancti Servatii, qui legavit conventui nostro uti notatum 

est tertio nonas Junii precedentis: obiit decima tertia Sep- 

tembris anno 1651 (Schrift van den prior Arnoldus 

Brugard). 

A XV kal. Octobris. Lamberti Episcopi et Martvris. Duplex. 
Anniversarium Theodrici de Achel unde habuimus mi 
antiquos grossos annuatim in prompta pecunia. 
Anniversarium Johannis Strabeke cupificis et Anne uxoris 
ejus unde habuimus x grifones. 
Anniversarium Jacobi Gielen et Gertrudis sue legitime 



Digitized by 



Google 



— 106 — 

uxoris necnon et Huberti Gielen eorumdem filii legitimi, 
parentum et fratris confratris nostri Ghysberti Gielen de 
Lynde Sancti Martini. Qui quidem Hubertus obiit anno 
xviiii (1519) Septembris tertia et legavit nobis annue et 
hereditarie unam marcam super domum suam situatam 
prope dye mautmoelen in oppido Trajectensi, quam marcam 
redemit sive deaquitavit Elisabeth fiiia Huberti prescripti 
anno xv- trecesimo quinto Maii secunda per novem florenos, 
ex graiia applicatos ad utiles et necessarios usus conven- 
tus. Ex patrimonio fratris Gysberti habei conventus quin- 
que maldra siliginis annue. (Schrift van prior Servatius 
Heinsberch). 
IX B xiiii kal. Octobris. 

Anniversarium Elisabeth de Biessen et parentum ejus. 
Anniversarium Marie de Novo Lapide et parentum ejus. 
Anniversarium Jacobi de Buyll senioris et duarum uxo- 
rum ejus. 

Anniversarium Gerardi Clemmen et ambarum uxorum 
ejus cum tricenario. 

Anniversarium Johannis de Boelsbeeck et Jutte uxoris 
ejus et parentum et aliorum amicorum utriusque et om- 
nium fidelium defunctorum cum vigiliis et missa unde 
habemus ut supra. 

Anniversarium Heylwigis Poes de Vleytingen. 
Anniversarium Margarete Mathie alias de Sto. Trudone 
et parentum suorum ac Katherine sororis sue et pro 
quibus desideravit. . . 

Anniversarium Jacobi Gumpart cum una missa, 
Omnia ista anni versaria tenebuntur semper quatuor tempo- 
ribus ut patet supra Katherina de Ryvo cum una missa. 
Domicelli Johannis de Kestelt et domine Marie de Spontyn 
uxoris ejus. 
C XIII kal. Octobris. Materni Episcopi et Confessoris. 
Anniversarium domini Materni de Broeckhoven sacerdotis 
et parentum et omnium amicorum ejus et omnium pro 
quibus desideravit, pro quo anniversario perpeiuis tempo- 
ribus ipso die Materni celebrando recepimus ab eodem 
domino in promptis semel quinque aureos: preter quos et 



Digitized by 



Google 



— 107 — 

aha beneficia per eundem precipuum fautorem nobis im- 
pensa. Recepimus ab eodem etiam adhuc semel sexaginta 
florenos aureos pro una missa septimanali perpetuis futuris 
temporibus sabbato die in honorem beate Marie Virginis 
in nostro conventu celebranda pro eodem domino et pro 
quibus desideravit. Actum anno xv ' tricesimo quinto Martii 
vicesima. (Schrift van prior Servaiius Heinsberch). 

xvn D xii kal. Octobris. Vigilia. 

Anniversarium Mathie Clercks et Marie uxoris sue, sutoris, 
unde habemus annuatim unam marcam super domum Petri 
Maeghs in platea duorum moncium que vocdXMT fabrica etc. 
Anniversarium Domicelle Mechtildis de Rykel, que reli- 
quit nobis omnia sua quasi in valore circa quadraginta 
grifFones. (Schrift van prior Servatius Heinsberch). 

VI E XI kal. Octobris. Mathei Apostoli et Evangeliste. Duplex. 
Anniversarium Domini Doctoris decretorum Bertholomei 
de Herckenroede, scolastici ecclesie Ste. Marie Trajectensis, 
et suorum. Venerabilis vir Dominus Petrus de Cortem- 
bach, sigillifer Episcopi Leodiensis, dedit conventui nostro 
pro anniversario parentum et amicorum suorum singulis 
annis faciendo, anno domini xv^ xiii, xxiiii florenos. 
F X kal. Octobris. Mauricii et Sociorum ejus. Simplex. 
Anniversarium Anthonii Metsmaker a quo habemus viii 
solidos hereditarie. 

Anniversarium Leonardi Mormans et Mariae Dalers, pa- 
rentum quondam fratris Gerardi Mormans supprioris hujus 
domus, cujus respectu et fratris ejus Johannis in ecclesia 
nostra primo sepulti per testamentum suum constituerunt 
nos heredes omnium bonorum suorum, unde habemus 
valorem trium millium florenorum bb. cum conditionibus 
in dicto testamento comprehensis et pitantia danda fratribus, 
ut eo devotius orent pro eis. (Schrift van prior Martinus 
Pauli). 

xnn G IX kal. Octobris. 

Anniversarium domicelle Mechtildis de Amstenraede et 
maritorum ejus necnon domicelli Hcnrici de Amstenraede 
et Gertrudis van den Vels parentum ejusdem, a qua preter 
plures eleemosynas per pretactos parentes et maritos nobis 



Digitized by 



Google 



— 108 — 

impensas, ipsa domicella nostro conventui dedit semel in 
promptis decem aureos: quinque pro suo suorumque 
prescriptorum anniversario perpetuo per nos celebrando. 
Et adhuc ex legato in testamento viginti quinque aureos 
faciunt cum quinque prescriptis triginta aureos. Obiit 
anno xv^quinquagesimosexto. (Schrift van prior Servatius 
Heinsberch). 

III A VIII kal. Octobris. 

Anniversarium Johannis Kocx alias Valwater et Yde 
uxoris sue de Sittarf et sororis ejusdem Yde ac parentum 
et amicorum eorum qui habitaverunt pro tempore in 
clusa nostra juxta cimiterium nostrum unde habuimus 
plura beneficia. 
B VII kal. Octobris. 

Anniversarium Georgii Alardi et Marie uxoris ejus ac 
Heylwigis filie eorumdem, sepultorum in capella S*Mi- 
chaelis et omnium amicorum et parentum utriusque. Ex 
quorum legataria disposicione recepit conventus preter prius 
ad summam triginta florenorum hornensium in donum colla- 
tos, adhuc summam centum florenorum hornensium condi- 
tione adjecta, quod in die anniversarii prescripti dabuntur 
fratribus in refectorio pro pytancia sex quartas vini renensis 
quatenus fideliter orent pro ipsis et omnibus eorum paren- 
tibus et amicis, etiam Hermanni Auwerx vel Alardi sin- 
gularis etiam amici sepulti juxta summum altare in sepul- 
chro Hermanni Alartz et obiit anno xv^ quinquagesimo 
sexto Septembris xviii. (Schrift van prior Servatius 
Heinsberch). 

XI G VI kal. Octobris. 

Anniversarium Mathie filii Cornelii Doussin qui legavit 
conventui super omnia bona sua tria vasa siliginis. (Schrift 
van prior Arnoldus Brugard). 

XIX D V kal. Octobris. Cosme et Damiani. Simplex. 

Anniversarium Philippi de Gellick et Elisabeth Proenen 
uxoris ejus legiitime cum missa et vigiliis singulariter 
absque alio onere sive anniversario. Qui legaverunt nobis 
testamentaliter unum maldrum siliginis hereditarii redditus 
Insuper unum cum dimidio bonarium lerre arabilis in 



Digitized by 



Google 



— 109 — 

augmentum cultus divini et ad fabricam. Pro quibus 
legatis prescriptis conventus recepit semel lx florenos 
hornenses expositos ad fabricam et structuram nove ec- 
clesie de licencia et consensu patris nostri reverendi. 

E iiii kal. Octobris. 

Anniversarium Johannis Cluyt, hospitis in molendino et 
Cecilie uxoris ejus et parentum et prolium et aliorum 
amicorum utriusque. 
VIII F III kal. üctobris. Michaelis Archangeli. Totum duplex. 
Anniversarium Domini Theodori Godding, pretoris Sancti 
Petri, et Margarete uxoris ejus et omnium desideratorum, 
in quo anniversario dabitur pitancia in vino et assato pro 
quo conventus semel habuit centum impériales. 

(Schrift van prior Laurentius van den Haegen). 

G II kal. Octobris. Jheronimi Presbyteri. Duplex. 

Anniversarium Domicelli Wilhelmi de Vloedorp et uxoris 
ejus domicelle Elizabeth de Wyen et amicorum eorun- 
dem qui nobis in promptis contulerunt l florenos renen- 
ses expositos ad fabricam chori. 

October, 

XVI A Kal. Octobris habet dies xxx luna xxix. Remigii Episcopi. 
III lectiones. 

Anniversarium Wilhelmi Scampert et Elizabeth sororis 
ejus unde habuimus in promptis iii grifFones. 
Anniversarium Katherine de Baren et parentum et amico- 
runi pro quibus desiderat missam septimanalem perpetuis 
temporibus a fratribus hujus domus celebrari unde rece- 
pimus» semel centum griffones. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque quod celebrabitur semper dominica prima mensis 
nisi evidens festivitas impediat. 

V B VI Nonas Octobris. Leodegarii Martyris. Memoria. 

Anniversarium Hermanni Hertman et filii ejus Pauli Hert- 
man, quorum quilibet reliquit nobis unam marcam per- 
petui census in prompta pecunia unde soluta est hereditas. 
Anniversarium Godefridi Pepers et uxoris ejus Mechtildis 



Digitized by 



Google 



-. llO - 

a quibus habemus in Viseto Campestri il vasa siliginis 
perpetui pactus. 

Anniversarium Gisberti de Breyello et Yde uxoris ejus, 
unde habemus annuadm supra domum ipsorum prope 
poriatn que dicitur loerpoerte dimidiam marcam. 
XIII C V Nonas üctobris. 

Anniversarium Johannis Luytman, magni fautoris quondam 
hujus conventus, et Cornelie uxoris ejus qui dederunt cen- 
tum griffones semel pro una missa perpetue in qualibet 
septimana celebranda. 
ïi D iiii Nonas Octobris. Francisci Confessoris. Simplex. 

Anniversarium Gerardi dicti Vlaminc a quo habemus mi 
vasa siliginis hereditarie in Boelre. 

Anniversarium Dionysii de Vorendael famuli domicelle 
Mechthiidis de Amstenrade in Wiek Qui legavit anno 
XV XLii conventui viginti florenos currentes semel. (Schrift 
van prior Servatius Heinsberch). 

Anniversarium P. F. Martini Lenaers hujus conventus 
professi et noverce sue Gertrudis, pro quo anniversario 
habuimus 450 florenos brabantiae et danda est pitantia in 
vino et assato ultra portionem. (Schrift van prior Lauren- 
tius van der Haegen). 
E III nonas Octobris. 

Anniversarium Nycholai Rutten et Elizabeth uxoris sue, 
unde habemus ii domunculas in platea que dicitur com- 
ment et contiguas orto nostro posteriori valentes, deductis 
• oneribus earum, annuatim circa iii marcas. 
Anniversarium Judoci Onghewassen, capellani S. Marie 
Aquensis, et parentum et consanguineorum et benefactorum 
ejus, unde habemus missam septimanalem is quintis ferlis 
de Venerabili Sacramento cum secunda collecta: IncHna 
Domine etc. de defunctis et tercia collecta: Omnipotens 
sempiterne Deus qui vivorum dominaris etc. Pro quibus 
habemus fere iii bonaria tam prati quam nemoris prope 
Blisiam. 
X F II nonas Octobris. Octave Sancti Michaelis. Simplex. 
Anniversarium Domini Adam de Merrhem, vicecurati in 
Wautwylre, sepulti in Blysia. Ex ejus legato pro anniver- 



Digitized by 



Google 



— 111 -^ 

sario suo suorumque parentum et amicorum habemus 
quatuor vasa siliginis hereditarii pactus super quatuor et 
dimidia virgitas oj>fen Bremanck situatas. (Schrift van 
prior Servatius Heinsberch). 
G nonas Octobris. Marci Pape. iii lectiones. Sergii et Socio- 
RUM. Memoria. 

Obiit anno domini 1500 in profesto Sancti Dionisii Domi- 
nus Gerbrandus Snekis magister decimus in reformacione, 
sepultus in conventu nostro Parisiensi. 
Anniversarium parentum Mechtildis Noetstox scilicet 
Henrici Noetstox et Marie de Buel uxor ejus et filiorum 
ejus scilicet Henrici Noetstoc et Sigismondi Noetstock 
et omnium amicorum predictorum, que Mechtildis dedit 
nobis annue sex ilorenos brabantinos pro anniversario 
parentum sepultorum ante altare B. Marie Virginis, ubi 
celebrabitur missa cum diacono et subdiacono cum adhuc 
duabus missis legendis juxta litteras desuper factas. (Schrift 
van Nicolaus Sanders). 

xviiiA VIII Idus Octobris. 

Anniversarium Venerabilis Patris Domini Laurentii de Glab- 
bach magistri tercii decimi in reformatione, qui obiit anno 
Domini millesimo quingentesimo nono de morbo sudoris 
in Huyo. (Schrift van ?). 

Anniversarium Petri Hermens, calcificis, et sue uxoris 
Marie a Geleen adhuc viventis ac locum sepulchri sui 
intra cancellos inter altare Sancte Anne et Divi Augustini 
petentis. Unde recepit Venerabilis prior permanus sup- 
prioris valorem centum florenorum hornensium, condi- 
tione hac per prefatam Mariam addita, ut V. Prior qui- 
cunque is sit eandem electe pecunie summam ad certos 
redditus applicet illosque ipse Prior semper recipiat fra- 
tribusque inde pytantiam vini Renensis annue in die 
Translaiionis divi Augustini provideat, residuumque pecunie 
annui proventus pro vestitu fratrum expendat. Actum 
anno domini 1576 ipso die Translationis Divi Augustini. 

(Schrift van?). 

VII B vn Idus Octobris. Dionisii et Sociorum ejus. Simplex. 
Anniversarium Rutgheri Gruysen et Katherine uxoris ejus 



Digitized by 



Google 



-^ 112 — 

et amicorum eorumdem, parentum confratris nostri Johannis 
Wyck presbyteri. Ex cujus patrimonio preter multa magna 
dona in carbonibus et lignis et aliis diversis in viia eorum 
facta adhuc semel recepimus trecentos florenos currenies 
ac etiam adhuc unum dimidium bonarium in Grevenbiecht, 
quod eidem Confratri nostro Johanni prescripto per Hinrico 
Sanderi et Aleydem uxorem ejus iegatufti fuit. (Schrift 
van prior Servatius Heinsberch). 
C VI Idus Octobris. 

Anniversarium omnium fratrum ordinis nostri, ix lectiones. 
Anniversarium Henrici Wrede et Paschatis uxoris ejus 
necnon et parentum amborum sciiicet Godefridi Scepens 
et Johanne uxoris ejus parentum Paschatis et parentum 
sciiicet Henrici et Margarete predicti Henrici. Qui dederunt 
nobis ultra quinquaginta griffones semel. 
Anniversarium Dyonisii Reymslegers et Margharete uxoris 
ejus et parentum ipsorum. Sepultus est autem ante altare 
sancti Dionisii cujus et ymaginem fecit. Qui dedit nobis 
quinque marcas annuatim sub redempcionem videlicet 
quindecim griffones pro qualibet marca. 

XV D V Idus Octobris. Translacio Beati Augustini. Duplex. 
Anniversarium Petri Honix et Beatricis Strykerts unde 
habemus circa iii bonaria terre jacentia in territorio et 
villagio de Herderen unde habemus annuatim deductis 
oneribus xii vasa siliginis. 

Anniversarium Petri Poetsaet et uxoris ejus unde habemus 
XII vaba spelte hereditarie in Millen. 

iiii E iiii Idus Octobris. 

Obiit anno Üomini 1512 Dominus Cornelius Clutingen 
Sacre Theologie professor, Magister undecimus in refor- 
matione, altera sciiicet die Translacionis Sti. P. Angustini 
patris nostri. Iste reverendus Pater noster generalis dedit 
nobis sive conventui nostro Trajectensi pro anniversario 
suo et pitantia pro fratribus de vino renensi anno Domini 
1512 in mense Augusto xxx florenos hornenses facientes 
xxxvi florenos currentes. 

Anniversarium Venerabilis Patris Arnoldi Millen de Hasselt, 
octavi Prioris hujus conventus, defuncti anno 1553, Octo- 



Digitized by 



Google 



- 113 - 

bris XI, a quo conventus annue habet decem hornenses 
super villam de St. Martenslinde et habuit adhuc conven- 
tus perprius semel ratione patrimonii sui ultra centum 
hornenses. Et anniversarium parentum ejus. (^Schrift van 
prior Servatius Heinsberch). 
F III Idus Octobris. 

Anniversarium venerabilis Patris fratris Waltheri de He- 
renthals quinti prioris hujus conventus, qui fuit pacificus 
vir et XXXIII annis in prioratu laudabiliter vixit et con- 
ventum multum auxit tam in spirituaiibus quam in tem- 
poralibus ex patrimonio fratris sui Domini Johannis Pistoris, 
unde conventus tam in pecuniis quam aiiis utensiiibus 
habuit ultra quadringentos florenos aureos renenses. Sepultus 
est in choro circa introïtum. 

Pitancia pro Reverendo Patre nostro Cornelio Generalis 
Venerabili Patre Walthero de Herenthals 

„ „ Ludolpho Lewis 1 Prioribus 

„ „ Johanne Pruenen I 

„ Petro Plass Trajectensi j ^^^^^ 

y, „ Arnoldo Hasselt 1 conventus. 

» » Servatio Hinsberch ' 

et omnium priorum hujus domus. (Latere bijschriften), 
xu G II Idus Octobris. Calixti Pape et Martyris. Memoria. 
Anniversarium Marie Panneslegers unde habuimus tam in 
prompta pecunia quam in clenodiis xvi griffones. 
Anniversarium Venerabilis Patris Servacii Hinsberch novi 
prioris hujus conventus, de cujus patrimonio conventus 
habuit bonam partem horti nostri et fideliter conventui 
servivit cum bono profectu in officio procuratoris 40 annis. 

(Schrift van?). 
I A Idus Octobris. 

Anniversarium Petri Keen et uxoris et filiorum, unde 
habemus hereditarie iil modios spelte super bona Margha- 
rete de Kaefstert. 

Anniversarium Venerabilis Patris prioris Ludolphi de 
Leuwis de terra Gelrensi, ex cujus patrimonio conventus 
recepit ultra quingentos florenos applicatos per redemptio- 
nem quorumdam bonorum et edificationem domus braxa- 



Digitized by 



Google 



— 114 — 

toriae et septimus prior hujus conventus fuit, vir grande .... 
officii custodis et supprioratus, erat zelosus pro disciplina. 

Obiit anno sepultus in choro circa introïtum. 

(Schrift van ?). 
Anniversarium venerabilis patris Petri Plass hujus oppidi 
nativi, qui ex conventu sororum prope Horn, ubi etianri 
prior fuit eiectus per nos Namurci in conveniu nostro 
decessit saltem confirmatus; ex cujus relictis pater Arnol- 
dus Hasselt pro nunc prior recepit circa lx florenos bb., 
cujus anniversarium cum ceteris venerabilibus prioribus 
servandum erit. (Schrift van Servatius Heinsberch). 

B XVII Kal. Novembris. 

IX C XVI Kal. Novembris. 

Anniversarium Arnoldi Vinck de Venlo, unde habemus 
ut supra. 
D XV Kal. Novembris. Luce Evangeliste. Duplex. 

Anniversarium Jacobi de Glabbeek et uxoris sue Mechtil- 
dis cum pareniibus et amicis utrorumque, qui nostro con- 
ventui contulerunt mi vasa siliginis hereditarii pactus men- 
sure Trajectensis in villagio de Geylick super domum et 
curtim Henrici Stox; item xxv grifones promptarum pecu- 
niarum gratia commemorationis unius septimanalis misse 
quam a nostris fratribus singulis quanis feriis perpetuis 
temporibus desideraverunt celebrari. Acte sunt haec anno 
domini M° cccc lx die xviii mensis Octobris. Et notam- 
dum quod in prescriptorum bonorum agro in territorio 
de Pietersen sunt excisa ligna illa pro majori parte, unde 
chorus noster desuper cum turri est edificatus et cooper- 
tus, que ab ipsis per conventum illo in tempore data 
pecunia gratiosa comparata sunt. 

XVII E xiiii Kal. Novembris. 

Anniversarium domicelli Gerardi de Marcka et domicelle 
Katherine de Wilre uxoris sue et Gerardi filii eorum et 
domicelle Marie de Wilre, sororis domicelle Katharine, unde 
habemus annue iiii modios spelte in Wangh. 

VI F XIII Kal. Novembris. 

G XII Kal. Novembris. Undecim milium Virginum. Totum 

DUPLEX. 



Digitized by 



Google 



^ 115 - 

Anniversarium Catherine Pauli in ecclesia nostra prope 
altare B. Marie Virginis sepulte et amborum maritorum 
ejus Henrici Pauli et Michaelis de Geuret prope capellam 
Sancti Michaelis etiam sepulti, parentum venerabilis patris 
Martini Pauli hujus conventus prioris, que legavit nobis 
certam pecunie summam applicatam ad redditum viginti 
florenorum bb. Leodii, quorum extant littere scabinorum 
Leodiensium in arca conventus» unde dabitur fratribus 
pitantia in vino reynense, que obiit 18 Octobris 1633. 
(Schrift van Martinns Pauli). 

xnii A XI Kal. Novembris. 

ni B X Kal. Novembris. 
G IX Kal. Novembris. 

Anniversarium Henrici de Hery et Katherine uxoris ejus 
et prolium, unde habemus bonarium terre in villagio de 
Petershem sive Loyennaken; item adhuc iiii vasa siliginis 
que dabunt fratres Predicatores ex hereditatibus quas 
reliquit eis; item adhuc unam marcam super dom um suam 
in die SpilstraeL 

XI D VIII Kal. Novembris. Crispini et Crispiniani. Memoria. 

Xtt E VII Kal. Novembris. 

Anniversarium filie Petri de Hees et uxoris sue. 
Anniversarium Jutte de Boelsbeeck et Johannis mariti ejus 
et parentum et aliorum amicorum utriusque et omnium 
fidelium defunctorum, unde habemus annue ut supra. 
F VI Kal. Novembris. Vigilia. 

VIII G v Kal. Novembris. Symonis et Jude Apostolorum. Duplex. 
Anniversarium Henrici Fransoys et Wilhelmi mulctoris, 
unde habemus in Loyennaeken unum vas et dimidium 
siliginis pacti Trajectensis; item Anniversarium Lamberti 
Kerstkens. 

Anniversarium Elizabeth Chonincs et parentum et amicorum 
ejus. 
A mi Kal. Novembris. 

Anniversarium Domini Johannis de Hynsberch, decani 
Sancti Martini Leodiensis et scolastici Sancti Servacii 
Trajectensis, unde habemus semel xx florenos. 

XVI B III Kal. Novembris. 



Digitized by 



Google 



— 116 — 

Y C II Kal. Novembris. Quintini. Memoria. Vigilia. 

November, 

D Kal. Novembris habet habes dies xxx luna xxix. Omnium 
Sanctorum. Totum Duplex. 

übiit anno domini 1482 ipso die Omnium Sanctorum 
Dominus Nicholaus Harlem magister octavus in reformatione 
ordinis nostri. 

XIII E iiii Nonas Novembris. Commemoratio Omnium Fidelium 
Defunctorum. 

Anniversarium generosi viri Domini Arnoldi de Meroede, 
canonici Leodiensis, fautoris et benefactoris ordinis nostri, 
et causa fuit reformationis ultimae ordinis ejusdem. 
Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque, quod celebrabitur semper dominica prima mensis 
nisi evidens festivitas impediat. 
F iii Nonas Novembris. Huberti Episcopi et Confessoris. 

Simplex. 
G II Nonas Novembris. 

x A Nonas Novembris. 

Anniversarium omnium fratrum conventualium hujus domus 
sacerdotum et laicorum. (Schrift van Arnoldus Brugard). 
B VIII Idus Novembris. Leonardi Abbatis. Simplex. 

Anniversarium Domicelle Johanne uxoris legittime Egidii 
de Vletingen, armigeri, fundatoris hujus conventus. 
Anniversarium Leonardi van Brouck quondam hujus con- 
ventus molitoris et Digne uxoris ejus et amborum parentum, 
qui certum debitum conventui quitavit. 

(Schrift van Arnoldus Brugard). 

XVIII C VII Idus Novembris. 

Anniversarium Hermanni de Lepelhem de Wyert et 
Katherine de Vleytinghen uxoris ejus et parentum ejusdem 
Katherine, unde habemus annue ut supra. 

VII D VI Idus Novembris Octave Omnium Sanctorum. Simplex. 
Anniversarium Elizabeth de Hollandia, que obiit in domo 
nostra sub anteriori porta et reliquit nobis omnia sua 
ascendentia ad valorem xxx grifonum vel ei rei ter. 



Digitized by 



Google 



— 117 — 

E V Idus Novembris. Theodori Martyris. iii lectiones. 
Anniversarium Thewani Domini in Rosa et Sophie sue 
legittime uxoris, qui semel contulerunt nobis in promptis 
pecunüs X et VI grifones aut circiter, unde empta est 
quaedam domuncula prope ortum olerum dicta vuylappels. 

XV F iiii Idus Novembris. 

III G III Idus Novembris. Martini Episcopi et Confessoris. 
Duplex. 

Anniversarium Nicolai de Guell et Johanne uxoris ejus 
pro quo anniversario et una missa septimanali assignarunt 
nostro conventui in eorum testamento viginti et unum 
vasa siliginis redimibilia per octuaginta florenos bb., unde 
conventus recepit semel quinquaginta florenos brab. pro 
sedecim vasis siliginis et adhuc loco xxx florenorum brab. 
assignata sunt quinque vasa siliginis super Palmartz Hoefi 
in Suessen, unde legis opera et littere Scabinales. (Schrift 
van Servatius Heinsberch). 
A II Idus Novembris. 

XII C Idus Novembris. Brictii Episcopi èt Confessoris. Memoria. 
Anniversarium Goedefridi de Molendino et uxoris et pa- 
rentum utriusque, uride habuimus semel ii florenos aureos. 
C xviii Kal. Decembris. 
D XVII Kal. Decembris. 

Anniversarium venerabilis domini Johannis Brixsteyn, 
canonici Sancti Pauli Leodiensis, qui legavit nostro con- 
ventui decem aureos ad comparandum semi-aureum pro 
celebratione sui suorumque parentum et amicorum anni- 
versarii perpetuis temporibus. Obiit anno xv tricesimo 
tertio Sabbato infra octavum Sancti Martini. (Schrift van 
Servatius Heinsberch). 

IX E XVI Kal. Decembris. 

Anniversiirium Barbare Auwera in Wyck sepulte, qui 
nostro conventui anno xv- LVIII post ejus obitum (1573) 
legavit VII vasa siliginis Trajectensis super bonis Helgeri 
Helgers redimibilia in Merssen morante, conditione tali 
prout in testamento ejus per sex vasa debent imparti pan- 
peribus et pro aliis sex vasis servari anniversarium. Quem 
pactum qui redimibilis erat Helgerus prescriptus redemit 



Digitized by 



Google 



— 118 — 

mediante summa centum et quadraginta florenorum 
monete currentis anno lxvc ix in Julio presentibusHuberto 
Auwercx et Christofero Pylleroy ejusdem testament! per 
Barbaram facti executoribus legittimis. (Schrift van Ser- 
vatius Heinsberch). 
F XV Kal. Decembris. Octava Sancti Martini. Simplex. 
Anniversarium Marie de Vucht matrone in den Vogkel- 
sanck tx suorum amicorum desideratorum cum tricenario, 
quod quinquies in anno fit. Unde habemus, ut supra quinto 
Idus Februarii, et cum hic vel circa Katherine istud an- 
versarium servabitur; singulis fratribus dabitur dimidia 
quarta boni vini renensis in communi refectorio. 

VI A XIII Kal. Decembris. Elizabeth Vidue. iii lectiones. 
B XII Kal. Decembris. 

Anniversarium Domini Henrici de Valle capellani Ecclesie 
Santi Servacii Trajectensis et Agnese quondam uxoris sue, 
patris et prolium et omnium amicorum ejus, unde conven- 
tus habuit semel xxxiii florenos communes. 

xiiii G XI Kal. Decembris. Presentacio Beate Virginis Marie. 
ToTUM duplex. 

Anniversarium Domini Johannis de Valle, capellani Ec- 
clesie Sti. Servatii, unde conventus habuit semel xxv flo- 
renos hornenses. 

III D X Kal. Decembris. Cecilie Virginis et Martyris. Simplex. 
Anniversarium Margharcte Gobelen de Beeck, unde habui- 
mus semel ii florenos currentes. 
E IX kal. Decembris. Clementis Pape et Martyris. 
Simplex. 

XI F VIII Kal. Decembris. Grisogoni Martyris. Memoria. 

XIX G VII Kal. Decembris. Katherine Virginis. Duplex. 

Anniversarium pro Katherina Ryken et pro duobus maritis 
suis necnon et parentum ejus et pro quibus ipsa deside- 
ravit cum vigilia et tribus missis, unde dedit semel, prout 
supra II Idus Aprilis patet. 

Honorabilis vir Dominus Petrus de Cortembach, sigillifer 
reverendissimi episcopi Leodiensis, dedit conventui nostro 
altera vice anno domini xv^ xiiii pro anniversario paren- 
tum et amicorum suorum singulis annis altera vice faciendo 



Digitized by 



Google 



— 119 — 

xxini jBorenos. Idem venerabilis dominus Petrus de 
Cortembach, sigillifer reverendissimi domini Episcopi Leo- 
diensis, donavit conventui nostro ad fabricam ecclesie 
nostre anno xv^ xix adhuc xx florenos Erardi. 
B V Kal. Decembris. 

vin C iiii Kal. Decembris. Agricole et Vitalis martyrum. 
Memoria. 

Anniversarium Elizabeth de Moneta, que nobis contulit 
unum calicem argenteum deauratum et quamplurima alia 
bona et valencia supellectilia. 

XVI D III Kal. Decembris. Saturnini Martyris. Memoria. Vigilia. 
Obiit anno Domini 1451, 3® Kal. Decembris, dominus Hen- 
ricus de Novimagii magister quartus in reformacione. 
Obiit anno Domini 1458 ipso die Sancti Saturnini Dominus 
Georgius Brugis magister quintus in reformatione. 

V E II Kal. Decembris. Andree Apostou. totum duplex. 
Anniversarium cum vigiliis novem lectionum cantandis 
juxta testamenti tenorem pro anima Venerabilis Domini 
Nicolai Van der Straeten canonici S. Servatii et Decani 
resignatarii, ante ydiculam Venerabilis Sacramenti, quam 
suis expensis fieri curavit, sepulti. Qui legavit nostro con- 
ventui atque recepimus suum insignem calicem cum requi- 
sitis, duos ampuUas argenteas, scutellam et pyxidem 
argenteas, necnon imaginem Crucifixi argenteam unciarum 
quindecim magna ex parte deauratam. Item summam 
centum et quinquaginta florenorum brabanticorum ad 
redditus applicandam. Unde obligamur omni tempore in 
die sui annivensarii duodecim apostolicis viris officio missae 
presentibus elargiri, unicuique scilicet quatuor stuferos 
brabanticos, quibus absentes privabuntur, inde fratribus 
larga admodum et bona pitantia tam in vino renensi quam 
in cibo in communi refectorio providendo. Obiit anno 1573 
in die Innocentium. 

(Schrift van . . . ? omstreeks denzelfden tijd 1573). 

December, 

F Kal. Decembris December habet dies xxxi Luna xxx. 



Digitized by 



Google 



— 120 — 

Anniversarium Arnoldi Proenen et uxoris et amicorum 
utriusque, quod celebrabitur semper die prima mensis nisi 
evidens festivitas impediat. 

XIII G iiii Nonas Decembris. 

Anniversarium venerabilis Doniini magistri Petri Nepotis, 
canonici ecclesie Sti Servacii Trajectensis, qui nobis contulit 
adhuc veniens in eleemosinam vii modios tritice semel. 
Itaque in ultima infirmitate constitutus legavit conventui 
X florenos renenses cum quodam libro qui intitulatur Racio- 
nale Divinorum. Item adhuc ii griphones. 

II A III Nonas Decembris. 

Anniversarium Franconis Boxs de Wylre et Johanne uxoris 
ejus et filie eorum Elizabeth et parentum eorumdem et 
benefactorum et consanguineorum defunctorum, unde habe- 
mus VI vasa siliginis; et Franco sepultus est in ecclesia 
nostra et filia ejus. 

X B II Nonas Decembris. Barbare Virginis et Martyris. 
Duplex. 

Anniversarium Mille Schrees sepulte in ecclesia nostra et 
parentum et amicorum ejus, unde habemus v vasa sili- 
ginis et 

C Nonas Decembris. 

VIII D VIII Idus Decembris. Nycholai Episcopi. Duplex. 

Anniversarium Wynandi Fabri et uxoris ejus Mechtildis 
sepultorum in cymiterio nostro, unde habuimus plura bona. 
Ista Mechtildis legavit nobis in puram eleemosinam, ut 
fideliter oremus pro animabus eorum, unum dimidium 
modium siliginis hereditarie in Venray situate et cum hoc 
omnia sua credita et singula bona mobilia per eandem 
relicta. 

VII E VII Idus Decembris. Octava Sancti Andree. iii lectiones. 
Anniversarium fundatum anno 1630 per Magistum Andream 
Bouwens Jurium Licentiatum tam pro Magistro Joanne 
Bouwens et Anna Creyten parentibus suis, quamproipso- 
met licentiato Andrea Bouwens et Domicella Gertrude 
Happart ejus conjuge cum prolibus. Iratribus et amicis 
illorum. Auctum est dictum anniversarium a praetacto do- 
mino Andrea Bouwens anno 1651 septem pataconibus effi- 



Digitized by 



Google 



— 121 — 

cientibus viginti octo florenos, applicatos ad 

(Schrift van Arnoldus Brugard). 
F VI Idus Decembris. Conceptio Beate Marie Virginis. 

ToTUM DUPLEX. 

XV G V Idus Decembris. 

Anniversarium Yde de Buyl prioris uxoris Jacobi de Buyl, 
que obiit anno Domini xiiii^ xxxviii, unde habet conven- 
tus II marcas perpelui census in vico pontis, 

mi A iiii Idus Decembris. 

B III Idus Decembris. Damasi Pape et Confessoris Memoria. 
Anniversarium Domicelli Gerardi de Cortenbach et uxoris 
sue legitime Agnetis, filie Egidi Vandenbroeck necnon 
aliarum animarum fidelium ad votum et intentionem dicti 
domicelli Gerardi ac etiam unici eorum filii domicelli 
Ludovici sueque legitime uxoris Katharine Elreborns ac 
prolium suarum et animorum parentum utrorumque. 
Ratione cujus anniversarii presignati ac trium reliquorum 
suis in locis etiam designatorum aliorumque onerum et 
serviciorum perpetuorum videlicet unius misse quotidiane 
cum commendacionibus et clausulis utpote in litteris, idem 
domicellus conventui nostro contulit in promptis semel 
summam mille et triginta unius florenorum monete et 
pagamenti currentis fideliter convertendam et applicandam 
ad VII modios siliginis hereditarii pactus et mensure 
Trajectensis seu alios quoslibet redditus aut bona heredi- 
taria ad opus dicti nostri conventus. 

xu C II Idus Decembris. 

Obiit anno Domini xv^ tricesimo septimo (1537) ipso 
Lucie Virginis Reverendus Pater Thomas de Gouda, 
magister decimus quartus in reformatione, Leodii decessit. 
(Schrift van Servatius Heinsberch). 

I D Idibus Decembris. Lucie Virginis et Martvris. Simplex. 
Anniversarium Elisabeth de Biessen et parentum et ami- 
corum ejus quod semper celebrabitur quatuor temporibus. 
Anniversarium Marie de Novo Lapide apud nos sepulte 
et parentum ejus, quod semper celebrabitur quatuor tem- 
poribus. 
Anniversarium Gherardi Clemmen et ambarum uxorum 



Digitized by 



Google 



— 122 — 

ejus cum tricenario, quod semper celebrabitur in quatuor 
temporibus. 

Anniversarium Joannis de Boelsbeeck et Jutte uxoris ejus 
et parentum et aliorum amicorum utriusque et omnium 
fidelium defunctorum, unde habuimus ut supra. 
Anniversarium Margarethe et Mathie sororis et parentum et 
aliorum amicorum ejus. 

Anniversarium Jacobi de Buyl senioris et duarum uxorum 
ejus. 

Anniversarium fraternitatis Sancti Michaëlis. 
Anniversarium Jacobi Grumpart cum una Missa. 
Anniversarium Helwigis Poes de Vleytingen, unde habe- 
mus ut supra. Omniaistaanniversariacelebrabuntur semper 
in quatuor temporibus. 

Anniversarium Katharine de Rivo cum una missa. 
Anniversarium Domicelli Joannis de Kesteit et Domine 
Marie de Spontyn uxoris ejus cum vigiliis, una missa cum 
commendacionibus sexta feria quatuor temporum ante 
altare B. Marie Virginis. (Schrift van Servatius Heinsberch). 
E XIX Kal. Januarii. Anniversarium Domini Nycholai Mor- 
genstern presbyter! secularis commorantis in conventu sancti 
Anthonii Trajectensis, magni fautoris et amici nostri, qui 
anniversario suo singulis annis celebrando cum vigiliis et 
missis consuetis dedit nobis semel xvi florenos renenses 
currentes cum quibus emimus unum florenum renensem 
super oppidum Tongrense. 
IX F XVIII Kal. Januarii. 

Anniversarium Fratrum et Sororum fraternitatis Sanctae 
crucis hujus conventus cum vigilia et missa sicut Henricus 
Prior Generalis instituit. 

Anniversarium parentum confratris nostri Mathie Mynecom, 
videlicet Johannis et Katherine legitime sue uxoris necnon 
parentum, consaguineorum ac prolium eorumdem. Pater 
SC. Johannes obiit anno Christi 1496 Decembris 16 feria 
6 quatuor temporum, unde habemus annue hereditarie 
xxxiiii grossos antiquos et in promptis semel adhuc duo- 
decim florenos aureos ad opera Beati Hyeronimi applicatos. 
(Schrift van Walter van Herenthals). 



Digitized by 



Google 



— 123 — 

G XVII Kalendas Januarii. 

Anniversarium et dies obitus Medardi Moentz de Thoren 
burgensis trajectensis in platea pontis in ferreo pileo^ qui 
sepultus est ante chorum nostrum et legavit conventui 
nostro II marcas hereditarie. 

Necnon etiam ejusdem filii Medardi Montz hospitis in 
Zarazeno et quondam burgimagistri hujus oppidi. Qui 
legavit conventui nostro semel in promptis decem florenos 
currentes et duas marcas redimibiles cutn viginti florenis, 
quas redemit ejus relicta cum xx florenis applicatis ad 
edificia. (Bijschrift van Servatius Heinsberch). 

VII A XVI Kalendas Januarii. 

Anniversarium Domini Huberti de Peer, ecclesie Sancti 
Servatii capellani, et parentum suorum et pro quibus 
desideravit. Qui dedit conventui nostro ut patet Kalendas 
Junii. 

VI B XV Kalendas Januarii. 

Anniversarium Arnoldi Proenen et Domicelle Marie Parys 
uxoris ejus et venerabilis prioris Joannis Proenen filii 
eorumdem, prioris sexti hujus domus, ex cujus patrimonio 
et fratrum carnalium donatione habuimus ultra trecentos 
florenos bb. Tum etiam anniversarium Servatii Proenen 
prescriptorum conjugum filii cum vigiliis novem lectionum, 
missa cantuali cum commendacionibus ad sepulchrum 
eorum ante cancellos; a quo habemus sex marcas tres 
solidos census Trajectensis et novem vasa siliginis in villa 
de Vleytingen redimibilia: et in promptis triginta et 
unum florenos brab. applrcatos de ordinatione et consensu 
Venerabilis prioris ad edificia duorum domuncularum cum 
applicatis denariis per procuratorem retro domum capitu- 
larem, annue importantes quatuor florenos brab: ad quod 
anniversarium convenienti die in Adventu Domini servandum 
vocari debent duo ex proximioribus heredibus quibus et 
fratribus fiet gratiosa pitantia in cibariis et vino renensi ad 
ordinationem prioris. (Schrift van Servatius Heinsberch). 
C xiiii Kalendas Januarii. 

Obiit Anno Domini 1493 quarto decimo Kalendas Januarii 
Reverendissimus Dominus Everardus ab Orsoy magister ix 
in reformacione. 



Digitized by 



Google 



— 124 — 

Anniversarium Venerabilis Domini Petri Van den Dael qui 
anno Domini 1577 reliquit conventui nostro testamentaliter 
semel centum florenos brabanticos procuratori nostro 
numerotos. (Schrift van . . . ?) 

xiiii D XIII Kalendas Januarii. 

Anniversorium Mathiae NuUens et Mariae van Buel uxoris 
suae et Marten NuUens et Waleidis Nulens. Item Annae 
et Emerentianae NuUens filiarum virginum prescripti 
Mathiae sepuUae in ecclesia nostra anteriori, quod semper 
celebrabitur ante Natale Domini cum dyacono et subdyacono 
et tribus missis adhuc legendis et commendationibus super 
sepulchrum. Unde conventus recepit annue septem florenos 
brabanticos, de quibus fratribus fit pitanüa gratiosa. Item 
legavit Maria van Buel in augmentum anniversarii sex 
florenos quinque stuferos annui census. 

(Schrift van xMartinus Pauli). 

III E XII Kalendas Januarii. Thome apostoli. Duplex. 
F XI Kalendas Januarii. 

XI G X Kalendas Januarii. 

XI A IX Kalendas Januarii. Vigilia. 

Anniversarium Ode dicte Jherusalem, a qua habemus tres 
solidos hereditarie. 

Anniversarium Francisci de Gangelt et uxoris et filii ejus 
Francisci, unde habemus annue ultra duas marcas. 
Anniversarium et commemoratio ad orandum pro anima 
honeste matrone singularis fautricis Ghertrudis de Meer 
et desideratorum, ipsa nocte et die Natalis Domini sicut 
in die Marie Magdalene et danda est eodem die Nativitatis 
pitantia vini renensis; ratione cujus habuimus ut ibidem 
praeter alia bona et beneficia. (Schrift van Servatius 
Heinsberch). 
B VIII Kalendas Januarii. Nativitatis Domini. Totum duplex. 
Ego frater Jacobus Vallee hujus conventus filius dedi 
R. P. Priori van der Haegen 200 fl. pro emptione cum 
aliis pecuniis 15 virgatarum terrae adjacentiüm viae vulgo 
Veliwesenstraet, ut in honorem sanctissimi ac venerabilis 
Sacramenti in altari expositi perpetuis temporibus duae 
candelae ex sevo ultra quatuor ex cera, juxta ordinationem 



Digitized by 



Google 



-^ 125 -- 

Reverendissimi Generalis Blavier in sua ultima ordinatione, 
semper accendantur, item in missa de Beata in Sabbatis 
cantanda, quatuor ex cera, cujus omittentis vel inhibentis 
conscientia oneratur. Anno 1686. 

Item dedit Reverendo Domino Priori van der Haegen 
15 Februarii 1698^ 200 florenos applicatos in Pelenberck 
et 15 Julii adhuc 200 florenses applicatos prope Jecoram, 
ut diebus Jovis semper in summa missa et in completorio, 
dum datur benedictio Venerabilis Sacramenti, duae faces 
accendantur. 
in C VII Kalendas Januarii. Stephani Prothomartyris. Totum 

DUPLEX. 

D VI Kalendas Januarii. JoHANNis ApostolietEwangeliste. 
Totum duplex. 
XVI E V Kalendas Januarii. Sanctorum Innocentium. Simplex. 
V F iiii Kalendas Januarii. Thome Episcopi et Martyris. 
Simplex. 
G iii Kalendas Januarii. 
XIII A II Kalendas Januarii. Silvestri Pape et Confessoris. 
Simplex. 



Digitized by 



Google 



BIJLAGEN. 



N» 1. 

1433 (September 1) des ersten daechs in Septembri, 

Schout en schepenen van Lenculen te Maastricht, oorkonden, 
dat Mathees van Steyne, kanonik van St. Bartholomeus te Luik 
en Gerard Clut, schepen van Lenculen, in hunne hoedanigheid 
van uitvoerders der laatste wilsbeschikking van Dyerix Eynenberch, 
schepen van Maastricht, voor eene jaarlijksche erfrente van 16 
marken en 8 kapoenen aan Gielys van Elderen den jonge en 
Johanna zijne echtgenoote in erfrecht opgedragen hebben het huis 
van Dyerix voornoemd gelegen op die Commente (Kommelstraat) 
tusschen het huis van Lucia echtgenoote van Wilhem van Boksen, 
gerdiner^ en dat van Goedart van Loon, bij den put aldaar, en 
aan den achterkant met een tuin zich uitstrekkende lot aan het 
erf van wijlen Danyel Loedens ende ouch uytghoende met eynen 
gange ende huyseren op die^ ander straete Tricht wart^ naast de 
hoeve van Giselbrech van Herderen en het huis van Willem 
Gruter, en beloofd hebben hun tot rustig bezit van dat huis te 
zullen verzekeren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henric Bovyer, Laureys HaybaykbKi 
Pauwels VAN den Byessbn, Bartholomeus van Warwelle, Gerart Clut, 
Andryes van Gelkb en Wilhem van Mulken. 

No 2. 

Transfixbrieven, 1433 (September 2) des anderen daechs in Septembri, 

Rentmeester en schepenen van Lenculen verklaren, dat Mathees 
VAN Steyne, kanonik van St. Bartholomeus te Luik, en Gerart 



Digitized by 



Google 



— 127 — 

CLUT,schepen van Lenculen,als testamentaire uitvoerders van Dyerix 
VAN Eynenberch, schepen van Maastricht, in mindering der jaar- 
lijksche rente vermeld in den naast voorgaanden brief, eene van 
9 marken en 17 schellingen overgedragen hebben, onder beding 
de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen, waarvoor zij 
hunne goederen verbonden hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n« 1. 

No 3. 

1436 (September 6) sesse dage in Septembi, 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Gielis 
VAN Elderen de jonge in handen van Robijn van Millen, laat, 
ten behoeve der Kruisheeren (der broederen gemeynlic des ordens 
van den Cruysbroederen) van het erf en de rente, vermeld in de 
voorgaande brieven waardoor deze getrokken is, afstand heeft gedaan, 
op voorwaarde die overdracht te zullen doen goedkeuren door 
zijne echtgenoote Johanna, zoo zulks noodig mocht zijn. 

Orig. op perkament — Schepenen : Henrich Bovier, Laureyns Haybayken, 
Pauwels VAN db Biessen, Bartholomees van Warwelle, Gerart Clüt, 
Jolian Clut en Johan Oyslinger. 



N- 4. 



14317 (October 8). De deken en het kapittel der St, Servaaskerk^ als- 
mede de pastoor der St. Janskerk geven hunne toestemming 
tot de stichting van een klooster en kerk der Orde van het 
H. Kruis^ op de Kommel te Maastricht, 

üniversis et singulis presentes litteras. visuris et audituris 
Johannes de Novo Lapide, legum Doctor, Decanus, totumque 
Capitulum Sancti Servatii et Joannes de Valle, investitus ecclesiae 
parochialis S* Joannis Baptistae, opidi Trajectensis Leodiensis 
diocesis, sinceram in Domino caritatem et rei subscripte notitiam 
veritatis. Pium est aflFectuosis votis, presertim que divini cultus 
et monastice religionis augmentum concernunt, favorem benevolum 
impertiri, hinc est quod nos religiosis viris fratribus ordinis Sancte 
Crucis sub regula beati Augustini instanter id postulantibus» ut 



Digitized by 



Google 



— 128 — 

ecclesiam et conventum novum ejusdem ordinis in dicto opido 
Trajectensi infra terminos parochie Sancti Joannis predicte et in 
fundo ad praefatam Sancti Servatii ecclesiam pertinente construere, 
fundare et consecrari facere, et sepulturam liberam inibi habere 
atque suis familiaribus domesticis et continuis commensalibus 
ecclesiastica Sacramenta ministrare, ac verbum Dei publice populo 
predicare, aquam benedicere et aspergere, aliaque ceremonialia in 
ordine consueta inibi habere et exercere possint et valeant, nostros 
voluntatem, consensum pariter et assensum plenarios tenore presen- 
tium matura deliberatione prehabita adhibemus, salvo quod 
dominicis diebus et festivis tempore divinorum, cum in matrice 
ecclesia verbum Dei predicatur, ac festa pariter et mandata ex 
more populo denuntiantur et indicuntur, predicti fratrcs illa hora 
in conventu suo non predicabunt nee aliquod prejudicium facient 
quovis modo matrici ecclesie; et ut unicuique jus suum servetur 
illesum, conventionatum est et concordatum, quod dicti fraires 
ratione memorati fundi in signum recognitionis patronatus ecclesie 
nostre S* Servatii duo, investito vero ecclesie S* Joannis sex vasa 
siliginis mensure opidi predicti singulis annis in festo S* Andree 
apostoli exsolvent pro omnibus et singulis juribus sibi ratione ecclesie 
sue debitis, tam canonica portione et funeralibus quorumcunque 
funerum quam etiam quorumcunque oblationum. Investitus tamen 
de funere parochie sue recipiet quartam partem oblationum altaris, 
cere et panni afratribus, ab amicis vero defuncti totum jus ecclesie 
recipiet, nisi funus sibi more solito fuerit presentatum alias 
quecumque donata, oblata, legata et alias undecunque provenientia 
libere cedent et pertinebunt conventui et fratribus supradictis. 
Oleum vero Sacrum investitus pro tempore prefato conventui 
singulis annis ministrabit; obligaverunt autem fratres supradicti 
pro subpignore dictum conventum. In testimonium premissorum 
presentia nostris sigillis duximus munienda anno ab Incarnatione 
Domini Millesimo quadringentesimo tricesimo mensis Octobris 
die Octava. 

Orig. op perkament. — Zegel van het kapittel van St. Servaas, voor- 
stellende den H. Servatius ten halven lijve in bisschoppelijk ornaat met 
myter en nimbus, houdende met de linkerhand den kromstaf en in den 
rechter opgeheven den sleutel, omschrift: . . . mis ad causas. 



Digitized by 



Google 



— 129 - 

N- 5. 

1438 Januari 4. Johannes van Heinsberg^ bisschop van Luik^ g^eft 
toestemming tot de stichting van een klooster der Kruisheeren 
te Maastricht. 

Joannes de Heinsberch, Dei et Apostolicae sedis gratia Epis- 

copus Leodiensis, universis Christifidelibus preseniibus et futuris. 

Hiis potissime subditorum nostrorum votis libenter annuitnus 

que salubribus obsequuntur operibus et divini cultus prospiciunt 

incrementa ornamenta, cutn itaque dilecti nobis in Christo Egidius 

DE VleVtingen alias de Elderis et domicella Johanna conjux 

ejus, in villa de Ghinghelim nostrae Leodiensis diocesis commo- 

rantes, pio ducti desiderio terrena in celestia et transitoria in 

eterna cupientes felici commercio commutare, certas domos 

quinque videlicet cum horto illis adjacente bonuarium unum 

terrae vel circiter continentes, infra limites ecclesiae parochialis 

Sancii Johannis oppidi nostri Trajectensis in loco dicto vulgariter 

opten Comment ac in fundo ecclesie nosire collegialis Sancti 

Servatii oppidi predicti et infra eundem oppidum situatas, dilecto 

nobis in Christo viro relligioso fratri Henrico de Novimago, 

priori monasterii Sancte Crucis ürdinis Sancti Augustini cum 

cruce oppidi nostri Huyensis ejusdem diocesis, generali totius 

ordinis antedicti dederint realiter et cum effectu, tradiderint et 

assignaverint, atque debitam investituram exinde secundum ritum 

legis localis, sub qua dicte domus consistunt, fecerint, ad opus 

fundatioris, constructionis et erectionis unius monasterii dicti 

ordinis in prescripto loco pro suarum animarum salute, divinique 

cultus augmento. Cum ipse locus aptus sit et ideoneus pro hujus- 

modi monasterio construendo ac uno priore ac decenti fratrum 

ordinis praedicti numero inibi sub habitu et observantia ac in- 

stitutis regularibus dicti ordinis perpetuo Domino serviturorum 

per praelibatum priorem generalem et conventum ejus hac prima 

vice ponendorum, eisdemque priori et conventui subjiciendorum 

et conformandorum justa praedicta regularia instituta cum claus- 

tro, dormitorio, cymitorio, campana, campanili, domibus, ortis, 

ortaliciisetaliis necessariis officinis, pollicentes iidem conjuges ultra 

praemissa pro inchoanda praedicti monasterii constructione et 



Digitized by 



Google 



^ 130 — 

quamprimum opus hujusmodi constructionis seu edificii inceptum 
fuerit, dare realiter et ad dicti prioris manus deliberare centum 
griffiones communis pagamenti Leodiensis in et ad usus con- 
structionis hujusmodi convertendos, prout in litteris desuper 
confeciis plenius continetur. Hinc est quod pro parte prelibati 
Prioris generalis ordinis supradicti nobis extitit humiliter suppli- 
catum, quatenus donationi et ordinationi praescriptis ac ut ipse 
prior in prescripto loco monasterium unum antedicti ordinis 
edificare seu edificari, construique et erigi facere valeat et habere 
cum claustro, dormitorio, cymiterio, ecclesia, campanili, campana, 
domibus, ortis, ortaliciis et aliis supradictis officinis ad instar 
supradicti monasterii Sanctae Crucis et aliorum ejusdem ordinis 
monasteriorum sibi subjectorum ac ad opus unius prioris et fratrum 
inibi secundum ipsius monasterii facultates per jamdictum priorem 
generalem, prout premittitur, instituendorum consensum nostrum et 
assensum dignaremur favorabiiiter impertiri^ cujus supplicationi 
et recepta primus super premissa informatione diligenti, per quam 
ea veritate inniti comperimus, paternis aflFectibus inclinati divinum 
cultum nostris affectantes temporibus augmentari ac primum 
prelibatorum conjugum desiderium volentes, quantum in nobis est, 
efFectui debito mancipare, ad Omnipotentis Dei Salutiferaequc 
Crucis iaudem et honorem donationem et ordinationem prescriptas 
ratas habentes et gratas easque auctoritate nostra ordinaria confir- 
mantes, supradicto priori ordinis prescripti generali ejusque succes- 
soribus tenore presentium indulgemus, ut in antescripto loco mo- 
nasterium unum edificare, construere et erigere una cum claustro, 
dormitorio, ecclesia, campana, campanili, cymiterio, domibusque, 
ortis et aliis necessariis officinis secundum ritum et observantiam 
ordinis supradicti et in illo, dum ad hoc eis suppetierint tacultates 
ac prout hujusmodi facultates suffecerint ponere valeat et instituere 
priorem et decentem fratrum ordinis predicti numerum, qui sub 
observantia regulari, ejusdem ordinis praescripto monasterio Sanctae 
Crucis subjiciendi, et secundum illius instituta regulandi Altis- 
simo valeant perpetuo et salubriter famulari ad hecque sibi tenore 
presentium dummodo Rectoris ecclesie parochialis antedicte dilec- 
torumque filiorum decani et capituli ecclesie St. Servatii supra- 
scripte ad ea consensus accedat auctoritate prescripta ordinaria 
consensum et licentiam impertimur: jure vis[itatio]nis, superiori 



Digitized by 



Google 



~ 131 — 

tatis et aliis nostris et dictae parochialis ecclesiae juribus semper 
salvis. Et ut premissa ad perpetuam rei memoriam robur obtineant 
f[irmitatis, praes]entes nostras litteras sigiili nostri ad causas appen- 
sione jussimus communiri, sub anno a Nativitate Domini miile- 
simo quadringentesimo [tricesimo oct]avo mense Januarii die quarta. 
Pro domino Sigillum. 

Adam de Papenh. Fy Groy ex oflScire. 

Orig. op perkament. — Zegel van bisschop Johannes van Heynsberch: 
voorstellende een bisschop in bisschoppelijk ornaat houdende in de linker- 
hand den kromstaf en de rechterhand ter zegening opgeheven; vóór hem 
een wapen gevierendeeld: 1 en 4 gedeeld, rechts vijf fascen, links twee 
* visschen ruggelings tegen elkander in de richting van den paal; 2 en 3 een 
leeuw met gespleten staart. Hartschild, geschakeerd van vier rijen: om- 
schrift: S. Jois DE Hensberg Epi.Legdi.ft Comitis Lossen. ad causas. 



N*^ 6 



1439 Juli 4, Oprichting van de Broederschap van het heilig Kruis 
in de kerk der Kruisheeren. 

Allen ende eynen yegeiiken die diesen brieff sullen syene of 
hoeren lesen sy condich ende openbaer, dat in den joer der geboirten 
onss liefs Heeren duysent vierhondert noegen en dertich binnen der 
gueder statt van Triecht des creesdoms van Ludich begonnen, 
ordineert en aengenomen is, totter eren Goits, Marien synre lieven 
Moeder ende alre heylgen ende sunderlingen ter eren ende virer- 
dicheyt des allreheyligsten Cruyss onss Heren Jhesu Christi eyne 
bruederscap van guede mannen ende vrouwen geheyten die 
Brüederscap des heylgen Cruys, op vurwarde ende manyeren 
die hiernoe bescreven stoene : Te weten in den iersten suelen die 
gemeyne brueder van diesen vurscreven bruederscap kiesen alle 
joer vyere meysteren ende rectoirs, overmits ende van dewelken 
diese vurscreven bruederscap geregiert ende stantaftich bliven 
moghe, welke vyere meysteren ende voert die gemeyne bruederen 
van derselven bruederscap altois getruwe behulplich ende onder- 
stendich syn suelen den convente ende cloester van den orden 
des heyligen Cruys, wellich cloester bestanden ende aengenomen 
is in den Jare ons Heren en in derselven statt van Tricht vurge- 



Digitized by 



Google 



— 132 — 

noempt, dat vurscreven cloester op te helpen ende te voerderen 
mit raede, werken ende daden, noe ingeven des heylgen geists ter 
eren Goits ende des heylgen Cruys, daerom suelen die bruederen 
ende susteren der vurscreven bruederscap van den genaden Goits 
ende van machte ende consente der Oversten van denselven orden, 
altoos deylachtich syn allen der messen, vigilien, getyden, gebeden, 
vasten, disciplinen, elmoisen,, predicatien, ende vuert allen der 
gueden werken ende geystliken oefFenyngen, die gescien sullen ten 
ewigen dagen in denselven cloester beyden in honnen leven ende 
noe honnen doot; ouch suellen prior ende brueder indertyt des- 
selven convents alle joer te vyere tyden te weten noe de vyere 
quatertemperen, begenckenis ende joergetyden doene mit vigilien 
ende zielmissen noe gewoonten des vurcreven ordens allen die- 
ghene die in den vurscreven bruederscap syne ende daertoe sullen 
die meysteren van den vurscreven bruederscap ordineeren op 
honnen coste kertzen als dat gewoenlich is ende honselven guet 
dunckt. Ouch is ordineert dat die vyere meyster derselven brue- 
derscap suelen ende mogen sitten in die kerke des vurscreven 
cloesters bedelende die elmoisen ende hulpe totten buwe, ende 
wat hon dan van den gueden luden gegeven wurt et sy geit, 
golt, silver, wasse ofF vlas, ofF soe wat kunne dat sy, des sy daer 
crigen daer affsal men die halscheyt nemen ende die leggen binnen 
den cloester vurscreven, in behalt, bewaernisse ende sloete der 
vyere meysteren van den vurscreven bruederscap, die alleyne den 
sloetel daeraff hebben suelen in diesen maeten, dat sy dat vurge- 
meltgeltof guet tot gheynen dingen keeren noch aeff doen voerder 
dan totten buwe der kerken en cloesters vurscreven ende dat met 
roede ende consente des prioers ende bruederen des vurscreven 
convents ende den meysteren van den bruederscap vurscreven, 
die ander halscheyt ende wert, wat op die elteren geoffert sal 
werden ofF gegeven, dat sal alinelick dienen ende toebehoeren den 
prioer ende convente vurscreven honnen orbaer daermede te doene. 
Ouch eist gevurwart soe wat die meyster ende brueder der vur- 
screven bruederscap procurieren, werven ende vercregen hedden 
ane ornementen kelken ofF cleynoden, die suelen der prior ende 
convent vurscreven hebben, orberen ende gebruken in den dyenste 
Goits, mer niet daeraflf te doene noch te vercoupen sonder weten 
ende consente derselven meysteren. Voert eist geordineert oftsake 



Digitized by 



Google 



— 133 — 

wer dat die meyster ofFbrueder der vurscreven bruederscap eynge 
elmoisen procurierden, worven off vercreghen, buten diesen vur- 
creven cloester dat wer in der statt off daer buten, dat sullen sy 
altemael in hoeren besloet leggen gelycdat vurscreven steyt ende 
keren dat ten buwe des vurscreven cloesters. Wert ouch tsake 
dat eynge erfguede off" renten totten vurschreven bruederscap 
gegeven wurde ten buwe, dat sal men totten buwe keren by 
alsoe dat men die renten niet en sal vercoupen sonder consente 
des prioers ende convents vurscreven. Ende soe wat den 
vurscreven convente om Goide gegeven wurt etsy gereyt off 
erfguet, des en suelen sich die meyster van der bruederscap 
vurscreven nyet vroeden, mer wurde der prioer ende bruderen 
des vurscreven convents yet gegeven totten buwe dat sullen 
sy aen den buwe keren sonder argeliste. Voert mer weert sake 
dat eynig stoet, onmynne, twiest off* onverdraich geviele tusschen 
den prioer ende convente vurscreven, denen stoet, onmynne, twest 
ende onverdraich sal men guetlich verliken ende nederleggen, na 
den prior van Huye ende generaal des vurscreven ordens van den 
heylgen Cruys. Ende oft sake wer datte prioer indertyt wesende, 
mit synen bruederen des convents, ende den vurgemelten meysteren 
mit honnen bruederen, naemaels genoichde ende guetdocht diesen 
brieff ende ordinancien vurscreven te veranderen off^ eynge andere 
ende betere punten hiertoe te setten, in voerdernisse, hulpe ende 
behueflicheit der bruederscap vurscreven ter eere Goits, des heylgen 
Cruys ende sconvents nagemert(?), dat sall altois gescien ende gedoen 
werden mit willen ende consente des prioers van Huye vurscreven 
ende nyet anders. In getuygenisse der waerheyt aller dieser punten 
voirscreven, opdat die gehalden werden, vaste ende stedich bliven 
in der manyercn boven vercleert, soe hebbe ich brueder Heynrich 
VAN Nyemegen, prioer van Huye in der tyt, ende des gemeynen 
ordens van den heylgen Cruys generael, mynen siegel van mynre 
prioerscap ane diesen brieff" gehangen van des vurscreven convents- 
wegen Triecht ende om besten wille der meysteren ende brue- 
deren van den bruederscap vurscreven, want der prioer ende dat 
convent vurscreven noch geyn proper siegel en heet. 

Gegeven in den jaer ons Heren geboirten vurscreven, in Julio 
gehciten heumoent des vyerden dachs. 

Orig. op perkament. — Zegel van den Mag. Generaal Hendrik van 



Digitized by 



Google 



— 134 — 

Nymegen geschonden : in 't midden Christus aan 't Kruis, Maria en Johannes 
aan weerszijde; in de hoeken de zinnebeelden der vier Evangelisten. 



No 7. 



1561 (januari 25). Overeenkomst gesloten tusschen den Prior der 
Kruisheeren van Maastricht^ Servatius Heinsberg, en Willem 
Jonckmun van Luik om een y^huys oft edifitie^'* te bouwen voor 
het H, Sacrament in de Kruisheerenkerk van eerstgenoemde 
stad. 

Op Sint Pauwelsbekeeringe dach int jaer xv^ LXi heeft der 
erwerdighen here heer Servaes Hinsberch alss prior dess convents 
der Cruetzbruederen binnen der stadt Tricht gelegen, overcomen, 
gheaccordeert ende gesloten met den eersamen ende vromen 
meyster Wilhem Jonckum van Ludiek, steynmetser end steyn- 
houwer, burger inder stadt vorscreven, alss dat dersselve meyster 
Wilhem maecken sall in den chore des voorss: convents eyn 
huyss ofte edifitie ter eren dess heylgen Sacramentz, daerinne 
te stellen end te rusten, nae eynen patroon van 's Hartogenbossch 
gesandt. 

Alsoe dat tselve vi^erck sal halden van der eerden offt floeren 
des choors in der hoochden xxxv voeten hubbende ende brengende 
in de breyde alle proporsie soe dat behoeren sall nae advenant 
derselver hoechden, daervan dat der voet sal syn ii voet en dry 
dreyl van voor met dry trappen op te gaen van neemssen steen- 
werck, ende in denselven voet sullen gestaltt werden nae heur 
proporstie mere als in den patroen, te weten seven virtutes, te 
weten im cleyn en iii groetej ende comende totten yseren doere, 
sal der prior dieselve yseren doere ende voerts all yserwerck 
daer touw (en tot den ganssen werck met auch bly, calck ende 
savelj te sinre kosten bestellen, end Meyster Wilhem alleyn dat 
steinwerck ende beneven dye duere twee engelen. Boven den desch 
ende dueren sall m. Wilhem maecken dat toontmaell als in den 
patroen, ende daarbeneven Melchisedech en hemelsbroet in den 
kere van den anderen ii dueren, wandt daer iii dueren syn sullen. 

Boven dat werck voorss: en op dye cornyss dye vier Evange- 
listen sittende, ende boven die vier evangelisten in dye montee» 



Digitized by 



Google 



— 136 — 

dye vier doctoren der heilger ke reken, ende Sint Servaes op dye 
tempage en boven die cornyss en op dander Sint Lambrecht offie 
andere na begerte des priors en gemaeckt nae advenant. Ende 
voerts dat gansse vi^erck te maecken vervolgens beteren nyet erger 
uytwisens des patroens. 

Ende alsmen dyt werck sal richten, sal der prior helpen bestel- 
len kraen en stellagie om tselve werck te richten, ende duerende 
alsulcke richtinge des wercks, sal der prior M' Wilhem ende 
sine lueden met hom richtende den kost geven. 

Des soe sal M^ Wilhem hebben voer dat gansse werck te 
maecken end te stellen in manieren als voorsscreven iss, dye 
somme van twe hondert hornss gulden, maecken hondert en xx 
gulden brabans, den gl. brab. te xx stuver bb. gerekent, daervan 
dat der prior M"" Wilhem betalen sall eyn vyerde deyl van der 
summen voorsscreven om den voet ende andere materialiën te 
bestellen, 'ende dat Ilde deyl als der voet en voerts dat yerste 
werck sall gericht syn ende daernae dye derde deyl alss hy dat 
twede werck sal hebben gericht tot die vier evangelisten. Ende 
als hy die montee sal hebben gericht ende daermede dat gansse 
werck sal hebben volmaeckt ende gericht sal der prior hom 
betaclen dat leste ende volle summen vursscreven sonder argelist. 
Alsoe dat meister Wilhem dat gansse werck sal leveren van onder 
aen tot boven touw uyt, dat hy dess eer ende pryss sal mogen 
hebben van kenres van wercken ende consten. Aldus gesloten 
ende veraccordiert op datum als boven in presentie Andriess 
Jenthis alss sy beyde parthien der prior en M' Wilhem bekennen 
met hunnen eygenen hantschrift hyronder gestelt, dess der prior 
M"^ Wilhem op rekeninge gegeven op datum voorsscreven theen 
daalres. 

(get) Andries Jenthis, faber. Cget.) Servaes Heinsberch, 

(get.) Guilheme de Jonckum. prior van den Cruysbrue- 

derclooster binnen Tricht. 



Digitized by 



Google 



— 136 — 

N« 8. 

1488 (December 10), Johannes de Horne^ bisschop van Luik vergunt 
deit Kruisheer Johannes van Xanten^ die door leproosheid 
tvas aangetast en op aandringeii der stedelijke overheid het 
klooster te Maastricht moest verlaten, om onderweg ^in dye 
^meyeria^* giften in te zamelen^ ten einde hem in staat te 
stellen zich ie Xanten, zijne geboorteplaats^ te vestigen endaar 
zijn laatste levensjaren te slijten, 

Johannes de Huerne Dei et Apostolicae sedis gracia Episcopus 
Leodiensis, dux Bullonensis, comes Lossensis etc. universis et 
singulis Ghristifidelibus, ecclesiasticis seu religiosis et presertim 
ecclesiarum pastoribus necnon capellarum rectoribus in oppidulis 
ac villis civitati Buscoduccnsi subjectis, vulgariter ^/^^ ///rj^rriVz dictis, 
salutem in Domino et pietatis misericordiaeque operibus habundare 
eisdemque vitam marcari aeternam : Gum nedum indigentibus 
nostram sub dyocesin verum et aliunde ubilibet sub puneria con- 
stitutis ad subveniendum illorum necessitati, caritatis nexum Do- 
mino adstringimur, hinc cum veridica relacione ac supplici oratione 
perceperimus quondam religiosum sacerdotem nomine Johannem 
Zantis, Ord. fratrum S'^^ Grucis sub communi vita degentem, 
conventus Trajectensis supprioris nostre dyocesis lepre infirmitate 
a Domino misericorditer visitaium, quare arctatur non modo a 
suorum fratrum verum etiam ab omni fidelium consortio seorsim 
habitare, ideoque se ad iocum suum nativum videlicet oppidum 
Zanten de licentia suorum Superiorum transferre curavit, ut ibi 
domunculam exiguam erigeret in qua separatus a sanorum fidelium 
turmis solitariam mansionem reciperet, illamque nisi dominorum 
graciis ceterorumque orthodoxorum Ghristicolarum beneficiis et 
eleemosinis juvetur erigere non valet. Vobis igitur nobis subditis 
hortamur et nichilominus vobis mandamus, ut nuncium presertim 
religiosum sive sacerdotem sive laycum a predicto infirmo sacer- 
dote cum litterarum nostrarum ' presentacione emissum semel 
admittatis ad eleemosinarum petitionem et, si sacerdos fuerit, etiam 
ad verbi Dei predicationem. Vosque predicationem temporibus de 
ambone fideliter* vobis subjectos exhortemur, ut eidem infirmo 
sacerdoti beneficia pietatis ex hi beat, quod facientes rem Deo gra- 



Digitized by 



Google 



• 137 — 

tissirnam nobisque summe commentabilem atque receptam exhi- 
hebitis. In quorum omnium et singulorum testimonium has nostras 
Iitteras sigillórum appensione duximus communiri anno Domini 
millesimo quadragesimo octogesimo octavo mensis Decembris 
die decima. 



N° 9. 

1692. Verzoekschrift van den Prior en de Cominnnanteit der Kruis- 
keeren aan den Raad van Maastricht om vrijstelling te ver- 
krijgen van inkwartiering. 

Aen den Edelachtbaren Raet. 

Verthoonen ootmoedelyk den Prior ende de religieusen van hei 
clooster der P. P. Gruysbroeders deser stadt dat sy om de swaere 
legeringe genootsaeck syn geweest in hun clooster eenige plaetsen 
te accomoderen, te weten twe camers ende stallinge naer proportie 
om ruyters ende peerden te logeren ende te stallen, waervan den 
heer commis Weusden den voorleden winter eenige plaetsen ende 
nu altemael heeft geoccupeert voor magasyn van haver ende andere 
krychtsammonitie te placeren, hebbende de supplianten daeren- 
boven noch tot versoeck van den heer Commis geruympt den 
grooten solder van hun clooster, waermede noch niet content synde 
begeert noch meerdere solders in het voorscreven clooster voor 
magasyn te gebruiken, hetwelck synde tot te seer grooten overlast 
van de supplianten, versoecken oetmoedelyck van de logeringe van 
soldaten muigen exempt te syn totdat sy de plaetsen voor de 
soldaten geprepareert meugen gebruycken. 

Welck doende enz. 
Laur. van der Haegen, prior. 

(In margine staat geschreven: 
Gelet op den inhout deser request ren voy eert 
partye naar hh. gedeputeerde totte logeringe, om 
ten tyde van deselve consideratie te gebruycken. 
Actum in Conciliis 13 Octobris 1692. 

Per order van den EdAchtb. Raet, 
Henri Thisiüs. 



10 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



DE POLITIEKE INDEELING VAN LIMBURG 

1794—1839 



BARON VON GEUSAU, 

Kamerheer i. b. d. van H. M. de Koningin oer Nederlanden. 



INLEIDING. 

Bij de samenstelling mijner geschiedenis over het beleg van de 
vesting Maastricht in 1814 door de verbondene Mogendheden (i), 
achtte ik het, voor het goede verstand dier geschiedenis, nood- 
zakelijk een kort overzicht te geven van het burgerlijk en militair 
Bestuur van de tegenwoordige Provincie Limburg, voor zooverre 
dit betrekking had op het tijdperk, waarin de medegedeelde krijgs- 
verrichtingen hebben plaats gehad. 

Reeds dadelijk bleek mij bij mijne onderzoekingen, dat de zoo 
talrijke en verschillende veranderingen in den politieken toestand, 
die elkander zoo snel hebben opgevolgd, van het jaar 1794 af, bijna 
geheel onbekend zijn. 

De onbekendheid van dit hoogst belangrijk gedeelte der ge- 
schiedenis van Nederland en in het bizonder van Limburg vindt 
haren grond daarin, dat de bescheiden die daarop betrekking 
hebben zeer verspreid en weinig bekend zijn en dat de werken 
die er over zijn uitgegeven slechts een bepaald gedeelte behandelen. 
De taak nu die ik mij voorstel is om met behulp der bestaande 
bronnen en van door toevallige omstandigheden in mijne handen 
gekomen stukken een kort maar volledig overzicht te geven van 
de politieke indeelingen en besturen van het grondgebied van de 
tegenwoordige provincie Limburg van het oogenblik af dat de 



P) Zie PubHcaHonSy jaargang 18Ö6. 



Digitized by 



Google 



— 140 — 

Fransche Overheersching voor korten tijd een einde maakte aan 
de nationale onafhankelijkheid tot op het tijdstip waarop ons 
gewest — na het ophouden van alle vreemde inmenging en na 
het ondergaan van talrijke wijzigingen van grondgebied - voor 
goed een blijvend en zelfstandig bestuur heeft gekregen en is tot 
stand gekomen, zooals het thans bij het Nederlandsche Koningrijk 
behoort. 

Het zoude mij te ver geleid hebben om diep in te gaan in den 
toestand van Limburg vóór 1794. De vele Heeren toch, onder 
wie de Regeering van het grondgebied was verdeeld, gaven aan 
de verschillende deelen hunne regeer ings vormen en daardoor 
hunne geschiedenis. 

Daar echter, na het vertrek der Franschen uit deze gewesten 
bij den langzamen overgang van het grondgebied van Limburg 
tot Nederland, telkens sprake is van en rekening gehouden wordt 
met den politieken toestand, zooals die was vóór de aanhechting 
aan de Fransche Republiek, van de landen, waartoe het grond- 
gebied onzer Provincie behoorde, is het noodig dien politieken 
toestand in het kort te beschrijven. 

Daarenboven heb ik gemeend enkele woorden over de verhou- 
ding van Limburg tot den Duitschen Bond niet te moeten achter- 
wege laten, daar dit tijdstip onzer provinciale geschiedenis, hoewel 
nog zoo kort in het verleden, voor velen een raadsel is gebleven. 

Ik koester het vertrouwen dat deze bijdrage eenigen bijval zal 
vinden bij hen die even als ik belang stellen in de geschiedenis 
van ons Limburg. 

De schrijver. 



Digitized by 



Google 



I« AFDEELING. 



Politieke toestand vóór de Fransche overheersching 

van 1785—1794. 



Toen de Fransche Republikeinen in 1794 in de Zuidelijke 
Nederlanden vielen en zich daarvan, evenals van eenige aangren- 
zende gewesten, meester maakten, werd het grondgebied dat thans 
de provincie Limburg vormt — sinds de laatste verandering 
daarin gebracht door het tractaat van Fontainebleau van 8 No- 
vember 1785 gesloten, tusschen den Keizer van Duitschland 
Joseph II, als heer der Zuidelijke Nederlanden, ter eenre en de 
Staten Generaal ter andere zijde — , bestuurd door de navolgende 
Heeren : 

I. De Keizer van Duitschland, als Heer der Oostenrijksche 
Nederlanden, onder verschillende titels, bijv. Hertog van Gelder 
Graaf van Valkenberg, Heer van Dalhem en s*Hertogenrade ; 

II. De Koning van Pruissen, mede als Hertog van Gelder en 
Hertog van Cleve; 

III. De Keurvorst van den Paltz, uit het Huis van Beijeren, 
als Hertog van Gulick; 

IV. De Prins-Bisschop van Luik, in deze laatste hoedanigheid 
en als Graaf van Loon en Home en als Heer van Maastricht 
ab indiviso; 

V. De Staten-Generaal, als houdende de rechten van Hertog 
van Brabant voor het tweeheerig Maastricht ab indiviso als Hertog 
van Gelder, als Graaf van Valkenberg en Heer van Dalhem en 
s'Hertogenrade en van den Vroenhof; 

VI. Verschillende Rijksvrij heeren van kleinere staten. 



Digltized by 



Google 



— 142 — 

De landen die door deze verschillende vorsten geregeerd werden 
— voor zoover betreft ons gewest — waren: 

1. Een deel van het Oostenrijksch over kwartier van Gelderland (i) 
namelijk : 

Roermond, als hoofdstad. 

Weert. 

Nederweert. 

Swalmen met Asselt. 

Maasniel. 

Herten-Merum en Ohl. 

Wessem, zonder Poll (2). 

Hunsel, zonder Elle(3). 

Meijel. 

2. Geheel Oostenrijksch Valkenberg bestaande uit: 
Oirsbeek met Doenrade. 

Amstenrade. 

Merkelbeek. 

Bingelrade. 

Geleen. 

Spaubeek (4). 

Brunssum. 

Schinveld. 

Jabeek. 

Schinnen. 

Nuth. 

Hoensbroek. 

Vaesrade (thans gevoegd bij Nuth). 

3. Een gedeelte van Oostenrijksch s^ Hertogenrade (^) namelijk : 
Kerkrade zonder Bleijerheide (ö). 

Bocholtz. 



(1) In Pruissen liggen thans de overige dorpen Over- en Nedercruchten, Wegberg, 
Elmpt. 

(2) Poll zie onder n» 22. 
(8) Eile zie onder n» 21. 

(4) Zonder het gehucht „de Biest" dat door het tractaat van Fontainebleau bij 
Schim mert (Staatsch Valkenberg) gevoegd was. 
C^) De Hoofdstad s'Hertogenrade en eenige Dorpjes liggen in Pruissen. 
(6j Bleijerheide zie onder n^ 7. 



Digitized by 



Google 



— 143 — 



Simpelveld. 

Ubach-over-Worms zonder Rimburg (i). 

4. Een gedeelte van Oostenrijksch Daelhem (2) namelijk : 
Mheer. 

Noorbeek. 

5. Een groot gedeelte van het Pruissisch Overkwartier van Gelder- 
land (}^, 

Horst hoofdplaats van het ambt Kessel. 

Venray. 

Oostrum (thans bij de gemeente Venray). 

Oirlo (thans bij de gemeente Venray). 

Sevenum. 

Kessel. 

Helden. 

Maasbree. 

Baarlo (thans bij de gemeente Maasbree). 

Blerick (thans bij de gemeente Maasbree). 

Meerlo. 

Swolgen (thans bij de gemeente Meerlo). 

Tienray (thans bij de gemeente Meerlo). 

Blitterswijck (thans bij de gemeente Meerlo). 

Wanssum 

Geysteren (thans bij de gemeente Wanssum). 

Grubbenvorst. 

Lottum (thans bij de gemeente Grubbenvorst). 

Broeckhuysen. 

Broeckhuysenvorst (thans bij degemeenteBroeckhuysen)./ 

Ooijen (thans bij de gemeente Broeckhuysen). ' 

Middelaar (thans bij de gemeente Mook-Middelaar) (*). 

Bergen. 

Weil (thans bij de gemeente Bergen). 

Ayen (thans bij de gemeente Bergen). 



Ambt 
Kessel. 



^) Rimburg zie onder n<> 84. 

(2) De hoofdstad Daelhem ligt in België met eenige andere Waalsche dorpen. 
(S) In Pruissen lag de hoofdstad Gelder, het ambt van dien naam en het ambt 
Krieckenbeeky met verschillende stadjes en dorpen. 
(<) Zie onder n» 6. 



Digitized by 



Google 



— 144 — 

Afferden (thans bij de gemeente Bergen) (i). 
Arcen j 

Velden thans de gemeente Arcen en Velden. 
Lom ' 
6 Een klein gedeelte van liet Hertogdom Cleve^ namelijk: 
Gennep. 
Ottersum. 

Heijen (thans bij de gemeente Bergen) (2). 
Siebengewald (thans bij de gemeente Bergen) (3). 
Mook (thans bij de gemeente Mook-Middelaar) (*). 

7. Een gedeelte van het Hertogdom Gulick, 
Sittard, hoofdplaats van het ambt Sittard en Bom. 
Broeksittard. 

Susteren. i Ambt 

Dieteren (s). f gj^^^^j 

Born-Holtum-Buchten. 

Urmond. l ^^ 

Berg (6). \ Bom. 

Munslergeleen. 

Guttikhoven (thans bij de gemeente Limbricht) (7). 
Eygelshoven. 

Bleyerheide (thans bij de gemeente Kerkrade) (S). 
Melick-Herkenbosch (ambt Wassenberg). 
Tegelen (ambt Bruggen). 

8. Een gedeelte van het Prinsbisdom Luik^ namelijk alleen St. Pieter. 



(') Bij Bergen, Well, Ayen en Afferden en het Cleefsche dorp Heyen is in 1817 
gevoegd Siebengewald (dat bij de Cleefsche gemeente Weeze behoorde) tot vorming 
van de tegenwoordige gemeente Bergen. 

(') Zie onder n« 5. 

(8) Zie onder n® 5. 

(4) Zie onder no 5. 

(*) Dieteren was een afzonderlijk kerkdorp en vormde het ressort van een laatbank; 
administratief en rechterlijk behoorde het overigens onder de sdiepenbank van 
Susteren 

(*) Terg was een afzonderlijk kerkdorp doch behoorde administratief en rechterlijk 
onder Urmond. 

(7) Zie onder n® 35. 

(») Zie onder n° 3. 

Hleijerheide en Eijgelshoven hoorden bij de heerlijkheid Terheiden. 



Digitized by 



Google 



— 145 — 

9. Een gedeelte van het Graafschap Loon^ namelijk: 

Visschersweert (thans bij de gemeente Roosteren j (}). 

Het geheele graafschap Hom (*) met zijne dorpen. 

Home, hoofdplaats. 

Beegden. 

Buggenum. 

Haelen. 

Nunhem. 

Heythuysen. 

Roggel. 

Neer. 

10. Het tweeheerig Maastricht (3) behoorende ab indiviso aan den 
Prins-Bisschop van de Staten-Generaai als houdende de rechten 
van den Hertog van Brabant (*). 

Het tweeheerig Maastricht met de overige landen sub num- 
mers 11 tot 15 genoemd bestuurd door de Staten-Generaai 
werden Generaliteitslanden genoemd. Zij hadden geen afge- 
vaardigden in de Staten-Generaai en werden als wingewest 
bestuurd, met eenige uilzonderingen voor het Staatsch over- 
kwartier van Gelderland, dat in het land zelf een afzonderlijk 
hoofdbestuur had. 

11. Een gedeelte van het Graafschap de Vroenhof^ namelijk: 
Wilré of Wolder («). 

Een gedeelte van Maastricht (zie noot 3). 

12. Geheel Staatsch Valkenberg^ bestaande uit: 
Valken berg, hoofdstad. 

Meerssen, met Limmel. 
Amby. 

(O Zie onder n» 15. 

O Horne was een Loonsch leen, dat na den dood van Philips de Montmorency, 
graaf van Horne, in 1568 door zijn leenheer den Prins- Bisschop van Luik aan zich 
was getrokjcen. In België liggen nog Ophoven en Geystingen, die voorheen ook deel 
uitmaakten van dit graafechap. 

O Zonder Tweebergen, dat aan den Proost van St. Servaas behoorde en het 
gedeelte van den Vroenhof, dat in vesting Maastricht gecnclavecrd was. 

(') Beider rechten waren afhankelijk van de moederlijke nativiteit, d. w. z. de 
kinderen van een Luiksche moeder waren Luiksche en die van een Brabantsche 
moeder, Brabantsche onderdanen, volgens den regel „partus sequitur ventrem". 

if) Montenaken en Heukelom vroeger behoorende bij Wilré liggen in België. 



Digitized by 



Google 



— 146 — 

Houthem-St. Gerlach. 

Borgharen. 

Itteren. 

Geulle. 

Bunde. 

Ulestraten. 

Beek. 

Bemelen. 

Klimmen. 

Hulsberg. 

Schimmert met het gehucht „de Biest". 

Oud-Valkenberg. 

Schin-op-Geulle. 

Strucht (thans bij de gemeente Schin-op-Geulle). 

Eysden zonder Oost (i) en Breust (*) doch met St. Geertruid, 

toen ook genaamd Eysden op den bergC). 

Berg (thans bij de Gemeente Berg-en-Tcrblijt(*). 

Heer. 

Keer (thans bij de Gemeente Cadier-en-Keer (0). 

Tweebergen (een deel van Maastricht). 

Heerlen. 

Voerendael. 

Nieuwenhagen (thans cene zelfstandige gemeente, behoorde 

toen bij Heerlen). 

1 3. Geheel het Staatsch s* Hertogenrade bestaande uit : 
Gulpen. 

Margraten. 

Holzet- Vaals Vijhlen (thans gemeente Vaals) (Ö). 

14. Geheel het Staatsch Daelhem Q) bestaande uit: 
Cadier (thans bij de gemeente Cadier-en-Keer) (S). 



(1) Zie onder n° 14. 

(') Zie onder n« 25. 

(=*) Zie onder n» 17. 

{*) Zie onder n" Üö. 

(') Zie onder n° 14. 

C) Hieronder behoort het Kerkdorp Lemiers. 

(') Dit wil zeggen zooals het was sinds het tractaat van Fontainebleau. 

(') Zie onder n° 12. 



Digitized by 



Google 



— 147 — . 

Oost (thans bij de gemeente Eysden) (i). 

15. Geheet hei Staatsch Over kwartier van Gelderland. 

Venlo met het fort St. Michiel aan de overzijde der Maas, als 
hoofdstad van het geheele kwartier. 

Echt hoofdstad van het ambt Montfort. 

Maasbracht. 

Roosteren zonder Visschersweert (2). 

Nieuwstadt. 

Montfort. 

Beesel met het kerkdorp Reuver. f ambt 

Belfeld. 

St. Odiliënberg. [ Montfort, 

Posterholt. 

Vlodrop. 

Linne. 

Stevensweert. 

Ohé-en-Laak. ' 

Behalve de in Limburg gelegen Generaliteitslanden behoorden 
daar nog toe in België de zoogenaamde Banken van St. Servaas 
aan den linker oever der Maas (3) nml.: Mechelen met Grimby 
of Daelgrimby, Vlytingen met LaefFelt en Elcht, Hees, Sluysen, 
Koningsheym, Grootloon en Sepperen en de dorpen van redemp- 
tie — dus genaamd omdat zij aan de Staten-Generaal in plaats 
van de gewone belasting jaarlijks eene vaste som tot afkooping 
daarvan voldeden — nml. Mopertingen, Rutten of Russon, Neder- 
heim, Paif of Pain, Hoppertingen, Veulen of Foulogne, Hermal, 
Falais. 

De volgende Rijksvrijheerlijkheden, 

16. Het Graafschap Gronsfeldt bestaande uit: 
Gronsfeldt, hoofdplaats. 

Heugem (thans bij de gemeente Gronsveld). 

Half Eckelrade (thans bij de gemeente Gronsveld). 



(») Zie onder n» 12. 
(^ Zie onder n« 9. 

{*) De Banken van St. Servaas aan den rechter oever van de Maas Heer, Keer 
en Berg waren geêndaveerd in het land van Staatsch Valkenberg. 



Digitized by 



Google 



— 148 — 

17. Eckelrade (thans bij de gemeente St. Geertruid) (i). 

18. Het Graafschap Wittem. 
Wittem Hoofdplaats. 
Mechelen ^ 

Epen / 

Wahlwilre \ ^^"^^ ^Ü de gemeente Wittem. 

Nijswilre ) 

19. Het Graafschap Slenaken, 

20. Eys (thans bij de Gemeente Wittem"). 

21. Rijksvorstendom Thorn, 
Thorn hoofdstad. 
Ittervoort. 

Elle (thans bij de Gemeente Hunsel)(2). 

Stramproy. 

Grathem. 

Baexem. 

22. Poll en PanheeL 

Poll (thans bij de Gemeente Wessem) (^)- 
Panheel (thans bij de Gemeente Hecl-en Panheel). 

23. Heel (thans bij de gemeente Heel-en-Panheel). 

24. Neeritier (4). 

25. Bretist (thans bij de gemeente Eysden) (5). 

26. Terblijt (thans bij de gemeente Berg-en-Terblijt) («). 

27. Elsloo, 

28. Steyn. 

29. Mesch, 

30. Ryckholt. 

31. Wynandsrade. 

32. Wylré, 

33. Cartils (thans bij de gemeente Wittem). 



('; Zie onder n» 12. 
(') Zie onder n«» 1. 
•(•'j Zie onder n° 1. 

(^) Heel en Neeritter waren vrijdorpen van het patrimonium van St. Lambcrtus, 
behoorende aan het kathedraal kapittel van dien naam te Luik. 
(*) Zie onder n^ 12. 

Breust behoorde aan het kapittel van St. Maarten te Luik. 
(*) Zie onder n'» 12. 



Digitized by 



Google 



— 149 — 

34. Rimburg (thans bij de gemeente Ubach-over-Worms) (i). 

35. Liinbricht met Einighausen zonder Guttekoven (*). 

36. Grevenbicht {dat door den Hertog van Gulick echter tot zijn 
land werd gerekend). 



Aan het einde van deze afdeeling meenen wij de navolgende 
opheldering te moeten geven. 

Er waren onder het oud regiem drie soorten gerechten wat de 
willige justitie, overdracht van goederen en de contentieuse 
justitie betreft: 

!<>. de gewone schepenbanken, die over vrije allodiale goederen 
(dat is goederen die niet leengoed of cijnsplichtig waren) recht 
uitoefenden over alle materiën, die niet bepaald aan andere ge- 
rechten waren opgedragen. Deze hadden meestal ook de crimineele 
rechtspraak zonder appel en vormden in de meeste dorpen het 
dtgelijksck bestuur; daarom noemt men de wethouders nog 
schepenen , 

2®. Laat- of cijnshoven, die alleen willige en contentieuse rechts- 
macht hadden voor goederen die cijnsplichtig waren; voor zulke 
hoven werden die goederen overgedragen en twisten tusschen de 
bezitters geslecht. 

Laatgoederen komen in zekeren zin met erfpachtsgoederen 
overeen, in zooverre namelijk dat de houder of bezitter het 
dominium utile (het nuttig gebruik) heeft en de eigenaar de nuda 
possessio; de bezitter of houder betaalde een zekeren cijns, zeer 
gering, meestal ter erkenning van des eigenaars recht, bij 
overgang dier goederen door successie. Betaalde hij de successie- 
rechten, dan kon de nieuwe eigenaar hem niet hinderen. Die 
goederen waren overblijfsels uit den tijd der oude Germanen, 



P) Zie onder n* 3. 

(') Zie onder n« 7. Feitelijk behoorde Limbricht onder Gülick, althans de hertog 
van Gülick beschouwde het zoo, en, blijkens een Keurpaltsche Hofkalender, tijdens 
het drukken van dit werk tot mijn kennis gekomen, had de Heer van Limbricht reeds 
in 1721 voor Limbricht zitting in de ridderschap der Gulicksche Staten-vergadering. 

Deze drie dorpen vormen thans de gemeente Limbricht. 



Digitized by 



Google 



— 150 — 

toen de grond den heer behoorde en zij die ze bebouwden als 
het ware eigendom van dien heer, lijfeigenen waren 5 

3®. Leenhoven die rechtspraak hadden over leengoederen, dat 
is goederen van souvereinen of kleine dynasten, in leen gehouden 
tegen zekere erkenningen. Werden deze voldaan en pleegde de 
leenman geen fellonie of trouweloosheid tegen zijn leenheer, dan 
kon deze hem niet in zijn bezit storen. Het dominium utile had 
de leenman. De leden van zulk een hof waren uit de leenmannen 
gekozen. Dikwijls was de bevoegdheid van een leenhof vereenigd 
met die van hoven van appel van de schepenbanken, die dan 
dikwijls ook het gewone administratieve bestuur van het land in 
handen hadden. 



Digitized by 



Google 



Ib AFDEELING. 



Politieke toestand tijdens de Fransche overheersching. 



Toen de Franschen in 1794 zich meester maakten van het 
grondgebied dat thans de Nederlandsche Provincie Limburg vormt 
werd het bestuur aldaar uitgeoefend, zooals hiervoren is omschreven. 

In Frankrijk zelf bestond de Regeering toen uit eene Nationale 
Conventie met een Comité du Salut Public van tien leden dat 
het uitvoerend bewind in handen had. Deze Regeering bestond 
van 21 September 1792 tot 26 October 1795. 

Reeds in 1792 en 1793 hadden de Franschen de verovering van deze 
gewesten beproefd, nadat zij den 26 April 1792 en den 1 Februari 
1793 aan den Stadhouder der Vereenigde Provinciën en aan den 
koning van Engeland den oorlog hadden verklaard. Gedeeltelijk 
was hun dit gelukt, want na den slag van Jemappesin April 1792 
bezetten zij achtereenvolgens het fort St. Michiel bij Venlo, Weert, 
Roermond, Thorn, Maasbracht, Linne, Vlodrop, Odiliënberg, als- 
ook het ambt Montfort, alwaar zij verbleven tot den 4*° Maart 
1793. Het beleg van de vesting Maastricht, dat duurde van 13 
Februari tot 3 Maart 1793 en gevoerd werd onder generaal Miranda, 
moesten zij echter opgeven, daar zij na den slag bij Aldenhoven 
op 1 Maart 1793 en bij Landen en Neerwinden op 18 en 19 
Maart 1793 gedwongen waren België en de overige veroverde 
landstreken te verlaten. 

In 1794 echter keerden de Franschen terug onder generaal 
Pichegru, wonnen den slag bij Fleurus den 26 Juni 1794 en 
kwamen den 26 Juli te Luik, den 22 September te Aken en den 



Digitized by 



Google 



— 152 — 

24 October te Roermond (i), terwijl zij zich reeds den 22 Juli 
meester maakten van Gulick en in October van het hertogdom 
Kleef en het land van Gelder (2). 

Nadat den 26 October 1794 Venlo (*) door den generaal Laurent 
was ingenomen, viel Maastricht den 3 November 1794 in handen 
der Franschen. Het beleg dezer vesting was einde September 
onder aanvoering van den generaal Kleber begonnen (*). 

Reeds den 21 Fructidor an II (7 September 1794) (5), dus 
vóór dat de Franschen meester waren van België en het land 
van Luik, werd door de Volksvertegenwoordigers, die de Fransche 
legers vergezelden, een arrêté uitgevaardigd, waarbij een groot 
gedeelte van deze beide landen werden ingedeeld. Art. 1 van dat 
arrêté bepaalde, dat het arrondissement Luik zou omvatten al wat 
tot het Luikerland behoorde. Voor wat betreft het grondgebied 
van de tegenwoordige provincie Limburg gold dat arrêté dus 
alleen voor de gemeenten St. Pieter, Breust, Heel en Neeritter (ö}, 
die vroeger deel uitmaakten van het Luikerland. 

Nadat de veroveringen der Franschen door den val van Maas- 
tricht hun volledig beslag hadden gekregen, werd terstond een 
aanvang gemaakt met de voorziening in het bestuur en de politieke 
indeeling der veroverde landen. 

Den 24 Brumaire an III (14 November 1794) vaardigden de 



{}) Dit blijkt uit: a) Kronykje in manuscript der stad Roermond van Sebastiaan 
van Beringen uitgegeven in de PnbUcations du Limbourgy dl. II (1865) p. 879 
door J. Habets; b) een kroniekje van Juffrouw van Elsakker 1760 — 1819 p. 281 ; 
c) kroniek van Pieter Hendrik Schreurs 1794—1799, p. 285; d) uittreksel uit de 
kroniek van den zoldermeester Ramaekers 1781—1802 p. 307. Deze drie laatste 
chroniekjes zijn uitgegeven in de Publicatiotis etc. du Limbourg^ tome V p. 275— 
308 en medegedeeld door Ch. Guillon. 

(^) Lecomte, Mémorial ou journal historique etc. de la révolution de France, 
tome 2 p. 318. 

(•) L. J. E. Keuller, Geschiedenis en beschrijving van Venloo. Venloo J. H. Bontamps 
1843, 8* p. 183 en 307 — 318 (tractaat van overgave naar het origineel in het stads- 
archief te Venlo). 

(^) Zie : Rélation du siége de Maestricht par Ie Général de Brigade du génie de 
Marcscot in Manuscript op het Rijksarchief te Maastricht en uitgegeven in de 
Publications du Limbourg XVI pag. 345 en volg. 

(*) Recueil Hayez I pag. 43 Pasinomie 6 XXXII. 

(•) Heel en Neeritter waren eigenlijk vrijdorpen van het kathedraal kapittel te Luik 
en Breust van het kapittel van St. Maarten aldaar. ..... 



Digitized by 



Google 



— 153 — 

volksvertegenwoordigers N. Hausmann, Frécine en J. Joubert het 
navolgende besluit uit: 

Arrêté du 24 Brumaire an III (14 Novembre 1794) desRepré- 
sentants du peuple (N. Hausmann, Frécine en Joubert) voulant 
or^aniser Tadministration des pays conquis entre la Meuse et Ie 
Rhin et tracer les régies que chacun doit observer (i). 
Section Seconde. 
Administration. 

I. Il y aura une administration centrale a Aix-la-Ghapelle pour 
Ie pays entre la Meuse et Ie Rhin. Sous cette administration il 
en sera formée (sic) sept autres ainsi qu'il suit: 

P a Maestricht, pour Tadministration de la Généralité de Maes- 
tricht (2), pays de Fauquemont, Vaels, Wittem, Wilre, Dahlem 
et Maeseyck, Heerlen et la Gampine Liégeoise; 

2° a Gueldres pour Tadministration de la Gueldres Prussienne 
et Autrichienne, comtés de Moeurs et de Glèves. 

3® a Aix-la-Ghapelle pour Tadministration du duché de Juliers pays 
de Heyden (^) Borcette, ter Gornelis-Munster et Aix-la-Ghapelle; 

4® a Bonn pour Tadministration du pays, de la ville et Télec- 
torat de Gologne; 

5<> a Blankenheim pour l*administration des comtés de Blan- 
kenheim Re(i)iferscheid Manderscheid, Schleiden et autres prin- 
cipautés et seigneuries, qui ne se trouveraient enclavées dans 
aucune autre administration environnant les dits pays. 

6« a Limbourg pour Padministration de tout Ie duché de Lim- 
bourg(4); 

7* a Spa pour l'administration du comté de Franchimont, Spa, 
Looz, Stavelot Malmedy et Ie pays de Liége entre la Meuse et 
rOurte. 



(1) Register der Notulen n^ 1 van de Administratie van het Arrondissement 
Maastricht, fol. 5 verso — 6 recto, 2« sectie der wet Recueil Hayez I, p. 101. 
Pasinomie 6 XLI. 

(^ Met deze Generaiiteit is bedoeld de Vroenhof en de banken van St. Servaas 
op den linker oever der Maas, ook St. Pieter zie p. 155, arrêté van 18 Frimaire 
an III, sub 1". 

(') Hiertoe behoorden de tegenwoordige provincie Limburg, het gehucht Bley er- 
heide onder Kerkrade en het dorp Eygelshoven. 

{^*) Het {judt Hertogdom thans tusschen België (prov. Luik) en Praissen (Rijn- 
piovinde) verdeeld. 



Digitized by 



Google 



— 154 — 

II. Les divisions ou les arrondissements particuliers tels que 
baillages, mairies, cantons et municipalités sont conservés avec 
leurs territoires et jurisdictions, selon leur composition actuelle, 

Den 26 Brumaire an III (16 November 1794) werd door de 
volksrepresentanten te Brussel een arrête uitgevaardigd (i), waarin 
bij art. 7 eene Centrale Administratie te Brussel werd gevestigd 
en bij art. 1 acht Arrondissements-Administratiën werden ingesteld 
van welke de achtste gevestigd te Luik op een gedeelte van de 
tegenwoordige provincie Limburg betrekking heeft, nml. St. Pieter 
en de sedert 1843 tot de gemeenten Eysden en Oud-Vroenhoven 
behoorende gedeelten der gemeenten Lixhe, Lanaye en Canne (Op- 
en Nedercanne). Men ziet dat er tegenstrijdigheid bestond tusschen 
beide hiervorengenoemde arrêtés van 24 en 26 Brumaire, doordat 
over het links van de Maas gelegen gedeelte van het Luikerland, 
op tweeërlei wijze was beschikt (*). Deze tegenstrijdigheid werd 
opgeheven bij arrêté der volksrepresentanten van 27 Brumaire 
an III 17 November 1794 (3) waarbij in art. 1 werd bepaald dat 
de stad Luik met haar gebied en het land van Luik ter linker- 
zijde van de Maas, waaronder St. Pieter behoorde, eene afzonder- 
lijke administratie zouden hebben gevestigd te Luik en dat deze 
zich zou regelen naar hetgeen voor de Belgische Administratie 
op 26 Brumaire was voorgeschreven. 

In art. 2 werd bepaald dat het land van Overmaze (4) en de 
Luiksche Kempen zouden bestuurd worden naar het arrêté van 
24 Brumaire en dys zouden ressorteeren onder de Arrondis- 
sements-Administratie van Maastricht. 

In art. 4 werd bepaald dat de destijds te Luik bestaande Ad- 
ministratie zou worden opgeheven (S) en dat er eene nieuwe 
zoude ingesteld worden, welke opheffing en instelling te Luik den 
14 Primaire an III (4 December 1794) plaats had («). Het blijkt 



(1) Recueil Hayez l p. 107 Pasinomic 6 XLIV. 

(*) Bij het arrêté van 24 Brumaire was St. Pieter gesteld onder de Arrondissements 
Administratie van Maastricht zie noot 2 van de vorige bladzijde. 

(3) Recueil Hayez 1 p 124 Pasinomie 6 XLIX. 

{*) Met het land van Overmaas is bedoeld niet wat gewoonlijk de landen van 
Overmaas genoemd wordt, nml. Valkenberg, s'Hertogenrade en Daelhem, maar het 
land van Horne en Loon. 

(*) Ongetwijfeld die welke den 21 Fructidoran II (7 September 1794) was ingesteld. 

^•) Recueil Hayez I pag. 194. 



Digitized by 



Google 



— 155 -.- 

dat de indeeling van het nieuw veroverd grondgebied in deze 
streken veel voeten in de aarde had en men het er niet over 
eens kon worden. Dit zal zonder twijfel zijn oorzaak gevonden 
hebben in de algeheele onbekendheid der Volksrepresentanten die 
de Fransche legers vergezelden, met den ouden politieken toestand 
van dat grondgebied. Deze Volksrepresentanten toch waren het, 
aan wie de taak dier indeeling was opgedragen, een taak die hun 
vooral op het grondgebied van het voormalig land van Luik en 
dat van de Centrale Administratie te Aken groote moeielijkheden 
moest opleveren, wijl zoovele staten en staatjes déér niet alleen 
aan elkander grensden, maar als op een dambord door elkander 
waren gelegen. 

Met hoeveel onzekerheid de indeeling plaats vond ziet men uit 
de talrijke besluiten die elkander in korten tijd opvolgden. 

Zoo had laatstgenoemd arrêté nauwelijks zijn beslag gekregen 
of het hiernavolgende besluit werd weder uitgevaardigd voor wat 
betreft het arrondissement (ronding) Maastricht. 

Vrijheid. Gelijkheid. 

Te Maestricht den 18 Primaire, het derde jaar der Fransche 
Republiek een en onverdeelbaar. 

(8 December 1794 oude stijl). 

De Representanten van het volk bij de leegers van het Noorden 
en van de Sambre en Maese, willende nadrukkelijker bepaelen de 
Rondinge van de administratie dewelke tot Maestricht is ingesteld. 
Besluiten. 

Dat onder deze administratie zullen begrepen zijn: 

1® De stad van Maastricht en hare generalitijt, daeronder be- 
greepen het dorp St. Pieter. 

2^ Het geheele Land van Valkenborg, hiervoren bekend en 
onder de namen van Oostenrijks en Hollandsch Valkenborg (i). 

S** Het geheele Land van s'Hertogen-Raade hiervooren bekend 
onder dè Namen van Oostenrijks en Hollandsch s'Hertogen- 
Raade (2) uitgenomen de twee plaatsen (voorheen Heerlijkheden) 
Roerdorp en Wels, dewelcke sullen deel maken van de Admi- 
stratie van Aken. 



p) Zie hiervoor pag. 142 n° 2 tn pag. 145 n» 12. 
O Zie hiervoor pag. 142 n» 3 en pag, 146 n° 13. 



Digitized by 



Google 



— 156 — 

4« De Dorpen (voorheen Heerlijkheden) van Elsloo (i) en 
Steyn (2;. 

5^ Het land (voorheen Graafschap) van Horne (^) en de districten 
van Weerth (*), Thorn (ö), Wessem («) en Kessenich C). 

6® De geheele Luycksche Kempen en het (hiervoren onder den 
naam van Graafschap bekende) Land van Loon bestaande in de 
steeden en districten van Tongeren, Bilsen, Borgloon, Hasselt en 
Herck (8). 

7« Het Land van Daalhem (9) sal van de Ronding van Maes- 
tricht afgenoomen en onder de administratie van Li mborggebrogd 
worden. 

(Was geteekend) Joubert, Portier de TOise) (i^). 

Den 14*^" Fructidor an Hl (31 Augustus 1795) werd door het 
comité du Salut Public van de Nationale Conventie, met het oog 
op de aanslaande vereeniging met de Fransche Republiek, en 
ingevolge de bepalingen van de „Constitution" van 5 Fructidor 
an III (22 Augustus 1795), eene nieuwe indeeling gemaakt van 
„Le territoire de la Belgique, pays de Liège et autres pays ad- 
jacens" in negen arrondissementen of departementen, waarbij het 
vijfde arrondissement werd genoemd het departement »de la 
Meuse Inférieure" of der Nedermaas. 

Deze negen departementen werden weder onderverdeeld in kan- 
tons. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat, tot aan de instelling 
der mairies in an VlII, de kantons niet, zooals thans het geval 



Q) Zie hiervoor pjg. 148 n' 27. 

(') Zie hiervoor pag. 148 n» 28. 

(=*) Zie hiervoor pag. 145 sub n» 9. 

(*) Zie hiervoor pag. 142 sub n"» 1. 

(*) Zie hiervoor pag. Il8 n' 21. 

(*; Zie hiervoor pag. 142 sub n** 1. 

(') Zie hiervoor pag. 142 sub n» 1 voor zoover het dorp Hunsel betreft dat deel 
der heerlijkheid Kessenich uitmaakte, Kessenich zelf is Belgisch Limburg. 

(^) Van al de hier sub 6 genoemde landen behoort tot de tegenwoordige provincie 
Limburg slechts Visschers weert thans gevoegd bij de gemeente Roosteren. 

Het Graafschap van Horne, dat als leen deel uitmaakte van het graafsdiap Loon, 
is reeds hiervoor sub 5 ingedeeld, zie verder noot 2 sub 9 pag. 145. 

(•) Zie voor de thans Limburgsche Gemeenten pag. 143, n"» 4 en 14. 

(i<>) Register der notulen I van de Administratie van het Arrondissement Maas- 
tricht, foL 16 verso en 17. 



Digitized by 



Google 



- 167 — 

is, alleen doelden op eene rechterlijke indeeling, maar dat zij ook 
de administratieve indeeling uitmaakten. De kantonale indeeling 
toch strekte om de besturen der gemeenten vast te stellen. Daarbij 
werd rekening gehouden met het aantal inwoners der gemeenten. 
In gemeenten met minder dan 5000 inwoners stond aan het hoofd 
een ^agent municipal bijgestaan door zijn „adjoint". De vereeniging 
van de verschillende agents municipaux in den chef-lieu de canton, 
waaronder zij ressorteerden vormde „la municipalité du canton'*; 
aan het hoofd van deze municipale administratie stond een president, 
die in het geheele kanton werd gekozen. Voor gemeenten met 5000 
tot 100000 inwoners was vastgesteld dat zij op zich zelf eene 
«administration municipale*'vormden, met bepaling dat in gemeenten: 
met 5000 tot 10000 inwoners vijf officiers municipaux zouden zijn; 
met 10000 tot 50000 inwoners zeven officiers municipaux; 
met 50000 tot 100000 inwoners negen officiers municipaux, ter- 
wijl in gemeenten met meer dan 100000 inwoners het bestuur 
verdeeld was over drie administrations municipales ieder van 
zeven leden. 

Daarenboven was in de gemeenten die uit meer dan een muni- 
cipalité bestonden een „bureau central composé de trois membres 
»nommés par Tadministration du département et confirmés par 
»lc pouvoir exécutif pour les objets jugés indivisibles par Ie corps 
Jégislatif'. 

Deze indeeling voor het Departement der Nedermaas, voor 
zoover zij zich uitstrekt over het grondgebied van Limburg, was 
volgens voormeld arrêté van 14 Fructidor an III, als volgt: 

1** Maestricht chef-lieu; 

2« Elmpt qui comprend Elmpt (i), Overkruchten (i), Neder- 
kruchtenÖ)» Wildenraedt (i), Beesel, Swalmen, Asselt, Maesniel, 
Melich, Herkenbosch, Dalenbroek et leurs dépendances; 

3<» Ruremonde; 

4® Haelen, qui comprend Haelen, Horn, Roggel, Neer, Kessel, 
Nunhem, Buggenum, Gratem, Heel, Wessem, Heythuysen, Baexem 
et leurs dépendances; 

5® Venloo, qui comprend Venloo, Tegelen, Belfeld et leurs 
dépendances; 



P) Plaatsen thans in Pruissen gelegen. 



Digitized by 



Google 



— 168 — 

go Weert, qui comprend Weert, Nederweert, Meyel, Thorn, 
Hunsel, Ittervoort, Neeritter, Stamproye et leurs dépendances. 

70 Riempst, qui comprend Riempst (i), Roclenge (i), Bas- 
senge (i), Wonck (i), Eben-Emael (^), Lanaye (i), Montenaken (i), 
Ganne (i), St. Pierre, Veldwezelt (i), Rosmeer (i), Vlytingen (i), 
Wilre, Herderen (i), Genoels-Elderen («), Sichen (i), Millen (i), 
et leurs dépendances; 

8° Terblyt, qui comprend Terblyt, Amby, Keer, Heer, Heugem, 
Gronsfeld, Oost, Eysden, Breust, Marchault (Mesch), Noorbeek, 
Mheer, Maerland, Richolt (Ryckholt), St. Gertrude, Ekkelrade, 
Bruysterbosch, Berg, Huniem CHouthem), Itieren, Meerssenhoven, 
Opbaren, Lumel (Limmel), Wyk et leurs dépendances; 

9® Wittem, qui comprend Wittem, Holset ou Helsart, Vaels, 
Lemiers, Nyswiiler, Bocholtz, Simpelveld, Cartiels, Wilre, Galoppe 
et leurs dépendances; 

10» Rolduc qui comprend Rolduc («), Ubach paroisse (O, 
Alstorf (^), Merksteyn (^\ Scherpenseel (*), Waubach, Ubach-over- 
Worms, Rimbourg, Nieuwenhagen, Scheydt (^), Weiten, Kerk- 
raede, Horbach(2), Orsbach (2;, et leurs dépendances; 

11° Stevensweert, qui comprend Stevensweert, Herten, Odiliën- 
berg, Linne, Maesbracht, Montfort, St. Joost, Echt, Ophoven, 
Posterholt, Walvucht («), Susteren, Roosteren, et leurs dépendances; 

12° Sittard, qui comprend Sittard, Jabeek, Schinveld, Merkel- 
beek, Amstenrade, Brunssum, Oirsbeek, Bingelraede, Schinnen, 
Spauwbeek, Steyn, Urmond, Geleen, Berg, Obbicht, Papenhoven, 
Limbricht; 

13° Fauquemont, qui comprend Fauquemont, Strucht, Vieux- 



(1) Plaatsen thans in België gelegen. 

(') Plaatsen thans in Pruisen gelegen. 

(^ Scheydt is de oude naam van Schaesberg en beteekent eigenlijk heide. Geen 
onderdeel van de gemeente Schaesberg draagt dien naam (Schaesberg). Sinds in 
1623 de Graaf van Schaesberg deze heerlijkheid kocht, die van het gebied der sche- 
penbank Heerlen werd afgescheiden, kreeg deze heerlijkheid allengs den naam van 
den heer en zijn kasteel. Nu dulde de Fransche gelijkheid zulk een naams verwisseling 
niet, want bij wet van 20 — 26 Juni 1790 ~ in België gepubliceerd bij arrêté der 
volksrepresentanten van 17 Brumaire an IV (8 November 1795) werd bepaald: *les 
» villes, bourgs, villages et paroisses, auxquels les ci-devant seigneurs, ont donné leurs 
*noms de familie, sont autorisés d reprendre leurs anciens noms". Wellicht had die 
wet invloed op de herstelling van den naam Scheydt. 



Digitized by 



Google 



— 159 — 

Fauquemont, Dammerscheit, Cuuroken (?), Heerlen, Gorten (?), 
Glimmen, Herk, Hulsberg, Put, Hoensbroek, Vaesraede, Nuth, 
Wynandsraede, Beek, Eisen (Elsloo), Geul, Schinnmert, Gasel, 
Meersen, Bum (Bunde) et leurs dépendances. 

De in de vorenstaande indeeling begrepen plaatsen zijn op 
eenige uitzonderingen na dezelfde, die tot het einde van het Fransch 
bestuur bij het Departement der Nedermaas zijn gebleven. Die 
uitzonderingen bestonden hierin dat Sittard, Limbricht, Melick- 
Herkenbosch, Urmond, Berg (thans bij de gemeente Urmond) en 
de thans Pruissische gemeenten Hinsberg, Wassenberg, Randen- 
raad, Geylenkirchen en Gangelt bij het Departement der Neder- 
maas waren gevoegd, waarbij zij niet behoorden, gelijk wij onder 
meer uit het later te vermelden arrêté van 11 Frimaire an IV 
(2 December 1795) zullen zien. Hét lag niet in de bedoeling van 
de Fransche Republiek om den Koning van Pruissen of den 
Hertog van Gulick — aan wie de bovengenoemde plaatsen had- 
den toebehoord, — door eene gewelddage definitieve aanhechting 
van hunne landen aan het Fransche gemeenebest, te ontstemmen. 
Wat den Koning van Pruissen betreft, kon men over zijne landen 
niet beschikken, daar Frankrijk reeds 5 April 179f> met hem te 
Basel een tractaat had gesloten, waarbij in art. 5, was bepaald: 

„Les iroupes de la République continueront d'occuper la partie 
„des états du Roi, situés sur la rive gauche du Rhin. Toutarran- 
y^gement défiiiitif a Tégard de ces pro vinces, sera renvoyé jusqu'a 
„la pacification générale entre TEmpire germanique et la France. 
Met den Paltzgraaf van den Rijn, als Hertog van Gulick, was 
wel geen verdrag gesloten, doch uit de woorden van het later 
mede te deelen arrêté van 11 Frimaire an IV blijkt dat de 
Franschen geen aanspraak wilden maken op eenig deel van het 
land van Gulick, welk land zij dan ook ongemoeid lieten tot aan 
het tractaat van 24 Augustus 1801, waarbij met machtiging van 
den Duitschen keizer het land van Gulick tegen schadeloosstelling 
aan Frankrijk werd afgestaan. Het is trouwens altijd de politiek 
van Frankrijk geweest om het huis van Oostenrijk te verzwak- 
ken, van bondgenooten te berooven en in het Duitsche Rijk af 
te zonderen, daar Oostenrijk altijd de groote mededinger is 
geweest in het streven naar het politieke overwicht in Europa.. 
De goede verstandhouding met den Koning van Pruissen en den 



Digitized by 



Google 



— 160 — 

Paltzgraaf van den Rijn vond ook daarin zijne oorzaak. Men 
vergete daarbij niet dat wat betreft de vorsten die over Limburg 
regeerden, alleen aan het huis van Oostenrijk, den Stadhouder 
Willem V en den Prins-Bisschop van Luik, als kerkelijk vorst 
de oorlog was verklaard. 

Bij de wet van 9 Vendemaire an IV (1 October 1795), waarvan 
de tekst hierna volgt, werden het land van Luik, Oostenrijksch 
Gelderland, de andere op de linker Rijnoever gelegen Oostenrijk- 
sche bezitingen, de voormalige Generaliteitslanden, die door de 
3ataafsche Republiek bij het verdrag van 16 Mei 1795 te *sGra- 
venhage gesloten, aan de Fransche Republiek waren afgestaan 
en de voren vermelde vrije Rijksheerlijkheden — behalve Greven- 
bicht en Limbricht, die door den Hertog van Gulick, feitelijk 
hoewel ten onrechte tot zijn hertogdom werden gerekend, waarin 
zij waren besloten, — bij die Republiek ingelijfd. Pruissisch 
Gelderland, het land van Cleve en dat van Gulick, welke landen 
niet bij Frankrijk werden ingelijfd, bleven ressorteeren onder de 
Centrale Administratie te Aken (^) tn dus ook die gedeelten van 
het tegenwoordig Nederlandsche Limburg, die onder deze landen 
behoorden. 

De wet nu van 9 Vendemiaire an IV werd den 12«* Vendé- 
miaire van hetzelfde jaar ie Brussel door den volksrepresentant 
Giroust executoir verklaard, waarbij tevens werd gelast dat aan 
elke der betrokken Arrondissements-Administratiën onmiddellijk 
een buitengewoon courrier zouden worden gezonden met eene 
expeditie der wet, ten einde deze te drukken, openbaar te maken 
en met de grootste plechtigheid af te kondigen. 

Zie hier de wet zelve: 

Loi 
sur la réunion de la Belgique et du pays de Liège a la Répu- 
blique Francaise du neuvième jour de Vendemiaire Tan 4 {«) de 
la République Francaise une et indivisible. 



(1) Ingesteld, zooals hiervoor blijkt bij arrêlé van 24 Brimairean 111(14 No v. 1794). 
(>) 1 October 1795. 



Digitized by 



Google 



— 161 — 

La Convention nationale après avoir entendu Ie rapport de son 
comité de Salut Public décrète ce qui suit: 

Art. 1. Les décrets de la Convention nationale des 2 et 4 mars 
et 8 mai 1793, qui ont réuni les pays de Liège, de Stavelot,*de 
Logne et de Malmedy au territoire francais seront exécutés selon 
leurs formes et teneur. 

Art. 2. Seront pareillement exécutés les décrets de la Conven- 
tion nationale des 1, 2, 6, 8, 9, 11, 19 et 23 mars 1793 qui ont 
réuni au territoire francais, Ie Hainaut, Ie Tournesis, Ie pays de 
Namur et la majorité des communes de la Flandre et du Brabant. 

Art. 3. La convention nationale accepte les voeux émis en 1793 
par les communes d'Ypres, Grammont et autres communes de la 
Flandre du Brabant et de la partie ei devant autrichienne de la 
Gueldre, non comprises aux dits décrets pour leur réunion au 
territoire francais. 

Art. 4. Sont pareillement réunis au territoire francais tous les 
autres pays en deca du Rhin, qui étaient avant la guerre actuellc 
sous la domination de TAutriche et ceux qui ont été conservés a 
la république francaise par Ie traite conclu a La Haye Ie 27 
Floréal dernier entre ses plénipotentiaires et ceux de la république 
des Provinces-Unies auquel il n*est dérogé en rien par aucunes 
des dispositions du présent décret. 

Art. 5. Les habitans des pays de Liége, de Stavelot de Logne 
et Malmédy et ceux des communes de la Belgique comprises 
dans les articles 2 et 3 du présent décret jouiront des a présent 
de tous les droits de citoyen francais si d'ailleurs ils ont les 
qualités réquises par la constitution. 

Art. 6. A regard des communes comprises dans l'article 4 ci- 
dessus, les habitans jouiront jusqu'a ce qu'il en ait été autrement 
disposé, de tous les droits garantis par la constitution aux étran- 
gers, qui resident en France ou y possèdent des propriétés. 

Art. 7. Les pays mentionnés dans les 'quatres premiers articles 
du présent décret seront divisés en neuf départemens savoir celui 
de la Dyle, (Bruxelles chef-lieu), celui de TEscaut (Gand chef-lieu), 
celui de la Lys (Bruges chef-lieu), celui de Jemmapes (Mons 
chef-lieu), celui des Forets (Luxembourg chef-lieu), celui de 
Sambre et Meuse (Namur chef-lieu), celui de TOurte (Liège chef- 
lieu), celui de la Meuse inférieure (Maestricht chef-lieu), celui des 
deux Nettes (Anvers chef-lieu). 



Digitized by 



Google 



— 162 — 

Art. 8. Les Représentans du pcuple envoyés dans la Belgique 
sont chargés de déterminer les arrondissemens respectifs de ces 
départemens et de les diviser en cantons a Tinstar des autres 
parties du territoire francais. 

Art. 9. lis nommeront provisoirement les fonctionnaires qui 
devront composer les administrations de départemens; celles de 
cantons et les tribunaux des pays de Limbourg, de Luxembourg, 
de Maestricht, de Venloo et leurs dépendances et de la Flandre 
(ci-devant HoUandaise). 

Art. 10. Le corps légistatif déterminera Ie nombre de représen- 
tans du peuple que chacun des départemens, formés en exécution 
de l'article 7 ci-dessus, devra nommer a Tépoque du renouvelle- 
ment, qui aura lieu Tan 5 de la République. 

Art. 11. Les représentans du peuple envoyés dans la Belgique 
veilleront a la très-prompte rentree des contributions extraordi- 
naires imposées a ces pays et formant leur contingent des frais 
de la guerre de la Liberté. 

Art. 12. Les bureaux de douanes actuellement existans soit 
entre la France et les pays mentionnés dans lesquatre premiers 
articles du présent décret, soit entre les différentes parties de ces 
mêmes pays sont supprimés. 

Ceux qui sont établis entre ces mêmes pays, les Provinccs-Unies 
et les pays non réunis entre Meuse et Rhin demeurent maintenus. 
Visé par le Representant du peuple. Inspecteur 
aux proces verbaux, 
(Signé) Enjubault. 
Collationné a Toriginal par nous président et 
secrétaires de la Convention nationale. 
A Paris le 9 Vendemaire 
an 4 de la République francaise, 
(Signé) P. C. L. Baudin (des Ardennes) président. 
J. P. Philippe Delleville et J. Poisson, sécrétaires. 

Pour copie conforme. 

La Commission des administrations civiles, police 

et rribunaux. Le chargé provisoire, 

(Signé) Aumon. 

Geregistreerd voor het dep. der Nedermaas 13 Vendemaire 

an IV (5 October 1795) n° 1. 



Digitized by 



Google 



— 163 — 

Voor het goede begrip van den inhoud van deze wet vermeenen 
wij de navolgende toelichting te moeten geven. 

Het doel dat de Fransche republikeinen bij hun inval in de 
Zuidelijke of Oostenrijksche Nederlanden, het land van Luik en 
het grondgebied der Zeven Vereenigde Provinciën en de Genera- 
liteitslanden beoogden, was natuurlijk om, gedreven door hunne 
ontembare heerschzucht, het grondgebied hunner republiek te 
vergrooten en ddér de zoo noodige middelen te vinden tot on- 
derhoud hunner kostbare legers. Daarbij kwam, voor wat betreft 
de Oostenrijksche Nederlanden en het Prins-Bisdom Luik, dat zij 
zich wilden ontdoen van de hun vijandelijke naburen den Duit- 
schen Keizer en den Prins Bisschop van Luik, vorst van het 
Duitsche Rijk. 

Voor hun optreden in de gemelde landen konden zij zich als 
voorwendsel bedienen van de omstandigheid, dat de in 1789 uit- 
gewekene Hollandsche, Oostenrijksche en Luiksche patriotten te 
Parijs en later achtereenvolgens eenige gemeenten in Oosten- 
rijksch Gelderland (i) aan de Franschen hadden te kennen gegeven 
dat zij hunne gewapende tusschenkomst verlangden. 

Ten opzichte van het land van Luik (2) blijkt uit art. 1 van 
van voormelde wet van 9 Vendemiaire an IV dat de Franschen 
zich op de verklaringen der uitgewekenen beriepen. 

Bij het in art. 1 aangehaalde decreet toch van 8 Mei 1793 had 
de Nationale Conventie op een adres der Luiksche burgers naar 
Parijs uitgeweken, de vereeniging van het land van Luik met 
Frankrijk aangenomen (3). 



(1) Zie art. 3 van het Besluit van 9 Vendemiaire an IV. 

(*) Waartoe in Nederlandsch Limburg behoorden Breust, Neeritter, Heel en 
Si. Pieten 

(*) Het decreet van vereeniging luidde: 

>Les citoyens de Liège réfugiés i Paris présentent une adresse d la convention; 
»ils demandent au nom de leurs concitoyens la réunion du pays de Liège ia la France. 

>Sur la proposition d'un membre la convention nationale décrète qu'elle 
»accepte la réunion du pays de Liège k la République Fran^iise; renvoie l'adresse 
*et les proces- verbaux déposés sur Ie bureau par les Liègeois, aux comités du salut 
«public et des finances, pour £iire un prompt rapport, et ordonne que l'adresse 
»des Liëgeois sera imprimée, envoyée aux départemens et insérée au bulletin». 

(Journal des Débats n^ 233 p. 110 = Feuilleton n" 219 p. 1). 

CoUection générale des Décrets etc. mois de Mai 1793, ibidem idem p. 72—73. 



Digitized by 



Google 



— 164 — 

Ten opzichte van het Staatsch ovcrkwartier van Gelderland, de 
Staatsche landen van Overmaas, Maastricht (i) en Oudvroenhoven 
waarop doelt art. 4 van gemelde wet, deed de Fransche Regeering 
hare aanspraken gelden ingevolge de artikelen 11 en 12 van het 
vredestractaat den 16 Mei 1795 te s'Gravenhage gesloten (*) met 
de Bataafsche republiek, die de stadhouderlijke regeering was 
opgevolgd (3). 

Ten aanzien van de toeeigening der Oostenrijksche landen 
namelijk: de Oostenrijksche partage der landen van Daelhem, 
s'Hertogenrade en Valkenberg en het üostenrijksch overkwartier 
konden de Franschen geen enkelen grond doen gelden, doch 
desniettegenstaande verklaarden zij bij art. 4 derzelfde wet van 
9 Vendémaire an IV die landen met Frankrijk vereenigd. 



(1) Alleen voor zoover betreft den Hertog van Brabant. De Prins Bisschop van 
Luik werd schadeloos gesteld. 

(') De tekst van het vredestraktaat van 16 Mei 1795 (27 Floréal an III) voor zoover 
betreft hei grondgebied van de tegenwoordige Nederlandsche Provincie Limburg luidde : 

Art. XI. La République Fran^aise restitue pareillemcnt et dès ^ présent, k la 
Képublique des Provinces Unies tout Ie territoire, pays et villes faisant partie, ou 
dépendant des Provinces-Unies sauf les réserves et cxcepiions portées dans les articles 
suivans. 

Art. XII. Sont réserves par Ia République Fran^aise, comme une juste indemnité 
des villes et pays conquis restitués par Tartide precedent: 

1. La Flandre hollandaise, y compris tout Ie territoire qui est sur la rive gauche 
du Hondt. 

2. Mastricht, Venloo et dépendances ainsi que les au tres enclaves et possessions 
des Provinces-Unies situées au sud de Venloo, de l'ün et Tautre cóté de la Meuse. 

(*) De oorzaken der revolutie in de Republiek der Zeven Vereenigde Provinciën, 
die na eene onderdrukking door Pruissen in 1789 eindigde met den val van het 
stadhouderschap en van die republiek waren o. a. misnoegdheid van het volk tegen 
den stadhouder wegens te geringe deelname in de regeering; verwijt aan den stad- 
houdervan Ëngelsch-gezindheid, daar hij den oorlog met Engeland had tegengehou- 
den; ontevredenheid over het teekenen der akte van consulentschap, waarbij Willem V, 
de laatste stadhouder, beloofd had zijn voormaligen voogd, Lodewijk Hertog van 
Brunswijk-Wolfenbuttel, in alles te zullen consulleeren ; verder het verspreiden der 
Fransche revolutionnaire geschriften. 

In Augustus 1794 waren de Franschen reeds in Staats-Vlaanderen (het vaste land 
van Zeeland) en Brabant en 29 Januari te Amsterdam, terwijl de stadhouder inmid- 
dels op \\) Januari naar Engeland was gevlucht. Den 26 Januari werd de Bataafsche 
Republiek officieel te s'Gravenhage gevestigd door de provisioneele vertegenwoordigers, 
afgevaardigden der verschillende steden. 



Digitized by 



Google 



— 165 ~ 

Eerst twee jaren later bij het tractaat van Campo-Formio den 
26 Vendémiaire an VI (17 October 1797) tusschen den Duitschen 
Keizer tevens Koning van Hongarijen en Bohemen en de Fransche 
Republiek gesloten en bekrachtigd bij de wet van 13 Brumaire 
an VI (3 November 1797) (i) werd de afstand dier landen aan 
Frankrijk vastgesteld (2). 

Ten opzichte van de vrije Rijksheerlijkheden, die bij de wet 
van 9 Vendémiaire an IV waren vereenigd met de landen waarin 
zij besloten lagen en van het land van Luik moesten aan de 
oude bezitters, schadeloosstelling worden verleend (3). 

Bij vorenaangehaald tractaat van Campo-Formio was in art. XX 
bepaald dat binnen eene maand na de onderteekening van dat 
tractaat te Rastadt een congres zoude gehouden worden uitslui- 
tend samengesteld uit gevolmachtigden van het Duitsche Rijk en 
van de Fransche Republiek. 

Dit congres had den 1 December 1797 plaats, bij welke gele- 
genheid een geheim tractaat werd gesloten waarin werd bepaald 
„que Tempire sera tenu de donner aux princes héréditaires qui 
„se trouvent dépossédés a la rive gauche du Rhin un dédomma 
„gement qui sera pris dans Ie sein dudit empire". 

De uit te keeren schadeloosstellingen werden echter niet vast- 
gesteld. 

Dientengevolge werden bij de vrede van Luneville tusschen den 
Duitschen Keizer, ook voor het Duitsche Rijk, en de Fransche 
Republiek gesloten den 20 Pluvióse an IX (9 Februari 1801) en 
door de wet van 28 Ventóse daaropvolgende (19 Maart 1801) (*) 

(1) Geregistreerd in het Departement der Nedermaas onder n» 337, 25 Nivóse an VI 
(14 Januari 1798). 

O Art. III van het tractaat van Gimpo Formio luidde: 

Art III. Sa Majesté Tempereur, roi de Hongrie et de Bohème, renonce pour EUe 
et ses successeurs en faveur de la Républiq e Fran^aise k tous ses droits et titres sur 
les ci-devant provinces Belgiques, connues sous Ie nom de Pays-Bas Autrichiens. La 
République Fran^aise possédera ces pays è perpétuité en toute souveraincté et pro- 
priété et avec tous les biens territoriaux qui en dépendent. 

O De in 1794 nog als zoodanig door het Duitsche Rijk erkende vrije Rijks- 
heerlijkheden waren: Gronsveld, Slenaken, Thorn en de twee onder één Heer 
vereenigde vrije Rijksheerlijkheden Wittem en Eys. Wat Me£ch, Breust, Neeritter 
en Heel betreft, die aan geestelijke corporaties behoorden, blijkt niet of het Duitsche 
Rijk ze als zoodanig erkende. 

{*) Bulletin des Lois 76, n° 393, geregistreerd n« 720, 3 Floréal an IX. 



Digitized by 



Google 



— 166 — 

bekrachtigd, op nieuw bepalingem omtrent de uit te keeren schade- 
loosstellingen opgenomen. 

De artikelen die hierop in dat vredesverdrag van toepassing 
zijn luiden: 

„Art. VI. Sa Majesté TEmpereur et Roi, tant en son nom qu'en 
celui de Pempire Germanique consent a ce que la République 
Francaise possède désormais en toute souveraineté et propriété 
les pays et domaines situés a la rive gauche du Rhin et qui fai- 
saient partie de TEmpire Germanique; de maniere qu'en confor- 
mité de ce qui avait été expressément consenti au congres de 
Rastadt par la députation de l'Empire et approuvé par TEmpe- 
reur, Ie thalweg du Rhin soit désormais la limite entre Ia Répu- 
blique Francaise et l'Empire germanique, savoir depuis Tendroit 
oü Ie Rhin quitte Ie territoire helvétique Jusqu'a celui oü il entre 
dans Ie territoire batave. 

Art. VIL Et comme par suite de la cession que fait Tempire 
a la République Francaise plusieurs princes et états de Tempire 
se trouvent particulièrement dépossédés en tout ou en partie tan- 
disque c'est a TEmpire germanique coUectivemenl a supporter l^s 
pertes résultant des stipulations du présent traite, il est convenu 
entre Sa Majesté TEmpéreur et Roi tant en son nom qu'au nom 
de TEmpire Germanique et la République Francaise, qu'en con- 
formité des principes formellement établis au congres de Rastadt, 
l'Empire sera tenu de donner aux princes héréditaires qui se 
trouvent dépossédés a la rive gauche du Rhin, un dédommage- 
ment qui sera pris dans Ie sein du dit Empire suivant les arran- 
gements qui d'après ces bases seront ultérieurement déterminés. 

Art. XVII. Les articles XII, XIII, XV, XVI, XVII et XXIII 
du traite de Campo-Formio sont particulièrement rappelés, pour 
être exécutés suivant leur forme et teneur, comme s'ils étaient 
insérés mot a mot dans Ie présent traite. 

De schadevergoedingen waarvan in art. VII is, werden op den 
Rijksdag te Regensburg definitief vastgesteld en vervolgens door 
den Duitschen Keizer den 25 Februari 1803 en door den Rus- 
sischen en den Franschen gezant, die zooals het heette namens 
hunne respectieve regeeringen „intervention amicale" verleenden, 
den 9 Mei daaropvolgende geratificeerd. 
De schadeloosstelling bestond voor de wereldlijke vorsten in 



Digitized by 



Google 



— 167 - 

grondgebied en lijfrenten en voor de geestelijke vorsten in lijf- 
renten en huisvestingen, terwijl de Prins-Bisschop van Luik met 
20000 gulden werd schadeloosgesteld. 

Wij hebben in de zooeven medegedeelde wet van 9 Vendémiaire 
an IV gezien, dat het grootste gedeelte van het grondgebied van 
Limburg, nml. het arrondissement Maastricht, daarbij definitief 
met Frankrijk was vereenigd, het ressorteerde echter nog altijd 
onder de Centrale Administratie van de landen tusschen Maas en 
Rijn gevestigd te Aken, waaronder het gebracht was bij het hier- 
voor medegedeeld arrêté van 24 Brumaire an III. Hierin nu werd 
eene verandering gebracht door het arrêté van 17 Brumaire an IV 
(8 November 1795); de verandering, dat namelijk de Arrondisse- 
ments-Administratie van Maastricht, evenals die van Limburg zoude 
ophouden af te hangen van de voornoemde Centrale Administratie 
te Aken en zoude gebracht worden onder die te Brussel (i). 

De inleiding, alsmede het artikel hier van belang, laten wij 
volgen [de overige artikelen betreffen verschillende takken van 
administratie]. 

Bruxelles, Ie 17 Brumaire an VI. 

Les Représentans du Peuple, Commissaires du Gouvernements 
dans les pays réunis par la loi du 9 Vendémiaire. 

Informés que TAdministration Centrale du pays, d'entre Meuse 
et Rhin, par une fausse interprétation de Tarrêté du Représentant 
du Peuple Giroust en date du 13 Vendémiaire (2) se croit en 
droit de continuer ses fonctions administratives dans les diverses 
administrations d'arrondissement réunis a la France par la loi du 
9 Vendémiaire et qui auparavant étoient comprises dans Tétendu 
de son ressort. 



0) Deze Administratie had bij arrêté der Volksrepresentanten van l^*" jour complé- 
mentaire an III (17 September 1795) eene bijadrainistratie gekregen genaamd „Ie 
CoDseil de Gouvernement, welke beide Administratien bij arrêté der volksrepresen- 
tanten van 21 Vendémiaire an IV (13 October 1795) werden vereenigd onder den 
naam van Conseil du Gouvernement. 

(*) Het besluit van 13 Vendémiaire an IV, (5 Oct. 1795) bepaalde dat al de ge- 
constitueerde autoriteiten voorloopig hunne functiên zouden blijven voortzetten en 
dat de arrètés der volksrepresentanten betrekkelijk de belastingen enz. zouden uitgevoerd 
blijven worden. — Ree. Hayez III, p. 46, Pasinomie 7, 24. — Reg. aux lois et arrêtés 
ïj 8) en geregistreerd 15 Vend. (7 Oct.) daarop voor het dep. der Nedermaas, N" 3. 



Digitized by 



Google 



— 168 — 

Considérant que eet arrêté n*a été pris que pour maintenir 
Texécution des arrêtés des Représentants du Peuple publiés [a) 
Tarrivée des troupes francaises dans ces différents pays jusqu'a la 
promulgation des lois de la République afin d'éviter Ie boulever- 
sement qu'auroit pu occasionner un changement trop rapide dans 
Ie gouvernement des pays réunis, 

Considérant qu'il importe de ramener vers un centre commun 
toutes les autorités administratives qui font partie du pays réuni, 
afin de les préparer par une impulsion uniforme et graduelle a 
recevoir les lois francaises, 

Oui Ie conseil de Gouvernement, 

Arrêtent ce qui suit. 

Art. I. A la réception du présent arrêté les Administrations 
d'arrondissement de Limbourg, de Spa et Maestricht cesseront 
d'être subordonnées a TAdministration Centrale du pays d'entre 
Meuse et Rhin et correspondront avec lesdits Commissaires et 
Ie Conseil du Gouvernement établi a Bruxelles. 

Art. II enz. 

Dit arrêté was onderteekend, Pères, Portier de TOise, Del- 
cambe (i). 

Inmiddels was de regeering der Fransche Republiek veranderd. 
Zij bestond van 26 October 1795 tot 10 November 1799 uit een 
Corps Législatif, verdeeld in een „Conseil des Anciens" en een 
„Conseil des Cinq Cents". De eerstgenoemde raad koos het 
Directoire Exécutif van vijf leden, dat gelijk de titel aanduidt 
het uitvoerend bewind vormde. 

Wij hebben hiervoor gezien dat in het arrêté van 14 Fructidor 
an III eenige dwalingen waren ingeslopen, doordat enkele gedeel- 
ten van het land van Gulick daarbij waren gebracht onder het 
Departement der Nedermaas. Hierin nu werd door het reeds 
hiervoor aangehaald arrêté der Volksrepresentanten bij de legers 
van het Noorden en van de Sambre en de Maas, Pères en Por- 
tier (de rOise) van 11 Frimaire an IV (2 December 1795) ver- 
betering gebracht. 



'}) Registre des lois et arrêtés I p. 109, geregistreerd voor het departement der 
Nedermaas te Maastricht den 25 Brumaire an IV (16 November 17d5) onder 
n« 19. 



Digitized by 



Google 



— 169 — 

Dit arrêté luidt als volgt: 

Liberté. Egalité. 

Bruxelles Ie 31 Primaire an IV de la République Francaisc 
une et indivisible. 

Les Représentants du peuple prés les armées du Nord et de 
Sambre et Meuse G)mmissaires du Gouvernement dans les pays 
réunis a la République franfaise par la loi du 9 Vendémaire an 4. 

Qui ont examiné les lettres de leur collègue Meynard datées 
d'Aix-la-chapelle Ie 16 Vendémiaire (i) et Ie 4 Primaire (^j de 
mème que celle du Citoyen Effertz membre et Député de TAd- 
ministration d'Aix-la-chapelle et Juliers, en date du 9 de ce mois, 
au sujet de quelques parties du pays de Juliers qui setrouveront 
comprises dans Ie Département de la Meuse-inférieure par la 
division territoriale du 14 fructidor, 

Considérant que la division des nouveaux Départements a été 
faite avant Ie décret de réunion, ne concerne aucune partie du 
pays de Juliers. 

Déclarant que toutes les communes, baillages et d'autres pays 
qui ne sont point comprises dans Ie susdit décret de réunion ne 
font point partie du Département de la Meuse-inférieure mais 
reste (sic) du ressort de l'Administration Centrale d'Aix-la-chapelle. 

G>pie de la présente déclaration sera envoyée a l'Administra- 
tion Centrale d'Aix-la chapelle, de même qu'a celle du Départe- 
ment de la Meuse-inférieure, qui aura soin de faire mention dans 
Ie travail qu'elle doit sans délai transmettre aux Représentans du 
peuple sur la division du territoire des pays réunis, approuvée 
par Ie Comité de Salut Public des endroits que son ressort ne 
doit point embrasser en vertu de la présente déclaration. 

(Signé Perès et Portiez (de l'Oise) (3). 

Na dit arrêté komen wij tot eene nieuwe kantonnale indeeling, 
die een uitvloeisel was van art. 8 der meergemelde wet van 9 
Vendémiaire an IV waarbij aan de Volksrepresentanten wasopge- 



p) 8 Octobcr 1795. 

O 25 November 1795. 

O Geregistreerd in het departement der Nedermaas te Maastricht onder N« 55 den 
14 Primaire an IV (5 Dec. 1795) en overgeschreven in Registre aux lois et arrêtés 
(du gouvernement fran^is I; fol. 268 recto — 269 recto; Recueil Hayez IV p. 217; 
Pasinomie 7 XLIX. 

12 



Digitized by 



Google 



— 170 — 

dragen de arrondissementsverdeeling der negen nieuw aangehechte 
Departementen vast te stellen en in dertig kantons te verdeelen, 
zooals die verdeeling in het overige gedeelte van Frankrijk bestond. 

Deze indeeling geschiedde door de Administratie van het Depar- 
tement der Nedermaas (i) [aan wie de volksrepresentanten bij 
schrijven van 21 Brumaire an IV (12 November 1795), dezen 
last hadden overgedragen] bij arrêté van 19 Nivóse an IV (9 
Januari 1796). 

Wat de tegenwoordige provincie Limburg betreft, was deze 
indeeling als volgt: 

1« Maestricht et Ie quartier de Wyk, central et chef-lieu; 

2** Eysden, chef-lieu, qui comprend: Eysden, Oost, Ryckholt, 
Gronsveld, Heugem, Cadier, Ekkelraede, S'*' Gertruyd, Herken- 
rade, Mesch, Mehr, Noorbeek et leurs dépendances; 

3** Meerssen, chef-lieu, qui comprend: Meerssen et Limmel, 
Amby, Bemelen, Heer et Keer, Borghaeren, Itteren et Meerssen- 
hoven, Ulestraeten, Bunde, Geul, Beek, Elsloo, Steyn et leurs 
dépendances; 

4** Fauquemont, chef-lieu, qui comprend: Fauquemont ville, 
Houthem, Berg, Terbleyt, Vieux-Fauquemont, Schin sur la Geul, 
Strucht, Schimmert, Hulsberg, Klimmen, Voerendael, Heerlen, 
Scheyd et Schaesberg et leurs dépendances. 

5** Wittem, chef-lieu, qui comprend: Wittem, Vaels, Galoppe, 
Margraten, Slenaken, Wilder et Cartils, Eys, Wahlwilder, Mechelen, 
Epen, Holzet, Vylen et leurs dépendances; 

6® Rolduc, chef-lieu, qui comprend: Rolduc ville (*), Simpel- 
veld, Bocholtz, Kerkraede, Merksteyn(^), Alsdorp(*), Roerdorp (*), 
Wels(*), Rimbourg, Ubach (*), Ubach over Worms, et leurs 
dépendances; 

1^ Oirsbeek, chef-lieu, qui comprend: Oirsbeek, Amstenraede, 
Merkelbeek, Bingelraede, Geleen, Spaubeek, Schinnen, Nuth, 
Vaesraede, Wynandraede, Hoensbroek, Brunssum, Schinveld, 
Jabeek et leurs dépendances; 



(1) Toen, blijkens de onderteekening van het arrêté bestaande uit: van de Wardt, 
President, Picquery, de Haynin, Frisse en J. M, Reyntjens, Secretaris. 
{') Plaatsen thans in Pruissen gelegen. 



Digitized by 



Google 



— 171 ^ 

8<> Stevensweert, chef-lieu, qui comprend: Stevensweert, Echt, 
Ohe et Laak, Maesbragt, Posterholt, Montfort, Roosteren, Nieuw- 
stad, ville, Opbigt, Papenhoven et leurs dépendances; 

9** Ruremonde, chef-lieu, qui comprend: Ruremonde, Swalmen, 
Maesniel, Merum, Linne, Ste.-Odiliënberg, Vlodrop et leurs 
dépendances ; 

lO Venloo, chef-lieu, qui comprend ; Venloo, ville, Belfeld, Besel 
et leurs dépendances; 

11<> Heythuysen, chef-lieu, qui comprend: Heythuysen, .Haelen, 
Grathem, Baexem, Hunsel, Pol et Panheel, Heel, Beegden, Horne, 
Nunheim, Buggenum, Roggel, Neer, Meyell et leurs dépendances; 

12© Weert, chef-lieu, qui comprend: Weert, ville, Nederweert, 
Stamproy, et leurs dépendances; 

13« Maeseyk, chef-lieu, qui comprend: Maeseyck ville (i), Kes- 
senich (1), Ittervoort, Ophoven(i), Alden-Eyck (i), Heppenert(i), 
Eelen (i), Rothem (i), Dilsen (i), üpoeteren (i), Neeroeteren(i), 
Wessem, Neeritter, Thorn et leurs dependances. 

14» Millen, chef-lieu, qui comprend: Millen (i), Riempst (i), 
Roclenge (i), Bassenge (i), Wonk-Eben (i), Lanaye (i), Bolrée (i), 
Eymael (i), Montenaken (i), Canne (i), St. Pierre, Veldwezelt (i), 
Rosmeer (i), Vleytingen (i), Wilder, Herderen (i), Genoels-Elde- 
ren (i), Sichen (i) et leurs dépendances. 

Dit arrêté was onderteekend: 

Van de Wardt, President, Picquery, de Haynin Prisse, Admi- 
nistrateurs, Reintjens, Secretaris (*). 

In dit besluit werd weldra eene wijziging gebracht. 

Een nieuw kanton, dat van Heerlen, werd namelijk gevormd 
door afscheiding van de gemeenten Heerle*n, Voerendaal, Nieuwen- 
hagen en Schaesberg van het kanton Valkenberg. Dit geschiedde 
bij arrêté der Volksrepresentanten van 13 Ventóse an IV (3 Maart 
1796). 

Het opvolgend besluit met betrekking tot ons onderwerp van 
23 Ventose an V (13 Maart 1797) waarbij het arrêté van 14Fruc- 
tidor an III, hiervoor vermeld, voorloopig werd bekrachtigd, laten 
wij hier volgen: 



{}) Plaatsen thans in België gelegen. 

(^ Gedrukt in: Almanach du Departement de la Meuse Inférieure pour Tannée 
1797 an 4 Rep. Maestricht. Th. Nypels 1797. 18°. 



Digitized by 



Google 



— 172 — 

Au nóm de la Républiquc Francaise, 

Loi qui maintient la division provisoire (i) de la ci-devant Bel- 
giijue en Départemens et cantons du 23 Ventose an V de la 
République Francaise une et indivisible. 

Le Conseil des anciens adoptant les motifs de déclaration d'ur- 
gence qui précède la Résolntion ci-après, approuve Pacte d'urgence. 

Suit la teneur de la déclaration d'urgence et de la résolution 
du vingt-trois Ventose an 5. 

Le Cönseil des cinq cents, considérant que rieh de ce qui 
regarde les assemblees primaires (^) ne peut souffrir de délai. 

Déclare qu'il y a urgence. 

L'urgence déclaré le Conseil prend la résolution suivante: 

Art. 1. La division en départemens et en cantons de la ci-devant 
Belgique, fixée par un arrêté du comité de salut public du qua- 
torze Fructidor an trois est provisoirement maintenue. 

Art. 2. La présente résolution sera imprimée, 

Signés : P. A. Laloy président, Desmolin, CoUombel (de la 
Meurthe), Bacheloz, Houriez, Esloy, secrétaires. 

Après une seconde lecture, le Conseil des anciens approuve la 
Résolution ci-dessus. 



(1) Wij wijzen hier op het merkwaardige verschil tusschen de benaming der wet 
en de resolutie daarvan. In den aanvang wordt gesproken van «eene voorloopige 
indeeling te behouden» terwijl de wet bepaalt dat de bestaande indeeling voorloo- 
pig zal worden behouden. 

(») De hoofdbepalingen opgenomen in de constitutie betrekkelijk deze c assemblees 
primaires» luiden: * 

Art. 17. »Les assemblees primaires se composent des citoyens domicilies dans 
»le même canton». 

Art 19. *I1 y au moins une assemblee primaire par canton. 

Art. 26, »Les assemblees primaires se réu nissent: 

»lo pour accepter ou rejeter les changements i Tacte constitutionnel propósés 
»par les assemblees de rivision; 

»'2f pour faire les élections qui leur appartiennent suivant Tacte constitutionnel». 

Art. 27. »Elles s'assemblent de plein droit lè premier germinal de chaque année, 
»et procèdent, selon qu'il y a lieu, è la nomination, 

»lo des membres de Tassemblée electorale; 

»2<> dn juge de paix et de ses assesseurs; 

»3^ du président de l'administration municipale du canton, ou des officiers mu- 
nicipaux dans les communes au-dessus de 5000 habitans». 



Digitized by 



Google 



— 173 — 

Du vingt trois Ventose an cinq de la République Francaise. 

Signé Poullain-Grandprey Président, Castillion, Jevardat, Tom- 
belle, Richou, secrétaires. 

Le Directoire Exécutif ordonne que la loi ci-dessus sera publiée 
exécutée et qu'elle sera munie du sceau de la République. 

Fait au palais national du Directoire Exécutif le vingt quatre 
Ventose an cinq de la République Francaise une et indivisible. 

Pour expédition conforme le président du Directoire Exécutif 
signé Reubell. Par le Directoire Exécutif, le Secrétaire gènéral 
(signé) Lagarde. 

Certifié Conforme. 
Le Ministre de la justice 
Signé Merlin. (^) 

Hoe het mogelijk is om deze laatste wet te doen passen in de 
aaneenschakeling van wetten en besluiten, die moeten dienen tot 
de vaststelling, regeling en verdeeling van het grondgebied van 
het Departement der Nedermaas verklaren wij niet te begrijpen. 
De wet van 14 Fructidor an III toch, die hier voorloopig wordt 
gehandhaafd om tot grondslag te strekken van al hetgeen betreft 
de „assemblees primaires" die kantonsgewijze verzamelden, was 
1® reeds gewijzigd en verbeterd door het arrêté van 11 Frumaire 
an IV, 2* vervangen door het arrêté van 19 Nivóse an IV, waarbij 
ter voldoening aan art. 8 der wet van 9 Vendemiaire an IV een 
nieuwe kantonnale indeeling was tot stand gebracht. 

Tot in het jaar 1800 werden geene wetten of besluiten uitge- 
vaardigd met betrekking tot den staatkundigen toestand van ons 
gewest. De coup d'Etat van Napoleon op den 18 Brumaire an VIII, 
waardoor hij, na de vergadering der Cinq Cents met de bajonnet 
te hebben uiteengedreven, meester werd van den toestand der 
Republiek, eerst als consul provisoire met Syèyes en Roger 
Ducos (2), een maand daarna bij artikel 39 der constitutie van 
22 Frumaire an VIII (13 December 1799) (') als eerste consul 
benoemd voor tien jaren en onbepaaldelijk herkiesbaar met cam- 



(1) Geregistreerd voor het Departement der Nedermaas 15 Germinal an V 
(4 Maart 1797) nO iJ62, 2 Bulletin des Lois n« 112, der wet 1066. 

(2) 21 Brumaire an VIII (10 November 1799). 
O Geproclameerd 24 December 1799. 



Digitized by 



Google 



— 174 — 

bacères als 2^^ en Lebrun (i) als 3*** consul, deed weldra zijn 
invloed gelden op de regeering en organisatie der Republiek (*). 
De wet van 28 Pluvióse an VIII (17 Februari 1800), die er een 
uitvloeisel van was, bracht in het bestuur en in de indeeling der 
departementen en der gemeenten eene volmaakte verandering, 
door het veelhoofdig bestuur althans feitelijk te vervangen door 
eene eenhoofdige administratie. In art. 1 dier wet werd de Repu- 
bliek in Departementen en elk departement in „arrondissemens 
communaux" verdeeld. 

Art. 2 stelde in elk departement aan een préfet, ter zijde 
gestaan door een conseil de prefecture alsmede een conseil géné- 
ral du département. Voor het departement de la Meuse-Inférieure 
was bepaald dat de conseil de préfecture zoude bestaan uit drie 
en de conseil général uit zestien leden. 

Art. 3 belast den Préfet alleen met de administratie van het 
departement (S). 

Art. 8 bepaalt dat in elk arrondissement communal een sous- 
préfet zal zijn en een conseil d'arrondissement van elf leden, 
terwijl art. 11 vaststelt dat in het arrondissement waarin de 
hoofdstad lag geen sous-préfet zoude zijn (*). 

Art. 12 bepaalt dat in de steden, vlekken en andere plaatsen 
waar een agent municipal en adjoint bestonden en waar niet meer 
dan 2500 inwoners gevestigd waren, een maire en adjoint zoude 
zijn; in die van 2500 tot 5000, een maire en twee adjoints, in 
die van 5000 tot 10000 een maire en twee adjoints en een com- 
missaris van politie, in die van meer dan lOOiX), behalve een 



(1) Le Brun was ditmaal slechts voor vijf jaren benoemd. 

O Wij stippen hier aan dat Napoleon, na reeds 8 Mei 1802 voor tien jaren op 
nieuw tot eerste consul en 8 Augustus van hetzelfde jaar tot consul voor het leven 
te zijn gekozen, den 18 Mei 1804 tot Keizer werd uitgeroepen. 

Den 11 April 1814 volgde de abdicatie van Napoleon en den 12 April de intrede 
van Lodewijk XVIII te Parijs als Koning van Frankrijk, wiens Koningrijk stand 
hield tot den 10 Maart 1814. Van deze dagteekening tot den 22 Juni 1815 heerschte 
Napoleon weder in zijn >Règne des cent jours" en den 8 Juli 1815 begon het 
2® koningrijk van Lodewijk XVIII. 

(8) Préfet zijn achtereenvolgens geweest J. H. Becays-Ferrand, benoemd 8 April 
1800, P. Loysel, benoemd 2 November 1801 en Roggieri, benoemd 31 Januari 1806. 

(*) Van 1811 tot 1814 vinden wij echter te Maastricht den auditeur-sous- préfet 
de Rhoer, dien wij later als distr iets commissaris van Maastricht zullen aantreffen. 



Digitized by 



Google 



^ 175 - 

maire, twee adjoints en een commissaris van politie, tevens één 
adjoint per twintig duizend inwoners meer en tevens één com- 
missaris van politie voor elke tienduizend inwoners meer. 

Art. 13 bepaalt dat de maires en adjoints zouden verrichten 
de administratieve functién tot dantoe door den agent municipal 
en zijn adjoint uitgeoefend en wat de politie en „état-civil" betreft, 
de functies tot dan toe uitgeoefend door de administration mu- 
nicipale de canton, de agents municipaux en adjoints. 

Art. 15. Stelt een conseil municipal in voor elke stad, vlek of 
andere plaats, waar een agent municipal en adjoint werd gevon- 
den; het getal leden van dezen raad werd bepaald op tien voor 
plaatsen van niet meer dan 2500 inwoners op twintig van niet 
meer dan 5000 inwoners; op dertig voor plaatsen waar meer 
inwoners waren. 

Door dit laatste artikel werden derhalve opgeheven de „muni- 
cipalités de canton*' zoodat na 28 Pluvióse an VIII de kantonnale 
indeeling geen invloed meer had op den polilieken toestand en 
door deze wet de administratieve indeeling in kantons kwam te 
vervallen. Ingevolge deze wet werd bij arrêté der consuls van 17 
Ventóse an VIII (8 Maart 1800) onder anderen voor het depar- 
tement der Nedermaas aangewezen als chef-lieu de préfecture 
Maastricht en als chefs-lieux de sous-préfecture Hasselt en 
Roermond. 

De Préfet had dus onmiddelijk onder zich het „arrondissement 
communaP Maastricht met het grondgebied dat werd uitgemaakt 
door de gemeenten der kantons, Maastricht, Eysden, Meerssen, 
Valkenburg, Wittem, Rolduc, Oirsbeek, Millen en Heerlen (^). 

De sous-préfet van Roermond het grondgebied, dat werd uit- 
gemaakt door de gemeenten der kantons: Roermond, Venlo, Echt 
(voorheen Stevensweert), Maeseyck, Heythuizen en Weert ('). 

Dit is de laatste wet, die betrekking heeft op de algemeene 
politieke indeeling van het departement der Nedermaas. 

De besluiten die betrekking hebben op afzonderlijke gemeenten 
en de veranderingen daardoor in hun grondgebied aangebracht 
vermelden wij hierna. 



(1) Alsmede buiten onze provincie, in Telgië, Tongeren, Bilsen en Asch. 

i^ Ahmede buiten onze provincie Nedercruchten in Pruissen, Bree en Acbel in België. 



Digitized by 



Google 



— 176 — 

Wij laten hier volgen eene lijst van die gemeenten van het 
departement der Nedermaas, die thans deel uitmaken van Neder- 
landsch Limburg, zooals zij worden genoemd in het arrété der 
consuls van 19 Ventóse an X (9 Januari 1802) welk arrêté was 
gevolgd door een verbeterend arrêté van 25 Ventóse (16 Maart) 
daaropvolgend, bij welke beide besluiten, met het oog alleen op 
de rechterlijke indeeling^ de verdeeling in kantons plaats vond 
en onder elk kanton de daarbij behoorende gemeenten werden 
gebracht (i). 



Amby 

Beegden 

Belfeld 

Bocholtz 

Brunssum 

Cadier 

Eysden 

GeuUe 

Gulpen 

Heer en Keer 

Heythuijsen 

Houthem 

Ittteren 

Kerkrade 

Maasbracht 

Margraten 

Mesch 

Montfort 

Neeritter 

Noorbeek 

Obbicht-en-Papenhoven 

Oirsbeek 

St. Pieter 



Amstenrade — 

Beek — 
Berg-en-Terblijt — 

Borgharen — 

Buggenum — 

Echt — 

Elsloo — 

Grathem — 

Haelen — 

Heerlen — 

H oensbroek — 

Hulsberg — 

Itteren — 

Klimmen — 

Maastricht — 

Meerssen — 

Meijel — 

Nederweert — 

Nieuwenhagen — 

Nunhem — 

St. Odiliënberg — 

Oost — 

Pol 1-en-Pan heel — 



Baexem 

Beesel 

Bingel rade 

Breust 

Bunde 

Eygelshoven 

Gel een 

Cronsveldt 

Heel 

Herten 

Horn 

Hunsel 

Jabeek 

Linne 

Maasniel 

Merkelbeek 

Mheer 

Neer 

Nieuwstadt 

Nuth 

Ohé-en-Laak 

Üud-Valkenburg 

Posterholt 



(1) De reden waarom wij de gemeenten opgeven zooals zij in de hiervermelde 
besluiten zijn opgenomen, is dat die gemeenteft hier voor het eerst voorkomen, 
zooals zij, behoudens de hierna te vermelden wijzigingen in hun grondgebied, tot 
het eind van het Fransch Bestuur zijn gebleven. 

De vermelding der kantons laten wij achterwege omdat de kantonnale indeeling 
hier van zuiver rechterlijken aard is. 



Digitized by 



Google 



— 177 — 



Roggel 

Schaesberg 

Schin-op-Geul 

Slenaken 

Stevensweert 

Swalmen 

Ulestraten 

Valkenberg 

Voerendaal 

Wessem 

Wynandsrade 



Rimburg — Roermond — 

Roosteren — Ryckholt — 

Schimmert — Schinnen — 

Schinveld — Simpelveld — 

Spaubeek — Stramproy — 

Steyn — Strucht — 

Thorn — Ubach-o ver- Worms — 

Vaals — Vaesrade — 

Venlo — Vlodrop — 

Vroenhoven — Weert — 

Wittem — Wylre — 

Het komt mij van belang voor hier aan te geven welke ver- 
anderingen in de samenstelling van het grondgebied van gemeenten 

zijn aangebracht, zoowel tijdens als sedert het einde van het 

Fransch Bestuur. 

Amby. Vroeger bestond deze gemeente alleen uit het dorp van 
dien naam. Tijdens het Fransch bestuur is een gedeelte van 
het buiten territoir van Maastricht, waarin het noordelijk 
gedeelte van het gehucht Scharn ligt aan haar toegevoegd 
geworden. 

Beegden. Bij arrêté van den Préfet der Neder-Maas van 13 October 
1813 is een gedeelte dezer gemeente, waarin de pachthoeve 
Hateboer ligt, aan Roermond overgegaan, waartegen een 
gedeelte van deze laatste gemeente liggende op den linker 
Maasoever tegen over Ooi en onder de gemeente Herten bij 
Beegden is gevoegd. 

Belfeld. Bij de grensscheiding met Pruissen in 1817 is een ge- 
deelte der gemeente Kaldenkirchen, namelijk de buurtschap 
Molbeek bij deze gemeente gevoegd. 

Berg en Terblijt. Deze gemeente is in den aanvang van het Fransch 
bestuur gevormd uit de gemeenten Terblijt en Berg. Deze 
laatste, die eene heerlijkheid, eene der Banken van St. Servaas 
was, bestond uit het dorp Berg en de gehuchten Geulem, 
Vilt en Valkenburger Poort. 

De gemeente Berg en Terblijt komt als zoodanig het eerst 
voor den 11 Fructidor an Vlll (29 Augustus 1800) in den 
2dcn Indicateur der Préfecture n^ 1400. 

Uit het arrêté van 22 Messidor an VII (10 Juli 1799) van 



Digitized by 



Google 



— 178 — 

de Centrale Administratie, waarbij de grensscheiding tusschen 
de gemeenten Berg en Valkenburg is vastgesteld blijkt, dat 
op dien datum de vereeniging der dorpen Berg en Terblijt 
nog niet had plaats gehad. 

Bocholtz. Bij deze gemeente werd bij de grensscheiding met 
Pruissen in 1817 een deel van Richterich gevoegd, dat toen 
tot de Pruissische Rijnprovincie behoorde, te voren onder 
het Fransch bestuur deel had uitgemaakt van het Roer- 
departement en daarvoor van de heerlijkheid Terheiden in 
het Hertogdom Gulick. 

Breust. Het grondgebied dezer gemeente die voorheen eene Rijks- 
heerlijkheid was, lag zoodanig met dat van de gemeente 
Eysden door elkander dat niet op te maken was wat tot de 
eene, wat tot de andere gemeente behoorde. Daarenboven 
lagen de gemeente Oost en eenige kleine gedeelten van de 
thans Belgische gemeente Mouland (Moelingen) in dit door- 
eenliggend grondgebied geenclaveerd. 

Bij arrêté van den Prefet van de Nedermaas van 24 Juni 
1807 zijn die gedeelten van Moelingen van die gemeente 
afgescheiden en bij Breust en Eysden gevoegd. 

Bij de wet van 21 December 1827 zijn weder vier kleine 
gedeelten van Moelingen afgesneden en bij deze twee ge- 
meenten gevoegd. 

Bij K. B. van 6 Maart 1828 zijn deze gemeente en die van 
Eysden en Oost opgeheven en uit het gezamenlijk grondge- 
bied daarvan gevormd de gemeenten Eysden (met de ge- 
huchten Breust en Oost) en St. Geertruid. Krachtens de tracta- 
ten van Londen van 19 April 1839 en het grenstractaat 
tusschen Nederland en België op 8 Augustus 1843 gesloten, 
werd bij K. B. van 20 Maart 1844 een gedeelte der thans 
Belgische gemeenten Lixhe en Lanaye bij Eysden gevoegd. 

Gadier. Bij K. B. van 5 Augustus 1828 is deze gemeente opge- 
heven en uit haar grondgebied, vereenigd met het dorp Keer 
uit de opgeheven gemeente Heer-en-Keer en een gedeelte 
van het gehucht St. Antoniusbank, de tegenwoordige gemeente 
Gadier en Keer gevormd. — De St. Antoniusbank was eene 
grondheerlijkheid toebehoorende aan de kanunniken van 
St. Antonius te Maastricht. 



Digitized by 



Google 



— 179 — 

Eygelshoven. Deze gemeente, die in dit arrêté voor het eerst 
voorkomt, maakte voorheen deel uit van de heerlijkheid 
Terheiden in het Hertogdom Gulick. Zij had dus ingevolge 
de bepalingen van het hiervoor gemeld arrêté van 11 Pri- 
maire an IV niet onder het Departement der Nedermaas 
moeten gebracht worden. De Gommissaire du Gouvernement 
te Brussel, Boutteville, had echter bij arrêté van 27 Primaire 
an V (17 December 1796) bepaalt: „la commune d'Eygels- 
hoven demeurera attachée et réunie au canton de Rolduc"; 
als reden werd opgegeven dat deze gemeente van alle zijden 
in dit kanton was geëuclaveerd (i). 

Eysden. Zie de aanteekening bij Breust. 

Elsloo. In 1813 is de Kleine Meers van deze gemeente afgeschei- 
den en bij Stein gevoegd. 

Bij de Belgische Wet van 13 Juni 1836 is het weder van 
Stein afgescheiden en aan Elsloo teruggegeven. , 

Bij Koninklijk Besluit van 26 Januari 1840 is de grens 
met Stein nader geregeld. 

Geulle. Krachtens de tractaten van Londen van 19 April 1839 
werd bij Koninklijk Besluit van 15 Mei 1841 een gedeelte 
van de Belgische gemeente Boorsheim genaamd ,.de Middel- 
grind" bij deze gemeente gevoegd. ! 

Deze bijvoeging opgenomen in het grenstractaat van 8 
Augustus 1843 werd bevestigd bij K. B. van 20 Maart 1844. 

Grathem. Bij Koninklijk Besluit van 29 Juli 1818 werden bij deze ' 

gemeente gevoegd de gehuchten Ooider en Keipen, die in 
deze gemeente geënclaveerd lagen, alsmede een klein gedeelte i 

der gehuchten Hontem en Katert, al welk grondgebied was 
afgescheiden van de gemeente Wessem. I 

Ook kwam daarbij een klein gedeelte van Pol uit de op- j 

geheven gemeente Pol-en-Panheel. 

Gronsveld. In den aanvang van het Pransch Bestuur zijn de 
dorpen Gronsveld Eckelrade en Heugem vereenigd onderden 
naam van Gronsveld, zooals die gemeente thans nog bestaat. 

Gulpen. Bij arrêtés van den Prefect der Nedermaas van 8 Maart 



0) Régistre auz lois et arrêtés V folio 112; geregistreerd voor het departement 
der Nedermaas 29 Primaire an V (19 December 1796) n« 231. 



Digitized by 



Google 



— 180 — 

en 12 Augustus 1806 werd de grens tusschen deze gemeente 
en die van Wittem langs de Geul geregeld en de pachthoeve 
Rood Gartiels met bijbehoorende gronden en nog een meer 
oostwaarts gelegen stuk van Gulpen afgescheiden en bij 
Wittem gevoegd. 

Bi) K. B. van 15 Mei 1841 werd van Gulpen afgescheiden 
en bij Wittem gevoegd de gronden begrensd ten Westen en 
Noorden door de rivier de Geul, de beek genaamd de Eys 
en de gemeente Wijl re, waartegen van Wittem afgescheiden 
en bij Gulpen gevoegd werden de pachthoeve Hommerich 
en eenige stukken grond aan den linker oever van de Geul. 

Heel. Deze gemeente is bij het Reglement voor het bettuur ten 
platten lande van Limburg van 14 Februari 1818 (i) opge- 
heven en uit haar grondgebied met Panheel — uit de opge- 
heven gemeente Poll en Panheel — en het grootste gedeelte 
der van de gemeente Wessem afgescheiden gehuchten Hontem 
en Katert werd bij K. B. van 29 Juli 1818 de tegenwoordige 
gemeente Heel en Panheel gevormd. 

Heer-en-Keer. In den aanvang van het Fransch bestuur werd 
deze gemeente gevormd uit de dorpen Heer, Keer en een 
gedeelte van het buitenterritoir van Maastricht. Bij K. B. 
van 5 Augustus 1828 werd deze gemeente opgeheven en uit 
haar grondgebied gevormd de tegenwoordige gemeente Heer 
na afscheiding van het dorp Keer. 

Heerlen. In den aanvang van het Fransch bestuur is Nieuwen- 
hagen van Heerlen afgescheiden en tot eene afzonderlijke 
gemeente gevormd. Het overgebleven gedeelte maakt de 
tegenwoordige gemeente Heerlen uit. 

Hoensbroek. Bij Koninklijk Besluit van 6 Februari 1823 is een 
gedeelte van deze gemeente afgenomen en bij de gemeente 
Nuth en Vaesrade gevoegd, die bij Koninklijk Besluit van 
26 Juni 1821 was gevormd uit de voormalige gemeenten 
Nuth en Vaesrade, die vroeger niet aan elkander grensden 
maar door het aangevoegde gedeelte van Hoensbroek ver- 
bonden waren. 

Hunsel. Bij deze gemeente is ingelijfd een van de gemeente Itter- 



(1) Administratief Memoriaal voor Limburg 1818 N. 28tois. 



Digitized by 



Google 



— 181 — 

Voort afgescheiden gedeelte waarin het gehucht Eli lag. Bij 
tractaat tusschen Nederland en België den 5 November 1842 
gesloten werd het gehucht Groot Beersel van Hunsel afge- 
scheiden en aan België afgestaan. Den 12 April 1845 werd 
dit gehucht met andere gronden vereenigd en daaruit de 
gemeente Molenbeersel in België gevormd. 

Ittervoort. Bij arrêté van den Prefect der Nedermaas van den 
20 October 1813 is een gedeelte der gemeente, dat met een 
hoek inliep in de gemeente Wessem (namelijk in het gedeelte 
waarop de gehuchten Ooider en Keipen lagen) bij die ge- 
meente gevoegd. 

Later is, zooals bovengezegd is, het gedeelte waarin het gehucht 
EU lag bij Hunsel gevoegd, terwijl daarna ook nog een 
gedeelte genaamd Santfoort bij Thorn schijnt te zijn over- 
gegaan. 

Bij tractaat tusschen Nederland en België den 5 November 
1842 gesloten werd het gehucht Winckel van Ittervoort af- 
gescheiden en aan België afgestaan. Uit dit gehucht vereenigd 
met Grootbeesel en andere gehuchten werd den 12 April 1845 
de gemeente Molenbeersel gevormd, gelijk hiervoor is gezegd. 

Kerkrade. Bij deze gemeente behoorde waarschijnlijk ten tijde 
van dit arrêté het gehucht Bleyerheide, dat evenals Eygels- 
hoven tot de heerlijkheid Terheiden in het Gulickerland 
had behoord. Om dezelfde reden die voor Eygelshoven heeft 
gegolden zal Bleyerheide wel met het kanton Rolduc bij het 
Departement der Nedermaas zijn gevoegd. 

Maasniel. Van den 5 April 1815 tot in den aanvang van 1817 
zijn van deze gemeente en van die van Swalmen vrij belang- 
rijke gedeelten afgescheiden geweest, die gedurende dat tijdperk 
tot Pruissen hebben behoord. Die gedeelten zijn tengevolge 
van de bepaling van art. 24 van het grenstractaat met Pruissen 
afgescheiden en bij hunne vorige gemeenten teruggebracht, 
behalve een zeer klein gedeelte van Maasniel dat aan 
Pruissen is gebleven. 

Maastricht. In den aanvang van het Fransch Bestuur zijn bij deze 
gemeente gekomen, van de gemeente St. Pieter het boven de 
Maasbrug tusschen Maastricht en Wijk gelegen gedeelte der 
Maas, de buitenwerken der vesting tusschen die rivier en de 



Digitized by 



Google 



— 182 - 

Jeker gelegen, het in 1706 beplante gedeelte (thans het zuide- 
lijke gedeelte van het park) alsmede het in 1715 aangekochte 
gedeelte gelegen ten zuiden van de Jeker, waar deze vroeger 
rechtuit in de Maas stroomde; van de gemeente Vroenhoven 
kwam bij Maastricht een gedeelte der Maas beneden de brug. 
Terzelfdertijd werden eenige gedeelten van het buiten- 
territoir, dat niet militaire grond der vesting was, afgescheiden 
en gevoegd, die op den linker Maasoever bij Vroenhoven en 
die op den rechter Maasoever bij Meerssen, Amby en Heer. 
Na die veranderingen kwam Maastricht in den toestand 
zooals het zich bevond tot den uitersten omtrek der Mili- 
taire gronden. 

Eindelijk kreeg het territoir dezer gemeente nog eene kleine 
uitbreiding en daardoor zijnen tegenwoordigen omvang door 
het bouwen van het Fort Willem I, dat in 1816 gedeel- 
telijk op grond van Vroenhoven is gebouwd, welke grond 
daardoor bij Maastricht is gekomen. 

Meerssen. In den aanvang van het Fransch Bestuur is een gedeelte 
van het voormalig buitenterritoir van Maastricht bij deze 
gemeente gevoegd. 

Mesch. Bij deze gemeente werd bij Koninklijk Besluit van 20 
Maart 18.44 een gedeelte van de Belgische gemeente 's Gra- 
ven voeren (Fouron Ie Comte) gevoegd, dat bij het grenstrac- 
taat met België van 1843 van deze gemeente was afgestaan. 

Neeritter. Bij het tractaat tusschen Nederland en België den 5 
November 1842 gesloten, werden van deze gemeente afge- 
scheiden de gehuchten Molenbeersel, Boomerstraat en Maen- 
lostraat. Den 12 April 1845 werd het gehucht Boomerstraat 
gevoegd bij de Belgische gemeente Kinroy en zijn de gehuch- 
ten Molenbeersel en Maenlostraat, met de gehuchten Winckel 
(van Ittervoort) en Groot Beersel (van Hunsel) vereenigd tot 
de Belgische gemeente Molenbeersel, gelijk reeds gezegd is. 

Nieuwenhagen. Deze gemeente is in den aanvang van het Fransch 
bestuur nieuw gevormd uit van de gemeente Heerlen afge- 
scheiden gronden. 

Nieuwstad. Bij Koninklijk Besluit van 29 October 1817 is bij 
deze gemeente gevoegd het bij het grenstractaat met Pruissen 
van 26 Juni 1816 van de Pruissische gemeente Millen afge- 
scheiden en bij Limburg gebleven gedeelte. 



Digitized by 



Google 



— 183 — 

Noorbeek. Door de bij de wet van 18 April 1827 (Stbl. n« 21) 
tusschen de provinciën Limburg en Luik vastgestelde grens- 
lijn, zijn eenige gedeelten van de Belgische gemeente 's Gra- 
ven voeren bij Noorbeek gevoegd en op 25 October 1843 in 
bezit genomen. 

Nuth. Bij Koninklijk Besluit van 26 Juni 1821 werd deze gemeente 
opgeheven en door vereeniging met Vaasrade de nieuwe 
gemeente Nuth Vaasrade gevormd. Bij Koninklijk Besluit van 
van 6 Februari 1823 werd bij deze nieuwe gemeente gevoegd 
een gedeelte van de tegen Schinnen grenzende Noord- Wes- 
telijke punt van Hoensbroek, waardoor hare van elkander 
afgescheiden gedeelten onderling verbonden werden en een 
samenhangend geheel vormden. Zie hiervoor onder Hoensbroek. 

Ohe-en-Laak. Bij Koninklijk Besluit van 20 Maart 1844 (i) is een 
in de maas gelegen eiland dat vroeger bij Maeseyck behoord 
had, en bij de tractaten met België van 1839 en 1843 daarvan 
was afgescheiden bij Ohe-en-Laak gevoegd. 

Oost. Deze gemeente, die slechts 22 oude bunders groot was en 
alleen omvatte wat binnen de het dorp omringende heggen 
lag, is bij Koninklijk Besluit van 6 Maart 1828 met de oude 
gemeente Eysden en Breust opgeheven en uit haar en uit 
gedeelten van de beide andere de tegenwoordige gemeente 
Eysden gevormd. Zie hiervoor onder Breust. 

St. Pieter. In den aanvang van het Fransch Bestuur zijn de bij 
de aanteekening onder Maastricht genoemde gedeelten van 
St. Pieter afgescheiden. 

Bij Resolutie van de met het bestuur der weder in bezit- 
genomen landstreken van Limburg belaste Commissarissen 
van den 18 Juli 1839 werden aan deze gemeente toegevoegd 
de aan beide zijden van de Jeker gelegen gedeelten der ge- 
meente Canne, die op den 22 Juni van dat jaar bij de weder 
in bezitneming aan Nederland waren verbleven. 

Bij Koninklijk Besluit van den 8 Juni 1843 werd, onder 
gedeeltelijke bevestiging en gedeeltelijke wijziging van een 
Besluit van gedeputeerde Staten van Limburg van den 21 
April van hetzelfde jaar, vooreerst van deze gemeente afge- 



(1) Administratief memoriaal van Limburg n" 87. 



Digitized by 



Google 



^- 184 — 

scheiden en bij Oud-Vroenhoven gevoegd van het hierboven 
genoemde gedeelte van Ganne de op den linker oever van de 
Jeker gelegen gronden en ten tweede bij deze gemeente 
gevoegd de op den 8 Mei 1843 reeds voorloopig in bezit 
genomen, aan deze gemeente aangrenzende en bij het grens- 
tractaat met België van 8 Augustus 1843 van de gemeente 
Ganne en Lanaye afgescheiden gedeelten. 

Pol-en-Panheel. Bij het Reglement voor het bestuur ten plat- 
ten lande van Limburg van 14 Februari 1818 is deze ge- 
meente opgeheven. Uit Panheel werd met Heel de nieuwe 
gemeente Heel-en-Panheel gevormd j Pol werd voor het 
grootste gedeelte bij Wessem en voor het kleinste gedeelte 
bij Grathem gevoegd. 

Rimburg. Bij Koninklijk Besluit van 16 December 1886 (Stbl. 
n*» 212) is deze gemeente bij die van Ubach-over-Worms 
gevoegd. 

Roosteren. Bij Resolutie van de Gommissarissen belast met het 
bestuur der weder in bezit genomen landstreken in Limburg 
van 2 September 1839 werden de, tengevolge van de Lon- 
densche tractaten van 19 April 1839 van de thans Belgische 
gemeente Eelen afgescheiden gehuchten Daniëlsweert en Vis- 
schersweert bij Roosteren gevoegd. 

Bij eene latere Resolutie dierzelfde Gommissarissen van den 
23 Juli 1840 werd het gehucht Daniëlsweert van deze ge- 
meente afgescheiden en bij Grevenbicht (in het Roerdepar- 
tement) gevoegd, hetgeen bij Koninklijk Besluit van 20 Maart 
1844 is bevestigd. 

Schimmert. Met het gehucht „de Bies'*, hetwelk krachtens het 
Tractaat van Fontainebleau van 8 November 1785 van Spau- 
beek is afgescheiden en bp deze gemeente gevoegd. 

Schin op Geul. Bij deze gemeente werd bij Koninklijk Besluit 
van 8 Augustus 1878 (Stbl. 112) de gemeente Strucht gevoegd. 

Schinveld. Bij deze gemeente zijn eenige gedeelten van de Pruis- 
sische gemeente Gangelt, die daarvan waren afgescheiden, 
bij art. 6 van het tusschen Nederland en Pruissen op den 
11 December 1868 te Aken gesloten verdrag omtrent de grens- 
scheiding tusschen die beide Rijken, gevoegd. 

Spaubeek. Tusschen deze gemeente en Schimmert hebben moeie- 



Digitized by 



Google 



^ 185 - 

lijkheden bestaan over het gehucht „de Bies*' op wier grond- 
gebied de Staten Generaal, die in het bezit van Schimmert 
waren en Spanje (na 1715 Oostenrijk), dat Spaubeek bezat, 
aanspraak maakten. Aan die moeielijkheden werd een einde 
gemaakt door het Tractaat van Fontainebleau van 8 November 
1785 waarbij van Oostenrijksche zijde van de aanspraken op 
de Bies werd afgezien en het gehucht van Spaubeek werd 
afgescheiden en bij Schimmert gevoegd. 

Sieyn. In den aanvang van het Fransch Bestuur is het gehucht 
de Maasband van de, thans Belgische, gemeente Leuth afge- 
nomen en bij deze gemeente gevoegd. 

In 1813 is het gehucht de Kleine Meers van Elsloo tot 
deze gemeente overgegaan, welk gehucht evenwel bij de Bel- 
gische wet van 13 Juni 1836 weder van Steyn is afgenomen 
en bij Elsloo teruggebracht. 

Bij Koninklijk Besluit van 20 Maart 1844 is het eiland in 
de Maas, dat door het Grenstractaat met België van 8 Augustus 
1843 van de gemeente Leuth was gescheiden, bij Steyn gevoegd. 

Strucht. Deze gemeente is bij Koninklijk Besluit van 8 Augustus 
1878 (Stbl. 112) opgeheven en bij Schin-op-Geul gevoegd. 

Swalmen. Van deze gemeente zijn van den 5 April 1815 tot in 
den aanvang van 1817, evenals van de gemeente Maasniel, 
belangrijke gedeelten afgescheiden geweest die aan Pruissen 
behoorden. 

Ingevolge art. 24 van het grenstractaat met Pruissen van 
26 Juni 1816 zijn in 1817 die gronddeelen weder bij hunne 
vorige gemeenten teruggebracht, met uitzondering van een 
klein gedeelte, vroeger tot Maasniel behoorend. 

Thorn. Naar het schijnt is het gedeelte van Ittervoort genaamd 
Santfoort bij deze gemeente gevoegd. 

Ubach-over-Worms. Deze gemeente is in den aanvang van het 
Fransch Bestuur gevormd uit het Overwormskwartier der 
vroegere gemeente Ubach. 

In 1869 is daarbij gevoegd een gedeelte van de Pruissische 
gemeente Rimburg, dat bij het grensverdrag van 11 December 
1868 door Pruissen aan Nederland is afgestaan. 

Deze gemeente bestaat thans uit Waubach, Groenstraat, 
Broekhuizen en onderst Nieuwenhagen. 

13 



Digitized by 



Google 



--. 186 — 

Vaals. In den aanvang van het Fransch Bestuur werd deze ge- 
meente gevormd uit de voormalige afzonderlijke dorpen 
Holset, Vaals en Vijlen. 

Bij art. 18 van het grenstractaat met Pruissen van 26 Juni 
1816 werd het gedeelte van de Pruissische gemeente I-aurens- 
berg, dat bij het Roerdepartement was ingedeeld, bij deze 
gemeente gevoegd. 

Krachtens de tractaten van Londen van 1839 werden bij 
Koninklijk Besluit van 20 Maart 1844 de drie bij het grens- 
tractaat met België van 1843 van de gemeente Gemmenich 
afgescheiden gedeelten bij Vaals gevoegd (i). 

Vaesrade. Bij Koninklijk Besluit van 26 Juni 1821 is deze gemeente 
vereenigd met de opgeheven gemeente Nuth en daaruit de 
gemeente Nuth- Vaesrade gevormd. 

Venlo. Bij Keizerlijk Decreet van 6 Februari 1812 werd de Staay, 
een bij het fort St. Michiel gelegen huis met tuin, van de 
gemeente Maasbree afgescheiden en bij Venlo gevoegd. 

Bij het stellen der grenspalen tegen Pruissen in 1817 zijn 
nog enkele kleine gedeelten der Pruissische gemeente Stralen 
bij deze gemeente gekomen. 

Vroenhoven of de Vroenhof. In den aanvang van het Fransch 
Bestuur werd bij deze gemeente gevoegd al het op den linker 
Maasoever gelegen buitenterritoir van Maastricht, dat niet 
militaire grond der vesting was; daartegenover werd van deze 
gemeente afgescheiden en bij Maastricht gevoegd een gedeelte 
der Maas beneden de brug. In 1816 verloor de gemeente 
een gedeelte van het terrein waarop het Fort Willem I 
was gebouwd en daardoor aan Maastricht werd gevoegd. 

Bij de op 22 Juni 1839 plaats gehad hebbende inbezit- 
neming der landstreken van Ned. Limburg waren bij dit 
gewest verbleven gedeelten der gemeenten Vroenhoven, Veld- 
wezelt en Lanaeken. 
Bij Resolutie van de met het bestuur der weder inbezit- 



(}) Gemmenich en het zoo aanstonds bij Wittem te vermelden gedeehe van 
Sippenaken zijn de eenige deelen van Nederlandsch Limburg die tot den aanvang 
van het Fransch Bestuur bij het oude hertogdom Limburg hebben behoord, dat zeer 
ten onrechte zijn naam heeft geleend aan onze provincie. Epen en Mcchelen zijn er 
reeds in de 13* eeuw van gescheiden en behoorden sedert tot de heerlijkheid Wittem. 



Digitized by 



Google 



— 187 — 

genomen landstreken van Limburg belaste Commissarissen, van 
den 18 Juli van datzelfde jaar, werd uit die gedeelten gronds 
de gemeente Oud-Vroenhoven gevormd, waardoor de oude 
gemeente werd opgeheven. 

Bij Koninklijk Besluit van 8 Juni 1843 werd, onder gedeel- 
telijke bevestiging en gedeeltelijke wijziging van een besluit 
van Gedeputeerde Staten van Limburg van den 21 April van 
hetzelfde jaar, bij deze gemeente gevoegd, vooreerst het op 
den linker oever van de Jeker gelegen gedeelte van Canne, 
dat bij de voorzegde inbezitneming van 1839 bij Nederland 
gebleven en bij voormelde Resolutie van 18 Juli van dat jaar 
bij de gemeente St. Pieter was gevoegd, en voorts de bij het 
grenstractaat met België van 1843 van de gemeenten Canne, 
Veldwezelt en Lanaeken afgescheidene gedeelten (voor wat 
Canne betreft het gedeelte op den linker oever der Jeker), 
die reeds voorloopig op den 9 Mei van dat jaar waren in 
bezit genomen. 
Weert. Bij Koninklijk Besluit van 20 Maart 1 844 is het bij tractaat 
van België van 1839 van de, thans Belgische, gemeente Bocholt 
afgesneden gedeelte bij deze gemeente ingelijfd. 
Wessem. Bij arrêté van den Prefet der Nedermaas van 30 October 
1813 is een gedeelte der gemeente Ittervoort, dat met een 
hoek in deze gemeente inliep, daarbij gevoegd. 

Bij Koninklijk Besluit van 29 Juli 1818 zijn van deze 
gemeente afgescheiden de gehuchten Hontem en Katert, waar- 
van het grootste gedeelte bij Heel en Panheel en het kleinste 
gedeelte bij Grathem is gevoegd. 

Voorts werden afgescheiden van Wessem de gehuchten Ooi- 
der en Keipen alsmede het bovenvermeld inspringend gedeelte 
van Ittervoort, die eveneens bij Grathem werden ingelijfd. 

Bij hetzelfde besluit werd bij Wessem gevoegd het grootste 

gedeelte van de vroegere gemeente Pol en Panheel, waarin 

Pol lag. 

Wittem. Deze gemeente is in den aanvang van het Fransch Bestuur 

gevormd uit de voormalige gemeenten Eys, Epen en Mechelen. 

Bij arrêté van den Prefect der Neder-Maas van 8 Maart en 
12 Augustus 1806 werd de grens tusschen deze gemeente en 
die van Wittem langs de Geul geregeld en de pachthoeve 



Digitized by 



Google 



- 18g - 

Rood Gartiels met bijbehoorende gronden en nog een meer 
oostwaarts gelegen stuk van Gulpen afgescheiden en bij 
Wittcm gevoegd. 

Bij Koninklijk Besluit van 15 Mei 1841 werden van Gulpen 
afgescheiden en bij Wittem gevoegd de gronden begrensd 
ten Westen en Noorden door de rivier de Geul, de beek 
genaamd de Eys en de gemeente Wylre waartegen van Wittem 
afgescheiden en bij Gulpen gevoegd werden de pachthoeve 
Hommerich en eenige stukken grond aan den linker oever 
van de Geul. 

Bij Koninklijk Besluit van 20 Maart 1844 is het bij het 
grenstractaat met België van 8 Augustus 1843 van de Belgische 
gemeente Sippenaken afgescheiden gedeelte bij Wittem gevoegd. 

Wij komen nu tot de behandeling van dat gedeelte van de 
tegenwoordige provincie Limburg, dat tot het Roerdepartement 
heeft behoord en achten het voor het goede begrip van belang 
een terugblik te werpen op het reeds medegedeelde betreffende 
den aanvang van het Fransch bestuur. 

Wij hebben gezien, dat door de voormelde arrêtés der Volks- 
representanten van 24 en 27 Brumaire an IlI, de streken die 
thans het grondgebied der Nederlandsche provincie Limburg 
uitmaken, — met uitzondering van St. Pieter en de sedert 1843 
tot de gemeenten Eysden en Oud-Vroenhoven behoorende gedeel- 
ten Lixhe, Lanaye en Canne (Op- en Nedercanne), die onder de 
Centrale Administratie van België behoorden — gebracht waren 
onder de Centrale Administratie voor de landen tusschen Maas 
en Rijn, gevestigd te Aken ; vervolgens, dat bij het besluit van het 
Comité du Salut Public van de Nationale Conventie van 14 
Fructidor an III, de veroverde landen werden verdeeld in 
departementen; nog, dat bij de wet van 9 Vendémiaire an IV, 
de vereeniging dezer departementen met de Fransche Repu- 
bliek werd vastgesteld, waardoor, in verband met het besluit 
van 17 Brumaire daaropvolgende (18 November 1795), het 
grootste gedeelte van Limburg aan de Centrale Administratie 
te Aken werd onttrokken en toegevoegd aan de departementen 
der Nedermaas en der Ourthe en eindelijk, dat bij het arrêté 
der Volksrepresentanten van den 11 Frimaire an IV werd be- 



Digitized by 



Google 



— 189 — 

paald dat de in het arrêté van 14 Fructidor an III opgenomen 
gedeelten van het land van Gulick geen deel uitmaakten van het 
departement der Nedermaas, maar onder het bestuur van de 
Centrale Administratie te Aken verbleven. De landen nu, die 
onder de Centrale Administratie bleven behooren, hebben wij 
hier — voor zoover betreft het grondgebied van ons Limburg — 
op het oog. 

Door de aanwezigheid van krijgsvoerende legers in die gewesten 
en tengevolge van de niet wettelijke vastgestelde indeeling ervan 
was er van eene geregelde administratie geen sprake. De Fransche 
Generaal Hoche oefende er als opperbevelhebber van het leger 
van Sambre-et-Meuse het militair en opperbestuur. uit. Bij zijn 
optreden als zoodanig in Februari 1797 wilde hij dan ook met 
zijn vooruitstrevend initiatief en zijn veelzijdigen geest, behalve 
het waarnemen en hooghouden van zijne taak als opperbevel- 
hebber, tegelijk de burgerlijke administratie regelen. ZooalsThiers 
zegt, ging daarbij bij hem voor, de naijver op Napoleon (die als 
generaal opperbevelhebber van de legers in Italië de „république 
transalpine" stichtte) om ook van de landen die niet bij de 
Fransche Republiek waren ingelijfd, eene onafhankelijke maar 
met de Fransche samengaande republiek te vormen, onder den 
naam van „République Cis-Rhénane", die, zoo hij meende, eene 
bondgenoote der Franschen zoude zijn, zoo haar grondgebied bij 
een aanstaand vredesverdrag met het Duitsche Rijk aan Frankrijk 
zoude worden geweigerd, om aan Duitschland het bezit der Rijn- 
grens te verzekeren. Deze Republiek is feitelijk niet tot stand 
gekomen, tengevolge van den dood van Genefaal Hoche op den 
18 September 1797. Dat aan dezen opperbevelhebber eene zeer 
groote macht was gegeven blijkt duidelijk uit de hiervolgende 
proclamatie van zijn arrèté van 8 Maart 1797, waarbij hij gewoon 
weg het Fransch Bestuur en zijne agenten als volmaakt opgeheven 
verklaart. 

Publicandum. 

Da nach einem Uns heute zugekommenen Arrêté, des die 
Maas- und Sambre-Armee commandirenden, und zur General- 
Administration der zwisschen Maas und Rhein gelegenen Lander 
crnandten Bevollmachtigten Generals en Chef Hoche, vom 8 
Mertz, in den preussischen Lander: 



Digitized by 



Google 



— 190 — 

1). Die bisherige Französische Verwaltung und ihre Agenten, 
gantzlich suspendirt sind, und zugleich allen Einwohnern dieser 
Lander ausdrücklich verboten worden, von Stunde an, denen Fran- 
zösischen Agenten nicht das mindeste weiter an Geld oder 
Naturaliën abzuliefern oder zu bezahlen. 

2). Dass die Geistlichkeit Ihre sequestrirte Güter wiedergegeben 
werden sollen, um von Ihnen selbst verwaltet zu werden. 

3). Dass fürohin kein Holtz, weder bey den Domainen Seiner 
Königlichen Majestat, noch auf den Gütern Dero Unterthanen 
ohne expresse Verordnung benannten Generals, mehr gehauen, 
und die etwa noch würcklich befohlene Haue, so gleich nach 
der Bekantmachung dieses eingestellet werden sollen, sodann 
durch ein naheres provisorisches Reglement vom 12 Mertz fest- 
gesezt worden: 

4). Dass in samtlichen Königlichen Provinzen disseits Rheins 
vom 21 Mertz an, alle vorherige Constitutiones, Gebrauche und 
Gesetze vöUig wieder guitig, und die vor dem Kriege gewesene 
Landes Collegia mit allem Rechte, wieder in ihre gehabte Func- 
tiones eintreten sollen, je doch der gestalt und also, das alles 
unter französischer Autoritat geschehen, und diese einzig und 
allein anerkant werden solle. 

5). Dass bey den Landes Collegien ein französischer Commis- 
sarius angesetzt werden solle, welcher auf die Befolgung, der, so 
wohl vom General en Chef, als von dem Collegien ergehenden 
Verordnungen, halten, und die etwa geschehende Reclamationes 
annehmen solle. 

6). Dass gegen Entricntung der gewöhnlichen Landes- Abgaben, 
in den Königlich Preussischen Landern keine Requisitiones weder 
in Gelde, noch in Lebens-Mitteln geschehen sollen. 

lm Fall jedoch die kriegerische Begenbenheiten oder andere 
Umstande es nötig machten, dass eine Lieferung von Lebens- 
Mittel oder Vieh geschehen müste, solche gegen den hier speci- 
ficirten Preis angenommen, und deren Ertrag aus den gewöhn- 
lichen Landes-Abgaben vergütet werden solle. 

Und zwar: 

Liv. Sols. D. 

Das Quintal Weitzen zu 9 

Das Quintal Roggen, Gerste oder Spelz .... 6 00 



Digitized by 



Google 



— 191 — 

Liv. Sols. D. 
Der Sack Haber von 12 Pariser Scheifel. ... 6 00 

Das Quintal Hcu zu 2 5 O 

Das Quintal Stroh zu 1 O O 

Und das Pfund Fleisch zu O 4 B 

Als wird Samtlichen Magistraten in den Staaten, Regierern des 
platten Landes, und allen Einwohnern im Königlichen Antheil 
des Herzogthums Geldern, wes Standes oder Würden sie auch 
seyn mogen, solches hierdurch bekannt gemacht, um sich hiernach 
gebührend zu achten, und sich vom 21 dieses Monats an, in denen 
Sachen, welche zum Ressort des Landes- Administrations-Gollegii 
gehören, an dasselbe zu wenden, in denenjenigen aber, so vor 
das Justitz Colleginm sonsten gehöret haben, sich auch wiederum 
an da selbe zu adressiren, und denen aus beiden CoUegiis an 
ihnen, erlassen werdenden Verordnungen schuldige undgebühren- 
de Folge zu leisten, zugleich aber auch denen Regierern auf- 
gegeben, ihren Schazgebern so fort zu bedeuten, von nun an 
nicht das geringste mehr an die bisherige Gassen zu bezahlen, 
sondern die Subsidiën Gelder künftighin wieder wie Vormals, 
an die hiesige Subsidiën Gasse, und zwar in Monatlichen Ratis, 
vom I. Mertz an, in so weit darauf noch nichts bezahlt worden, 
prompt und völlig abzuführen. 

Damit auch dieses Publicandum, zu Jedermans Wissenschaft 
komme, ist solches so fort gehörig zu publiciren, und an den 
gewöhnlichen Orten zu affigiren, auch wie dieses geschehen, von 
den Magistraten, Beamten und Regierern langstens innerhalb 
8 Tagen ohnfehlbar schriftlich zu berichten. 
Geldern den 16 Martz 1797. 

Landes-Administrations-Gollegium, 
V. Goldbeck, Heinius, von Baerll. 

Vreemd klinken de bepalingen van dit arrêté, wanneer men 
ze in verband brengt 1<» met een arrêté van den 24 floréal an V 
(13 Mei 1796) (i) waarbij werd bepaald dat de prijzen der mili- 
taire leveringen werden gecompenseerd met het bedrag der alstoen 
opeischbare termijnen van aan den staat verschuldigde grond- 



(1) Aangehaald in een arrêté van den 15 Germical an XI (3 Buil. 264, 2572). 



Digitized by 



Google 



— 192 — 

renten en andere presiatiën, en 2<> met een arrêté van 7 Brumaire 
an VI (28 October 1797) (i) waarbij eene belasting van acht 
millioenen werd uitgeschreven. 

Ten opzichte van de Bestuursregeling in het bijzonder is dit 
arrêté van groot belang wegens het beginsel dat daarin is neder- 
gelegd; in artikel 4 nnil. werd bepaald dat de oude „Landscol- 
legia" met al hunne rechten weder in hunne ambtsverrichtingen 
zouden hersteld worden, maar in dier voege dat alles onder 
Fransch gezag zoude geschieden en dit eenig en alleen erkend 
zoude worden. Ter uitoefening van dit gezag trad op de zooge- 
naamde „Commission intermediaire des Pays conquis", die bij 
haar eerste besluit, betreffende het bestuur dier landen, van den 
16 Germinal an V (5 April 1797) eene voorloopige indeeling 
uitvaardigde, waarbij de oude groote landsregeeringen werden 
gehandhaafd, doch de kleinere heerlijkheden werden gebracht 
onder het ressort van de meest nabijzijnde landsregeering of van 
die, waarin zij geënclaveerd waren. 

Wij laten dit belangrijk en niet bekend arrêté hier volgen : 
La Commission Intermediaire des Pays conquis, arrêté ce qui 
suit: 

Art. I. 

Tout Ie pays conquis dépendant de son ressort est divisé pro- 
visoirement en six arrondissements, qui seront administrés par 
les corps administratifs cy-après désignés, au nom, et sous Tau- 
torité de la République Francaise, qui est la seule qui puisse et 
doive y être reconnue. 

Art. II. 

Le premier arrondissement, sous Ie nom d'arrondissement de 
Creutznach, comprendra la partie située sur la rive gauche du 
Rhin, des évêchés de Spire et Worms, de Télectorat de Mayence, 
du Palatinat, de la Hesse, et du Markgraviat de Baden, de même 
que les villes libres de Spire et Worms. Cet arrondissement sera 
administré par une Régence provisoire qui résidera a Creutznach, 
et sera formée, ainsi qu'il est prescrit dans Part. V cy-après. 

Le deuxième arrondissement, sous le nom d'arrondissement de 



(1) Receuil Rudler 1 Cahier pag. 28. 



Digitized by 



Google 



-« 193 — 

Deux Ponts, comprendra Ie Duché de ce nom, la Principauté de 
Saarbruck, la Seigneurie de Bliescastel, et autres appartenantes 
au Comte de la Leyen, les Comtés de Salm et de Beilstein. Cet 
arrondissement sera administré par les Régences de Deux Ponts 
et de Saarbruck, qui se conformeront aux dispositions de Tart. III 
cy-après. 

Le troisième arrondissement, sous Ie nom d'arrondissement de 
Trèves, comprendra tout le territoire de Télectorat de Trèves et 
du Comté de Manderscheid, et sera administré par la Régence 
séante a Coblence. 

Le quatrième arrondissement, sous le nom d'arrondissement de 
Cologne, comprendra l'électorat, et la ville libre de ce nom, le 
Duché d'Aremberg, les Comtés de Gérolstein, Schleiden et Blanc- 
kenheim. Cet arrondissement sera administré par la Régence 
séante a Bonn, sauf les modifications mentionnées cy-après dans 
Tart. IV. 

Le cinquième arrondissement, sous le nom d'arrondissement de 
Juliers, comprendra le Duché de Juliers, la pariie de celui de 
Berg, occupée par les Francais^ la ville libre d'Aix-la-Chapelle et 
ses dépendances, et sera administré par la Régence, séante a 
Dusseldorff, sauf les modifications portées cy-après dans Tart. IV. 

Le sixième arrondissement, sous le nom d'arrondissement de 
Gueldres, comprendra les provinces Prussiennes situées sur la 
rive gauche du Rhin, et sera administré par les Colleges d'Ad- 
ministrations, séans a Gueldres, Moeurs et Clèves. 

Art. III. 

Les petites Seigneuries, ou autres possessions appartenantes a 
la noblesse immédiate de TEmpire, qui se trouveront enclavées 
dans Tun des arrondissements déterminés par le présent arrêté, 
feront partie de ce même arrondissement, et seront administrées 
par la Régence la plus voisine. 

Art. IV. 

Les villes libres et impériales conserveront le même Régime 
qu'elles avaient avant Toccupation de leurs territoires par les 
troupes franfaises, sous la surveillance du commissaire francais 
de Tarrondissement dans lequel elles se trouveront comprises. 



Digitized by 



Google 



;_ 194 — 

Art. V. 

Le commissaire francais du premier arrondissement s*occupera 
incontinent, de choisir parmi les Baillifs dépendans de eet arron- 
dissement, cinq d'entre eux, qu'il proposera a la commission in- 
termediaire, pour former la Régence provisoire qui se tiendra a 
Creutznach. 

Art. VI. 

Le présent arrêté sera imprimé dans les deux langues, publié 
et affiche, comme de coutume, dans toutes les communes, par les 
soins des Régences, et a la diligence des Commissaires francais. 
Bonn le 16 Germinal, an 5°** Républicaine. 

Pour extrait conforme, 
Shée, Président. 
Berdot, Secrét.-général. 

Niettegenstaande deze bepaalde bestuursregeling bleven eene 
onbeschrijfelijke verwarring en willekeur in de administratie dier 
landen heerschen. Dat het Fransche Gouvernement inzag dat een 
spoedig herstel van de orde in de administratie dringend nood- 
zakelijk was, blijkt hieruit dat den 14 Brumaire an VI (4 No- 
vembre 1797), dus kort na den dood van den Generaal Hoche, 
een besluit werd genomen door het Directoire Exécutif waarin 
wordt gezegd „considérant qu'il s'est glissé dans Tadministralion 
„des pays conquis tant entre Meuse et Rhin, qu'entre Rhin et 
„Moselle, des abus auquels il est urgent de remédier" en waarbij 
Rüdler tot Gouvernementscommissaris voor de landen tusschen 
Maas en Rijn werd benoemd met opdracht eene nieuwe organi- 
satie in die landen in te voeren. Den 21 Primaire an VI (11 De- 
cember 1797) aanvaarde Rudler het Bestuur en in de bij die 
gelegenheid gedane Proclamatie kondigde hij eene nieuwe indeeling 
en administratieve en rechterlijke organisatie aan. Reeds bij arrèlé 
van den 4 Pluvióse an VI (24 Januari 1798) werd deze nieuwe 
indeeling vastgesteld, waarbij de landen tusschen Maas en Rijn 
en die tusschen Rijn en Moesel werden verdeeld in vier departe- 
menten, namelijk dat van de Roer, dat van de Sarre, dat van 
Rijn en Moesel en dat van den Mont-tonnerre. Het eenige dier 
vier Departementen dat op onze provincie betrekking heeft is dat 
van de Roer. Tot hoofdplaats daarvan werd aangewezen Aken. 



Digitized by 



Google 



— 195 — 

Deze departementen werden onderverdeeld in kantons en wel 
dat van de Roer in veertig. Deze kantonnale indeeling is echter 
slechts eenige maanden van kracht geweest, want bij een opvol- 
gend arrêté werd daarin eene aanmerkelijke verandering gebracht. 
De juiste datum van dit laatste arrêté schijnt niet vast te staan. 
Volgens Wasserfall (administrateur van het departement van Rijn 
en Moesel) in zijn „Annuaire historique et statistique consacré 
au département de la Roer, an VIII, pag. 2, is die dagteekening 
27 Prairial an VI (15 Juni 1798). 

De dagteekening echter waarbij de nieuwe verdeeling is open- 
baar gemaakt blijkt uit het „Tableau général des cantons, com- 
„munes, censes et métairies composant Ie département de la Roer, 
„avec indication de la population de chaque commune etcanton'* 
gedagteekend 4 Nivóse an VII (24 December 1798) (i). 

De twee veranderingen in de kantonnale indeeling van het 
departement van de Roer zijn !• dat de tweede verdeeling het 
aantal kantons met twee werd vermeerderd; 2^ dat bij de tweede 
verdeeling slechts acht kantons denzelfden naam dragen als in 
het arrêté van 4 Pluviose, an VI. 

Of en in hoeverre de omschrijving der kantons in de beide 
verdeeling overeenkomt, is niet na te gaan, omdat het laatste 
arrêté geen omschrijving der kantons, maar alleen hun getal en 
benaming geeft. 

Wij laten hier volgen voor zooverre het grondgebied van Neder- 
landsch Limburg betreft, de indeeling van het departement der 
Roer (2). 

De rangorde der kantons is overgenomen uit het bovenvermeld 
Tableau général. De opgave der gemeenten kan uit dat Tableau 
niet genomen worden, omdat zooals het opschrift aangeeft, daarin 



m Voor elk der vier departementen bestaat zoodanig tableau afzonderlijk. 

De dagteekeningen daarvan zijn: van dat van het departement der Saar 14 Mes- 
sidor an Vu (2 Juli 1799) ; van dat van het departement van Rijn en Moesel, 23 
Fructidor an Vil (9 September 1799;; van dat van den Mont-Tonnerre 26 Ven- 
t6se an VII (16 Maart 1799) en van dat van het departement der Roer van den 
4 Nivóse an Vn. 

n ^1) vermelden hier ook de kantonnale indeeling omdat zij — vóór de wet 
van 28 Pluviose an VIII tot sund gekomen - ook op den poliiieken toestand 
betrekking had. 



Digitized by 



Google 



— 196 - 

ook afzonderlijk worden genoemd «les censes et métairies", dus 
onderdeelen van gemeenten. Wij volgen daarom voor de vermel- 
ding der gemeenten de „Statistique du Département de la Roer" 
van Dorsch, sous-préfet te Cleve (i). 

Departement der Roer. 

2« Kanton Borcette. 

Laurensberg (gedeelte van — ) — Richterich (gedeelte van — ). 

6« Kanton Sittard. 

Born — Grevenbicht — Limbricht — Millen (gedeelte van — ) 
— Munstergeleen — Sittard — Susteren — Urmond en Berg — 
Wehr (gedeelte van — ). 

7« Kanton Heinsberg. 

Melick en Herkenbosch (met Dalenbroek). 

25« Kanton Bracht. 

Kaldenkirchen (gedeelte van — ) — Tegelen. 

36* Kanton Horst. 

Broekhuizen — Grubbenvorst — Helden — Horst — Kessel — 
Maasbree — Meerlo — Sevenum — Venray — Wanssum. 

37* Kanton Cranenburg. 

Gennep — Mook en Middelaar — Ottersum. 

39« Kanton Goch. 

Bergen — Goch (gedeelte van — ) — Weeze (gedeelte van — ). 

41* Kanton Gelder. 

Twisteden (gedeelte van — ) — Arccn — Walbeek. 

42* Kanton Wanckum. 

Stralen (gedeelte van — ) — Velden. 



(1) Het eenige verschil tusschen het »Tableau général* en de »Statisttque van 
Dorsch« ligt iu de nummering di*r Kantons. De reden hiervan is de afstand in IBuO 
van de Kantons Ravestein en Gcniert aan de Uataafsche Republiek, waardoor de 
nummers der opvolgende Kantons met twee versprongen. 



Digitized by 



Google 



- 197 -• 

Na deze indeeling in kantons en onderhoorige gemeenten 
volgde den 24 Floréal an VIII (14 Mei 1800) een arrêté der 
Consuls waarbij de vier Departementen in „Arrondissemens com- 
munaux" werden verdeeld. 

Wij laten den inhoud van dit arrêté hier volgen : 

Arrêté rélatif a la division territoriale et au mode d'adminis- 
tration des départemens de la Sarre, de la Roer, de Rhin-et- 
Moselle et du Mont-Tonnerre. 

Du 24 Floréal an VIII (i). 

Les Consuls de la République, sur Ie rapport du ministre de 
la justice; Ie conseil d'état entendu, 

Arrêtent : 

Art. I". Les départemens de la Sarre, de la Roer, de Rhin-et- 
Moselle et du Mont-Tonnerre, seront divisés en arrondissemens 
communaux: ces arrondissemens comprendront Ie territoire soumis 
a la juridiction des tribunaux de police correctionnelle. 

Art. II. Les communes oü les administrations centrales tiennent 
leurs séances, demeureront chefs-lieux de département: les lieux 
oü les tribunaux de police correctionnelle tiennent leurs séances, 
seront chefs-lieux d'arrondissemens communaux. 

Art. IIL Les quatres départemens ci-dessus nommés seront 
administrés conformément a la loi du 28 Pluvióse (*) sous Tau- 
toriié d'un commissaire-général du Gouvernement qui correspondra 
avec Ie ministre de la justice. 

Art. IV. Le ministre de la justice est chargé de Texécution du 
présent arrêté, qui sera inséré au Bulletin des lois. 

En Tabsence du premier Consul, le second Consul, signé Cam- 
bacérès. Par le second Consul : le secrétaire d'état, signé Hugues 
B. Maret. Le ministre de la justice, signé Abrial. 

Hier dient te worden opgemerkt dat in dit besluit, dat uitslui- 
tend betrekking had op de administratief'X.^vv\xov\tt\Q indeeling, 
het aantal en de benaming der „arrondissemens communaux" niet 
worden aangegeven. 

Uit de omschrijving in art. II blijkt echter, dat men bleef vast- 
houden aan de bij het arrêté van den Gouvernements-Commis- 



Bulletin des lois, 3» série, t. I, Buil. 25, n». de la loi 171. • 

O 17 Februari 1800. Deze wet is de division territoriale de la République. 



Digitized by 



Google 



— 198 - 

saris Rudler van 4 Pluvióse an VI (i) gemaakte gerechtelijke 
indeeling in arrondissementen, ten behoeve van de vestiging der 
correctionnele tribunalen, namelijk voor het departement der 
Roer in die van Aken, Keulen, Crefeld en Kleef. 

Onder deze arrondissementen waren de kantons van het Roer- 
departement ingedeeld als volgt: 

onder Aken; de kantons Borcette, Sittard en Heinsberg; 

onder Crefeld: het kanton Bracht 

en onder Cleve: de kantons Horst, Cranenburg, Goch, Gelder 
en Wanckum, terwijl geene kantons, zoover onze provincie be- 
treft, onder het arrondissement Keulen lagen. 

Niettegenstaande deze verschillende regelingen voor het departe- 
ment der Roer werden getroffen, liet de gelijkstelling daarvan 
met de andere met Frankrijk vereenigde departementen der 
Republiek op zich wachten. Terwijl de negen Belgische departe- 
menten en alzoo die gedeelten van Limburg die deelmaakten van 
de departementen der Nedermaas en der Ourthe reeds sedert 
eenige jaren geheel op de Fransche wijze georganiseerd waren, 
geschiedde dit eerst voor het departement der Roer op den 
1 Vendémiaire an XI (23 September 1802^. Deze dagteekening 
werd vastgesteld bij het navolgend besluit der consuls. 

Arrêté portant qu'a compter du 1®' Vendémaire an IX, les 
départemens de la Roer, de la Sarre, du Mont-Tonnerre et de 
Rhin-et-Moselle, seront assimilés aux autres départemens de la 
République (2). 

Du 28 Fructidor an VIIL 

Les Consuls de la République, Ie conseil d'état entendu, 

Arrêtent : 

Art. l*'. A compter du l*' Vendémiaire de Tan IX, les dépar- 
temens de la Roer, de la Sarre, du Mont-Tonnerre et de Rhin- 
et-Moselle, seront assimilés aux départemens de la République: 
en conséquence les lois et régiemens concernant la justice, Tinté- 
rieur, la police, les finances, la guerre et la marine, y seront mis 
en exécution, d'après les ordres successifs du Gouvernement. 
Art. II. A compter de la même époque, Tattribution exclusive 



(1) Recueil Rudler 1- cah. 120. 

(') Bulletin les lois 3« série t. 1 B 43 W de la loi 290. 



Digitized by 



Google 



— 199 — 

de l*administration des quaire départemens au ministère de la 
justice, cessera d'avoir lieu. Les préfets correspondront directe- 
ment avec Ie commissaire général, qui correspondra avec les 
différens ministres, chacun dans ses attributions. 

Art. III. Le ministre de la justice adressera Ie présent arrêté 
aux autorités constituées existantes dans les départemens de la 
Roer, de la Sarre, du Mont-Tonnerre, de Rhin-et-Moselle; et les 
ministres sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de son 
exécution ultérieure. 

Le présent arrêté sera inséré au Bulletin des lois. 

Le premier Consul, signé Bonaparte. Par le premier Consul: 
le secrétaire d'état, signé Hugues B. Maret. Le ministre de la 
justice, signé Abrial. 

Dit arrêté, waarbij de gelijkstelling der vier Departementen op 
den linker Rijnoever met de overige Fransche Departementen 
werd voorbereid, werd bevestigd bij de wet van den 18 Ventóse 
an IX (9 Maart 1801), waarbij die departementen bij het grond- 
gebied der Fransche Republiek werden ingelijfd. 

Deze Wet luidt als volgt: 

Loi portant que les départemens de la Roer, de la Sarre, de 
Rhin-et-Moselle et du Mont-Tonnerre font partie intégrante du 
territoire francais. 

Du 18 Ventóse an IX. 

Au nom du pcuple Fran9ais, Bonaparte, premier Consul pro- 
clame loi de la République le décret suivant, rendu par le Corps 
législatif le 18 Ventóse an IX, conformément a la proposition faite 
par le Gouvernement ie 8 du dit mois, communiquée au Tribunat 
le même jour. 

Décret. 

Art. 1. Les départemens de la Roer, de la Sarre, de Rhin-et- 
Moselle et du Mont-Tonnerre font partie intégrante du territoire 
francais. 

Art. II. La circonscription desdits départemens et celle des 
arrondissemens communaux qui y ont été provisoirement com- 
pris, seront définitivement fixées dans le courant de Tan X. 

Art. III. Les lois et régiemens de la Républicjue ne seront 
appliqués aux dits départemens qu'aux époques oü le Gouverne- 



Digitized by 



Google 



— 200 — 

ment Ie jugera convenable, et en vertu d'arrêtés qu'il prendra a 
eet eflfet. 

Collationné a Toriginal, par nous président et secrétaires du 
corps législatif. A Paris, Ie 18 Ventóse an IX de la République 
Francaise. Signé Lefebvre-Cayet, président; Bordes, Guillemot, 
Papin (des Landes), Danet (du Morbihan), secrétaires. 

Soit la présente loi revêtue du sceau de TEtat, insérée au Bul- 
letin des lois, inscrite dans les régistres des autorités judiciaires 
et administratives, et Ie ministre de la justice chargé d'en sur- 
veiller la publication. A Paris, Ie 28 Ventose an IX de la Répu- 
blique. 

Signé Bonaparte, premier Consul. Contre-signé, Ie secrétaire 
d'état, Hugues B. Maret. Et scellé du sceau de TEtat. 

Vu, Ie ministre de la justice, signé Abrial (^). 

Als gevolg van deze vereeniging van de vier departementen met 
Frankrijk werd bij het hiernavolgend arrêté der Consuls van 11 
Messidor an X (30 Juni 1802) bepaald, dat op den 1 Vendémiaire 
an XI (23 September 1802) de Fransche Constitutie (d. i. de 
consulaire van 22 Frimaire an VIII) in die departementen zou 
in werking treden, terwijl daarbij tevens werd bepaald dat die 
departementen zouden ophouden een afzonderlijk bestuur onder 
eenen Generalen Gouvernements-Commissaris te hebben. 

Arrêté relatif a la mise en activité de la Constitution dans les 
départemens de la Roer, de la Sarre, de Rhin-et-Moselle et du 
Mont-Tonnerre. 

Du 11 Messidor, an X. 

Les Consuls de la République, sur Ie rapport du ministre de 
rintérieur: 

Vu la loi du 18 Ventóse an IX, articles II et III; concernant 
la réunion des quatre départemens de la rive gauche du Rhin au 
territoire francais, et la promulgation des lois et régiemens de 
la République qui y seront appliqués; 

Le conseil d'état entendu, 
Arrêtent : 

Art. I*'. A compter du I*' Vendémaire prochain, la Constitution 



(1) 3« série t. 2, Bulletin 74, N* de la loi 569. 



Digitized by 



Google 



— 201 — 

de la République sera mise en activité dans les départemens de 
la Roer, de la Sarre, de Rhin-et-Moselle et du Mont-Tonnerre. 

Art. II. La loi du 13 Ventóse an IX, (i) concernant la for- 
mation et Ie renouvellement des listes d'éligibilité prescrites par 
la Constitutlon, sera publiée et affichée dans ces départemens, 
ainsi que tous les arrêtés qui ont été pris par Ie Gouvernement 
sur eet objet: Texécution de cette loi y aura lleu de maniere 
qu'en observant les intervalles qu'elle a fixés, les opérations 
soient terminées au 10 Nivóse an XL 

Art. III. La loi du 28 Pluvióse an VII sera publiée, affichée 
et exécutée dans ces départemens, ainsi que les arrêtés y relatifs. 

Art. IV. Le commissaire général du Gouvernement dans ces 
quatre départemens, et préfet du département du Mont-Tonnerre, 
cessera, le même dit jour, ses fonciions de commissaire général, 
et continuera d'exerccr celles de préfet. 

Art. V. Les pièces, régistres et cartons contenant les affaires 
du commissariat général, seront renvoyés par ledit commissaire 
aux ministres que ces objets concerneront respectivement. Les 
maison et mobilier aflfectés a celui de la préfecture, seront remis 
a la disposition du directeur des domaines nationaux. 

Art. VI. Conformément au § 3, articles XII et suivans de la 
loi du 28 Pluvióse, il y aura un maire et un ou plusieursadjoints, 
ainsi qu'un conseil municipal partout oü il y a aujourdMiui un 
maire, quel que soit le nombre des communes réunies sous son 
administration. 

Tous fonctionnaires administratifs, autres que ceux établis par 
ladite loi, cesseront leurs fonctionsj les nominations seront faites 
suivant les dispositions qu'elle prescrit. 

Art. VII. Des arrêtés ultérieurs détermineront celles des lois 
de la République, qui devront être proclamées postérieurement 
dans ces départemens. 

Art. VIII. Tous les ministres sont chargés, chacun en ce qui 
le concerne, de Texécution du présent arrêté, qui sera inséré au 
Bulletin des lois. 

Le premier Consul, signé Bonaparte. Par le premier Consul: 



Q) 4 Maart 1801. 

14 



Digitized by 



Google 



— 202 — 

Ie secrétaire d'état, signé Hugues B Maret. Le ministre de Tinté- 
rieur, signé Chaptal. 

Certifié conforme: Le Ministre de la Justice, Abrial (i). 

Den 16 Messidor van hetzelfde jaar (5 Juli 1802) volgde het 
hierna gemeld besluit, waarbij de indeeling, vastgesteld bij het 
arrêté van den 4 Pluvióse an VI (24 Januari 1798) hiervoor 
meegedeeld en het „Tableau général van 4 Nivóse an VII (even- 
eens reeds vermeld) werden gehandhaafd met uitzondering van 
de plaatsen aan de Bataafsche Republiek afgestaan. 

Arrêté contenant fixation définitive des limites des quatre 
départemens de la rive gauche du Rhin. 

Du 16 Messidor (an X). 

Les Consuls de la République, sur le rapport du ministre de 
rintérieur; 

Vu la loi du 18 Ventóse an IX, portant que les limites des 
quatre départemens de la rive gauche du Rhin seront définitive- 
ment fixées dans le courant de Tan X; 

Le conseil d'état entendu, 

Arrêtent. 

Art. 1*'. Les départemens de la Roer, de la Sarre, de Rhin-et- 
Moselle et du Mont Tonnerre, conserveront définitivement les 
limites qui leur ont été assignées par Tarrêté du commissaire 
général du Gouvernement, chargé de Torganisation de ces quatre 
départemens, en date du 4 Pluvióse an VI, et le tableau général 
dressé le 26 Ventóse an VII, a Texception toutefois des parties de 
territoire du département de la Roer cédées a la Républque batave. 

Art. II. Le ministre de l'intérieur est chargé de Texécution du 
présent arrêté, qui sera inséré au Bulletin des lois (*). 

Le premier Consul, signé Bonaparte. Par le premier Consul: 
le Secrétaire d'état, signé Hugues B. Maret. Le ministre de Tinté- 
rieur, signé Chaptal (3). 

(1) 3« série t. 6. Bulletin 199 N» de la loi 1791. 

O 3» Série, t. 5. Buil. 201, N 1813. 

(') Wij wijzen hierop op de vreemde, ja onbegrijpelijke bizonderheid. 

1^ dat alleen het arrêté van 4 Pluvióse an VI wordt aangehaald, zonder dat er 
melding wordt gemaakt van het besluit waarbij dat arrêté is gewijzigd, welk laatste 
in werkelijkheid bijbehouden is. 

2* dat alleen wordt genoemd het «Tableau général" van den 26 Ventóse an VII 
namelijk dat van het Departement du Mont-Tonnerre, terwijl zooals wij gezien hebben 
voor elk departement een afzonderlijk Tableau bestond. 



Digitized by 



Google 



- 203 — 

Dit is voor het departement der Roer het laatste besluit dat 
op de politieke indeeling van het grondgebied in het algemeen 
betrekking heeft. 

Wij vermelden nu in alphabetische volgorde de gemeenten van 
dit departement, die thans nog deel maken van Nederlandsch 
Limburg met opgave van de daarin plaats gehad hebbende ver- 
anderingen. 

Arcen-en- Velden. Tengevolge van de grensscheiding met Pruissen 
in 1817 zijn aan deze gemeente toegevoegd, wat de opper- 
vlakte betreft belangrijke, doch onbewoonde gedeelten van de 
thans Pruissische gemeenten Stralen en Walbeek (i). 
Bergen. In den aanvang van het Fransch bestuur is deze gemeente 
gevormd uit de voormalige gemeenten Afferden, Well en 
Heijen. 

Bij de grensscheiding met Pruissen zijn gedeelten van 
de gemeenten Walbeek en Twisteden van Pruissen afgesne- 
den en bij deze gemeente gekomen. 

Bij het Reglement voor het bestuur ten platte lande van 
Limburg van 14 Febrruari 1818 (*) is het bij diezelfde grens- 
scheiding van de gemeente Wceze afgescheiden gedeelte van 
het gehucht Siebengewald, dat aanvankelijk bij de gemeente 
Ottersum was gevoegd, van deze gemeente overgebracht tot 
Bergen. Ook werd daar nog bijgevoegd een gedeelte van de 
Pruissische gemeente Goch. 
Born. 

Broeckhuysen (bestaande uit de twee kerkdorpen Broeckhuysen 
en Broeckhuysenvorst en üeyen), deze twee plaatsen zijn 
afzonderlijke dorpen, vroeger elk eene heerlijkheid en sche- 
penbank. 
Gennep. De grens tusschen deze gemeente en die van Ottersum 

is geregeld bij K. B. van 9 Juni 1821. 
Goch (gedeelte van — ). Dit gedeelte is gevoegd bij de gemeente 

Bergen. 
Grevenbicht. Bij Resolutie der Commissarissen belast njet het 
bestuur der weder in bezit genomen landstreken van Limburg 

p) De gemeente Arcen en Velden is volgens Dorsch bij eene latere indeeling 
onder het kanton Wanckum gebracht. 
O Adm. Memoriaal van Limburg 1818, n^ 2Sdis, 



Digitized by 



Google 



_ 204 — 

van den 23 Juli 1840 (O bevestigd bij K. B. van den 30 
Maart 1844 (2) werd van Roosteren afgescheiden en bij deze 
gemeente gevoegd de vroeger tot de thans Belgische gemeente 
Eelen behoord hebbende buurtschap Daniëlsweert 

Grubbenvorst (bestaande uit de twee kerkdorpen Grubbenvorst 
en Lottum). 

Helden. 

Horst. Bij arrêté van den Prefect van het Departement der Roer 
van 24 Brumaire an IX (15 November 1800) werd deze 
gemeente opgeheven en uit haar en de gemeente Sevenum 
een nieuwe gemeente Horst en Sevenum gevormd (3). 

Deze nieuwe gemeente is opgeheven bij de Belgische Wet 
van den 13 Juni 1836 (Journal officiel de la Belgique N^XXX 
287) en uit de daarbij opgeheven gemeenten twee nieuwe 
gemeenten Horst en Sevenum gevormd. 

Die wet luidt: „Les villages de Horst et Sevenum, réunis 
„en une seule commune par arrêté du Préfet du Département 
„de la Roer en date du 24 Brumaire an IX, formeront deux 
„communes séparées; les limites de leur territoire respectif 
„sont fixées, telles qu'elles existaient avant leur réunion". 

Kaldenkirchen (gedeelte van — ). Dit gedeelte van deze thans 
Pruissische gemeente is gedeeltelijk gevoegd bij Tegelen, 
gedeeltelijk bij Belfeld. 

Bij Tegelen werden krachtens het grenstaat van 26 Juni 

1816 enkele perceelen gebracht, die bij K. B. van 24 Februari 

1817 met die gemeente bij Nederland kwamen. 

Bij Belfeld kwam bij de grensscheiding met Pruissen in 
1817 de buurtschap Molbeek. 

Kessel. 

Laurensberg (gedeelte van — ). Van deze vroeger tot het Rijk van 
Aken behoord hebbende gemeente maakt alleen een klein 
gedeelte deel uit van Limburg, nl. dat bij art. 18 van het grens- 
tractaat met Pruissen van 26 Juni 1816 daarvan is afgesneden 
en bij de gemeente Vaals gevoegd. 



(1) Off. blad V. Limburg n« 12. 

C») Adm. Memoriaal v. Limburg n' 87. 

(») Journal Officieel de la Belgique 1836 n« XXX 287. 



Digitized by 



Google 



— 205 — 

Limbricht. Reeds vereenigd met Guttekoven, dat voorheen deel 
maakte van het hertogdom Gulick. 

Maasbree. Bij Keizerlijk Decreet van 6 Februari 1812 werd de 
Staay, een binnen den kring van het fort St. Michiel liggend 
huis en tuin van deze gemeente afgescheiden en bij Venlo 
gevoegd. 

De gemeente bestaat uit de drie kerkdorpen Maasbree, 
Baerlo en Blerick. 

Meerlo. De gemeente bestaat uit de kerkdorpen Meerlo, Blitters- 
wijk en Swolgen en Tienray. 

Melick-en-Herkenbosch (met Dalenbroek; nml. het kasteel met 
zijn omgeving, de zetel der heeren van Dalenbroek) Melick 
en Herkenbosch zijn beide kerkdorpen. 

Millen (gedeelte van — ). Van deze gemeente is het gedeelte dat 
bij het grenstractaat met Pruissen van 26 Juni 1816 was 
afgescheiden en aan Nederland toegevoegd, bij K. B. van 29 
October 1817 bij de gemeente Nieuwstad gebracht; het be- 
stond uit twee of drie huizen, het huis genaamd Kellerij en 
een Watermolen. 

Mook-en-Middelaar. In den aanvang van het Fransch Bestuur 
zijn deze twee afzonderlijke gemeenten tot eene gemeente 
vereenigd. 

Het zijn twee kerkdorpen. In deze Gemeente ligt een veld 
bouwgrond, vormende een tiend blok genaamd Plasmolen, 
tiend, dat afkomstig is van de gemeente Groesbeek. 

Munstergeleen. Bij K. B. van 19 November 1817 werd de voor- 
uitstekende punt van de Pruissische gemeente Hillensberg 
met het gehucht Winteraken, dat aanvankelijk aan Nederland 
was toebedeeld, doch bij het grenstractaat van 1816 aan 
Pruissen was beloofd en bij het plaatsen der grenspalen in 
1817 tegen Scherpenseel was ingeruild, bij deze gemeente 
gevoegd. 

Ottersum. Wat bij de op den 12 Mei 1815 plaats gehad hebbende 
overgave van den rechter Maasoever van deze gemeente (die 
eertijds de voormalige heerlijkheid Kesselt uitmaakte) aan 
Nederland is gekomen blijkt niet duidelijk, maar het was in 
ieder geval een belangrijk deel, waartoe echter het Konings- 
veen en de gehuchten Veen (ook Holtere Veen genaamd) en 
Dam niet behoorden. 



Digitized by 



Google 



— 206 — 

Op den 25 Juni 1817 zijn de gehuchten Veen en Dam aan 
Nederland overgegeven en, zooals het schijnt, tegelijkertijd ook, 
als een gevolg daarvan en van art. 25 van het grenstractaat 
van 26 Juni 1816, het Koningsveen, dat bij dat artikel aan 
Nederland gelaten was. 

Bij K. B. van 29 October 1817 zijn die gehuchten bij 
Ottersum gevoegd en waarschijnlijk ook het Koningsveen 
dat sedert dien tijd bij Ottersum behoord heeft. 

In 1817 of 1818 is bij het stellen der grenspalen het van 
Weeze afgescheiden gedeelte van het gehucht Siebengewald 
bij Ottersum gevoegd. 

Bij het Reglement voor het bestuur ten platte lande van 
Limburg van 14 Februari 1818 (Adm. Memoriaal van Lim- 
burg n° 28bis) is Siebengewald weder van Ottersum afge- 
scheiden en bij Bergen gevoegd. 

Richterich (gedeelte van — ). Een klein gedeelte van deze voor- 
heen tot de heerlijkheid Terheiden in het hertogdom Gulick 
behoord hebbende gemeente is bij de grensscheiding met 
Pruissen in 1817 bij de gemeente Bocholtz gevoegd. 

Sevenum. Deze gemeente is bij de Belgische wet van 13 Juni 
1836 gevormd uit de daarbij opgeheven samengestelde ge- 
meente Horst en Sevenum. 

Sittard. Bij besluit van den Gouverneur vam Limburg van den 
15 October 1816 werd het door de grensscheiding met Pruissen 
in dat jaar van de gemeente Wehr afgescheiden gedeelte bij 
de gemeente Sittard gevoegd. 

Bij K. B. van 19 October 1817 werd dat grondgebied 
weder van Sittard afgenomen en daaruit de gemeente Broek- 
Sittard gevormd. 

Susteren. 

regelen. De tengevolge der grensscheiding met Pruissen van 26 
Juni 1816 van de gemeente Kaldenkirchen afgescheiden kleine 
gedeelten zijn bij K. B. van 24 Februari 1817 met de ge- 
meente Tegelen bij Nederland gekomen. 

Twisteden (gedeelte van — ). Bij het plaatsen der grenspalen tegen 
Pruissen in 1817 is een gedeelte dezer gemeente, die vroeger 
eene heerlijkheid was, afgescheiden en bij Bergen gevoegd. 

Urmond-en-Berg. Bij K. B. van 20 Maart 1844 (Adm. Memoriaal 



Digitized by 



Google 



— 207 — 

van Limburg n® 87) is bij deze gemeente ingelijfd het door 
de tractaten met België van 1839 en 1843 van de thans 
Belgische gemeente Meeswijk afgescheiden in de Maas gelegen 
eiland. Zij bestaat uit de twee kerkdorpen Urmond en Berg. 

Venray. 

Walbeek (gedeelten van). De gedeelten dezer gemeente die bij de 
grensscheiding met Pruissen in 1817 daarvan waren afge- 
scheiden zijn gedeeltelijk bij Arcen-en-Velden gedeeltelijk bij 
Bergen gevoegd. 

Wanssum. De gemeente bestaat uit de kerkdorpen Wanssum en 
Geysteren 

Weeze (gedeelte van — ). Een gedeelte van het tot deze gemeente 
behoorend gehucht Siebengewald is bij het stellen der grens- 
palen in 1817 of 1818 bij de gemeente Ottersum gevoegd. 

Bij het Reglement voor het bestuur ten platte lande van 
Limburg van 14 Februari 1818 is het deel van Siebenge- 
wald (1) weder van Ottersum afgescheiden en bij Bergen 
gevoegd. 

Wehr (gedeelte van — ). Uit het, door de grensscheiding met 
Pruissen, van deze gemeente afgescheiden gedeelte — dat bij 
besluit van den Gouverneur van Limburg van den 15 Oc- 
tober 1816 bij Sittard was gevoegd — is bij K. B. van 19 
October 1817, na afscheiding van Sittard, de gemeente Broek- 
Sittard gevormd. 
Wij hebben thans nog met een enkel woord te vermelden de 

kleine gedeelten grondgebied die thans tot Nederlandsch Limburg 

behooren en bij de verdeeling van 14 Fructidor an III (21 

Augustus 1795) onder het departement der Ourthe waren 

gebracht. 
Dit grondgebied bestond uit: 

5« Kanton Walhorn. 

Gemmenich (gedeelte van — ). Krachtens de tractaten van Londen 
van 1839 werden bij K. B. van 20 Maart 1844 de drie bij 
het grenstractaat met België van 1843 van deze Gemeente 
afgescheiden gedeelten bij de Gemeente Vaals gevoegd. 



i}) Een aanzienlijk deel, want het vormt cene afzonderlijke parochie. 



Digitized by 



Google 



16« Kanton Aubel. 

Sippenaken (gedeelte van — ). Bij K. B. van 20 Maart 1844 is 
het bij het grenst ractaat van België van 1843 van deze ge- 
meente afgescheiden gedeelte bij de gemeente Wittem gevoegd. 

17« Kanton Daelhem. * 

s'Gravenvoeren (Fouron Ie comte) (gedeelten van — ). Door de bij 
de wet van 18 April 1827 (Stbl n® 21) tusschen de provin- 
ciën Limburg en Luik vastgestelde grenslijn, zijn eenige ge- 
deelten van deze gemeente bij de gemeente Noorbeek gevoegd. 
Bij K. B. van 20 Maart 1844 is een ander gedeelte van 
s'Gravenvoeren, dat bij het grenstractaat met België van 1843 
was afgescheiden, bij de gemeente Mesch gevoegd. 

Moelingen (Mouland). Bij arrêté van den Prefect van de Neder- 
maas van 24 Juni 1807 zijn eenige kleine gedeelten dezer 
gemeente afgescheiden en bij de gemeenten Breust en Eysden 
gevoegd. 

Hetzelfde heeft plaats gehad bij de wet van 21 December 
1827 met vier andere stukken van Moelingen. 

3« Kanton Herstal. 

Lixhe (gedeelte van — ). Krachtens de tractaten van Londen van 
19 April 1839 en het grenstractaat tusschen Nederland en 
België op 8 Augustus 1843 gesloten, werd bij K. B. van 20 
Maart 1844 een gedeelte dezer j^emeente bij de gemeente 
Eysden gevoegd. 

In de verdeeling der Kantons onder de arrondissementen 
is bij de wet van 28 Pluvióse an VIII (17 Februari 1800) 
eenige wijziging gebracht, die echter voor ons onderwerp van 
geen belang is, terwijl niet met zekerheid is na te gaan of 
de omschrijving van elk kanton in 1800 nog dezelfde was. 



Digitized by 



Google 



III* AFDEELING. 



Politieke toestand na de Fransche Overheersching. 



Wij hebben in de eerste afdeeling gezien den politieleen toestand 
die de Franschen hier aantroffen bij hunne komst in deze gewes- 
ten op het einde der 18*^« eeuw; in de tweede afdeeling hebben 
wij uiteengezet de vele veranderingen achtereenvolgens door hen 
daarin gebracht. 

Thans gaan wij over tot het beschrijven der verschillende en 
in de grootste verwarring elkander opvolgende wijzigingen in den 
politieken toestand en van het grondgebied van Limburg, waar- 
door na verloop van vier jaren dit gewest onder het gezag van 
het koninkrijk der Nederlanden werd gebracht, waaronder het — 
eerst vereenigd met die landstreek, die thans Belgisch Limburg 
uitmaakt (voor het grootste deel het oude graafschap Loon) — 
en in 1839 daarvan gescheiden, nog behoort onder den naam van 
provincie Limburg, een naam die dit gewest in 1815 ontving, 
terwijl eerst in 1839 onze provincie door afscheiding van Belgisch 
Limburg, die gedaante en dien omvang kreeg welke zij thans 
bezit C^), na van 1830 tot 1839 met uitzondering van Maastricht, 
onder Belgisch gezag te hebben behoord. 

De voor Napoleon zoo noodlottige afloop van den veldtocht 
van Rusland was het begin van den ondergang der Fransche 
overheersching. Aan het einde van het jaar 1813 warende Fransche 
legers over den Rijn teruggedrongen en hadden de Noordelijke 
Nederlanden zich tot eenen zelfstandigen staat hervormd, onder 



Q) Behoudens de hiervoor vermelde toevoegingen van kleine gedeelten grondgebied 
van Pruisscn en België, voor zoover zij na 1839 zijn geschied. 



Digitized by 



Google 



— 210 — 

het bestuur van Willem van Oranje-Nassau, als Souvereine Vorst. 

In de Eerste dagen van 1814 betraden de legers der Verbon- 
dene Mogendheden aan den boven-Rijn het Fransch grondgebied, 
tengevolge waarvan de Franschen weldra ook den linker Rijn- 
oever, de Zuidelijke Nederlanden het prins-bisdom Luik en het 
niet bij de Zuidelijke Nederlanden behoorende gedeelte van Lim- 
burg met uitzondering van de vestingen Maastricht en Venlo 
ontruimden. 

Den 11 Januari 1814 trad de Pruissische generaal von Bülow 
met zijn legerkorps de voormalige Oostenrijksche Nederlanden 
bij Hoogstraten en Merxem binnen, terwijl op denzelfden dag de 
Russische generaal baron von Wintzingerode bij Dusseldorf over 
den Rijn trok en den W"^ dier maand Luik bezette. 

Reeds den 21 October 1813 hadden de Verbondene Mogend- 
heden de conventie van Leipzig gesloten, ten einde te kunnen 
voorzien in de besturen van de op Frankrijk veroverde landen, 
die niet onverwijld onder hunne vroegere bestuurders zouden 
terugkeeren. Bij die conventie werd met het voorloopig bestuur 
dier landen belast een Centraal Departement aan wier hoofd stond 
baron von Stein. 

Nadat de legers der Verbondene Mogendheden den Rijn waren 
overgetrokken werden die maatregelen van voorziening in het 
bestuur der veroverde landen ook toegepast op den Linker Rijn- 
oever, bij de conventie den 12 Januari 1814 te Basel gesloten. 

In die overeenkomst werden onder anderen de navolgende be- 
palingen opgenomen: 

In art. II. que ces pays seront administrés en chef par Ie Dé- 
partement central institué par la convention de Leipzig et qu*a 
eet effet Ie dit Département nommera des Gouverneursgénéraux. 

In art. V. qu*entre autres seraient formés les Gouvernements- 
généraux suivants: b celui du Rhin moyen comprenant les Dé- 
partements du Mont-Tonnerre, de la Sarre et de Rhin et Moselle, 
avec la ville de Trèves comme résidence du Gouverneur-général 
et les villes de Coblence et de Kreuznach comme résidences des 
Commissaires du Gouvernement; et c celui du Bas-Rhin, com- 
prenant les Départements de la Roer, de l'Ourthe et de la Meuse- 
Inférieure avec la ville d'Aix-la-Chapelle comme résidence du 
Gouverneur-général et les villes de Maestricht et de Liège comme 
résidences des Commissaires du Gouvernement. 



Digitized by 



Google 



— 211 — 

In art. VI (onder anderen) que les fonctions principaies du 
Gouverneur-général consisteront dans la perception et l'adminis- 
tration des revenus des pays occupés. 

En in art. VIII, que par suite de Toccupation de nouveaux 
territoires il sera créé d'autres Gou vernemen ts-généraux. 

Bij deze conventie waren drie tabellen gevoegd, waarin de bij 
art. V gevormde en volgens art. VIII nog te vormen generale 
gouvernementen werden opgenoemd met de voor ieder benoemde 
Gouverneurs-Generaal. In de derde dier tabellen werd als Gou- 
verneur-Generaal van den Neder-Rijn (de departementen der Roer, 
der Ourthe en der Neder-Maas) alzoo o. a. van al de thans de pro- 
vincie Limburg uitmakende streken, benoemd de „Conseillerd'Etat 
privé" Sack, en ten tweede een generaal gouvernement samenge- 
steld uit de departementen der Sambre en Maas, der Dyle en 
van Jemappe met Brussel tot hoofdplaats, waarover de Haron de 
Horst tot Gouverneur-Generaal werd benoemd. 

Den 16 Februari 1814 werd de oprichting van het Generaal- 
Gouvernement van den Neder-Rijn bekend gemaakt door den Prins 
Alexander van Solms, Gouverneur-Generaal van het Groothertog- 
dom Berg en zulks uit kracht eener aanschrijving van het tóén 
te Basel gevestigd Centraal Departement, van den 18 Januari 
bevorens, bij welke bekendmaking tevens werd kennis gegeven, 
dat hij — in afwachting dat de geheimraad Sack zelf het bestuur 
zoude aanvaarden — voorloopig daarmede was belast; dat Gou- 
vernements-Commissarissen waren benoemd en dat de bewoners 
der departementen der Roer, der Ourthe en der Neder-Maas zich 
naar de bevelen en verordeningen van deze commissarissen hadden 
te gedragen. 

De instelling van het Gouvernement-Generaal van den Neder- 
Rijn vond geene tegenspraak in het departement der Roer, maar 
gaf aanleiding tot groote moeielijkheden in het departement der 
üunhe en in dat der Neder-Maas. In ieder dier beide departe- 
menten toch was reeds eene centrale Gouvernements-commissie 
ingesteld, die uit naam der verbondene Mogendheden het bewind 
voerde over de door hunne legers bezette landstreken met uitzon- 
dering der generaliteitslanden, terwijl deze laatste landen werden 
bestuurd door de commissarissen van den Souvereinen Vorst der 
Vereenigde Nederlanden, Bangeman Huygens en van Hugenpoth. 



Digitized by 



Google 



— 212 — 

De voormelde Centrale Gouvernements-commissie was voor het 
Departement der Nedermaas ingesteld door den Russischen ge- 
neraal baron von Wintzingenrode, bij besluit van den 4 Februari 
1814, waarbij echter nog geene uitzondering was gemaakt voor 
de Generaliteitslanden. 

Het bestuur over de Generaliteitslanden werd door de voor- 
melde Commissarissen reeds vóór het uitvaardigen van dat besluit 
uitgeoefend, ingevolge opdracht van den Prins van Oranje. 

Tot den Staat der Vereenigde Nederlanden namelijk, waarin 
zich in November 1813 de voormalige Republiek der Vereenigde 
Provinciën hervormd had, behoorden aanvankelijk niet de voor- 
malige Generaliteits-Landen. Eerst nadat de Franschen deze landen 
ontruimd hadden, zijn zij bij de Vereenigde Nederlanden gevoegd. 

Voor het voormalig Staat-Brabant en Staats-Vlaanderen heeft 
dit plaats gehad bij besluit van den Souvereinen Vorst van 15 
December 1813; voor de voormalige binnen Limburg gelegen 
Generaliteitslanden, die langer dan Staats-Brabant en Staats- 
Vlaanderen in de macht der Franschen gebleven waren, had dit 
plaats bij besluit van 24 Januari 1814. Bij dit besluit werden de 
Heeren Bangeman Huygens en van Hugenpoth tot den Beren- 
clauw benoemd tot Commissarissen in de voormalige Generali- 
teits Landen, die geen deel uitmaakten van het departement van 
de Monden van den Rijn(i). 

Korten tijd na hunne benoeming begaven zich de Commissa- 
rissen naar den Generaal van Wintzingerode, ten einde hem met 
hunne opdrachten bekend te maken en met hem de gedane 
inbezitneming der Generaliteits-Landen te regelen. 

Hunne bemoeiingen hadden het gewenschte gevolg, want reeds 
den 9 Februari wijzigde de generaal van Wintzingenrode zijn 
besluit van den 4 bevorens en wel in dier voege dat het bestuur 
der commissarissen van den Prins van Oranje over de Genera- 
liteitslanden werd erkend. 

Dit besluit luidt als volgt: 



(*) Bij besluit van den Souvereinen Vorst van 10 Maart 1814 werd de heerlJernard 
Jan VrijthofF, officier van Justitie te Dordrecht tot derde commissaris benoemd, ter- 
wijl bij besluit van 3 April van hetzelfde jaar de Heer van Hugenpoth eervol als 
commissaris werd ontslagen. 



Digitized by 



Google 



— 213 — 

Armée combinée du Nord de 1'Allemagde. 

Armee Russe du Général en chef Baron de Wintzingerode. 

Ayant reconnu 1'urgence de changer plusieurs articles de mon 
arrêté en date du 23 Janvier (4 Février) 1816, par lequel j'ai 
établi Tadministraiion provisoire des Pays occupés par lesarmées 
Russes et qui formaient ie ci-devant Département de la Meuse- 
Inférieure, rappelle entièrement Ie dit arrêté, lequel doit êt-re 
envisagé comme non avenu et Ie présent seul être suivi. 

Article 1. 

La division actuelle de ce Pays en arrondissements, cantons, 
communes est maintenue provisoirement. 

Article 2. 

Toutes les attributions confiées ci-devant au Préfet et au con- 
seil de Préfecture, sont déléguées a une commission centrale de 
Gouvernement composé de cinq membres. 

Article 3 

Sont membres de cette commission, MM.: (}) 

Le Comte de Borchgrave d'Altena, père, 

Le Comte d'Ansembourg, ainé, 

M*^ van Slypen, 

M' de Leonaerdts, d'Achel, 

M' Leonard van der Maesen. 

Article 4. 

La résidence de la dite commission sera provisoirement a Liége, 
comme point central du passage des troupes. 



(1) Bij het gewijzigd besluit van 4 Februari 1814 was deze Commissie zamengeseld 
als volgt: 

Le Gïrate de Borgchrave d'Altena, 

Le Baron Rogalla Zawatzky de Bieberstein, 

Léonard van der Maesen, ancien secrétaire de la Haute Justice de Tongres, 

Gérard Rubens, 

G. T. L. de Schaetzen, ancien secrétiire de la ville. 



Digitized by 



Google 



- 214 — 

Article 5. 

Les attributions des sous-Préfets seront confiées a une commis- 
sion de trois membres pour chaque Arrondissement, dont les 
chef-lieux seront Hasselt, Ruremonde et St. Trond. 

Article 6. 

La commission centrale présentera les membres qui compose- 
ront les commissions des Arrondissements (i). 

Article 7. 

Les maires et les adjoints, avec les conseillers municipaux des 
villes et communes, de même que les commissaires de police des 
villes oü il y en a d'établis som provisoirement maintenus. 

Article 8. 
Attendu que la ville de St. Trond se trouve dépourvu de 



(1) In het gewijzigd besluit was in plaats van artikel O het navolgende opgenomen : 

Sont membres de la dito commission, savoir: 

Pour TArrondissement de Maestricht. 

Messieurs: 

van Muyssen, maire de Tongres, 

Rubens, fils ainé, 

de Tiecken, ancien capitaine hollandais. 

Pour TArrondissement de Hasselt, 

Messieurs: 

Antoine van der Straeten, 

Vroonen, ancien-notaire 4 Opheers, 

Le Baron Bonaventure de Heuscli. 

Pour l'Arrondissement de Ruremonde, 

Messieurs: 

van der Schoor, ancien drossard du Pays de Thorn, 

Le Baron de PoUart de Ruremonde, 

Magnée, avocat et propriétaire k Hornes. 

Waarom deze benoemingen werden ingetrokken en de wijze van benoeming ver- 
auflerd, is niet te begrijpen, daar de reden, die tot de gemaakte wijziging leidde, op 
die commissies van geen invloed was. Daarbij is niet duidelijk hoe de benoeming 
van de leden dier commissies plaats vond^ daar alleen wordt gezegd »que la com- 
*mission centrale présentera les membres, qui composeront les commissions des 
» A rrondissemen ts". 



Digitized by 



Google 



— 215 — 

maire et ad joints, la commission centrale nommera les maires et 
adjoints C^). 

Article 9. 

Tous les objets a requérir pour Ie service et Ie besoin des 
armées seront demandés a la commission centrale qui en fera la 
répartition entre les arrondissements, en suivant les proportions 
établies dans les répartitions de la contribution foncière; et les 
commissions secondaires feront les sous-répartitions entre les 
communes de leurs arrondissements respectifs. 

Article 10. 

Les octrois municipaux et Ie principal de la contribution fon- 
cière sont afifectés, en premier lieu, aux dépenses que ces objets 
entraineront. 

Article 11. 

Sont exeptés de ces dispositions les anciens pays hoUandais 
qui se trouvent situés dans Ie Département de la Meuse-Inférieure 
et qui se trouvent sous Tadministration particuliere des commis- 
saires de S. A. R. Ie Prince d'Orange, nommés a eet effet. 

Article 12. 

La commission centrale s'entendra avec les dits commissaires 
a regard des objets a requérir pour Ie service et les besoins des 



Q) In het gewijzigd besluit was dit artikel vervangen door de twee navolgende: 

Articlb 8. 

Attendu que la ville de S* Trond se trouve dépourvu de Maire et d*adjoints, une 
commission municipale de cinq membres est établie, ii laquelie sont déléguées les 
fonctions de maire et d'adjoints. 

Article 9. 

Sont membres de cette commission: 

Messieurs: 

Le chevalier iionaventure de Menten, 

de Stappers de Brustheim, 

van den Abeele, ancien-a vocat, 

van Hamme, avocat, 

Le chevalier de Creft van den Abeele. 



Digitized by 



Google 



— 216 — 

armées pour la part qu'ils doivent fournir conformément a l'art. 
9, et leur adresseront les demandes a ce sujet. 

Article 13. 

Le passage des troupes par la ville de Tongres n'étant plus 
frequent et le passage ordinaire ayant lieu par Liége, la commis- 
sion centrale du Département de la Meuse-Inférieure s'entendra 
avec celle du Département de l'Ourthe pour toutes fournitures a 
faire pour Tapprovisionnement des troupes passant par Liége. 

Donné au quartier général de Binch le 20 Janvier (9 Février) 1814. 

(Signé) Le Baron de Wintzingerode. 

Zooals wij gezien hebben ontstonden er bij het inwerkingtreden 
van het Generaal-Gouvernement van den Neder-Rijn moeielijk- 
heden ten gevolge van het gelijktijdig optreden der drie Besturen. 

Vooreerst toch werden de Generaliteitslanden bestuurd door 
de Commissarissen van den Prins van Oranje, met goedkeuring 
van den Generaal von Wintzingerode, die bij het uitvaardigen 
van zijn Besluit van 9 Februari handelde namens de Verbon- 
dene Mogendheden; 

het tweede Bestuur werd uitgeoefend namens de Verbondene 
Mogendheden door de Gouvernements-Commissarissen van het 
Generaal Departement van den Neder-Rijn, die hun gezag ont- 
leenden aan de Conventie van Bazel, en strekte zich uit over het 
gelieele Departement der Nedermaas, daaronder begrepen de Ge- 
neraliteitslanden, terwijl eindelijk het derde Bestuur, eveneens 
namens de Verbondene Mogendheden, werd gevoerd door de op 
eigen gezag door den Generaal von Wintzingerode over het 
departement der Nedermaas, ingestelde Centrale Commissie, echter 
met uitzondering der Generaliteitslanden. 

Deze moeielijkheden vonden hunnen oorsprong: 

1° in de bekendmaking van den Commissaris-Generaal (i) voor 



(1) In het departement der Nedermaas zijn de navolgende Commissarissen-Generaal 
opgetreden: 

1° de Heer Minuth, die, daar Maastricht nog in handen der Franschen was, te 
Roermond resideerde; 

2° de heer Koppe, die op den 11 Maart 1814 in zijne plaats werd benoemd, doch 
nimmer in dienst is getreden en wiens functiën werden uitgeoefend door de Heeren 
Heyden en Mertens, als tijdelijke plaatsvervangers; 



Digitized by 



Google 



— 217 — 

het departement der Nedermaas Minuth van 28 Februari 1814, 
waarbij hij de benoeming van den Geheim-Raad Sack tot Gou- 
verneur-Generaal van den Neder-Rijn mededeelde met kennisgeving 
dat hem — in afwachting van het optreden van den Heer Sack 
zelf — het bestuur zoowel civiel als militair in het departement 
der Nedermaas was opgedragen en dat alle inwoners en autori- 
teiten geen ander gezag dan het zijne hadden te erkennen ; 

2» in een den 3 Maart daaropvolgende door denzelfden Com- 
missaris-Generaal aan de Burgemeesters der voormalige Generali- 
teitslanden gericht schrijven — waarvan aan de Commissarissen 
van den Prins van Oranje was kennis gegeven — , waarbij de 
Heer Minuth, met herinnering aan zijne bekendmaking van 8 
Februari bevorens, alle inmenging van de zijde van den Souve- 
reinen Vorst der Vereenigde Nederlanden in het bestuur der 
voormalige Generaliteitslanden verbood, zoolang hem niet van 
wege de Verbondene Mogendheden eene wijziging in zijne ge- 
dragslijn was aangegeven. 

Dit schrijven eindigde met de navolgende zinsneden: 

„Ich mache Sie Herr Bürgermeister persönlich verantwortlich 
„dafür dasz Sie in diesem Departement keine andere oberste Ver- 
„waltungs Behörde als mich anerkennen und ich befehle Ihnen 
„ernstlich mit den sogenannten Hollandischen Commissariën sich 
„in keine Correspondenz ein zu lassen und deren anordnungen 
„keine Folge zu leisten. 

„Eine Ueberschreitung dieses Befehles wurde eine Widersetz- 
„lichkeit gegen die abnordnungen der hohen verbündeten darstellen. 

„Ich schreibe heute an die besagte Commissariën um dieselben 
„auf zu fordern sich vor der Hand und bis auf nahere Weisung 
„in die Verwaltung dieses Departements nicht zu mischen" 



3" De Heer Piautaz, voormalig prefect in Westphalen, die den 13 April 1814 in 
plaats van Koppe werd benoemd. 

Voor het departement der Roer heb ik niet kunnen ontdekken wie daar in den 
aanvang Commissaris-Generaal is geweest; op den U Maart 1814 is als zoodanig 
opgetreden de Heer Boelling, raadsheer in een Keizerlijk Hof. Het is mij onbekend 
hoelang hij zijne betrekking heeft vervuld en of hij door een anderen is vervangen 
In het Departement der Ourthe was tot Commissaris-Generaal benoemd de heer 
Koenen, raadsheer in het Keizerlijk Hof te Luik. 

15 



Digitized by 



Google 



— 218 — 

Deze moeielijkheden werden beslecht door den Kroonprins van 
Zweden (Bernadotte) die, als opperbevelhebber van de „Armée 
combinée du Nord de TAllemagne", bij een besluit den 6 Maart 
1814 in zijn hoofdkwartier te Luik gegeven (opgenomen in het 
Journal de Liége van 7 en 8 Maart) bepaalde dat de door den 
generaal von Wintzingerode ingestelde commissiën zouden gehand- 
haafd blijven, totdat de Gouverneur-Generaal Sack zelf het bestuur 
zoude aanvaarden en dat de door den Prins von Solms benoemde 
commissarissen bij de beraadslagingen dier commissiën konden 
tegenwoordig zijn. Dit besluit luidde als volgt: 

Armee combinée du Nord de l'Allemagne. 

Sur les réclamations qui ont été faites et par suite des plaintes 
qui ont été portées sur Ie conflit d'autorités, qui existe dans Tad- 
ministration du pays, S. A. R. Monseigneur Ie Prince Royal de 
Suède a jugé a pjopos de maintenir provisoirement et jusqu'a 
l'arrivée de M' Sack, conseiller d'Etat, les différentes commissions 
créées par M"^ Ie général en chef Baron de Wintzingerode, mais 
voulant concilier d'un cóté Tintérêt des Puissances alliées et dé 
Tautre cóté du Peuple, S. A. R. a décidé que les difiFérents com- 
missaires nommés par Ie Prince de Solms pourront assister aux 
délibérations des dites commissions. 

Il est donc enjoint aux commissaires de faire transcrire leurs 
pouvoirs sur leur régistre, afin qu'on puisse connaitre si leurs 
pouvoirs émanent d'autorité légitime. 

Au quartier général de Liège Ie 6 mars 1814. 
Par ordre de Son Altesse Royale 
(Signé) B. Sparre, sous-chef de TEtat-Major. 

Hoewel de commissarissen van den Prins van Oranje nu konden 
denken dat de moeielijkheden opgelost waren, begaf de commis- 
saris Bangeman-Huygens zich toch onverwijld bij den Generaal 
von Krüzemarck, Pruissisch minister bij het hoofdkwartier van 
den Kroonprins van Zweden te Luik, ten einde diens gevoelen 
in te winnen. Deze gaf als zijn oordeel te kennen dat de Souve- 
reine Vorst der Vereenigde Nederlanden zich in verbinding moest 
stellen met de generale Administratie te Basel en zich met die 
hoofd -administratie moest verstaan. 

De Commissarissen gaven den 5 Maart kennis aan den Com- 



Digitized by 



Google 



— 219 — 

missaris-Generaal voor de Buitenlandsche Zaken te s'Gravenhage zoo 
van den brief van den Heer Minuth als van hunne samenkomst 
met den Generaal von Krüsemarck en ontvingen als antwoord 
daarop eene nota gedagteekend 10 Maart 1814, begeleidende een 
besluit van den Souvereinen Vorst van denzelfden dag, waarbij 
hun werd opgedragen zich te begeven bij den Prins van Solms 
en bij hem aan te dringen op de bekrachtiging der bepalingen 
die ten hunnen opzichte waren gemaakt bij het besluit van den 
generaal von Wintzingerode en die door den Kroonprins van 
Zweden waren erkend. 

Na ontvangst van deze opdracht vertrokken de commissarissen 
Bangeman Huygens en Vrythof naar Düsseldorf, alwaar de Prins 
van Solms vertoefde, doch vernamen bij hunne aankomst aldaar, 
dat de Gouverneur-Generaal Sack bij proclamatie van 10 Maart in 
persoon het bestuur van het Gouvernement van den Neder- Rijn had 
aanvaard en dat aan den heer Mertens voorloopig het Commis- 
sariaat-Generaal over het Departement der Neder maas was opge- 
dragen. Daar de heer Sack zich ook te Düsseldorf bevond, ver- 
voegden zich de commissarissen tot hem en drongen er voor- 
namelijk op aan dat hun bestuur zoude bestendigd blijven, totdat 
door het Centraal Departement van Basel eene beslissing zou 
zijn genomen op de stappen, die van wege den Souvereinen Vorst 
bij die administratie waren gedaan. 

De Gouverneur-Generaal Sack verklaarde daarmede genoegen te 
nemen, mits echter de commissarissen alle aanspraken op de 
contributiën van de voormalige Generaliteitslanden zouden laten 
varen, hetgeen door deze werd aangenomen, onder voorbehoud 
van goedkeuring door den Souvereinen Vorst. 

Van nu af kwamen er weinig botsingen voor, hoewel nu en 
dan maatregelen van het bestuur van den Neder-Rijn daartoe 
aanleiding gaven. Het was echter te voorzien dat de ophanden 
zijnde overgave der vestingen Maastricht en Venlo weder nieuwe 
moeielijkheden zouden doen ontstaan. 

De ontruiming van deze plaatsen door de Franschen, was met 
het oog op het bezetten van Parijs door de Verbondene Mogend- 
heden en de verandering van Regeeringsvorm in Frankrijk, spoedig 
te verwachten. De vraag was nu welk bestuur ze moest in bezit 
nemen. 



Digitized by 



Google 



^ 220 — 

Maastricht was — zooals wij gezien hebben — vóór 1794 in 
onverdeeldheid bestuurd door den Hertog van Brabant en den 
Prins Bisschop van Luik en hoorde, wat betreft de rechten van 
den Hertog van Brabant, tot de Generaliteitslanden, terwijl de 
rechten van den Prins Bisschop van Luik — van wiens herstel- 
ling als wereldlijk vorst geen sprake meer kon zijn — werden 
uitgeoefend door den Gouverneur van den Neder-Rijn namens de 
Verbondene Mogendheden. 

Venlo was vóór 1794 Generaliteitsland geweest. 

Reeds bij het voormeld besluit van den Souvereinen Vorst 
van den 10 Maart 1814 was de aandacht der commissarissen op 
deze plaatsen gevestigd geworden. 

Bij het beleg van Maastricht hadden een duizendtal vrijwilligers 
uit de omliggende gemeenten op verzoek van den kommandant 
der blokkade militaire diensten verricht en de Commissaris-Gene- 
raal Mertens was dan ook met de commissarissen overeengekomen, 
dat de inbezitneming der vesting door de beide besturen gelijk- 
tijdig zoude geschieden. 

De heer Piautaz, die den 13 April in plaats van den heer 
Mertens als Commissaris-Generaal optrad, was echter van een 
ander gevoelen dan zijn voorganger, en het zal dan ook wel op 
zijn aandringen zijn geweest, dat in de goede gevoelens van den 
Gouverneur- Generaal Sack plotseling een omkeer kwam, want den 
18 April richtte hij het navolgend schrijven aan de commissaris- 
sen, waarbij hij hun mededeelde dat hij verder hun bestuur over 
de Generaliteitslanden niet meer wenschte te bestendigen: 

An die, zur Verwaltung der im Niedermaas 
Departement gelegenen ehemals hollan- 
disch gewesenen Districte, verordnete Her- 
ren Commissariën 

zu 

Lüttich. 

Den Herren Verwaltungscommissariën der im Niedermaas Depar- 
tement gelegenen ehemals hoUandisch gewesenen Districte glaube 
ich, durch mehrere Zeitumstande, namentlich durch die war- 
scheinlich nahe Ubergabe von Mastricht veranlast, eröflfnen zu 
mussen, dasz ich zwar wahrer Verehrung für des Prinzen von 



Digitized by 



Google 



— 221 — 

Oraniën Königliche Hoheit und nach ihren eignen Antrag um 
sie nicht bios zu stellen zur Entscheidung des obersten Verwal- 
tungs Departements für die eroberten Lander, es nachgegeben 
haben, dasz die Herren Commissariën die Leitung der Adminis- 
tration in den vsrmals gewesenen hollandischen Ortschafften vort- 
setzen könnten, in so fern diese Leitung bereits ven Ihnen ergriffen 
war, dasz es aber durchaus nicht meine Absicht, noch der 
Absprache unter uns gemass ist eine Erweiterung dieses Wir- 
kungskreises zu gestatten. 

Demzufolge habe ich den Herrn Gouvernements Commissair 
Piautaz beauftragt unmittelbar bei der Raumung von Mastricht 
die obere Leitung der civil und militair administration ohne alle 
Einschrankung zu übernehmen und nicht die geringste Einmischung 
zu gestatten. 

Ich bin überzeugt die Herren Commissariën werden Keine 
Schriite thun die diesen meinen getroffenen Verfügung entgegen 
werken könnten, denn in diesen Falie würde ich kraft des mir 
von den Hohen Verbündeten gegebenen allgemeinen auftrages zur 
Verwaltung des ganzen vormaligen Nieder-Maas Departements, 
mich genöthigt sehen die Herren Commissariën ganzlich ausser 
Fonction zu setzen. Aus diesem grunde fand ich auch gegenwar- 
tige öfFne Erklarung für zweckmassig und ersuche dieselben Sie 
in genauen Ueberlegung zu nehmen. 

Aachen den 18* April 1814. 

Der Königlich Preussische Geheime Staatsrath und General- 
gouverneur des Nieder-Rheins, Ritter des rothen Adler ordens. 

(Gez.) Sack. 

De commissarissen begaven zich, na ontvangst van dit schrijven, 
onmiddellijk naar Aken bij den Heer Sack, die, na langdurige 
besprekingen, op zijn voormeld besluit terugkwam en verklaarde 
erin toe te stemmen, dat zij met den Commissaris-Generaal Piautaz 
bij de inbezitneming van Maastricht zouden tegenwoordig zijn en 
dat zij zich na enkele dagen zouden begeven naar Valkenberg, 
ten einde van daaruit hun bestuur te voeren. De commissarissen 
namen hiermede weder genoegen, doch den 27 April kondigde 
een nieuw schrijven van den heer Sack hun aan, dat zij bij de 
inbezitneming van Maastricht en Venlo niet anders mochten 



Digitized by 



Google 



— 222 — 

tegenwoordig zijn dan als particuliere personen en dat de Hol- 
landsche militie niet mede binnen mocht marcheeren, maar moest 
gelicentieerd worden. Het gevolg van dit schrijven was eene 
nieuwe samenkomst tusschen de commissarissen en den heer 
Sack, waarbij werd overeengekomen dat, nadat de troepen der 
Verbondene Mogendheden Maastricht zouden bezet hebben, de 
Commissaris-Generaal Piautaz zich zonder ostentatie binnen de 
stad zoude begeven en aldaar zijne functiën uitoefenen en dat de 
vrijwilligers niet zouden gelicentieerd worden, 'maar bij de inbe- 
zitneming, in naam van den Souvereinen Vorst, mochten mede 
marcheeren. 

Wat betreft de vesting Venlo hadden de commissarissen, in- 
gevolge opdracht van den secretaris van Staat voor de binnen- 
landsche zaken van den 8 April 1814, den 13 April daaropvol- 
gende eene samenkomst met den kommandant der Pruissische 
belegeringstroepen, die hun de toezegging deed dat Hollandsche 
vrijwilligers in naam van den Souvereinen Vorst bij de inbezit- 
neming zouden tegenwoordig zijn. 

Terwijl de commissarissen in dezen stand van zaken de over- 
gave der beide vestingen te gemoet zagen, ontvingen zij den 3 Mei 
1814 van den secretaris van Staat voor de binnenlandsche zaken 
te 's Gravenhage een besluit van den Souvereinen Vorst gedag- 
teekend 30 April betrekkelijk het in bezit nemen der vestingen, 
forten en militaire etablissementen ten gevolge van het additioneel 
artikel der conventie op den 23 April tusschen de Verbondene 
Mogendheden en de Fransche Regeering gesloten. Onverwijld 
gaven de commissarissen kennis aan den Generaal-Generaal Sack, 
dat zij den last hadden ontvangen om de aan de Maas gelegen 
sterke steden van de onder hun bestuur staande streken namens 
den Souvereinen Vorst in bezit te nemen en verzochten hem alle 
eventueel aan den Commissaris-Generaal Piautaz verstrekte daar- 
mede strijdende orders in te trekken. Tegelijkertijd kondigden zij 
den maire en adjunct-maire van Venlo aan, dat de stad — na het 
vertrek van het Fransch Bestuur — aan den Souvereinen Vorst der 
Vereenigde Nederlanden moest overgaan en machtigden hen — 
voor het geval zij commissarissen verhinderd mochten zijn tijdig 
in de stad te komen — om zich met de municipale raden te 
constitueeren tot het provisioneel stadsbestuur. 



Digitized by 



Google 



- 223 — 

Bij het voormeld besluit van 30 April was tot het in bezit nemen 
van Venlo benoemd de heer van Hugenpoth; de commissarissen 
meldden deze benoeming daarom aan den maire enadjunct-maire 
met dezelfde machtiging als zij voor Maastricht hadden verstrekt 
en met kennisgeving dat zij hunne verdere instructiën van den 
heer van Hugenpoth hadden te ontvangen. 

De Gouverneur-Generaal van den Neder-Rijn richtte onmidde- 
lijk na kennisname van het besluit van 30 April een schrijven 
aan de commissarissen, inhoudende, dat hij alleen de administratie 
van Maastricht zoude overnemen, dat hij daarbij geene vreemde 
inmenging zou gedoogen en dat hij zijne instructies in dien zin 
aan den GouvernementsCommissaris had gegeven. 

De commissarissen stoorden zich echter hieraan niet, begaven 
zich den 4 Mei in Maastricht, dat op dien dag en op 5 Mei door 
de Franschen werd ontruimd en door Nederlandsche en Saxsische 
troepen onder den generaal von Gablenz bezet, en namen in den 
vroegen morgen van den 5 Mei bij Proclamatie de vesting namens 
den Souvereinen Vorst in bezit. 

Denzelfden dag ontving de maire van Maastricht een brief van 
den Heer Piautaz, waarbij hij kennis gaf dat het bestuur van 
Maastricht, te rekenen van dien dag aan hem moest komen, als 
zijnde hij door den Gouverneur-Generaal Sack daartoe beroepen. 

Den 8 Mei deed de heer van Hugenpoth zijne plechtige intrede 
in de vesting Venlo, zoodat nu alle Generaliteitsgemeenten, namens 
de Vereenigde Nederlanden waren in bezit genomen. 

Daags na de overgave van Maastricht, den 6 Mei hadden de 
commissarissen eene conferentie met den heer Piautaz, bij welke 
zij in zijn verlangen om in het bezit van de archieven der Pre- 
fectuur gesteld te worden toestemden, mits de Gouverneur-Gene- 
raal van den Neder-Rijn de Souvereiniteit van den Vorst der 
Vereenigde Nederlanden erkende, hun de Administratie van Maas- 
tricht liet behouden en hen niet beletten zou om kennis te nemen 
van de stukken betrekking hebbende op de Nederlandsche ge- 
meenten; zij namen er ook genoegen mede dat de heer Piautaz 
te Maastricht zoude resideeren. 

Den volgenden dag, 7 Mei, richtte de Gouverneur-Generaal Sack 
het navolgend schrijven aan de commissarissen, waardoor een 
einde kwam aan de oneenigheden, die zij met recht meenden te 
gemoet te gaan. 



Digitized by 



Google 



— 224 - 

A Messieurs les commissaires hollandois 
Bangemon Huysens et VrythofF 
a 

Maest richt. 

Messieurs. 

J'ai recu la lettre (sans date) que vous avez bien voulu m'écrire 
et qui m'est arrivée cette nuit par estafette. J'apprends par son 
contenu, ainsi que par Ie rapport de M' Ie commissaire de Gou- 
vernement sur ce qui s'est passé, que les troupes de S. A. R. Ie 
Prince d'ürange ont recu l'ordre d'occuper la forteresse de 
Maestricht comme garnison, mais que vous messieurs n'avez pu 
produire aucun ordre ou autorisation des Puissances alliées pour 
prouver votre mission de prendre, au nom du Prince d'Orange, 
possession civile de la dite place et de vous saisir même de son 
administration. De cette maniere rien n'est innové ou changé dans 
les relations que me prescrivent les relations, que J'ai recues 
de la part des Hautes Pruissances alliées; instructions qui sont 
rendues publiques et qui ne laissent pas Ie moindre doute sur 
ce, que Tadministration des trois Départements composant Ie 
Gouvernement-général du Bas-Rhin, ne me soit confiée dans toute 
son étendue. Vous auriez donc du vous borner a Tarrangement 
positif que nous avions pris ensemble et ne faire aucune démarche 
qui put excéder les bornes de ce que vous aviez fait antérieure- 
ment et cela jusqu'au moment ou les Puissances alliées auront 
décidé sur vos démarches antérieures, au sujet des communes 
qui anciennement ont fait partie de la HoUande. Enfin vous auriez 
du vous contenter d'entrer en particuliers a Maestricht, seule 
permission que j'avais donnée, et ne pas vous immiscer dans les 
affaires d'administration, puisque rien n'est changé dans la dite 
place, excepté que la garnison hollandaise a remplacé la garnison 
Irancaise. En n'observant aucun de ces arrangements, aucune de 
ces considérations, vous avez non seulement blessé la bonne foi, 
mais aussi 1'autorité des Hautes Puissances alliées, au point que 
je me vois obh'gé d'en faire mon rapport et d'abandonner a leurs 
Majestés la satisfaction qu'exigent ces procédés, car vous n'avez 
pas même (aussi peu que Ie Général Du Pont) observé les con- 



Digitized by 



Google 



— 225 — 

venances de la politesse dues a un commissaire de Gouvernement, 
qui agit au nom des Hautes alliées. 

Au reste Messieurs, pour ne pas faire soufFrir Ia chose publique 
par des écarts personnels je viens d'autoriser M' Ie Commissaire 
de Gouvernement a arranger ces différents avec vous, de maniere 
a ce que, relativement a Tadministration intérieure de Maestricht, 
vous entriez dans les mêmes relations et que vous ayez les mêmes 
facultés, qui vous étaient accordées jusqu'ici dans les autres 
endroits anciennement hollandais, savoir que vous ayez Padmi- 
nistration particuliere ou spéciale, maisseulement sousmadirection 
supérieure et en suivant exactement mes arrêtés et règlements, 
ainsi que ceux des autorités installées par moi, puisqu'elles agissent 
toutes au nom des Hautes Puissances alliées, jusqu'au moment oü 
ces Puissances en auront décidé autrement; que vous fassiez 
rentrer et verser dans les caisses de mon Gouvernement les 
contributions et autres fonds a percevoir et que vous soyez 
toujours prèts a donner les renseignements et les explications que 
les autorités sous mes ordres pourroient vous demander. Il s'entend 
de soi même que les Archives et tous les papiers quelconques 
leur soient desuite remis et que M^ Ie Général Du Pont leur prête 
main forte pour les enlever a Tancien préfet francais, qui n'a plus 
rien a faire a Maestricht, d'autant plus, que ces papiers concernent 
tout Ie Département de la Meuse Inférieure et même une partie 
des deux autres Départements de mon Gouvernement. 

En revanche vous pourrez faire un usage commun des papiers, 
dont vous aurez besoin pour l'administration locale de Maestricht 
et des autres endroits anciennement hollandais. 

Voila messieurs les seuls arrangements auxquels je puis me 
prêter et si, comme je ne doute pas, ils vous paraissent accep- 
tables, on pourra de suite regier les affaires en conséquence; au 
cas contraire je serais obligé de couvrir ma responsabilité en 
protestant formellement contre vos démarches et en vous rendant 
responsables des suites qui pourraient en résulter. 

Je vous prie d'arranger Taffaire a Maestricht même avec Mr. Ie 
Commissaire de Gouvernement Piautaz et j'cspère que vous verrez 
dans ce que je fais, une nouvelle preuve de ma haute vénération 
pour Ie Souverain Prince des Pays-Bas et son illustre maison, de 



Digitized by 



Google 



— 226 — 

même que de mon empressement a faire taire toute considération 
particuliere, lorsqu'il s'agit de servir la bonne cause. 

Recevez messieurs 1'assurance de ma considération distinguéc. 
Aix-la-Chapelle, Ie 7 Mai 1814. 

Le Gouverneur général du Bas-Rhin 
QSigné) Sack. 

Onverwijld hadden de commissarissen nu eene samenkomst 
met den Gouvernements-Commissaris, waarbij de navolgende 
overeenkomst tot stand kwam: 

Nachdem durch die Hollandischerseits geschehene militair und 
civil Besitznahme von Mastricht, es, zur Verhütung einer füralle 
interessirte Theile gleich nachtheiligen Störung in den Verwaltungs- 
geschaften, nothwendig geworden ist, bis zum Eingang der naheren 
definitiven Entscheidung des Höchsten Verwaltungs Rathes der 
eroberten Lande und mit Vorbehalt der Rechte aller interressirten 
Souverains, eine intermistische Einrichtung zu verabreden, so 
haben die unterzeichneten Commissariën S' Königl. Hoheit des 
Prinzen von Oraniën-Nassau Souverainen Fürsten der vereinigte 
Niederlande, mit dem gleichfalls unterzeichneten Gouvernements 
Commissair des Niedermaas Departements, beide mit Vorbehalt 
der höheren Genehmigung, folgende Uebereinkunft geschlossen: 

1.) Es wird, aus persönlicher Hochachtung gegen Seine gedachte 
Königl. Hoheit, von Seiten des General Gouvernements vom Nie- 
der Rhein und dessen agenten, bis zum Einzug der Befehle des 
Höchsten Verwaltungsrathes der eroberten Lande, kein ofFent- 
licher Schritt zur Missbilligung der von den Hollandischen Herren 
Commissariën einseitig geschehenen Militair und Civil Besitz- 
nahme der Stadt Mastricht weiter geschehen, und man wird die 
gedachten Herren Commissariën, von seiten des general Gouver- 
nements und dessen Agenten, in dieser Hinsicht im wesentlichen 
so behandeln, wie dies bisher in Ansehung der bereits früher iri 
Besitz genommenen Ortschaften im Niedermaas Departement 
geschehen ist. 

2.) Die Hollandischen Herren Commissariën verpflichten sich 
dahingegen, auf keine Weise und unter keinerlei Bedingung, die 
dem unterzeichneten Gouvernements Commissarius aufgetragen 
Verwaltung des Nieder-Maas Departements irgend eine Hindernisz 



Digitized by 



Google 



— 227 — 

m den Weg zu legen, vielmehr sind solche bereit und willich 
allen die Verwaltung betreffende Verfügungen des General Gouver- 
nements und der delegirten Agenten ohne Ausstand zu genügen 
und in den ihrer besondere Verwaltung überlassenen Ortschaften 
auch das prompteste, so wie bisher, genügen zu lassen. 

3.) In Ansehung der Municipal Verwaltung der Stadt Mastricht 
ist hiermit festgesetzt, dasz, in Erziehung auf die ehemals dem 
Fürst BischofF von Lüttich zugestandenen Rechte, alle municipal 
Beambten, durch einen gemeinschaftlichen Beschluss des unter- 
zeichneten Gouvernements Commissarius und den HoUandischen 
Herren Commissariën ernannt und bestellt werden sollen. 

4.) Wegen des von der französischen Garnison hier zurück- 
gelassenen Staatseigenthums soU, zwischen dem ehrstens hier 
eintreffenden Herrn General von Wollzogen und dem HoUan- 
dischen Herrn General Du Pont, das nöthige und angemessene 
verabredet werden. In jedem Fallen sollen dem gedachten Herrn 
General, so wie dem Herrn General Gouverneur vom Nieder- 
Rhein Abschriflen der hier aufgenommenen Inventariën und Ver- 
zeichnisse gegeben werden. 

5.) Sofort nach der Unterzeichnung dieser Uebereinkunft wird 
der unterzeichnete Gouvernements Commissair sich in den Besitz 
der vormaligen Praifectur, der Bureaux, der Archive und aller 
Papiere setzen, die zur Verwaltung des Departements gehören 
und es wird derselbe, sowohl diesserhalb als wegen Entfernung 
des hier noch befindlichen und die Uebergabe noch immer ver- 
weigerenden französischen Praifectur^ nöthigenfalls durch die hies- 
sige militair gewalt kraftig unterstützt werden. 

Dahingegen versteht es sich von selbst dasz den HoUandischen 
Herren Commissariën unweigerlich die etwa zur Verwaltung der 
HoUandischen Ortschaften nothwendigen Papiere und Documen- 
ten vorgelegt werden sollen, so wie denselben überhaupt die 
Benützung der sich hier befindlichen Hülfsquellen der Adminis- 
tration freisteht. 

Damit indesz, zur nachzeit der künftigen Landesverwaltung, 
die Archive und samtlichen Documenten nicht versplittert werden, 
so soU von eine Trennung der Archive die Rede nicht sein 
können, vielmehr die richtlichtste Sorgfalt zur bestmöglichster 
Erhaltung dieser wichtigen Hülfsquellen der Administration 
angewendet werden. 



Digitized by 



Google 



— 228 — 

Die Wohnungen in der Praifectur sollen für die HoIIandischcn 
Herren Commissariën sowohl als für den Gouvernements Com- 
missarius oder dessen Stellvertreter eingerichtet werden, so wie 
auch die beidenseitige Verwaltung darin Platz finden wird. 

6.) Die Verwaltungsbehörden sollen zur Sicherung der Gassen 
und Archive die nöthige militair Wache, so wie überhaupt zur 
ausführung der administrations Verfügungen, die etwo nöthige 
militair Hülfe nicht verweigert werden. 

7.) Beide Theile erklaren hierdurch dasz, da sie beiderseits den 
güten Zweck wollen, man sich über die etwo entstehenden Diffe- 
renziën auf eine offene und zutrauliche Weise vereinigen und alles 
entfernen werde was dem wesentHchen Interesse der Verwaltung 
schaden und den regelmassigen Geschaftsbetrieb Hindernisse in 
den Weg legen könnte. 

Diese Vereinigung soll bis zum Eingang der naheren Entschei- 
dung des Höchsten Verwaltungs-Rathes überall genau beobachtet 
und alles entfernt werden, was dem Ansehen des einen oder des 
anderen Theils auf irgend eine Weise schaden könnte. 

Zur urkunde is diese Verhandlung von beide Theilen durch 
die Unterschrift vollzogen worden. 

Maestricht, den 8 may 1814. 

(Gez.) Bangeman Huygens. 
VrijthoflF. 
Piautaz. 

Deze overkomst is door den Gouverneur-Generaal Sack op den 
10 Mei en daarna door den Souvereinen Vorst goedgekeurd. (De 
dagteekening dezer laatste goedkeuring is niet bekend). 

Hoewel Venlo niet in die overeenkomst begrepen was, werd 
het Nederlandsch bestuur van de zijde van den Gouverneur- 
Generaal van den Neder-Rijn niet lastig gevallen en vrijgelaten 
om deel te hebben in de Administratie dier stad. 

Zij bleef van kracht tot den 30 Mei 1814, toen het eerste 
Parijsche Vredesverdrag werd gesloten tusschen de Verbondene 
Mogendheden en Frankrijk. 

Bij het 6* der openbare artikelen van dat verdrag werd vast- 



Digitized by 



Google 



— 229 — 

gesteld dat Holland onder het Huis van Oranje geplaatst eene 
vergrooting van grondgebied zou verkrijgen (i). 

Bij het 3« en 4« der afzonderlijke en geheime artikelen, die bij 
dat verdrag behooren, werd bepaald, dat die vergrooting van 
grondgebied zoude bestaan uit de landen gelegen tusschen de 
zee, de grenzen van Frankrijk en de Maas; dat de grenzen op 
den rechter Maasoever zouden geregeld worden naar de eischen 
der militaire verdediging van Holland en zijne naburen en dat 
de Duitsche landen op den linker Rijnoever zouden dienen tot 
vergrooting van Holland en tot schadeloosstelling voor Pruissen 
en andere Duitsche staten (2). Er was alzoo aangenomen, dat de 
vergrooting van Nederland zich niet alleen zoude uitstrekken tot 
aan de Maas maar zelfs tot over die Rivier en op haar rechter 
over. Tengevolge van het vredesverdrag werd in eene op den 
opvolgenden dag (31 Mei) te Parijs tusschen de ministers der 
Verbondene Mogendheden gehouden conferentie bepaald, dat men 
de definitieve beschikking over de door Frankrijk afgestane 
landen en over die welke in Duitschland ter beschikking bleven 
van de Verbondene Mogendheden zoude verdagen tot de bijeen- 
komsten te Londen en te Weenen; dat men zich bepalen zoude 
met ze bezet te houden en wel onder anderen de landen op den 
linker Rijnoever tusschen die rivier, de Maas en de Moesel door 
Pruissische troepen en de Nederlanden links van de Maas door 
Hollandsche en Engelsche troepen onder den Generaal Graham, 
en dat de aldus bezette landen voorloopig door en voor rekening 
van de Mogendheden door wie ze bezet werden, zouden bestuurd 
worden (^), 

Deze bepalingen hadden in zooverre betrekking op de tegen- 
woordige provincie Limburg, dat de op den linker Maasoever 
gelegen gedeelten van de departementen der Nedermaas, der 
Roer en der Ourthe aan het Generaal-Gouvernement van den 
Neder-Rijn werden onttrokken en gebracht onder het Gouverne- 
ment van België en onder het bestuur van Nederland en Engeland 



(1) Pasinomie 2' Serie Tomé S**" en Lageraans, Recueil des traites et convention s 
conclus par Ie Royaume des Pays-Bas N. 2 Tomé I p. 10. 
O Lagemans Recueil N. 2, Tomé I, p. 15. 
(^ Martens, Nouveau Recueil de traites III 209 en circul. 2e Serie I 109, Nota 1. 



Digitized by 



Google 



— 230 — 

en dat de op den rechter oever dier rivier gelegen gedeelten, die 
onder het Generaal-Gouvernement van den Neder-Rijn bleven 
behooren, niet meer namens de Verbondene Mogendheden maar 
namens den Koning van Pruissen zouden bestuurd worden. 

Wij hebben hiervoor gezien dat bij de conventie van Basel 
van den 12 Januari 1814 was bepaald, dat uit de depar- 
tementen der Sambre en Maas, der Dyle en van Jemappe een 
Gouvernement te Brussel zoude worden opgericht. Vóór dat dit 
echter geschiedde, hadden de Hertog van Saxen- Weimar, bevel- 
hebber van het vereenigd Russisch-Pruissisch en Saxisch leger in 
Brabant en generaal von Bulow, bevelhebber van het derde 
Pruissische armee-corps, bij proclamatie gedagteekend Brussel 11 
Februari 1814, de hoofden hunner staven de generaals von WoU- 
zogen en von Boyen belast om uit naam der verbondene Mogend- 
heden eene provisioneele regeering in te stellen. Deze kwam den- 
zelfden dag tot stand en, nadat den 15 Februari enkele wijzigingen 
daarin waren aangebracht, werd het voorloopig bestuur geïnstal- 
leerd. Dit bestond uit de commissarissen generaal graaf van 
Lottum voor het militair en den heer Delius voor het burgerlijk 
bestuur, terwijl onder hen als Gouverneur van België optrad de 
hertog de Beaufort. Dit bestuur is in functie gebleven tot den 
23 Maart 1814, toen de door het Centraal-Gouvernement van 
Basel benoemden baron de Horst als Gouverneur-Generaal van 
België optrad. 

Den 5 Mei 1814 werd baron de Horst vervangen door den 
Oostenrijkschen Generaal baron de Vincent, die door den Keizer 
van Oostenrijk was benoemd, doch uit naam van de Verbondene 
Mogendheden het bestuur voerde en zich aan het hoofd van het 
Generaal-Gouvernement van België bevond, toen de hiervoor ver- 
melde veranderingen in grondgebied en bestuur tot stand kwamen. 

De dagteekening bestemd tot het in werking treden dier ver- 
anderingen was 16 Juni 1814 Op dien dag werd dan ook het 
gedeelte van het Generaal-Gouvernement van den Middel Rijn, 
gelegen op den linker Rijnoever, tusschen die rivier, de Maas en 
de Moesel gebracht onder het Gouvernement-Generaal van den 
Neder-Rijn en uit dit vereenigd grondgebied het van wege den 
Koning van Pruissen bestuurde Generaal-Gouvernement van den 
Neder en Middel Rijn samengesteld. 



Digitized by 



Google 



— 231 — 

Voor de op den linker Maasoever gelegen gedeelten van de 
drie departementen, die aan het Gouvernement van België moesten 
overgaan, werden de bij de conferentie van 31 Mei vastgestelde 
bepalingen vooralsnog niet nageleefd, zoodat de Gouverneur- 
Generaal Sack voortging ze te besturen. 

Ook ten opzichte van België zelf had de vastgestelde verande- 
ring niet plaats dan na het ondergaan van een groote verandering. 

Op den 21 Juni 1814 raadpleegden de Verbondene Mogendheden 
te Parijs zoo over de maatregelen die moesten genomen worden 
om de vereeniging van Holland en België tot stand te brengen 
als over die betrekkelijk de overgave van het voorloopig Gouver- 
nement van België aan den Souvereinen Vorst der Vereenigde 
Nederlanden en stelden bij een protocol de grondslagen daartoe 
vast, met bepaling dat de Souvereine Vorst uitgenoodigd zoude 
worden om die grondslagen van vereeniging te bekrachtigen. 
Tevens werd daarbij bepaald dat daarna door den Souvereinen 
Vorst een persoon van het voorloopig bestuur van België zoude 
worden aangewezen, die ter vervanging van den baron de Vincent 
het Land als Gouverneur namens de Verbondene Mogendheden 
zoude besturen tot aan de definitieve vereeniging, die daarbij werd 
uitgesteld tot op het tijdstip van de regeling der algemeene Euro- 
peesche belangen. Bij deze regeling werd het medebestuur van 
Engeland geheel ter zijde gesteld. 

Dit protocol werd bij afschrift door den Britschen gezant te 
'sGravenhage aan den Souvereinen Vorst medegedeeld. Deze ver- 
klaarde den 21 Juli 1814; dat hij de bij het protocol gestelde voor- 
waarden van vereeniging aannam, hetwelk geschiedde bij eene, op 
zijnen last door den Secretaris van Staat van de Buitenlandsche Zaken 
opgestelde en geteekende akte, waarin de grondslagen der even- 
tueele definitieve vereeniging van Noord- en Zuid-Nederland in 
acht artikelen, breeder dan in het protocol uitgewerkt, voorkwamen. 
De overgang van het provisioneel bestuur van België geschiedde 
den 1 Augustus 1814 doch niet aan een aangewezen Gouverneur- 
Generaal, maar aan den Souvereinen Vorst zelf als Gouverneur- 
Generaal namens de Verbondene Mogendheden (i). 



(1) Hier dient te worden opgemerkt dat de Prins van Oranje na die vereeniging 
in twee verschillende kwaliteiten optrad, namelijk voor de voormalige Generaliteits- 



Digitized by 



Google 



— 232 — 

Op denzelfden dag had de overgave door den Gouvernements- 
commissaris Piautaz plaats aan den Belgischen Gouvernements- 
commissaris van Panhuys, van de op den linker Maasoever gelegen 
gedeelten van het departement der Nedermaas, die geen Genera- 
liteitsland geweest waren. 

Eene dergelijke overgave door den Heer Piautaz van de op den 
linker Maasoever gedeelten der Ourthe aan den daartoe door het 
Belgisch Gouvernement gemachtigden Gouvernements-Commissaris 
Papin geschiedde den 18 Augustus 1814. De stad Luik, hoewel 
op den linker Maasoever gelegen, was van die overgave uitgezon- 
derd en onder het bestuur van den Gouverneur-Generaal van 
Neder- en Middel-Rijn gebleven. 

Daar de bij de conferentie van den 31 Mei onder het bestuur 
van Pruissen gebrachte en tot het Generaal-Gouvernement van 
den Neder- en Middel-Rijn vereenigde landen zich slechts uit- 
strekten tot aan de Maas en niet tot op den linker oever dier 
rivier, moest aan het Belgische Gouvernement overgaan het ten 
Westen van de Maas gelegen gedeelte van het Roerdepartement. 
Dat Gouvernement had dan ook reeds beschikkingen getroffen, 
die ook op dat grondgebied betrekking hadden. De Gouverneur- 
Generaal Sack stoorde zich echter aan niets, hield het op den 
linker Maasoever gelegen gedeelte van het Roerdepartement onder 
zijn bestuur en verklaarde uitdrukkelijk bij art. 11 van zijn besluit 
van den 12 September 1814 (i). „Le département de la Roer 
„conservera son precedent Domaine et Ie cercle de Glèves ren- 
«fermera encore les districts de Kesselt et Uffelt appartenant a 
„l'ancien duché de Gueldres et de Glèves". 

Tengevolge van de bepalingen van het protocol gemaakt in de 
hiervoor vermelde conferentie van den 26 Mei 1814 konden de 
commissarissen van den Prins van Oranje hun bestuur onge- 
stoord uitoefenen over de op den linker Maasoever gelegene 
voormalige Generaliteitsgemeenten, daar zij van de lastige inmen- 
ging van den Gouverneur-Generaal Sack waren bevrijd en het 
Belgische Gouvernement daarop geen aanspraak maakte. 

landen als Souvereine Vorst der Vereenigde Nederlanden, waarbij die landen be- 
hoorden en voor België als Gouverneur-Generaal namens de verbondene Mogend- 
heden. 

(1) Journal du Bas-Rhin et du Rhin Moyen 1814 n» 68. 



Digitized by 



Google 



— 233 — 

Deze gemeenten waren — voor wat aangaat de provincie Lim- 
burg — Maastricht, Vroenhof, Stevensweert (i), het gedeelte van 
Linne op den linkeroever (het grootste deel is op den rechter- 
oever gelegen) en het fort St. Michiel (behoorende bij Venlo), 
Op den rechteroever werden ongestoord bezeten, omdat zij door 
Nederlandsche troepen waren bezet, de stad Venio en het op 
dienzelfden oever gelegen gedeelte van Maastricht, nl. de voor- 
stad Wijk. 

Op den rechter Maasoever was het anders gesteld. Na de 
overeenkomst van den 8 Mei konden de commissarissen onge- 
moeid aldaar hun bestuur uitoefenen, doch slechts voor korten 
tijd, want reeds op 6 en 14 Juni hadden zij zich over steeds toe- 
nemende inbreuken daarop te beklagen. 

Nadat de Gouverneur-Generaal van den Neder- en Middel-Rijn 
bij proclamatie van 14 Juni het bestuur van dat gouvernement van 
wege Pruissen had aanvaard, namen zijne eischen gaandeweg toe. 

Het gevolg hiervan was dat de commissarissen, in antwoord op 
een door hen op den 18 Juni gegeven bericht door den Secretaris 
van Staat voor de Binnenlandsche Zaken te s'Gravenhage, bij 
brief van den 22 dier maand werden onderricht „dat het de 
„Intentie van den Souvereinen Vorst was dat alle reclamatiën 
„omtrent het territoriaal gezag werden vermeden en nagelaten 
„tot dat Z. K. H. in het bezit van België gesteld, zelf met meer 
„duidelijkheid den omvang van het grondgebied der Vereenigde 
„Nederlanden zou kunnen beoordeelen". 

Hoewel de Gouverneur-Generaal Sack was voortgegaan met 
willekeurig inbreuk te maken op de overeenkomst van den 8 Mei, 
had hij de rechten der commissarissen tot de administratie niet 
formeel betwist. Zoodra echter op den 1 Augustus de overgave 
van het op den linker Maasoever gelegen grondgebied van het 
departement van de Neder-Maas had plaats gehad, herriep hij die 
overeenkomst bij het navolgend schrijven namens hem door den 
Directeur du Cercle aan de Burgemeesters der voormalige Hol- 
landsche gemeenten gericht. 



Q) Dat is op den linkeroever van de, thans geheel uitgedroogde. Oude Maas, 
doch op den rechteroever van de Nieuwe Maas. Stevensweert vormde, toen de 
Oude Maas nog een stroomend water was, een eiland. 



16 



Digitized by 



Google 



— 234 — 

Maestricht, Ie 1 Aoüt 1814. 

LE DIRECTEUR DU CERCLE DE MAESTRICHT, 

A Messieurs les Bourgmestres des Communes 
ci-devant Hollandaises^ situées h la ville 
droite de la Meuse, 

Messieurs, 

Dans Ie moment oü, en vertu de la convention conclue entre 
les Hautes Puissances alliées Ie 31 Mai dernier, Ie Gouvernement 
général de la Belgique vient de prendre possession de toutes les 
parties de notre Département, situées a la rive gauche de la Meuse, 
Ie Gouvernement général du Bas-Rhin et du Rhin-Moyen, doit 
également étendre son administration sur tous les pays, sans 
distinction, situés a la rive opposée de cette rivière. 

Je suis chargé en conséquence Messieurs, de vous faire connaitre 
que S. E. Ie Gouverneur-général du Bas-Rhin et du Rhin-Moyen 
vient de révoquer formellement les concessions qu'il avait faites 
dans Ie tems a M. M. les Commissaires de S. A. R. Ie Prince 
d'Orange-Nassau a l'égard de 1'administration de vos Communes, 
et que cette administration doit être reprise par Ie Directeur du 
Cercle et exercée par lui exclusivement et sans aucun partage, 

Ainsi votre devoir cxige désormais que vous adressiez toutes 
vos demandes, tous vos rapports relatifs aux affaires de vos Com- 
munes directement a moi; que vous instruisiez vos administrés 
qui auraient des réclamations a faire, dans ce sens, et que vous 
vous opposiez formellement a ce qu'aucun fonctionnaire qui ne 
soit pas autorisé par Ie Gouvernement général, s'immisce dans 
Tadministration de vos Communes. 

Par suite des mêmes dispositions les Percepteurs des Contri- 
butions de vos Communes sont tenus de verser aussi directement, 
et sans intermediaire, les fonds qu'ils ont en caissc et les produits 
courans de leurs recettes, dans la caisse du Gouvernement-généraL 
Toute contravention les exposerait non seulement a être remplacés 
immédiatement; mais les mettrait en outre dans Ie cas d'être 
contraints militairement de payer une seconde fois les sommes 
portées a une caisse étrangère. 



Digitized by 



Google 



— 235 — 

Il est essentiel que vous donniez aux dispositions de la présente 
Circulaire toute la publicité nécessaire; et pour ce qui regarde 
les Percepteurs, je vous prescris de remettre a chacun d'eux, 
contre son récépissé, un des doubles exemplaires, que je vous 
envoye, afin qu'ils ne puissent, dans aucun cas, prétexter cause 
d'ignorance. 

J'aime a croire Messieurs les Bourgmestres, que vous vous 
soumettrez avec confiance a ce nouvel ordre de choses, et que 
vous ne voudrez point, par une desobéissance inutile et déplacée, 
vous exposer a perdre vos places et les bonnes graces du Gou- 
vernement-général. 

Recevez, Messieurs, mes salutations sincères. 

Le Directeur du Cercle, 
(get.) DE RHOER. 

Tengevolge hiervan onstonden er botsingen in het bestuur dier 
gemeenten, die door Pruissische militairen werden onderdrukt. 
De toestand werd daardoor voor de Nederlandsche ambtenaren 
onhoudbaar en werd beëindigd door het besluit van den Souve- 
reinen Vorst van den 11 Augustus 1814. 

Daarbij werd: 

in art. 2 „aan commissarissen gelast om aan de Burgemeesters 
»van de landen van Overmaze kennelijk te doen zijn dat de 
„Souvereine Vorst zonder hen te ontslaan van den eed aan hem 
„gedaan en van hunne verplichting jegens den Staat toegeeft, dat 
„zij door een lijdend gedrag en onderwerping aan het temporair 
„gezag, dat het Generaal-Gouvernement van den Neder- en Middel- 
„Rijn zich over hen aanmatigde, zich zelven en hunne mede- 
„ingezetenen zooveel mogelijk overlast en kwade bejegening be- 
„hoeden met belofte dat hij genoegzaam bekend met hunne trouw 
„en verkleefdheid, al hetgeen door hen in hunne hachelijke 
„situatie zou worden verricht, beoordeelen zou naar den onver- 
„wachten drang der omstandigheden en den vreemden invloed, 
„waaronder zij gedurende eenen korten tijd werkzaam zouden 
„moeten zijn". 

Bij art. 3: „aan den Militairen Gouverneur van Maastricht en 
„Kommandant van Venlo gelast zich te bepalen tot de bewaring 
„der hun respectievelijk toevertrouwde vestingen en zorg te dragen 



Digitized by 



Google 



— 236 — 

„dat in de Hollandsche gemeenten op den regter oever van de 
„Maas door detachementen of manschappen van hunne garnizoenen 
„geen beletselen werden in den weg gelegd aan civile of mihtaire 
„beambten van het Generaal-Gouvernement van Aken, welke zich 
„aldaar met eenige zending of last van hunne superieuren mogten 
„vertoonen." 

Bij art. 4 werd verklaard „dat de conventie op den 8 Mei 1814 
„door de Commissarissen met den Commissaris Piautaz aangegaan 
„werd gerekend vervallen te zijn uit hoofde van de daarmede 
„strijdige maatregelen door het Generaal-Gouvernement van Aken 
„genomen" en bevolen „dat door den Militairen Gouverneur aan 
„den Directeur du cercle de Maastricht op eene beleefde wijze 
„zou worden te kennen gegeven dat zijn verblijf aldaar en het 
„daar uitvaardigen van bevelen aan de Hollandsche autoriteiten 
„en beambten voortaan geen plaats meer zou kunnen vinden". 

Ingevolge den hun bij art. 2 verstrekten last, richtten de com- 
missarissen aan de burgemeesters der voormalige Generaliteits- 
gemeenten eene circulaire in den zin van dat artikel, terwijl de 
bepaling van artikel 4 betrekkelijk den Directeur du Cercle kwam 
te vervallen, dewijl deze bereids den 8 Augustus zijn verblijf van 
Maastricht naar Heerlen had overgebracht. 

Het bestuur van de commissarissen over de op den rechter 
Maasoever gelegen voormalige Generaliteitsgemeenten had dus 
van nu af opgehouden met uitzondering van Wijk en Venlo (over 
Stevensweert zie hiervoor). 

Daar Pruissen nu de vrije hand over het grondgebied behoo- 
rende tot het Generaal Gouvernement van den Neder- en Middel- 
Rijn, werd dadelijk met de organisatie dier landen begonnen. 

Den 12 September 1814 vaardigde de Gouverneur-Generaal Sack 
een arrêté uit (opgenomen in het Journal du Bas-Rhin et du 
Rhin-Moyen onder n*» 68) tot titel voerende „arrèté concernant 
„rétendue actuelle du gouvernement-général du Bas-Rhin et du 
„Rhin-Moyen, sa division et son administration intérieure". 

Daarbij werd onder anderen bepaald, in art. 1, dat de arrondisse- 
menten, kantons en gedeelten van de departementen der Ourthe 
en der Nedermaas, die tot het Generaal-Gouvernement behoorcn, en 
het gedeelte van het departement van Sambre et Meuse, dat door 
dat Gouvernement is in bezit genomen, zullen worden vereenigd 



Digitized by 



Google 



— 237 - 

tot een nieuw departement, dat van Meuse et Ourte, met Luik 
als hoofdplaats; 

in art. 2 dat de kantons Sittard en Heinsberg bij dit nieuwe 
departement werden gevoegd en de kantons Gulpen en Rolduc 
werden afgescheiden van het departement der Neder-Maas en 
gevoegd bij dat der Roer. 

De op den rechter Maasoever gelegen deelen van Limburg — 
met uitzondering van Wijk en Venlo (over Stevensweert zie 
hiervoor), die nimmer tot het Gouvernement van den Neder- 
en Middel-Rijn hebben behoord — hebben van dat Gouvernement 
deel blijven uitmaken, zooals wij hierna zullen zien, een gedeelte 
tot 16 October 1815, een klein gedeelte tot den 16 October 1816 
en eindelijk het laatste gedeelte tot in het begin van 1817. 

Bij de in 1816 en 1817 bij Nederland gevoegde gedeelten be- 
hoorde ook grondgebied van het groothertogdom van den Neder- 
Rijn en van de hertogdommen Cleve en Gelder, dat op den 5 
April 1815 door den Koning van Pruissen was in bezit genomen. 

Voor de op den linker Maasoever gelegen gedeelten van Lim- 
burg kon er van eene definitieve organisatie voorshands geen 
sprake zijn, zoolang de vereeniging van Nederland en België niet 
had plaats gehad. 

De door het Belgisch Gouvernement in bezit genomen gedeelten 
van de departementen der Neder-Maas en der Ourte werden niet, 
zooals dit met de op den rechter oever gelegen gedeelten dier 
departementen in het Gouvernement van den Neder- en Middel- 
Rijn had plaats gehad, vereenigd, maar bleven ieder op zich zelf 
ressorteeren onder eenen Gouvernements-Commissaris, waarvan 
die van de Neder-Maas te Hasselt en die van de Ourte te Herstal 
resideerde. 

In het bestuur der op den linker Maasoever gelegen voormalige 
Generaliteits gemeenten, die nu onbetwist aan de Vereenigde 
Nederlanden behoorden, kwam, evenals in dat van Wijk, en dat 
Venlo, die op den rechter oever lagen, geene verandering tot 
den 1 Januari 1815. Tot op dat tijdstip bleven die gemeenten 
onder de administratie der commissarissen, hoewel zij bij de 
Grondwet van 29 Maart 1814 reeds bij de provincie Brabant 
waren gevoegd. 

Bij art. 54 dier Grondwet was namelijk bepaald dat de Pro- 



Digitized by 



Google 



— 238 — 

vincie Brabant zoude bestaan „uit al de Landen en Steden voor 
^maals bekend onder den naam van Generaliteitslanden en uit 
„zoodanige andere, als in lateren tijd verkregen en daarbij ge- 
„voegd zijn". 

Bij besluit (wet) van den Souvereinen Vorst van den 20 Juli 
1814 (Stbl. n*» 84) werden daarbij gevoegd de heerlijkheid Nieuw 
Vosmaer en de polder Hinkelenoord, vroeger tot Zeeland behoord 
hebbende, alsmede zoodanige plaatsen van ouds tot de provincie 
Holland behoord hebbende en gelegen ten zuiden van het Hol- 
landsch Diep, den Biesbosch, het Bergsche Veld en de oude Maas 
tot bij Heusden met insluiting van die stad en het dorp Beern, 
wier ligging medebracht dat zij met de provincie Brabant onder 
hetzelfde bestuur vereenigd werden. Daartegen werd bij een ander 
besluit (wet) van denzelfden dag (Stbl. n'^ 83) daarvan afge- 
scheiden Staats- Vlaanderen en gevoegd bij de Provincie Zeeland. 

Bij wet van 10 Februari 1815 (Stbl. n* 14) werden nog aan 
Brabant toegevoegd alle verdere plaatsen van ouds tot de provincie 
Holland behoord hebbende en gelegen ten zuiden van het Hol- 
landsch Diep, den Biesbosch, de Merwede en de Maas. 

De overgang van de administratie der Generaliteitslanden op 
het bestuur der provincie Brabant had plaats ingevolge besluit 
van den Souvereinen Vorst van 23 December 1814. 

Daarbij was onder anderen bepaald: 

In art. 1: „dat de Commissarissen in de voormalige Generali- 
„teitslanden honorabel uit hunne functiën worden ontslagen en 
„derzelver administratie wordt gehouden voor ingetrokken met 
„den eersten Januari 1815." 

In art. 2: „dat het gezag óf van den Gouverneur óf van de 
„Staten dier provincie naarmate de aard der zake zulks zal mede- 
„brengen, dat der Commissarissen zal vervangen". 

In art. 3: „dat de besturen van Maastricht en Venlo onmiddel- 
„lijk met het hoofdbestuur der provincie zullen correspondeeren, 
„doch dat de Administratie van alle overige plaatsen zal geschieden 
„door tusschenkomst van den commissaris van het arrondissement 
„Eyndhoven". 

In den loop van het jaar 1814 waren in de provincie Brabant 
evenals in de overige provinciën der Vereenigde Nederlanden de 
samenstelling van Ridderschappen en Provinciale Staten en de 



Digitized by 



Google 



— 239 — 

benoeming van Gedeputeerde Staten tot stand gekomen en hét 
was dus onder dat provinciaal bestuur aan wiens hoofd sedert 
den 28 April 1814 de Gouverneur C. G. Hultman stond, dat de 
voormalige Generaliteits-gemeenten op 1 Januari 1815 over- 
gingen (1). 

Wij komen nu — zonder dat eenige wijziging in het bestuur 
der Vereenigde Nederlanden en van België is gekomen — tot de 
oprichting van het koninkrijk der Nederlanden bij besluit of 
proclamatie van den Souvereinen Vorst van den 16 Maart 1815 (2). 

Zooals wij hiervoor hebben gezien, was tot de vereeniging van 
Nederland en België besloten bij het Vredesverdrag van Parijs 
d.d. 30 Mei 1814, doch was bij protocol van 21 Juni daaropvol- 
gende bepaald, dat die vereeniging eerst zou plaats hebben bij de 
algemeene regeling van Europa. 

Tengevolge van den terugkeer van Napoleon van het eiland 
Elba op den 1 Maart 1815 besloot de Prins van Oranje die rege- 
ling echter niet af te wachten, maar het koningschap over de 
Nederlanden reeds bij proclamatie van 16 Maart daaropvolgende 
te aanvaarden (^. 

Hierdoor kwam echter geen verandering in het bestuur van 
Nederland en België, want de voor ieder land afzonderlijke ad- 
ministratie bleef voortduren. 

Intusschen waren de beraadslagingen van het Weener . Congres 
zoover gevorderd, dat was vastgesteld welk grondgebied op den 
linker Rijnoever aan Pruissen zoude komen en hoever het konink- 
rijk der Nederlanden zich op den rechter Maasoever zoude uit- 
strekken. 



(1) Hoewel art. 54 der Grondwet zich ook uitstrekte over de Generaliteits-ge- 
meenten op den rechter Maasoever en bij de organisatie der ridderschap en pro- 
vinciale staten ook inwoners dier gemeenten betrokken waren, spreekt het van zelf, 
dat deze gemeenten niet onder het provinciaal bestuur van Brabant ressorteerden, 
zoolang zij door den Gouverneur-Generaal van den Neder- en Middel- Rijn onder 
zijne administratie werden gehouden. 

O Het verdient vermelding dat in dit besluit de Koning den titel aanneemt van 
hertog en niet dien van groothertog van Luxemburg. Eerst in een besluit van 
7 Mei 1815 luidt de titel: groothertog. 

De bijvoeging van hertog van Luxemburg geschiedde, zooals het besluit vermeld 
«uit hoofde der afzonderlijke betrekkingen, welke dat landschap bestemd is om met 
«Daitschland te onderhouden». 

O Passinomie 2« serie 2, pag. 5. 



Digitized by 



Google 



— 240 — 

Voor wat Nederland betreft waren die bepalingen opgenomen 
in de tusschen dit koninkrijk op den 31 Mei 1815 met Oostenrijk, 
Engeland, Pruissen en Rusland gesloten overeenkomsten. 

De Koning van Pruissen had — zooals reeds is vermeld — 
de hem toebedeelde landstreken, namelijk het groot hertogdom 
Tan den Neder-Rijn en de hertogdommen Cleve en Gelder 
reeds op den 5 April 1815 in bezit genomen. 

Reeds vóór de dagteekening der voormelde overeenkomsten 
van 31 Mei 1815 werden ook aan Nederland overgegeven de 
daaraan toegevoegde gedeelten op den rechter Maasoever. Zij om- 
vatten echter behalve de rechts ook de links van de Maas gelegen 
gedeelten van het Roerdepartement en vervolgens de rechts van 
de Maas gelegen gedeelten van de departementen der Nedermaas 
en der Ourthe, die thans deel uitmaken van de provincie Lim- 
burg, met uitzondering van die gedeelten die — zooals bij de 
omschrijving der gemeenten hiervoor is vermeld — op verschil- 
lende latere dagteekeningen aan Nederland zijn overgegaan. Tot 
de overname daarvan was aangewezen de Heer J. G. Verstolk 
van Soelen, gezant bij het Hof van Rusland, terwijl de overgave 
werd gedaan door den Gouvernements-commissaris Piautaz bij 
publicatie van den 12 Mei 1815. 

Wij laten deze Publicatie hier in haar geheel volgen: 

Les décisions du Congres de Vienne portant qu'il sera fait 
cession a S. M. les Roi des Pays-Bas-Unis, Grand-Duc de Luxem- 
bourg, &c. &c. d'une partie du Gou vernemen t-Général du Bas- 
Rhin & du Rhin-Moyen, Ie soussigné Commissaire du Gouver- 
nement de Meuse-&-Ourte, en vertu des ordres qui lui ont été 
communiqués & des pleins pouvoirs qui lui ont été donnés par 
Son Exc. Ie Gouverneur- Général du Bas-Rhin & Rhin-Moyen, a 
l'efFet d'effectuer la remise des parties cédées a Son Excellence 
Mr. Verstolk de Soelen^ envoyé extraordinaire & ministre plé- 
nipotentiaire désigné de S. M. Ie Roi des Pas-Bas prés S. M. 
rÉmpereur de toutes les Russies, chargé de la prise de possession 
de ces parties, porte a la connoissance des Fonctionnaires publics 
& de tous les habitans des parties cédées qu'il a fait la remise, 
en date d'aujourd'hui 12 Mai 1815, a Son E. Mr. Verstolk de 
S0EI.EN; savoir: 

„Des cantons & parties de cantons situés a la gauche d'une 



Digitized by 



Google 



— 241 — 

ligne tirée de la frontière francaise a la rive gauche de la Moselle, 
en remontant cette dernière rivière jusqu'a rembouchure de la 
Sure, en remontant la Sure Jusqu'a rembouchure de FOurte, & 
rOurte jusqu'aux limites du département de l'Ourte; cette ligne 
suivra les limites des cantons de St.-Vith, Schleiden, Cronem- 
bourg, Malmedy, Eupen, laissera a la Prusse Ia partie du canton 
d'Aubel, au midi d'Aix-la-Chapelle, de maniere que tirée du Sud 
au Nord elle coupera ladite partie du canton d'Aubel, et se pro- 
longera jusqu'au point de contact des trois départemens, de TOurte, 
de la Meuse inférieure & de la Roer(i): en partant de ce der- 
nier point, la frontière suivra la ligne qui sépare ces deux der- 
niers départemens jusqu'a ce qu'elle atteint la rivière de Worm, 
qui a son embouchure dans la Roer, & suivant Ie cours de la 
rivière de Worm jusqu'au point oü elle touche de nouveau les 
limites de ces deux départemens, & longeant en même tems les 
dites limites a gauche, jusqu'a ce qu'elle arrive au Sud de Hil- 
lenberg (ce village restant a la Prusse); en tirant alors une ligne 
du Midi au Nord elle coupe Ie canton de Sittard a peu-près en 
parties égales, laissant a gauche les villes de Sittard & de Sus- 
teren jusqu'a ce qu'elle atteint l'ancien territoire HoUandais, en 
laissant ce territoire a gauche, & suivant les limites jusqu'au point 
oü elles atteignent l'ancienne Gueldre autrichienne. Partant de ce 
point, la ligne se porte directement sur la trontière oriëntale de 
Tancien territoire HoUandais, & laissant ce territoire dehors avec 
les pays situés entr'eux, cette ligne continue jusqu'a l'ancienne 
limite Hollandise, a la droite de Mook, en restant autant que 
possible sur tous les points a une distance egale de la Meuse". 

Le Commissaire du Gouvernement, en vertu de ses pleins 
pouvoirs, délie de leurs sermens & obligations contractés envers 
le Gouvernement-Général du Bas-Rhin & du Rhin-Moyen, les 
Fonctionnaires publics & les habitans qui se trouvent sur le ter- 
ritoire situé a la gauche de la ligne qui vient d'être tracée, les 
remercie de la part de S. Exc. le Gouverneur-Général, de la 
fidélité & du dévouement qu'ils ont manifestés, & les invite a 

(1) De tot hier beschreven grenslijn heeft geene betrekking op de Provincie Lim- 
burg, behalve voor wat betreft het in de laatste plaats genoemde rakingspunt der 
vier Departementen, waar thans neutraal Moresnet ligt, waarin Nederland, Pruissen 
en België bijeenkomen. 



Digitized by 



Google 



— 242 — 

porter les mêmes sentimens au tróne du Prince, qui est désor- 
mais appelé a régner sur eux, & dont les hautes lumières leur 
sont la garantie de leur prospérité future. 

L'administration des parties cédées est confiée a S. Exc. Mr. 
Verstolk de Soelen, auquel toutes les Communications doivent 
ètres faites, a compter d'aujourd'hui, a sa résidence de Liége. 

La démarcation définitive des frontières sera faite par une 
Commission spéciale déléguée ad hoc^ & portee ultérieurement a 
la connoissance du public. 

La présente publication sera envoyée a toutes les autorités 
des parties cédées, pour être affichée & publiés aux lieux accouiumés. 
Liége, Ie 12 Mai 1815. 

Le Commissaire du Gouvernement pour Ie départe- 
ment de Meuse'&'Ourte^ Commissaire spécial dilégué 
pour la remise des parties du territoire du Gou- 
vernement'Général du Bas-rkin & du Rhin-moyen 
qui passent sous la domination de Sa Mojesté le 
Roi des PayS'BaS'UniSy Grand-Duc de Luxembourg, 
PIAUTAZ. 
Op denzelfden dag dat de overgave plaats vond, richtte de 
Gouvernements Commissaris Piautaz zijn afscheid „Aux Habitans 
du Département de Meuse et Ourte" en de Heer Verstolk van 
Soelen zijn welkomsgroet aan „de Burgemeesteren der Gemeenten 
behoorende tot het Generaal-Commissariaat te Luyk". 

Ook de mededeeling van deze twee weinig bekende proclamaties 
achtten wij hier niet van belang ontbloot. 

Liége, le 12 Mai 1815. 

Aux Habitans du département de Meuse-et-Ourte. 

- Au moment oü, en vertu de décisions supérieures, je quitte les 
fonctions de Commissaire du Gouvernement de ce département 
pour faire la remise de la partie cédé, aux Gommissaires délégués 
par Sa Majesté le Roi des Pays-Bas, Grand-Duc de Luxembourg, 
j'éprouve un véritable besoin de m'entretenir avec vous pour la 
dernière fois & de vous témoigner combien cette séparation m'est 
pénible. 

En m'éloignant de vous, braves habitans du département de 



Digitized by 



Google 



— 243 — 

Meuse &-Ourte, il m*est doux de penser que si les circonstances ne 
m'ont pas toujours permis de faire tout Ie bien que j'aurais désiré, 
au moins vous reconnaitrez ma bonne volontè & les efforts que 
j'ai faits pour alléger & adoucir autant que possible les charges 
inséparables, qu'entraïne Ie séjour d'nne armee nombreuse & les 
sacrifices indispensables pour reconquérir & assurer Ie repos de 
TEurope. 

Vous allez passer sous la dominiation d'un Prince, uni par les 
Hens du sang a mon Auguste Souverain; ayez, pour lui Ie même 
dévouement, la même fidélité; il protègera votre commerce, 
votre industrie, votre agriculture: Tespoir du bonheur futur, qui 
vous est réserve sous son règne paternel, apporte quelqu'adou- 
cissement a la douleur, que j'éprouve en me séparant de vous. 

Soyez heureux, braves Liégeois, & vous tous, loyaux habitans 
du département de Meuse-&-Ourte! je me rappellerai toujours, 
avec une vive reconnoissance, Tattachement & la confiance dont 
vous n'avez cessé de me donner des preuves, & votre bonheur 
& votre prospérité feront toujours Tobjet de mes voeux les 
plus chers. 

Le Commissaire de Gouvernement pour Ie 
département de Meuse- Sr-Our te, 
(Signé) PIAUTAZ. 

Luik, den 12 Mei 1815. 
Myne Heeren, 

Ik doe ulieden met de tegenwoordige missive toekomen de 
Proclamatie van Zyne Majesteit de Koning der Nederlanden, Prins 
van Oranje-Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, in dato van 
den W^ Maart laatstleden en die by welke ik in naam van Zyne 
Majesteit bezit neem der aan Hoogstdezelve, overeenkomstig de 
bepaalde omschrijving, toegewezen Landen. Gy zult dezelve on- 
verwyid onder het luiden der klokken en met behoorlyke plegtig- 
heid in uwe gemeenten doen afkondigen en aanplakken, waar 
zulks te doen gebruikelyk is. 

Gylieden zult, Myne Heeren, provisioneel in uwe functien 
voortgaan; ik verheuge my in de betrekkingen welke tusschen 
ons gaan bestaan en ik houde my verzekerd, dat gylieden met 



Digitized by 



Google 



— 244 — 

uwe gewone bereidvaardigheid zult medewerken tot alle de maat- 
regelen, welke zyne Majesteit de Koning, Onze Doorluchtige 
Souverein, voor het geluk zyner volken zal noodig oordeelen. 

Ik heb de eer, Myne Heeren, ulieden van myne hoogachting 
te verzekeren. 

De Commissaris-Generaal van den Koning der 
Nederlanden^ Prins van Oranje-N assau^ Groot 
Hertog van Luxemburgs enz., enz. enz., ter in 
bezit neming der aan Hoogstdenzelven toege- 
wezen landen, Hoogstdeszelfs gedesigneerde 
buitengewoon Gezant en gevolmagtigd Minister 
by zyne Majesteit den Keizer aller Russen, 
(,get.) J. G. VERSTÜLK VAN SOELEN. 

Daags na de inbezitneming (13 Mei 1815) werden de in bezit 
genomen voormalige Generaliteits-gemeenten op den rechter 
Maasoever met de provincie Brabant vereenigd, evenals zulks 
krachtens art. 54 der Grondwet, ten aanzien der steden Venlo en 
Maastricht bereids had plaats gehad met bepaling dat „alles wat 
„het financieele en de schatkist betreft aan den Heere Gommis- 
„saris der Financiën resideerende te Luik zal worden gedeman- 
„deerd en dat de gemeentebesturen, met uitzondering van hetgeen 
„de financiën betreft, met den Gouverneur der Provincie door 
„middel van den Commissaris in het arrondissement Eindhoven 
„zullen correspondeeren". 

Het overige in bezit genomen grondgebied bleef als departe- 
ment van de Maas-en-Ourthe onder het bizonder bestuur van 
den Commissaris-Generaal Verstolk van Soelen en wel tot de 
oprichting en samenstelling der provinciën Limburg en Luik. 

Bij K. B. van 24 Augustus 1815 werd de Grondwet van het 
Koningrijk afgekondigd. Daarbij werd, in art. 2, bepaald, dat de 
provincie Limburg (i) zoude zijn samengesteld uit het geheel depar- 
tement van de Beneden-Maas (d. i. Nedermaas) en die gedeelten 



(') Hier komt voor het eerst de naam Limburg voor, als die van ons gewest. 
Het blijft een raadsel hoe men den naam van het oud, door de Franschen op het 
einde der IS*" eeuw opgeheven hertogdom heeft kunnen geven aan een landstreek, 
die daarmede zoo weinig had te maken, zooals uit het eerste deel van ons artikel 
uitvoerig blijkt. 



Digitized by 



Google 



^ 245 — 

van de Roer, die volgens het tractaat van Weenen tot het Rijk 
behoorden en de provincie Luik uit het departement der Ourthe, 
met uitzondering van dat gedeelte, dat bij dit tractaat van het 
koninkrijk afgescheiden was. 

Deze bepaling trad echter niet eerder in werking dan op den 
9 October daaropvolgende, zoodat tot op dien dag de besturen 
van den gouverneur van Brabant, en van den Commissaris- 
Generaal Verstolk van Soelen, zooals deze op 13 Mei waren 
ingesteld, bleven voortduren. 

Bij K. B. van den 2 October 1815 namelijk werd bepaald, dat 
het Generaal-Commissariaat over den rechter Maasoever op den 
9 dier maand zoude zijn opgeheven en daarbij bevolen, dat het 
Bestuur zoude overgaan op de gouverneurs der provinciën Lim- 
burg en Luik. Tenzelfden tijde werden de voormalige Generali- 
teitslanden van de provincie Brabant gescheiden en bij de pro- 
vincie Limburg gevoegd. 

Hoewel het besluit, waarbij het Gouvernements-Gommissa- 
riaat te Hasselt is opgeheven en de sedert 1 Augustus 1814 tot 
het Gouvernement van België behoorendc landen aan de provincie 
Limburg zijn overgegaan, mij niet bekend is, kan men veilig 
aannemen dat dit omstreeks denzelfden tijd is geschied, daar er 
geen reden denkbaar is, waarom de samenstelling der provincie 
Limburg niet in eens zoude hebben plaats gehad. 

Wanneer men de bij de overname van 12 Mei 1815 omschreven 
grensscheiding nagaat, valt terstond in het oog hoe oppervlakkig 
en onbestemd zij was vastgesteld. Hetzelfde was het geval bij de 
landstreken die op den 5 April 1815 door Pruissen waren in 
bezit genomen. 

Deze grensscheidingen waren dan ook slechts voorloopig en 
moesten in overeenstemming gebracht worden met de tractaten 
van 31 Mei 1815 en met de Weener slotakte, terwijl daarenboven 
eenige moeielijkheden moesten uit den weg geruimd worden, 
ontstaan over de juiste scheiding van enkele gemeenten, die op 
de grenzen lagen. 

Dit geschiedde bij het grenstractaat op den 26 Juni 1816 tusschen 
Nederland en Pruissen gesloten (i), dat op 15 Juli en 7 Augustus 
werd geratifieerd. 

(1) Staatsblad 1850, n^ 10 en Adm. Memoriaal voor Limburg 1817, n^ 15. 



Digitized by 



Google 



— 246 — 

Bij art. 26 van het grenstractaat was bepaald dat, nademaal 
niettegenstaande de reeds genomene renseignementen en de op- 
meting die reeds geschied was, het echter nog mogelijk zou 
zijn dat eenige Pruissische aanhoorigheden dichter dan achthon- 
derd Rijnlandsche roeden tot dje Maas naderden, de afstand dier 
vooruitspringende gedeelten bepaaldelijk op al de punten bij het 
zetten der grenspalen, nauwkeurig opgenomen zou worden en dat 
overal waar het gebied der Nederlandsche gemeenten Pruissen 
niet op den afstand van achthonderd roeden van de Maas zou 
houden, eene op den afstand van de Maas aan die rivier even- 
wijdig getrokken lijn de grensscheiding uitmaken zou^ en bij 
art. 39 dat daar, niettegenstaande de zorg, die de tot het sluiten 
van het tractaat benoemde commissiën gedragen hadden, om al 
de zich opgedaan hebbende zwarigheden uit den weg te ruimen, 
het echter mogelijk was, dat er zich nog andere zouden opdoen 
bij het plaatsen der grenspalen, zoodanige commissiën onder wier 
leiding deze verrichtingen plaats zou hebben, gemachtigd zouden 
zijn, om al die zwarigheden te vereffenen en in het bijzonder om, 
na de plaatselijke autoriteiten te hebben gehoord, al de geschillen 
te beoordeelen, die wegens de onzekerheid der grensscheidingen 
van eenige gemeenten, zouden kunnen ontstaan. 

Ten gevolge van deze bepalingen zijn bij het plaatsen der grens- 
palen in 1817 nog drie gedeelten van Pruissische gemeenten bij 
Nederland gekomen. 

Welke gedeelten dii zijn en tevens welke deelen reeds te voren 
door de inbezitnemingen van 5 April en 12 Mei 1815 en van 16 
October 1816 aan Nederland waren gekomen, (welke gedeelten óf 
tot op zich zelfstaande gemeenten zijn gevormd, óf bij andere 
ingelijfd), blijkt uit de omschrijving, die wij hiervoor hebben 
gegeven van alle gemeenten die thans deel uitmaken van de pro- 
vincie Limburg. 



Wij komen nu tot het tijdperk der Belgische revolutie die op 
den 24 Augustus 1830 te Brussel was uitgebroken, doch zullen 
het alleen behandelen voor zoover betreft de provincie Limburg. 

Als eerste gevolg van de omwenteling vormde zich te Brussel 
op den 24 September 1830 een voorloopig gouvernement onder 
den naam van „commission adminstrative". 



Digitized by 



Google 



— 247 — 

Op den 26 en 28 dier maand breidde die commissie het aantal 
harer leden uit en nam den titel aan van „Gouvernement Provisoire". 
Bij besluit van den 4 October daaropvolgende van dat Provi- 
sioneel Gouvernement werd de onafhankelijkheid van België 
geproclameerd en in den loop van diezelfde maand werd een 
gouverneur voor de Provincie Limburg en werden districts-commis- 
sarissen voo,r de districten Maastricht en Roermond benoemd. 
Inmiddels ging ook de vesting Venlo naar de zijde van België 
over, zoodat de omkeering van zaken zich ten volle in onze 
provincie deed gevoelen, die, met uitzondering van Maastricht en 
St. Pieter, geheel tot België behoorde. 

Nadat de pogingen om den voortgang der revolutie te stuiten 
waren mislukt, werd, bij K. B. van Koning Willem I, van 4 
October 1830, de tijdelijke waarneming van het bestuur over al die 
gedeelten der zuidelijke provinciën, waar het Nederlandsch gezag 
nog erkend werd, aan den Prins van Oranje opgedragen. Bij besluit 
van dien Vorst, gegeven te Antwerpen den 7«° dier maand, werd 
het voorloopig bestuur georganiseerd, doch reeds bij besluit van 
den 16 van dezelfde maand werd daarin verandering gebracht, 
door aan de gouverneurs en gedeputeerde staten voorloopig op 
te dragen de afdoening van alle zaken die daarvoor vatbaar moch- 
ten zijn, met last om zich tot Hem te wenden, ingeval zijne 
beslissing noodzakelijk mocht zijn. 

Ook deze bestuursregeling duurde niet lang, want bij K. B. van 
20 October 1830 werd de aan den Prins van Oranje gegeven 
macht herroepen en daarbij verklaard, dat het grondwettig gezag 
des Konings zich voortaan zoude bepalen, tot de noordelijke 
provinciën, tot zoolang ten aanzien der zuidelijke provinciën 
met overleg der Bondgenooten zoude zijn beslist. Bij een tweede 
besluit van denzelfden dag werd bepaald dat de gouverneurs 
en gedeputeerde staten der provinciën Limburg en Antwerpen 
zich in de gevallen bedoeld in het besluit van 16 October respec- 
tievelijk zouden behooren te wenden tot de opperbevelhebbers in 
de vestingen Maastricht en Venlo, aan wie de uitoefening werd 
opgedragen van het bij dat besluit aan den Prins van Oranje 
toegekende gezag. 

Deze bestuursregeling was eveneens van korten duur, want bij K.B. 
van den 8 April 1831 werd bepaald, dat in de provincie Limburg 



Digitized by 



Google 



— 248 — 

de gouverneur zoude worden vervangen door eenen buitengewonen 
commissaris — Jhr. J. E. P. E. Gericke van Herwijnen, — bij welk 
besluit tevens het gezag van den opperbevelhebber van Maastricht 
onveranderd werd gehandhaafd. 

In dit bestuur kwam weder spoedig eene verandering door het 
K. B. van 13 Juni 1831, waarbij werd bepaald dat het college 
van gedeputeerde staten van Limburg voorloopig en in afwach- 
ting dat de omstandigheden zouden veroorloven het door ver- 
kiezing in den wettigen vorm wederom volledig te maken, zoude 
worden vervangen door eenen Provincialen Raad, samengesteld 
uit vier leden, onder het voorzitterschap van den buitengewonen 
commissaris en geassisteerd door den griffier der Staten. 

Het hier medegedeelde heeft slechts betrekking op Maastricht 
en St. Pieter, welke gemeenten, steeds onder Nederlandsch gezag 
zijn gebleven. 

Voor wat betreft de tot België overgegane landstreken was de 
toestand als volgt: 

Nadat, zooals wij op de vorige bladzijde hebben gezien de on- 
afhankelijkheid van België was geproclameerd, constitueerde zich 
op den 11 November 1830 het Nationaal Congres, in wiens handen 
het op 26 en 28 September ingestelde Provisioneel Gouverne- 
ment zijne macht neder legde. Denzelfden dag echter werd dat 
Provisioneel Gouvernement weder door het Congres hersteld en 
bekleed met de uitvoerende macht. 

Na het op den 11 Februari 1831 afkondigen van de constitutie 
van 7 Februari 1831 benoemde het Congres op voorstel van het 
Provisioneel Gouvernement op den 24 dier maand den baron de 
Surlet de Chokier tot Regent (i). Deze aanvaardde den dag daarna 
het bestuur, waardoor dat van het Provisioneel Gouvernement 
een einde nam. 

Bij besluit van het Nationaal Congres van den 4 Juni 1831 
werd de Prins van Saxen-Coburg als koning der Belgen uitge- 
roepen, waardoor de Regent zijne waardigheid in de handen van 
het Nationaal Congres nederlegde. 



(*) De Heer de Surlet heeft tijdens het Fransch bestuur deel uitgemaakt van de 
Administration Centrale du département de la Meuse-Infórieure te Maastricht zete- 
lend. (Over deze administratie zie hiervoor). 



Digitized by 



Google 



— 249 — 

Gedurende de tijdruimte tot 1839 heeft het grondgebied van 
de tegenwoordige provincie Limburg — behalve voor wat be- 
treft de vestingen Maastricht en Venlo, die, gelijk wij zeiden, 
steeds bij Nederland zijn gebleven . — derhalve bij België be- 
hoort. De enkele kleine veranderingen die in den territorieelen 
toestand der gemeenten gedurende dit tijdvak en in latere jaren 
zijn gekomen, hebben wij hiervoor bij de omschrijving der ge 
meenten vermeld en wij behoeven dus daar niet meer op terug 
te komen. 



Digitized by 



Google 



IV- AFDEELING. 



De inbezitneming van Limburg door Nederland in 1839 
en Limburg met betrekking tot den Duitschen Bond. 



Wij zullen in deze afdeeling een kort overzicht geven van de 
inbezitneming van het gedeelte der provincie, dat thans Neder- 
landsch Limburg uitmaakt, maar vooral van de daarmede innig 
samenhangende verhouding, waarin onze provincie Limburg tot 
den Duitschen Bond heeft gestaan. Wij kunnen hier met des te 
meer grond van onse provincie spreken omdat haar grondgebied, 
zooals het thans is afgebakend en samengesteld, eerst tot stand 
is gekomen na hare afscheiding van België; ook hare betrekking 
lot den Duitschen Bond is een gevolg van de scheiding van België 
en Nederland geweest, meer bizonder van den afstand van een 
deel van het groothertogdom Luxemburg aan België. 

Voor het juiste verstand van het in deze afdeeling behandelde 
moeten wij met een enkel woord terugkomen op het hiervoren 
medegedeelde. 

Reeds bij het vredesverdrag van Parijs van 30 Mei 1814 was 
de vereeniging van België met de Noordelijke Nederlanden vast- 
gesteld door de bepaling van art. 6, dat Holland, onder het Huis 
van Oranje geplaatst, eene vergrooting van grondgebied zou ver- 
krijgen en door de bepalingen van het 3* en 4« der afzonderlijke 
en geheime artikelen van dit verdrag, dat die vergrooting van 
grondgebied zoude bestaan uit de landen gelegen tusschen de zee, 
de grenzen van Frankrijk en de Maas en dat de Duitsche landen 
op den linker Rijnoever zouden dienen tot vergrooting van Hol- 



Digitized by 



Google 



— 25] — 

land enz. Tevens was bij art. 6 van dat verdrag bepaald dat de 
Duitsche Staten, onafhankelijk, doch door een „lien fédératif' 
verbonden zouden zijn. 

Vervolgens werd bij de Weener Congresakte bepaald: 

In art. 65. „Les anciennes Provinces Unies des Pays-Bas et les ci- 
„devant provinces belgiques, les unes et les autres dans les limites 
„fixées par Tarticle suivant formeront conjointement avec les pays 
„et territoires designés dans Ie même article, sous la souveraineté 
„de S. A. R. Ie prince d'Orange-Nassau, prince-souverain des 
„Provinces-Unies, Ie royaume des Pays-Bas. 

In art. 67. „La partie de l'ancien duché de Luxembourg, com- 
„prise dans les limites specifiées par Partiele suivant est également 
„cedée au prince souverain des Provinces-Unies, aujourd'hui 
„roi des Pays-Bas pour être possédé a perpétuité par lui et ses 
„successeurs en toute propriété et souveraineté. Le souverain des 
„Pays-Bas ajoutera a ses titres celui de grand-duc de Luxem- 
„bourg" etc. 

„Le Grand-Duché de Luxembourg, servant de compensation 
„pour les principautés de Nassau-Dillenbourg, Siegen, Hadamar 
„et Dietz, formera un des Etats de Ia Confédération Germanique (i), 
„et le prince, roi des Pays-Bas entrera dans le système de cette 
,,confédération comme grand-duc de Luxembourg, avec toutes les 
^prérogatives et privileges dont jouiront les autres princes alle- 
,,mands". 

In art. 70" „S. M. le Roi des Pays-Bas renonce a perpétuité 
,,pour lui et ses descendants et successeurs, en faveur de S. M. 
„le Roi de Prusse aux possessions souveraines que la Maison 
„Nassau-Orange possédait en AUemagne" etc. 

In art. 71 „Le droit et Tordre de succession établi entre les 
„deux branches de la Maison de Nassau par l'acte de mille sept 



Q) De <G)nfédération Germanique» of Duitsche Bond was ingesteld bij art. 53 
van dit verdrag, luidende: «Les princes souverains et les villes libres de TAllemagne, 
»en comprenant dans cette transaction LL. MM. Tempereur d'Autriche, les rois de 
•Prusse, de Danemark et des Pays-Bas et nommément Tempereur d*Autriche et le 
>roi de Prusse, pour toutes celles de leurs possessions qui ont anciennement appar- 
•tenu ^ TEmpire Germanique; le roi de Danemarck, pour le duché de Holstein, le 
»roi des Pays-Bas pour le grand-duché de Luxembourg établissent entre eux une 
«confédération perpétuelle qui portera le uom de Confédération Qermanique». 



Digitized by 



Google 



— 252 - 

„cent quatre vingt trois, dit Nassauischer-Erbverein, est maintenu 
„et transféré des quatre principautés d'Orange-Nassau au grand- 
„duché de Luxembourg". 

Wij hebben hiervoor gezien dat de Souvereine Vorst — door 
de opschudding veroorzaakt door den terugkeer van Napoleon 
van het eiland Elba — zich bereids den 16 Maart 1815 en dus 
vóór het eindigen van het Weener Congres, tot koning der Neder- 
landen had laten uitroepen, dat tengevolge van de Belgische 
revolutie, die op den 24 Augustus 1830 uitbrak, de afscheiding 
van België van het Koningrijk der Nederlanden plaats vond en 
dat op 4 Juni 1831 de Prins van Saxen-Coburg tot koning der 
Belgen werd uitgeroepen. 

Nadat tusschen de jaren 1830 en 1839 de vijf groote Mogend- 
heden te Londen maatregelen trachten te treffen om een vergelijk 
tusschen Nederland en België tot stand te brengen, welke pogingen 
echter, ddn door den onwil van de eene, dén door dien van de 
andere partij, mislukten en zulks niettegenstaande de onafhankelijk- 
heid van het koninkrijk België reeds in de conventie van 15 No- 
vember 1831, tusschen de Mogendheden en Koning Leopold geslo- 
ten, en bekend onder den naam van de 24 artikelen, was erkend. 

Eindelijk traden echter de gemachtigden der Mogendheden te 
Londen zoo krachtig op, dat beide partijen toegaven en de tracta- 
ten van Londen van 19 April 1839 tot stand kwamen (i). 

Tengevolge hiervan werd dus een einde gemaakt aan de ver- 
ecniging der thans de provincie Limburg uitmakende gemeenten 
(uitgenomen Maastricht en St. Pieter) (*) met België. 

Art. I bepaalde: „dat het Belgische grondgebied zal zamengesteld 
„zijn uit de provinciën enz. zoodanig als dezelve behoord hebben 
„tot het in 1815 gevestigde koningrijk der Nederlanden met uit- 
„zondering van de districten der provincie Limburg aangewezen 
„in art. IV. Het zal bovendien bevatten dat gedeelte van het 
„Groot Hertogdom Luxemburg, hetwelk in art. II wordt aan- 
geduid." 

In aansluiting met dat artikel bepaalde art. IV: „Ter uitvoering 
„van artikel I hetwelk betrekking heeft op de provincie Limburg, 



(ij Suatsblad 1815, n» 26. 

(') Wij hebben gezien dat deze beide gemeenten nimmer tot België hebben behoord. 



Digitized by 



Google 



— 253 — 

„en tengevolge van den afstand van grondgebied, dien Zijne 
„Majesteit de Koning der Nederlanden, Groot-Hertog van Luxem- 
„burg in artikel II doet, zal gezegde Zijne Majesteit, hetzij in 
„deszelfs hoedanigheid als Groot-Hertog van Luxemburg, hetzij 
„om met Holland vereenigd te worden, de landstreken bezitten, 
„waarvan de grenzen hieronder worden aangewezen: 

1® Op den rechter oever der Maas: 

„Bij de voormalige HoUandsche enclaves op gezegden oever in 
„de provincie Limburg zullen gevoegd worden de districten dier- 
„zelfde provincie op denzelfden oever, welke in 1790 niet aan de 
„Siaten-Generaal toebehoorden, in dier voege, dat het gedeelte 
„der tegenwoordige provincie Limburg, hetwelk op den rechter 
„oever der Maas gelegen, en tusschen deze rivier ten Westen, 
„de grenzen van het Pruisisch grondgebied ten Oosten, de tegen- 
„woordige grens der provincie Luik ten Zuiden, en Hollandsch 
„Gelderland ten Noorden begrepen is, voortaan geheel en al aan 
„Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden zal toebehooren, 
„hetzij in deszelfs hoedanigheid als Groothertog van Luxemburg, 
„hetzij om met Holland vereenigd te worden". 

2"- Op den linker oever der Maas: 

„Te beginnen van het zuidelijkste punt der HoUandsche pro- 

„vincie Noordbrabant, zal er eene lijn getrokken worden, 

„welke, boven Wessem, tusschen deze plaats en Stevenswaardt, 
»op de Maas zal uitloopen, ter plaatse alwaar zich op den linker 
„Maasoever de grenzen der tegewoordige arrondissementen van 
„Roermond en Maastricht aanraken, in dier voege, dat Bergerot, 
„Stramproy, Neer-Itteren, Ittervoordt en Thorn met derzelver 
„gebied, gelijk mede alle de andere plaatsen, ten Noorden van 
„deze lijn gelegen, een deel van het HoUandsche grondgebied 
„zullen uitmaken. 

„De voormalige HoUandsche enclaves in de provincie Limburg 
»op den linker Maasoever, zullen aan België toebehooren, met 
„uitzondering van de stad Maastricht, welke, met een gebied van 
„twaalf honderd vademen in doorsnede, te rekenen van het uit- 
„wendig glacis der vesting op gezegden oever van die rivier, bij 
„voortduring in volle souvereiniteit en eigendom door Zijne Ma- 
wjesteit den Koning der Nederlanden zal worden bezeten". 

Tengevolge dier tractaten werd, bij besluit van den 12 Juni 



Digitized by 



Google 



— 254 — 

1839, aan M' A. J. Borret, lid van den Raad van State en aan 
Jonkheer J. E. P. E. Gerricke van Herwijnen, buitengewoon 
commissaris bekleed met het opperste burgerlijk gezag in de 
provincie Limburg de taak opgedragen om de bij art. 4 aange- 
wezen deelen van Limburg in bezit te nemen, hetgeen geschiedde 
namens den Koning-Groothertog bij proclamatie van 's Konings 
Commissarissen van 22 Juni en het daarbij afgekondigde Konink- 
lijk besluit van 12 Juni 1839. 

Het bestuur dier in bezit genomen landen werd voorloopig uit- 
geoefend door voormelde commissarissen, terwijl voor wat betreft 
Maastricht en St. Pieter het bestuur bleef opgedragen aan den 
Commissaris bekleed met het opperste burgerlijk gezag in de 
provincie Limburg. 

Nadat bij K. B. van 24 September 1840 (Stbl. n« 61) was ver- 
klaard, dat de grondwet, zooals zij, tengevolge der wetten van 
den 4 dier maand (Stbl. n*> 48 tot en met 59) was veranderd en 
vermeerderd, in het hertogdom Limburg dezelfde kracht had als 
in de overige deelen van het koninkrijk, ving Limburg aan officieel 
deel uit te maken van Nederland. 

Als gevolg daarvan werden bij K. B. van 12 Januari 1841 de 
Commissaris, belast met het opperste burgerlijke gezag in Limburg 
en de commissarissen belast met het voorloopig bestuur der weder 
in bezit genomen landstreken van Limburg ontslagen en een 
gouverneur van de provincie aangesteld nml. de Staatsraad Jhr. 
Gericke van Herwynen hier voorgenoemd. 

Bij K. B. van 8 October 1841 (Stbl. n^ 64) werd de Provin- 
ciale Raad van Limburg voor ontbonden verklaard van het oogen- 
blik dat het collegie van gedeputeerde staten van Limburg zou 
in functie getreden. 

Er bleef nu nog over te voldoen aan art. 6 van de tractaten 
van Londen, waarbij was bepaald dal grenzen zouden getrokken 
worden door Belgische en Nederlandsche Commissarissen, die te 
Maastricht zouden bijeenkomen. Die grenstrekking heeft plaats 
gehad en is opgenomen in het tusschen Nederland en België op 
den 8 Augustus 1843 (Stbl. 1844 n** 12) gesloten tractaat. Het is 
bij dit in September 1843 door de beide Regeeringen bekrachtigd 
tractaat, dat de bij de proclamatie van 22 Juni 1839 nog niet 
in bezit genomen gedeelten aan Nederland zijn gekomen. De 



Digitized by 



Google 



— 255 — 

inbezitneming daarvan heeft plaats gehad op 23 October 1843 (}). 

Wij komen nu tot de toetreding van ons gewest tot den 
Duitschen Bond. 

Hiervoor hebben wij gezien dat bij art. IV van de Londen- 
sche tractaien was bepaald, dat een gedeelte van het groot- 
hertogdom Luxemburg bij België werd gevoegd en dat de 
Koning-Groot-Hertog in de plaats daarvan zoude bekomen de in 
dat artikel vermelde landstreken van Limburg, hetzij in deszelfs 
hoedanigheid als Groot-Hertog van Luxemburg, hetzij om met 
Holland vereenigd te worden. 

Eene vraag die zich door de bijvoeging „hetzij in deszelfs hoe- 
„danigheid als Groot-Hertog van Luxemburg, hetzij om met 
„Holland vereenigd te worden", heeft opgedrongen, is deze: welk 
gedeelte van onze provincie heeft gediend als schadeloosstelling 
voor het aan België afgestane gedeelte van Luxemburg? 

Dikwijls is beweerd dat, ingevolge de bepaling van art. IV der 
Londensche tractaten, de geheele rechter Maasoever van Limburg 
als schadeloosstelling voor den afstand van het gedeelte van 
Luxemburg diende (*). 

Wij scharen ons echter aan de zijde van hen die beweren, dat 
niet alle in bezit genomen gedeelten van Limburg op den rechter 
Maasoever voor die schadeloosstelling moeten aangemerkt worden, 
maar alleen die landstreken, welke vóór het Fransch bestuur op 



P) Administratief memoriaal voor Limburg 1844 n®" 172 en 188. 

O Mr. Gordon o. a. is deze raeening toegedaan. In zijn manuscript over de 
„Politieke en Gerechtelijke Indeeling van het Hertogdom Limburg", dl. IV, berus- 
tende in het Rijksarchief te Maastricht, stelt hij, dat aanvankelijk a//e de weder 
in bezit genomen gedeelten van Limburg geen deel uitmaakten van de Nederland- 
sche provincie^ maar van wege den Koning alleen werden bestuurd door de com- 
missarissen belast met het voorloopig bestuur der weder in bezit genomen gedeelten 
van Limburg en geheel als schadevergoeding dienden. Deze stelling echter kan 
nimmer de juiste zijn; al wil men den geheelen rechter Maasoever als die schade- 
loosstelling doen strekken, dan nog kan nooit waar zijn, dat alU de weder in bezit 
genomen gedeelten geen deel uitmaakten van Nederland, daar volgens die opvatting 
ook de linker Maasoever tot de schadeloosstelling zou behooren, hetgeen niet het 
geval kon zijn met oog op de bepalingen van art. IV der tracuten van Londen, 
zie hiervoor, waarbij werd bepaald, dat de op dien oever gelegen gedeelten een 
deel van het Hollandsch grondgebied zouden uitmaken. 



Digitized by 



Google 



— 256 — 

*t einde der 18* eeuw niet tot het gebied der Generaliteit be- 
hoorden. 

Wij zullen in dit kort overzicht niet dieper ingaan in de overige 
vordering tot schadeloosstelling die ons koninkrijk nog had te 
doen gelden voor den afstand van Luxemburg, nml : het verlies 
van den aanwinst der 10 cantons, die bij de tweede Parijsche 
vrede van 20 November 1813, gevolgd door de tractaten op 12 
Maart en 17 April 1817 tusschen het koninkrijk met Oostenrijk 
en Rusland gesloten, aan de Nederlanden waren toegevoegd en 
waarop bij de afscheiding de noordelijke Nederlanden voor de 
helft aanspraak hadden (}). 

Alleen zullen wij vermelden de oorzaak der schadevergoeding 
voor den afstand van Luxemburg. 

In 1783 was tusschen de beide liniën van het Nassausche Huis 
— namelijk de Ottonische (waartoe ons Koningshuis behoort) 
en de Walramsche (die thans in Luxemburg regeert) — eene 
overeenkomst gesloten, genaamd „der Nassauische Erbverein", 
waarbij in het algemeen vervreemding van de Nassausche eigen- 
dommen was verboden en bepaald welke ruiling en afstand in 
het belang van Vorst en Land en met goedkeuring van alle 
overige agnaten mochten plaats hebben (2). 

Nadat nu bij de Weener Congresakte was bepaald, dat de Koning 
voor de door hem in 1814 aan Pruissen afgestane Nassausche 
Vorstendommen Nassau-Dillenburg, Siegen, Hadamar en Dietz 
zoude schadeloos gesteld worden door het Groothertogdom Luxem- 
burg, gingen de bepalingen van het Erbverein daarop over. Bij 
dien overgang verkreeg Prins Frederik, zoon van Koning Willem I, 



(1) Deze 10 cantons waren: Dour, Merbes Ie Chdteau, Ikaumont. Chimay, Wal- 
court, Philippeville, Couvin, Florenne, Beauring en Gedinne, met de vroegere Fransche 
enclaves van Harben^on, Philippeville en Marienbourg. De toevoeging van dit grond- 
gebied bij het vereenigde Koningrijk diende als in de plaatsstelling van de 21.261.832 
francs, die Frankrijk aan de Nederlanden was verschuldigd als aandeel in de oorlogs- 
kosten. 

O Pij het Erbverein was eveneens bepaald dat, ingeval van ontstentenis van 
mannelijk oir in eene der liniên, de erfrechten op de andere linie zouden overgaan. 
Het is tengevolge van die bepaling dat, na het overlijden van Z. M. Koning Willem 
III de Luxemburgsche Kroon is overgegaan op Hertog Adolf van Nassau- Weilburg, 
van de Walramsche linie. 



Digitized by 



Google 



— 257 — 

hetzelfde recht dat hij op de Nassausche landen had, namelijk 
om, met uitsluiting van zijn ouderen broeder, zijn vader als 
groothertog van Luxemburg op te volgen. Ten einde echter 
tegen te gaan dat er later afscheiding zoude komen van de 
Luxemburgsche Kroon van die van het Koninkrijk, deed Prins 
Frederik afstand van zijne rechten, tegen toezegging eener schade- 
loosstelling in landsdomein, ter waarde eener jaarlijksche opbrengst 
van / 190.000, in te gaan met den dood of den troonafstand van 
Willem I. Op grond van het Erbverein vorderden de Nassausche 
agnaten — toen de Koning een gedeelte van Luxemburg aan 
België had afgestaan — dat hunne rechten zouden overgaan op 
de daarvoor in de plaats gegeven gedeelten van Limburg. De 
Koning verzette zich echter daartegen en het einde van het geschil 
was, dat op 27 Juni 1839 eene overeenkomst werd getroffen, 
waarbij de agnaten van hunne aanspraken op Limburg afzagen, 
tegen eene schadeloosstelling van 750.000 gulden, die uit de Neder- 
landsche staatskas werd betaald. 

Behalve deze schadeloosstelling van België bestond echter ook 
nog die van Nederland aan den Duitschen Bond, die voor het 
aan dien bond door toevoeging aan België onttrokken gedeelte 
van Luxemburg, eveneens aanspraken op Limburg kon doen 
gelden, ten aanzien waarvan bij art. 5 van de tractaten van Londen 
was bepaald dat de Koning Groothertog zich omtrent de daarover 
te maken schikkingen met het Duitsche Bondgenootschap zou 
hebben te verstaan. 

Ter uitvoering daarvan werd op den 16 Augustus 1839 door 
den Koning der Nederlanden aan de Duitsche Bondsvergadering 
aangeboden, om met het geheel hertogdom Limburg, dus zoowel 
den rechter- als linker-Maasoever (^) (met uitzondering evenwel 
van de vestingen Maastricht en Venlo en hun rayons) tot 
den Duitschen Bond toe te treden. Dit aanbod werd op den 5 



(1) Dit is de eerste maal dat de benaming „hertogdom" wordt gebezigd, vreemd 
is die benaming omdat de Koning nimmer Hertog van Limburg geweest is en even 
vreemd is het dat die benaming — welke alleen een uitvloeisel is van de betrekking 
van Limburg tot den Duitschen Bond — nog niet officieel afgesdiaft is; immers de 
nieuwe grondwet van 1889 spreekt van de indeeling van Nederland in provinciën 
niet, zoodat die van 1818, waarin, bij de vermelding dezer indeeling, Limburg met 
den titel van hertogdom voorkomt, nog geldend moet geacht worden. 



Digitized by 



Google 



— 258 — 

September daaropvolgende door de Bondsvergadering aang;- 
nomen (}). 

Wij laten hier volgen het protokol van de Bondsvergadering 
van den 5 September 1839, waarbij de toetreding van Limburg 
tot den Dui'schen Bond werd vastgesteld. 

Die Abstimmungen erfolgten sammtlich dem in der 16 Sitzung 
gestellten Praesidialan trage beistimmend; zuvor aber erklarten 
Niederlande und Nassau (eben daselbst, 16 Sitzung) Folgendes: 

Niederlande 7ve£-en des Groszherzogthums Luxemburg: In der 
12 Sitzung am 27 Juni d. J. hat der Königlich Niederlandische, 
Groszherzoglich Luxemburgsche Gesandte die Ehre gehabt, diese 
hohe Versammlung davon in Kenntniss zu setzen, dasz S** Majestat 
der König Groszhertog zu der in Folge des Londoner Vertrags 
von 19 April d. J. nöthig gewordenen neuen Regulirung der 
agnatischen Verhaltnisse Unterhandlungen mit dem Herzoglich 
Nassauischen Hofe hatten eröfFnen lassen. 

Es gereicht, S* Majestat zum Vergnügen, diesèr Mittheilung 
schon jetzt die Anzeige folgen lassen zu können, dasz die erwahnten 
Unterhandlungen mit einem glücklichen Erfolge gekrönt worden 
und eine vollstandige Verstandigung über die agnatischen Ver- 
haltnisse und Ansprüche, in Beziehung auf die Abtretung eines 
Theils des Groszherzogthum Luxemburg und die den Agnaten 
des Hauses Nassau dafür zu leistende Entschadigung, zwischen 
den beiden Linien des gedachten hohen Hauses statt gefunden hat, 
wie solches von Seiten des Herzoglich Nassauischen Hernn Ge- 
sandten ohne Zweifel bestatigt werden wird. 

In Folge dieser Verstandigung finden S** Majestat der König 
Grozherzog sich nunmehr im Stande, dem Deutschen Bunde 
folgende Eröffnung machen zu lassen: 

Wenn S« Majestat unterm 15 Juni v. J. dieser hohen Ver- 
sammlung erklaren lieszen, dasz Allerhöchst dieselben geneigt 
seien, den IV Artikel des nunmehr ratificirten Londoner Vertrags 
vom 19 April d. J. im Sinne einer Territorialentschildigung für 
den Deutschen Bund anzunehmen, so waren damit noch keines- 
weges alle Schwierigheiten der Frage: wo und innerhalb 
welcher Grenzen das zur Entschadigung des Deutschen Bundes 



(1) Lagermans, Recueil des Traites et Conventions, n" 170 en 171. 



Digitized by 



Google 



— 259 — 

bestimmte Territorium zu finden sei? beseitigt. lm Gegentheil 
steilten sich dieselben bei jedem Versuche einer nahern Erör- 
tenung dieser Frage nur noch mehr heraus, indem einer Seits 
die auf den Bestimmungen des obenerwahnien Artikels beruhen- 
den Ansprüche des Deutschen Bundes von S»^ Majestat zwar an- 
epkannt, anderer Seits aber auch die Rechte des Königreichs der 
Niederlande auf Alt-Niederlandische Besitzungen, welche von den 
übrigen nicht zu trennen waren, durch die dem Tractate voran- 
gegangenen Londoner Verhandlungen festgestellt worden waren. 
Hierzu kam die Betrachtung, dasz eine abermalige Scheidungder 
unter die Herrschafft S' Majesat des Königs Groszherzogs zu- 
rückkehrenden Limburgischen Gebietslheile, so wie deren ganz- 
liche Trennung von dem Königreich der Niederlande, auf die 
moralischen und materiellen Interessen derselben von wesentlich 
nachtheiligen Einflusse sein würde. 

Von dieser Ueberzeugung geleitet, haben S' Majestat, zunachst 
in Folge der mit dem Herzoglich Nassauischen Hause abgeschlos- 
senen Uebereinkunft, festgesetzt, dasz die obenerwahnten, gros- 
zentheils schon Alt-Niederlandischen, nach dem IV Artikel des 
Lcndoner Vertrags unter AUerhöchst ihre Regierung zurückkeh- 
renden gebietstheile für ewige Zeiten nach der für die Nieder- 
landische Krone bestehenden Successionsordnung vererbt werden 
sollen. Allerhöchstdieselben haben ferner beschlossen, dasz jene 
Gebietstheile ungetrennt bleiben und als Herzogthum Limburg 
wieder hergestellt werden sollen, wogegen das Königreich der 
Niederlande im Besitz der beiden Stadte und Festungen Mas- 
tricht und Venio, mit ihren Rayons, verbleiben wird. S^ Majestat 
beabsichtigen, an die Stelle des durch den II Artikel des Lon- 
doner Vertrags abgetretenen Theils des Groszherzogthums Luxem- 
burg mit dem ganzen Herzogthum Limburg, so wie es jetzt von 
AUerhöchst ihnen gebildet worden, dem Deutschen Bunde beizu- 
treten, und wenn auch Allerhöchstdieselben bei dieser Erklarung 
sich vorbehalten mussen, nach Maszgabe der oben angedeuteten 
Verhaltnisse, das Herzogthum Limburg unter dieselbe Verfas" 
sung und Verwaltung mit dem Königreich der Niederlande 
zu stellen, so verbinden S* Majestat damit, die Zusicherung, 
dasz dieser Umstand die Anwendung der Deutschen Bundes- 
verfassung auf das erwannte Herzogthum in keiner Weise hin- 
dern soll. 



Digitized by 



Google 



- 260 — 

Da zufolge der angestellten Berechnungen die Bevölkerung des 
abgetretenen Theils des Groszherzogthums Luxemburg 149.572 
Seelen betragt, wahrend diejenige des Herzogthums Limburg sich 
auf 147.527 Seelen belauft, so kann dieser geringe Unterschied 
ohne allen Einflusz auf den bisher für das Groszherzogihum 
Luxemburg bestandenen Matrikularansatz bleiben. 

Gleichwie nun S^ Majestat der Konig Grosherzog auf diese 
Weise im Stande seien werden, allen Ihren früheren verpflich- 
tungen als Bundesglied ungeschmalert nachzukommen, und sich 
auch beeifern werden, nicht nur das Luxemburgische, sondern 
auch das Limburgische Bundescontingent baldmöglichst Bun- 
deskriegsverfassungsmaszig herzustellen, so behalten Allerhöchst- 
dieselben dem nunmehrigen Groszherzogthum Luxemburg und 
Herzogthum Limburg collectiv alle diejenigen Rechte und Vor- 
züge vor, welche nach der Bundes verfassung und in Folge beson- 
derer Bundesbeschlüsse bislang dem Groszherzogthum Luxemburg 
allein zustanden. 

Schlieszlich ist der Gesandte zu der Versicherung autorisirt, 
dasz, so wie S' Majestat sich vertrauensvoll der HofFnung über- 
lassen, dasz die vorstehende EröfFnung von Ihren höchsten und 
Mitverbündeten als ein neuer Beweis Ihrer föderativen gesinnun- 
gen entgegengenommen werden wird, allerhöchstdieselben nicht 
minder bereit sein werden, auch in Ihrer Eigenschaft als König 
der Niederlande, bei vorkommenden Veranlassungen, dem Deut- 
schen Bunde beweise Allerhöchstihrer Freundschaft und nachbar- 
lichen Zuneigung zu ertheilen. 

Braundschweig und Nassau für Nassau. Die Gesandtschaft ist 
angewiesen, fur Nassau alles dasjenige zu bestatigen, was in der 
so eben vernommenen Königlich Niederlandischen Erklarung für 
Luxemburg, wegen des künftigen Verhaltnisses der S^ Majestat 
dem König Groszherzogthums Luxemburg bestimmten Entschadi- 
gungslande, in Beziehung auf die vorgangige einverstandliche 
Befriedigung der Ansprüche der Agnaten des Hauses Nassau der 
hohen Bundesversammlung angezeigt worden ist. Zugleich hat 
die Gesandtschaft auch noch den Auftragerhalten, S' Herzoglichen 
Durchlaucht Völliges Einverstandnisz, sowohl in Höchstihrer 
Eigenschaft als Agnat, wie auch als Bundesgelied, mit demjenigen 
Theile jener Erklarung auszusprechen, welcher über die dem 



Digitized by 



Google 



- 261 — 

Durchlauchtigsten Deutschen Bunde wegen abtretung eines Theils 
des Groszherzogihums Luxemburg zu leistende Territorialent- 
schadigung abgegeben worden ist. 

Es würde vom Prasidio hiernachst (am 5 Sept. 1839, 19* Sit- 
zung, S 251) der nach dem Abstimmungen entworfene Beschlusz 
vorgelegt. bei dem man nichts zu erinnern fand: daher 

Beschlusz: 

Die Bundesversammlung erkennt mit Befriedigung in der von 
S* Majestat dem König der Niederlande, Groszherzog von Luxem- 
burg, gefaszten Entschlieszung, an die Stelle des durch den 
Art. II des zu London am 19 April 1. J. abgeschlossenen Staats- 
vertrags an Belgien abgetretenen Gebiets im Groszherzogthum 
Luxemburg mit dem ganzen, eine Bevölkerung von 147,527 Seelen 
in sich begreifenden, neu gebildeten Herzogthum Limburg dem 
Deutschen Bunde beizutreten, eine genügende Erfüllung derjenigen 
Bedingung, unter welcher allein der Deutsche Bund vermöge 
des im der 13 Sitzung vom Jahr 1836 gefaszten Beschlusses, zu 
der Abtretung eines bisher demselben einverleibten Gebiets seine 
Einwilligung geben zu wollen erklart hat. 

So wie daher der Deutsche Bund von nun an das Herzogthum 
Limburg als zum Bundesgebiete gehörig betrachten wird, so 
bleiben auch dem nunmehrigen Groszherzogthum Luxemburg 
und Herzogthum Limburg coUectiv alle diejenigen Rechte und 
Vorzüge vorbehalten, welche bisher mit dem Groszherzogthum 
Luxemburg allein verbunden waren. 

Belangend das matrikularmaszige Verhaltnisz für Manschafts- 
stellung und für Geldleistungen, so ist dasselbe verfassungmaszig 
durch die von den Bundesgliedern angegebene Volkszahl bedingt, 
und es wird daher nach dem von S* Majestat dem König Grosz- 
hertog in der Erklarung vom 16 Aug. 1. J. angegebene Zahlen- 
verhaltniss die Bundesmatrikel berichtigt werden. 

Die Bundesversammlung findet übrigens in der Erklaring 
S* Majestat, dasz, unbeschadet der mit dem Königreich der Nie- 
derlande gleichen Verfassung und Verwaltung des Herzogthums 
Limburg, die Anwendung der Bundesgesetze auf das Herzogthum 
Limburg in keiner Weise beeintrachtigt werden solle, die sieherste 
Bürgschaft dafür, dasz die Weisheit S' Königlichen Majestat Masz- 



Digitized by 



Google 



— 262 — 

regeln treffen werde, welche geeignet sind, den Unzukommlich- 
keiten vorzubeugen, die sonst möglicherweise aus diesen Ver- 
haltnissen enstehen könnten. 

Die bei diesem für gansz Deutschland wichtigen Anlasse auch 
in der Eigenschaft als König der Niederlande dem Deutschen 
Bunde kundgegebenen wohlwollenden Gesinnungen von Freund- 
schaft und nachbarlicher Zuneigung zu jeder Zeit zu erwiedern, 
wird der Bund sich stets so bereit als verpflichtet finden. 

Geheel Limburg was dus onder bondsverband gebracht, behalve 
Maastricht, Venlo en hunne rayons. 

Wat nu bepaald tot de rayons van Maastricht en Venlo moet 
gerekend worden en buiten Bonds verband bleef, is niet met 
juistheid na te gaan. In besluiten van den Gouverneur van het 
Hertogdom Limburg van 13 October 1841. 24 Juli 1845 en 
12 April 1848 worden als zoodanig genoemd de gemeente 
St. Pieter en Oud-Vroenhoven, die in de rayon van Maastricht 
lagen en het dorp Blerik gemeente Maasbree, dat in de rayon 
van Venlo lag. 

Indien men nu in aanmerking neemt dat de grens van Maas- 
tricht op den rechter Maasoever zich iets verder dan den voet der 
glacis uitstrekte en dat het grondgebied van Meerssen en Heer 
den voet der glacis raakte en dat der gemeenten Amby, Borgharen 
en Gronsveld tot zeer nabij de vestingwerken naderde, zullen waar- 
schijnlijk ook gedeelten van die gemeenten tot de rayon van 
Maastricht en alzoo niet tot den Duitschen Bond behoord hebben. 

Waarschijnlijk zal dit voor wat betreft de rayon van Venlo, 
het geval geweest zijn met een klein gedeelte van de gemeente 
Grubbenvorst. 

De toetreding van Limburg tot den Duitschen Bond zal plaats 
onder uitdrukkelijk voorbehoud, dat die landstreek een integreerend 
deel van den Nederlandschen Staat zoude blijven uitmaken. 

Men zal zich misschien verwonderen dat — terwijl, zooals wij 
hiervoor hebben gezien, zelfs volgens de breedste uitlegging, slechts 
het Limburgsch grondgebied op den rechter Maasoever als tegen- 
waarde kon gelden voor den afstand van Luxemburg — geheel 
Limburg bij den Duitschen bond werd ingelijfd. Hierbij moet 
echter in aanmerking worden genomen, dat de landstreken door 
België afgestaan niet alleen van veel minder omvang waren dan 



Digitized by 



Google 



- 263 — 

het aan België afgestane gedeelte van Luxemburg, maar dat geheel 
Limburg (zonder Maastricht en Venlo en hunne raijons) nauwe- 
lijks daaraan gelijk was. Door het toetreden dus met geheel 
Limburg werd zelfs nog niet voldaan aan de eischen die de 
Bond kon stellen ter vervanging van de rechten, die hij door 
den afstand van Luxemburg had verloren. Dit zal dan ook wel 
de reden geweest zijn, waarom de Koning de toetreding met 
geheel Limburg aan de Bondsvergadering heeft aangeboden, daar 
het hoog tijd werd dat een einde kwam aan de moeielijkheden 
die op dit punt zooveel jaren hadden geduurd. 

Wij zullen nu in korte trekken nagaan het wezen van den 
Duitschen Bond. 

Zijn orgaan was de Bondsvergadering, die tweeledig werkte. 
Het dagelijksch beheer werd uitgeoefend door den zoogenaamden 
„Engcren Raad" die uit 17 stemmen bestond en aan wien de 
behandeling van minder belangrijke aangelegenheden was op- 
gedragen. 

In dezen Raad hadden de groote Bondsstaten eene volle stem 
de kleinere daarentegen eene samengestelde stem; als zoodanig 
hadden Luxemburg-Limburg collectief ééne stem. 

Gold het echter kwestiën van meer gewicht, bijv. betreffende 
vrede of oorlog, de constitutie zelve, de organieke inrichtingen van 
den Raad enz., dan was de beslissing aan de Algemeene of Plenaire 
Vergadering, waarin elk bondslid ten minste eene afzonderlijke 
stem had en Luxemburg-Limburg, weder collectief, drie stemmen. 

Dit samenbrengen van Luxemburg en Limburg tot ééne geza- 
menlijke stem kan men gerust onwettig noemen. Wanneer dit in 
den Engeren Raad minder drukte en daardoor minder opviel, 
klemde dit in hooge mate in de Plenaire Vergadering. Waar 
toch in die Vergadering de gewichtigste aangelegenheden werden 
behandeld, konden de belangen van Limburg en Luxemburg ver- 
schillend en tegenstrijdig zijn. Daarenboven is er geen reden die 
de ondeelbare stem der beide hertogdommen rechtvaardigt. Luxem- 
burg toch had vroeger in de Plenaire Vergadering drie stemmen, 
zoodat bij de intreding van Limburg in den Bond deze stemmen 
niet collectief hadden moeten verklaard worden. Hierbij dient 
nog te meer in het oog te worden gehouden, dat de kwestiën 
van Bondshervorming niet in de Bondsvergadering, maar in 



Digitized by 



Google 



^ 264 — 

afzonderlijke bijeenkomsten van gevolmachtigden der bondsleden 
werden beslist, en aan Limburg en Luxemburg niet werd toege- 
laten om zich ieder door eenen afzonderlijken gevolmachtigde te 
laten vertegenwoordigen. De Koning-Groot- Hertog, die de belangen 
van beide gewesten afzonderlijk had te beoordeelen en te behartigen, 
moest daarvan de moeielijkheden ondervinden. Men kan niet 
zeggen dat de verbinding met den Duitschen bond voor Limburg 
financieel bezwarend was. Want al moest dit Hertogdom naar 
evenredigheid in alle Bondskosten bijdragen, die betalingen zijn 
steeds geschied niet door Limburg maar uit de Nederlandsche 
Staatskas; ook voor wat betreft het door Limburg aan den Bond 
te leveren militair contingent, verkeerde het hertogdom in 
geene meer drukkende omstandigheden, dan de andere Neder- 
landsche provinciën. Dezelfde dienstplicht heerschte in het geheele 
Koninkrijk en de Bondstroepen werden met de daarvoor benoodigde 
gelden door den Nederlandschen Staat geleverd. 

In welk opzicht men echter wel kan zeggen dat de verhou- 
ding tot den Bond voor Limburg lastig kon zijn, is wat de 
bepaling betreft dat de Bondswetten in Limburg vóór de Neder- 
landsche moesten gevolgd worden. Wanneer dus door de Bonds- 
vergadering een besluit werd genomen in strijd met de bepalingen 
onzer Grondwet, dan moest Limburg daar toch aan gehoorzamen. 
De bezwarende gevolgen van dezen toestand zijn voornamelijk en 
herhaaldelijk ondervonden bij de vrijheid der drukpers die in 
Nederland aan geene banden gelegd was en daarentegen in 
Limburg aan eene strenge censuur was onderworpen. 

Vreemd mag het genoemd worden, dat voor de wijze van af- 
kondiging van Bondsbesluiten geen bepaalden vorm was voor- 
geschreven en geen officieel blad was aangewezen, waarin ze 
moesten worden geplaatst. Nu eens werd bevolen dat de afkon- 
diging in Limburg zoude gedaan worden (i), dan weder werden 
de gemeentebesturen uitgenoodigd om ieder voor zich te zorgen 
voor de afkondiging in hunne gemeenten en van den dag of dagen, 
waarop zulks plaats had te doen blijken in de aanteekeningen 
van het gemeentebestuur (2); soms werd die aanteekening niet 



(1) Off. blad voor Limburg 1840, n® 16. 

(-) Adm. Memoriaal voor Limburg, 1841 n" 154. 



Digitized by 



Google 



- 265 - 

gevorderd (^). Zelfs gebeurde het dat ook geene afkondiging werd 
voorgeschreven (*). 

De opneming der Bondsbesluiten geschiedde dan eens in het 
officieel blad voor Limburg, dan eens in het Administratief Me- 
moriaal. Ook was de lijd waarop die besluiten in werking traden 
niet voorgeschreven. 

Bij K. B. van 8 April 1848 (*) werd een Hertogelijke Limburg- 
schen Commissaris voor de Duitsche Bondszaken benoemd en in 
verband daarmede een officieel blad opgericht, genaamd „Memoriaal 
voor de Duitsche Bondszaken"; doch zoowel het bestaan vanden 
Commissaris als van het Memoriaal nam echter reeds een einde 
in het begin van 1849. 

Eindelijk is bij K. B. van den 25 September 1855 (Stbl. n« 122) 
de wijze van afkondiging van de besluiten der Duitsche Bonds- 
vergadering voor het Hertogdom Limburg geregeld en wel in 
dier voege (art. 1) dat de afkondiging zal geschieden door opne- 
ming der besluiten in het Provinciaal-blad voor het Hertogdom 
Limburg; (art. 2) dat de afkondiging zal geschieden zooals daar 
is vermeld; (art. 3) dat indien bij de afkondiging geen ander 
tijdstip wordt aangewezen, de Bondsbesluiten in werking treden 
op den 20* dag na de dagteekening van het blad, waarin zij zijn 
geplaatst. 

In 1848 had er een groote gisting plaats in Limburg tusschen 
de voor- en tegenstanders van de verbinding met den Duitschen 
Bond. Hoewel van beide zijden heftig werd te keer gegaan, eener- 
zijds om Limburg van Nederland, anderzijds om het van den 
Duitschen Bond los te maken, bleef de toestand onveranderd. 

Het verlangen van Nederland om van het Bondsverband ont- 
slagen te worden deed zich echter voortdurend gevoelen. Den 19 
Mei 1866 kwam bij de Bondsvergadering eene verklaring in van 
onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, om voor Limburg de 
Bondsbetrekking op te heffen, waaraan echter geen gevolg werd 
gegeven. 

Kort daarna, tengevolge van den oorlog tusschen Pruissen en 



(^) Adm. Memoriaal voor Limburg, 1845 n? 103. 
(^ Off. blad voor Limburg 1840, n* 20 en 21. 
(') Adm. Memoriaal voor Limburg, 1848 n« 75. 
18 



Digitized by 



Google 



— 266 — 

Oostenrijk, kwam bij den vrede van Praag van 23 Augustus 1866 
de Duitsche Bond te vallen. 

De Nederlandsche Regeering, die nu in werkelijkheid voor wat 
Limburg betreft van het Bondsverband was ontslagen, wilde 
echter dat ontslag officieel bekrachtigd zien, waarom zij op het 
einde van het jaar 1866 aan den Koning van Pruissen het ontwerp 
cener overeenkomst deed geworden, waarbij de afscheiding van 
het Hertogdom van den Duitschen Bond zou worden erkend. 
Nadat de Koning van Pruissen eerst bezwaar daartegen maakte, 
verklaarde hij dat de Pruissische Regeering Limburg als geheel 
ontslagen van lederen bond met Duitschland beschouwde. 

Het oflScieel ophouden van de verhouding van Limburg tot 
den Duitschen Bond werd vastgesteld bij het tractaat van Londen 
van den 11 Mei 1867, waarbij uitdrukkelijk werd verklaard, dat 
door de oplossing van den Duitschen Bond, de betrekkingen van 
Limburg tot dien Bond waren opgeheven. 

Daar onze provincie van dit oogenblik af in den toestand is 
gekomen van alle andere Nederlandsche provinciën is mijne 
voorgenomen taak volbracht. 



Digitized by 



Google 



ADDENDA. 



Pag. 185. 

Bij Thorti: achter Santfoort bijvoegen: tusschen 1813 en 1822 
Pag. 203. 

Bij Ar cen-en- Velden: Een gedeelte van Twisteden werd na 1817 
bij deze gemeente gevoegd (zie onder Bergen). 



Hoewel het oorspronkelijk niet in ons plan lag, om de eigenlijke 
grensbepalingen tusschen gemeenten of dorpen aan te geven, maar 
alleen de veranderingen van grondgebied der verschillende gemeen- 
ten onderling, door wederzijdsche toevoeging en afscheiding, zoo 
hebben wij later, wegens het groote belang, o. i. daaraan verbon- 
den, besloten, om zooveel mogelijk deze grensbepalingen aan te 
geven alleen door den datum en de betreffende wet, besluit of 
decreet. (De grensscheidingen tusschen Elsloo en Steyn en tusschen 
Gennep en Ottersum vindt men hiervoor). 

Hier laten wij ze volgen, eerst van de gemeenten van het voor- 
malig departement der Nedermaas, dan van die van het voormalig 
Roer-departement, en zulks wijl eenige dier grensbepalingen reeds 
tijdens het Fransch bestuur zijn gemaakt. 



Digitized by 



Google 



^ 2Ö8 ^ 



Voormalig departement der Nedermaas. 



De grens tusschen Beegden en Hom werd geregeld bij Kon. Besl. van 
18 Oct. 1818. 

„ „ „ BelfeldenKaldenkirchenCPr.) » »> Besl. van den 

Prefect v. h. dep. der Nedermaas van 30 Juli 1812. 
„ „ „ Bingelrade en Oirsbeek werd geregeld bij Kon. Besl. 

van 16 Dec. 1822. 
„ „ „ Brnnssum en Heerlen werd geregeld bij Kon. Besl. 

van 9 Oct. 1821. 
„ » « Brunssum en Schinveld ^ « » « » 

van 9 Oct. 1821. 
„ » „ Bunde en Itteren „ » » Keizerl. 

Decreet van 22 Jan. 1808. 
„ „ „ Glimmen en Hulsberg(^)» „ „Kon. Besl. 

van 11 Aug. 1814. 

Echt en Waldfucht(Pr.)„ „ „ Keizerl. 

Decreet van 17 Mei 1809. 
„ Echt en Posterholt „ » » Kon. Besl. 

van 12 Maart 1828. 

Echt en Roosteren „ « « « « 

van 17 Maart 1819. 
„ Geleen enMunstcrgeleen„ „ „ Keizerl. 

Decreet v. 30 Thermidor 

an XIII (18 Aug. 1805. 

„ Haelen en Horn „ » » Kon. Besl. 

van 29 Juni 1818. 

Heel en Linne „ « » Keizerl. 

Decreet van 20Juli 1807. 



1» 1» 



»» » 



Heythuysen en Meijel 
Decreet V. 22 Maart 1813. 
Jabeek en Schinveld 



bij arrêté 



(1) Door over en weder verwisseling van bij het gehucht Vissengracht gelegen 
grondgebied. 



Digitized by 



Google 



— 269 — 

van den Prefect van het dep. der Nedermaas van 

den 9 Primaire an XII (1 Dec. 1803). 
öe grens tusschen Linne en St. Odiliënberg schijnt geregeld te zijn 

in 1824. 
*> n n Meijel en Helden werden geregeld bij Keizer!. 

Decreet van 22 Apr . 1812. 
•• *» „ Mheer en Noorbeek „ » » » 

Decreet van 25Nov.l810. 
* » „ Obbich-en-Papenhoven 

en Grevenbicht „ ^ n Kon. 

Besl. van 17 Maart 1819. 
>» n Roosteren en Susieren werden geregeld bij Kon. 

Besl. van 17 Maart 1819. 
^^ n Schinnen en Munstergeleen „ „ „Keizerl. 

Decreet van 9 Thermidor 

anXIII(18Aug. 1805^ 
,^ „ SwalmenenBracht(Pr.) » » » arrèté 

van den Prefect van het 

dep. der Nedermaas van 

12 Ventóse an XII (3 

Maart 1804). 
«» » Vaalsen Laurensberg(Pr.) „ „ „Keizerl. 

Decreet van 19 Oct. 1806. 
*» „ Venlo en Arcen-en- Velden „ » » » 

Decreet van 22 Jan. 1808. 

Departement der Roer, 

\s^ grens tusschen Bergen en Wanssum werd geregeld bij Kon. Besl. 
van 30 Juli 1821. 
^ ^ „ Broeksittard en Sittard „ „ ^ » 

van 28 Aug. 1820. 
^ „ y, Grevenbicht en Obbicht-Papenhoven zie hiervoor. 

^ n n Helden en Meijel „ „ 

„ n n « n Hcythuyscn 



Digitized by 



Google 



- 270 - 

De grens tusschen Helden en Maasbree werd geregeld bij Kon. Besl. 

van 24 September 1821. 
r> » ry » ^ Munstepgeleen en Schinnen zie hierv. 

» » » » » n sf vjeieen j, j^ 

n rf n f$ n Susteren en Roosteren ^ » 

n f, n w » Wanssum en Maashees (N. Brab.) 

werd geregeld bij Wet van 20 December 1823 
(Stbi. n- 54). 



Digitized by 



Google 



NASCHRIFT TOT DE 1« AFDEKLING. 



Wat de Vrije Rijksheerlijkheden betreft, zoo waren op het 
einde der 18* eeuw, zooals uit de Niederrheinische Westphalischer 
Kreiskaiender van 1786 en 1792 blijkt, slechts als zoodanig erkend: 
Gronsfeld^ Wittem met Eys, en Thorn^ terwijl behalve de heeren 
dezer 3 staatjes ook die van Slenaken op den Rijksdag van 
Regensburg van 1803 Februari 25, als Rijksvorst vergoeding 
ontving, wegens hun door de Fransche Regeering in bezit genomen 
landen. 

Elsho was reeds bij artikel 23 van het tractaat van Fontaine- 
bleau van 1785 November 8, tusschen den Keizer-Aartshertog 
van Oostenrijk, en de Staten-Generaal gesloten, door eerstge- 
noemde, aan laatstgenoemden afgestaan en had dus ook rechtens 
opgehouden eene Vrije Rijksheerlijkheid te zijn, daar de Keizer 
bij den afstand van Elsloo, als Keizer optrad, waarna het bij 
Staatsch Valkenberg werd gevoegd. Derhalve behoort Elsloo, 
1« afd. sub 17, niet vermeld te worden, daar wij den politieken 
toestand na 1785 daar beschrijven. — Over Grevenbicht en Lim- 
bricht^ zie aldaar, sub N*> 35, noot 2 en N*» 36. 



Digitized by 



Google 



SCHEPENBRIEVEN 



VAN HET 



Kapittel van St. Servaas 



TE 



MAASTRICHT. 



(Vervolg). 



Een tweede vervolg op deze belangrijke verzameling schepen- 
brieven, gaven wij in het voorgaande deel (XXXVIII) dezer 
„Publications". Het beslaat de bladzijden 5 — 170, loopt over de 
jaren 1354 tot 1375 inclusief en bevat 308 nummers. Wij volgden 
dezelfde methode als te voren, den regestvorm, en gaven hier en 
daar aan den voet der bladzijde eene ophelderende noot of eene 
historische en biographische aanteekening. Met een paar woorden 
vestigden wij de aandacht op het merkwaardige feit, dat, hoewel 
het hof van Luik in 1330 het Paaschjaar, dat het ongeveer eene 
eeuw had gevolgd, verliet en het Kerstjaar aannam, men te Maas- 
tricht nog aan de oude gewoonte, de consueiudo vasthield en eerst 
in 1389 het Kerstjaar aannam en geregeld volgde. 

Wij zetten thans die uitgave voort, daarbij dezelfde methode 
volgende. De lezer zal zich in dit volgend gedeelte zelf kunnen 
overtuigen van de wisseling vari den jaarstijl en de hardnekkig- 
heid waarmede men te Maastricht aan het Paaschjaar vasthield. 

P. D. 



Digitized by 



Google 



No 814. 

1376 (Mei 23) ntensis Maii die XXIII. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gobbeilinus Menten, priester, als 
rentmeester der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk, 
voor 5 Luiksche schellingen cijns 's jaars aan Johannes de 
LovANio, priester, in erfrecht gegeven heeft een huis met aanhoo- 
righeden gelegen achter de kapel van den H. Jacob [retro capellam 
sancH Jacobi Apostoli) (^) tusschen het huis van Johannes Bos en 
dat van Henricus Naghels, sutor^ en Johannes de Lovanio be- 
loofd heeft binnen het jaar en dag 11 dubbele gouden mottoenen 
in fneliorationem seu edificium prefate domus te zullen besteden, 
onder verband van al zijne goederen. 

Afschrift in: Registrum lUter, fratern, A tol 31 v. — Schepenen: 
Lambertus de Kestele en Everardus de Vernenholt. 



N*» 815. 



13^6 (yuni 7) mensis Junii die septima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Henricus de Rosis, man van 
wapenen, en zijne schoonzuster Margareta die Gruetersse aan 
Thomas de Borsen, wagenmaker en brouwer, en aan zijne echt- 
genoote Mena, voor eene jaarlijksche rente van 2 marken, 12 pen- 
ningen en 2 kapoenen in erfpacht gegeven hebben eene area of 



(^) De St. Jacobstraat. In de aanteekening boven den brief wordt de ligging van 
het huis aangegeven door de woorden iuxta capellam sancH Jacobi en in eene 
bijvoeging van jongere dagteekening met de woorden retro claustrum. — Met 
bovenvermelde rente van 5 schellingen werden bij de broederschap gesticht de 
jaargetijden van Johannes Manyart en van Godefridus Casbus. Dat van eerst- 
genoemde werd gehouden op 14 April, het andere op 7 November. 

19 



Digitized by 



Google 



— 274 — 

domistadium in vico albifactorum (Witmakersstraat) tegenover de 
poort van de Mulken tusschen het huis van Wilhelmus de 
ToNGRis, witmaker, en het erf weleer geheeten hantyken gueL 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henricus de Monthenaken en 
Gobelinus de Mon vouwen. Zegels: 1». Gefaast van 8 stuk; in het vrij- 
kwartier een hertengewei, waartusschen eene vijfpuntige ster. 

N* 816. 

Trafisfix. (1411 December 8) Gegeven int j oer e vander gebuerde ons 
Heren dusent vyerhondert ende eylfve op onser Vrouwen dage 
geheyten Conceptio. 

Schep. V. M. verklaren, dat Bele, de weduwe van Goiswyn 
VAN DEN Wyngarde, van de rente, vermeld in den naastvoor- 
gaanden brief daran dis onse tegenwerdich brief is getransfigeert^ 
aan Wilhem van Gruesbeke, kanonik van St. Servaas en aan 
zijne erfgenamen overgedragen heeft 29 schellingen, welke haar 
van hare tante Katharina, de weduwe van Hendrik van den 
Roesen, aangekomen zijn, en Moes Gruter 12 schellingen en 
2 kapoenen en beiden beloofd hebben hem het rustig bezit daar- 
van te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Danyel van Dyeteren en Dyeric 
Lambüy. 



NO 817. 
1376 (Juni 9) mensis yunii die nona. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Rutgherus, investitus van Gruyn- 
rede en deken van het landdekenaat Maeseyck, alsmede Gode- 
fridus Felix, priester en kapellaan [capellanus perpetuus) van 
O. L. Vrouwekerk te Maastricht, als uitvoerders der laatste 
wilsbeschikking van Everardus de Krayel, priester, aan Conrar- 
dus DE Dryel, kanonik van Luik en aan zijne erfgenamen, 
ter voldoening eener som geld welke Everardus aan dezen ver- 
schuldigd was, overgedragen hebben eene jaarlijksche erfrente 
van 33 schellingen en 6 penningen, uit twee naast elkander gele- 
gen huizen in novo platea (Platielstraat) iuxta capellam sancH 
Antoris Confessoris^ tusschen het huis van Giselbertus de Juncis, 



Digitized by 



Google 



— 275 — 

lakenscheerder, en dat van Wilhelmus de Mombeke, ook laken- 
scheerder. 

Afschrift in : Registrum litter, fraiern. A fol. 50. — Schepenen : Lam- 
bertus de Kestelt en Servaiius de Mulken. 

N<^ 818. 

Transfix. (1382 Februari 1) Datum anno Domini millesimo CCC^^ 
octuagesimoprimo mensis Februarii die prima. 

Schep. V. M. verklaren, dat Johannes de Werva, kanonik van 
St. Servaas aldaar, executor seu manufidelis van het testament van 
wijlen Conrardus de Dryle, ook kanonik van Luik, de jaarlijksche 
erfrente in den naast voorgaanden brief vermeld overgedragen 
heeft aan de broederschap van kapellanen dier kerk, welker leden 
quavis anno commemorationem pro anima dicti quondam domini 
Conrardi jugiter facient et exorent. 

Afschrift ibidem fol. 50 v. — Schepenen: Florentius Welde en 
Gobbelinus de Monyouwen. 



No 819. 
1376 (Juli 9) mensis Julii die nona. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Emundus de Eyke, vinitor^ met 
toestemming van Johannes Godefridi, burgemeester van Maas- 
tricht, voor 4 marken en 2 kapoenen jaarlijkschen cijns aan 
Petrus Slicke van Sittert (Sittard) en aan Aleydis zijne echt- 
genoote in erfrecht gegeven hebben een huis weleer geheeten 
bedeuwersguet^ met dependentiën gelegen in de Jodenstraat tusschen 
dat van Bruno de Glabbeke, goudsmid, en dat van Nycholaus 
Hollender, vleeschhouwer, en Petrus en Aleydis beloofd hebben, 
binnen de twee jaren, 18 dubbele gouden mottoenen te zullen 
uitgeven voor verbeteringen van dat huis ad veram et legitimam 
probationem ac demons trationem^ waarvoor zij hunne goederen tot 
pand gesteld hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnoldus Nuest en Paulus DE 
Spauden. 



Digitized by 



Google 



— 276 — 

N^ 820. 

1376 (September 25) mensis Septembris die vicesima quinta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes de Here, lakenscheerder, 
wonende te Tweebergen, en zijne echtgenoote Elisabeth ten 
behoeve van Arnoidus de Wilre, ook lakenscheerder, zijne echt- 
genoote Elisabeth en hun beider kinderen afstand gedaan hebben 
eener jaarlijksche rente van 1 Luiksche mark uit twee huisjes (J) 
naast elkander gelegen te Tweebergen tusschen dat van Petrus 
Duker van Visé (de Viseto) en dat van Truda Ketelbantz 
en verklaard hebben dat op gemelde huisjes nog gevestigd is eene 
rente van 3 marken en 2 kapoenen 's jaars. 

Afechrift in: Registrum iitUr. fraiern, A foL 124 v. — - Sche- 
penen: Florentius Weylde en Arnoidus Nuest. 



No 821. 
1376 (October 27) in vigilia beatorum Symonis et Jude Apostolorum, 

Schep. V. M. oorkonden, dat frater Jacobus de Sancto Andrea, 
preceptor seu magister der Antonieten dier stad, en Johannes de 
Cervo, burgemeester, aldaar, als testamentaire uitvoerders van 
hun medeschepen Godefridus de Vinea, ook namens hun mede- 
uitvoerder Reyncrus de Berne, de volgende jaarlijksche cijnzen 
hebben toegewezen en overgedragen : 10 schellingen aan de 
broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk [fratemitati 
sacerdotum ecclesie sancti Servatii\ 10 schellingen aan den deken, 
de kanoniken, kapel lanen en de socii van O. L. Vrouwekerk en 
6 schellingen aan den rector en de fabriek der kapel van den 
H. Georgius, welke cijnzen te beuren zijn uit het huis (*) van 
Godefridus voornoemd tegenover de straat vulgariter dicti flatterye^ 
gelegen en waarvoor bij gemelde broederschap en in voormelde 
kerk en kapel jaarlijks zijn jaargetijde C^) en dat zijner echtge- 
noote, Anna, zullen gehouden worden. 

{}) De aanteekening \)ovttiétVi\>x\t{xci^6x\ad bonarelicteGodefridi intvoegelkytu 

(') Dit huis kwam naderhand aan W. de M(^mbeke en daarna aan Renerus Cocus. 

(') Het jaargetijde bij de broederschap van kapellanen werd op 23 Maart gevierd, 

en is aldus vermeld in het necrologium: Anniversarium Gooefridi de Vinea, 

SCABINI TrAIECTENSIS, X SOLIDOS. 



Digitized by 



Google 



— 277 — 

Afschrift ibidem fol. 86 v. — Schepenen: Henricus de Montenaken 
en Arnoldus Nuest. 



N« 822. 

W77 (Maart 31) feria tertia post Pasche, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gerardus de Wanghe, deken van 
O. L. Vrouwkapittel, Franciscus, plebanns van St. Nicolaaskerk 
aldaar, en Nycholaus de Grase, man van wapenen, als testa- 
mentaire uitvoerders van Johannes de Canne, priester en kap- 
pellaan van O. L. Vrouwkapittel voormeld, voor diens jaar- 
getijde aan de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
overgedragen hebben eene Jaarlijksche rente van 33 penningen en 
3 kapoenen, waarvan 26 penningen en 1 kapoen uit het huis(i) 
van Everardus sutor in de vicus stellarum (*) en de overige 6 pen- 
ningen en 2 kapoenen, zijnde 2en grondcijns, uit dat der weduwe 
van Henricus Hoesche, witter, waarvan mansionurius is Servatius 
DE Mulken, schepen van Ma ist richt. 

Afschrift in: Re^istrurr. Utur, fratern, A fol. 36 v. — Schepenen: 
Lambertus de Kestel er Paulus de Spauden. 



No 823. 
1H77 (November 5) mensis Novembris die quinta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes Haen, wonende in foro 
piscium, en Aleydis zijne echtgenoote, ten behoeve van Mathias 
de Biecht, bakker, zijne echtgenoote Margareta en zijne kinderen 
afstand gedaan hebben eener erfjaarrente van 1 Luiksche mark 
uit het huis op de Visschermaas (forum piscium) tusschen dat van 
Johannes Pennen, visscher, en dat van Johannes FoRis, ook 
visscher, en uit het kleine huis, dat hij in erfrecht heeft van 
Bertrandus de Laer, man van wapenen, en gelegen is in het 
straatje geheeten vleversruwe tusschen het huis van Wilhelmus 
de Huyo en dat van Jacobus Hultenpant, en verklaard hebben 



(1) Uit de aanteekening boven den brief blijkt, dat het huis vroeger behoord heeft 
aan Johannes Boemhouwers. 
('J De Vijfharingenstraat. 



Digitized by 



Google 



— 278 — 

dat op hun huis voormeld nog gevestigd is eene rente van 2 marken 
en 10 schellingen 's jaars en op het kleine huis nog eene van 
1 mark en 2 kapoenen, alles onder verband hunner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Lambertus de Kestelt en Eve- 
rardus de Vernenholte. 

No 824. 

Transfix, 1396 Juni 13. Overdracht eener jaar lij ksche rente van een 
mark aan het kapittel van St. Servaas, 

Wir Johan vanden Hertte ende Machyel Neve van Steyne, 
scepenen te Tryecht, getuygen mit desen bryeve als scepenen, dat 
Mathys van Byecht der becker overmits ons bekande, dat Aleyt 
VAN Havert, die wettich wijf was Wilhemswalve gênant Bolcke, 
kemerlinc ons genedigen heren van Luytge, buscop Arnolds van 
HoERNE zeliger gedacht tegen hoem mit hoeren properen gelde 
hoem wale betailt gegouden ende vercregen hedde eyne marke 
erfcyes als men te Tryecht van erve joirlix betailt, van der weiger 
gewach wurt gedoen inden bryeve daran dat dese onse tegenwor- 
dich bryef is getransfigeert tot orber ende in behuef der eerwer- 
diger heren deken, capittel, capellane ende gesellen der kirken 
sint Servoes te Tryecht, ende daromme dat Wilhem vurgenant 
tsint Servoese gegraven ligt, ende Aleyt alst Got gebuyt ouch 
aldae gegraven sal werden, ende ouch omme honre beyder erf- 
joergetyde alle Joer aldae te doen als gewoenlicis, endedaeromme 
deselve Mathys van Byecht ende Margrete syn wyf gyengen 
samenderhant af ende vertegen ten ewigen dagen der vurscreven 
marcke erfcyes ende alle des rechs dat sy daran hebben in eynger 
wys tot orbar ende in behuef der heren deken, capittels, cappel- 
lanen ende gesellen vurgenoempt onder hon als gewoenlic is van 
anniversarien te deylen, alsoe voele dartu gedoen dat indertyt 
des vertyenisse van allen genoech was geschyet ende der vurge- 
noempte Mathys vertyer geloefde weringe te doen joer ende dach 
ende buten joers ende darbynnen alle recht ansproeke ende ca- 
laynge af te doen als behoerlic is, met verbeyntenisse alle synre 
guede ende te peynden mitter bueten. 

Gegeven int joer vander gebuerde ons Heren dusent dryehondert 
noegentich ende sesse druttene dage in Junio. 
Orig. op perkament 



Digitized by 



Google 



— 279 — 

No 825. 

(1378 Januari 21) Datum anno Domini millesimo CCC'^'' septua 
gesimo septime ^ pront adhuc scribitur de consuetudine dicti opidi 
TraiectensiSy mensis Januarii die vicesima prima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Philippus de Lodenaken, begec 
rende dat de rector van het altaar ter eere van den H. Karolus 
in St. Servaaskerk of diens momboor meer zekerheid hebbe van 
de aanspraken op de hier achter volgende erfgoederen, waarvan 
Hermannus van den Eyken en zijne echtgenoote Enghelrarda 
ten overstaan der schepenen van Lenculen afstand gedaan hebben 
ten behoeve van Henricus de Meggelen als momboor van den 
rector van voormeld altaar, beloofd heeft Johannes de Pytershem, 
clericusj als rector van voormeld altaar en Henricus de Meggelen, 
als diens momboor, het rustig bezit der goederen hun aange- 
vallen bij doode van Rolandus Walrami te zullen vrijwaren, 
waarvoor hij zijne goederen verbonden en tot borg en condebitor 
gesteld heeft Johannes genaamd Eycoeren, — welke erfgoederen 
zijn: 1 jurnale bouwland in viridi platea tusschen land van Lam- 
bcrtus ZoRTSOEN en dat van wijlen Ruelkinus Hartwinis; 19 
roeden op de plaats geheeten dubbel o tusschen land van het 
kapittel van St. Servaas en dat van wijlen Levaldus de Mosa 
nabij den weg geheeten middelwech; 3 jurnalia akkerland bij het 
voorgaande gelegen tusschen land van Mathias Bobart en land 
van Macharius de Bemelen; ongeveer 7 Jurnalia buiten de Hochter- 
poort [extra portam dictam Hochterporte) nabij den straatweg tus- 
schen land der Antonieten en dat van Reynerus Becker; de 
hoeve voorheen geheeten Kempkenshoef zich uitstrekkende tot aan 
het land van Lambertus Suenken en gelegen tusschen het land 
van wijlen Lambertus Vetsop en de stadsgracht; — en verklaard 
heeft dat op die goederen van oudsher cijnzen, kapoenen en renten 
's jaars ten behoeve van voormeld altaar gevestigd zijn. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Everardus de Vernenholte en 
Gobelinus de Monyouwen. 



Digitized by 



Google 



-► 280 — 

N« 826. 

(1378 Januari 21) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
sepiuagesimo septimo^ prout adhuc scribitur de consuetudine 
dicti opidi Traiectensis mensis Januarii die XX prima. 

Schep. V. M. verklaren, dat Gobelinus Joede, voller, willende 
den rector van het altaar ter eere van den H. Karolus in St. Ser- 
vaaskerk of diens momboor meer zekerheid geven van de rechten 
op de goederen vermeld in den naast voorgaanden brief, welke 
Hermannus van der Eyken en zijne echtgenoote Enghelrardis, 
ten overstaan van het hof van Lenculen aan HenricusDEMEGGELEN 
als momboor van den rector van voormeld altaar overgedragen 
hebben, beloofd heeft Johannes de Pytershem, clericus^ als rector 
van dat altaar en Henricus de Meggelen als diens momboor 
goede wering te zullen doen van die goederen en hun het rustig 
bezit daarvan te zullen vrijwaren, alles onder verband zijner 
goederen en onder borgstelling van Lambertus Suenken, wever 
en lakenscheerder {textorem et lanificem), 

Orig. op perkament. — Schepenen: Everardus DE Vernenholte en 
Gobelinus de Monyouwen. 



No 827. 



(1378 Februari 17) Datum anno Domini M^ trecentesimo septua- 
gesimo septimo^ prout adhuc scribitur de consuetudine dicti 
opidi Traiectensis mensis Februarii die decima septima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Egidius genaamd Boense verklaard 
heeft aan hun medeschepen Everardus de VeRnenholte, diens 
echtgenoote Maria en erfgenamen verschuldigd te zijn eene jaar- 
lijksche erfrente van 10 Luiksche schellingen uit het huis of 
brouwerij waarin hij woont, gelegen supra monetam seu in pUitea 
dicta die alde munte naast de brouwerij van Johannes der 
Lewe, den jonge, braxator hupuli, en die van Macharius de 
Voeren voorheen aan wijlen Johannes Sprong behoorende, welke 



Digitized by 



Google 



- 281 - 

rente aan wijlen ridder Colinus Frepont, den vader van Maria 
voornoemd behoord heeft. 

Afechrift in: Registrum litter, fratern, A fol 42. — Schepenen : Lam- 
bertus de Kestelt en Paulus de Spauden. 

No 828. 

Transfix, (1378 Februari 20) Dattim anno Domini millesimo CCC^ 
Septuagesima septimo prout adhuc scribitur de consuetudine 
dicti Opïdi \Traiectensis\ mensis Februarii die vicesima. 

Schep. V. M., verklaren, dat Everardus de Vernenholte, hun 
medeschepen, en zijne echtgenoote Maria aan de broederschap 
van kapellanen der St. Servaaskerk de jaarlijksche rente van 10 
Luiksche schellingen, vermeld in den brief waardoor deze gesto- 
ken is, overgedragen hebben ter voldoening eener dergelijke rente 
die Maria's vader ridder Colinus de Frepont voor zijn jaargetijde 
aan die broederschap geschonken heeft en gevestigd op de hofstede 
geheeten der hoef van Cleve, 

Afechrift ibidem fol. 42 v. - Sdiepenen als van n°. 827. 



No 829. 



(1378 Maart 11) Datum anno Domini M^ CCC^ septuagesimo sep- 
timo prout adhuc scribitur de consuetudine dicti opidi in nocte 
beati Gregorii Pape. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes Knaepe, verver, en Ger- 
trudis, dochter van wijlen Johannes de Echt, de verklaring hebben 
afgelegd aan de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
verschuldigd te zijn eene erfjaarrente van 10 Luiksche schellingen 
uit hun huis in vico (i) iuxta hospitale sancte Agathe Virginis 
et Martyris ducente verus por tam et vicum cerdonum etprope Jecoram 
ibidem^ gelegen tusschen het huis van wijlen Johannes Knaepe 
en het erf van wijlen Godefridus de Reymerstock, gewoonlijk 



p) De Tafelstraat 



Digitized by 



Google 



— 282 — 

geheeten dat guet van Reymerstock, welke rente aan de broeder- 
schap voornoemd gelegateerd is door Baldewinus deMolendino, 
clericus^ en welke zij beloofd hebben jaarlijks aan de broederschap 
in den persoon van haren rentmeester te zullen betalen, en bepaald 
is, met goedkeuring van Johannes Herderman, Baldewinus de 
MoLENDiNO, schatbewaarders van St. Servaaskerk, Christianus de 
MoLENDiNO, meester, en Gobbelinus Meynten, rentmeester der 
broederschap voormeld, en van Gyselbertus de Duobus Montibus, 
priester, handelende namens voornoemde broederschap van kapel- 
lanen, dat, zoo in de toekomst een schepenbrief handelende over 
die rente gevonden zal worden, deze zonder waarde en van geene 
kracht zal zijn en daaruit geen nadeel voor Johannes en Gertrudis 
voortkomen zal, . . . qtiod ex tune dicte littere scabinales esse deberent 
cassey anvichilate et invalide nulliusque valoris, rohoris vel momenti 
nee debere dietis eoniugibus aliquid preiudieiunt^ danipnum seu gra- 
vamen inferre. 

Afschrift ibidem fol. 42 v. — Schepenen: Florentius Weii dk, Lam- 
bertus UE Kestelt en Everardus de Vernen holte. 



N« 830. 

1878 (April 20) feria tertia post festum Pasehe, 

Schep. v. M. verklaren, dat Mathias Forys, visscher, bekend 
heeft, nomine peurilis divisionisy aan zijn broeder Johannes jaarlijks 
te moeten betalen eene erfrente van 10 Luiksche schellingen 
uit de loeus piseium van wijlen hunnen vader, Johannes, op de 
Visschermaas {supra mosam piseium) tusschen die van Jacobus 
AusEMs(?) en van Johannes Pennen, visschers. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Lambertus de Kestelt en Ser- 
vaiius DE Mulken. 

No 831. 

Transfixen. 1382 (Juni 28) mensis Junii die veeesima octava. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes FoRVS, visscher, en 
zijne echtgenoote Aleydis van de erfrente, vermeld in den brief 



Digitized by 



Google 



— 283 — 

waardoor deze gestoken is, ten behoeve van Johannes Colini, 
visscher, en diens echtgenoote Maria afstand gedaan hebben en 
verklaard, dat uit de locus piscium^ waarop die rente gevestigd 
staat, nog eene van 11 Luiksche schellingen gebeurd wordt. 

Orig. op perkament. — Florentius Weelde en Johannes de Juleymont. 

No 832. 

(1391 April 11) Gegeven int joer van der gebuerde ons Heren 
dusent dryehonderi nuegentich ende eyne eylf dage in Aprille, 

Schep. V. M. verklaren, dat Johan Golyns, der visscher^ ten be- 
hoeve van zijnen zoon Golyn, cUr^k^ en diens erfgenamen afstand 
gedaan heeft van zijne rechten en aanspraken op eene halve mark 
jaarlijksche erfrente uit de vesschestat van wijlen Mathys Forys, 
visscher, gelegen op die vessche mase tusschen die vesschestat van 
Heynric Hodryes en die van Amelys Maroelen en beloofd heeft 
hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren mit verbeynte- 
nisse alU sinre guede ende te peynden mit der bueten. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Machyel Neve .... en Henric van 
Sint Aechten. Zegels: 1". Zeven aaneengesloten ruiten, 8, 3, 1, in het 

vrijkwartier een waarboven eene vijfpuntige ster, randschrift : Michael 

Neve . scabini . tiect.; — 2 . Drie naar rechts gewende bijlen, 2. 1 ; in 
het vrijkwartier drie vijtpuntige sterren 2, 1; randschrift: S. Herici de. 

STA . AGATA . SCABl . TIECTE. 



N« 833. 
1378 (Juli 11) mensis Julii die septima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Giselbertus de Duobus Mon- 
TIBUS (1), priester, als rentmeester van deken en kapittel van 
St. Servaas, namens dezen, en Hermannus, de zoon van wijlen 
Henricus Rosentroc, als rector der kapel van de H. Maria 
Magdalena te Tweebergen, voor 2 Luiksche marken en 10 schel- 

P) Deze was lid der broederschap van kapellanen en stichtte bij haar zijn jaar- 
getijde, dat 4 October gehouden werd. 



Digitized by 



Google 



— 284 — 

lingen jaarlijkschen grondcijns, aan Johannes Quentken, kleer- 
maker, en zijne echtgenoote Margareta in erfpacht opgedragen 
hebben een huis op de Kersenmarkt (Kaarsenmarkt) achter het 
macellum (vleeschhal) tusschen het huis van Willelmus Wau- 
TEMS, roededrager van St. Servaaskerk, en dat van Johannes 
genaamd van der Erden, van welken cijns 36 schellingen zullen 
gebeurd worden door deken en kapittel en 14 schellingen door 
den rector voornoemd. 

Orig. op perkament. — Schepen: Lambertus de Kestkle en Paulus 
DE Spaudkn. 



No 834. 

1378 (September 14) mensis Septembris die quarta decima. 

Schep. V. M. verklaren, dat Giselbertus de Duübus Montibus, 
priester, als rentmeester van deken en kapittel van St. Servaas, 
en Lambertus de Horne, priester, als procurator seu gubernator 
van Henricus KoEC, beneficiant van het altaar ter eere van den 
H. Martinus 2* fundatie in de St. Servaaskerk, voor eene jaar- 
lijksche erfrente van 24 schellingen en 1 kapoen aan Petrus Monck, 
lakenscheerder, een huis in de Raamstraat {vicus tendiculorum)^ 
tusschen dat van diens vader Johannes Monck van Aken en dat 
van Theodericus Brulinc gelegen, in erfrecht opgedragen en deken 
en kapittel den brief met hun zegel ^^a^ ^^^«^^5 medebezegeld hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Everardus de Vernholte en 
Gobbelinus de Monyouwen. 



N' 835. 



(1879 Januari 6) Datum anno Domini millesimo CCO septuage- 
simo octavo pront adhuc scribitur de consuetudine dien opidi^ 
ipso die Epyphanie Domini. 

Schep. V. M. oorkonden, dat A leidis de weduwe van Johannes 
den zoon van Alverardus de Roesmer, Gerardus Paxslegere 



Digitized by 



Google 



— 285 — 

haar schoonzoon, diens echtgenoote en diens zoon Franco ten 
behoeve van Thomas Zuerinck, genaamd Domas van Aken, 
wever, en van zijne echtgenoote Dilla afstand gedaan hebben 
eener jaarlijksche erfrente van 1 Luiksche mark, na den dood 
van Yda Preytkers, de weduwe van Nicolaus de Namurco, en 
niet eerder te beuren uit een huis in de Mariastraai naast dat 
Johannes Ramoy, priester, en dat van Henricus de Haestenrode, 
koopman, en onder hypotheekstelling hunner goederen beloofd 
hebben hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren. 

Afschrift in: Regis trum Utter, fratern, A fol. 137 v. — Schepenen: 
Paulus DE Spauden en Macharius de Jecora. 

N*> 836. 

Iransfixen, {1383 Febrtuiri 15) Datum anno Dotnini millesimo 
CCC^ octuagesimo secundo mensis Febrtiarii die decimaquinta. 

Schep. V. M. verklaren, dat Thomas Zuerinck en zijne echt- 
genoote Dilla de jaarlijksche rente van eene mark, vermeld in 
den brief waardoor deze gestoken is, aan Petrus de Lemmoel, 
koopman, en zijne echtgenoote Barbara overgedragen hebben, 
beloofd de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen en ver- 
klaard, dat uit het huis nog gebeurd wordt eene jaarlijksche rente 
van 2 schellingen en 2 kapoenen, alles onder verband hunner 
goederen. 

Afechrift ibidem fol. 138. — Schepenen: Servatius de Mulken en 
Johannes Sack. 

No 837. 

(1427 Juni 4) Gegeven int j oer ons Heer en dusent vierhondert ende 
seven ende twintick vyere daghe in Junio. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Gloes van Lemmael, in die haerde 
vuyse^ als tochtenaar, en zijne kinderen Arnolt en Barbe als erf- 
genamen gezamenlijk ten behoeve van Johan Forelli, priester en 
kapellaan van St. Servaaskerk, afstand gedaan hebben eener jaar- 
lijksche rente van 1 Luiksche mark uit hun huis, vermeld in de 
beide naastvoorgaande brieven en gelegen in de sinte Marien 



Digitized by 



Google 



— 286 — 

straete ter luttelre (Mariastraat) tusschen dat van wijlen ridder 
Johan VAN Hülsberch en dat van Claes van Vueren. 

Afschrift ibidem fol. 138 v. — Schepenen: Johan van Heze en Claes 
VAN Lyebeeck. 

No 838. 

1428 Mei 29, Overdracht eener jaarlijksche rente van eene mark 
aan Reyner Kellenere, priester en kapellaan van St.Ser- 
vaaskerk. 

Wir Johan van Bloemendale ende Arnolt van der Moelen 
scepenen te Triecht gestoen mit desen brieve als scepenen, dat 
her Dierick Volquyn (i), canoniek der kirken sint Servoes te 



(1) Dirk VOLQ.ÜYN (Volkwyn, Volkens, Volopini;, een godvruclitig en geleerd 
persoon, vinden wij voor het eerst als kanonik van St. Servaaskapittel vermeld in 
1399, toen hij getuige was bij de akte, waarbij de deken en de kanoniken van dat 
kapittel aan den ofHciaal van Luik mededeeling doen der collatie van het 
beneficie ter eere van de HH. Bartholomeus en Sebastianus 2* fundatie in hunne 
kerk, door de familie de Haren ten behoeve van Jacobus Sluysman, die evenwel 
daarin bemoeielijkt werd door een pretendent, Johannes Wonder, die zich apos- 
tolische brieven had weten te verschaffen. Als zaakgelastigde van het kapittel werd 
hij bij schepenbrief van 14 December 1404 in het bezit gesteld eener jaarlijksche 
rente van 200 marken voor de viering van het feest van O. L. Vrouw Visiutie, 
welke rente door het kapittel was aangekocht. Meermalen genoot hij het vertrouwen 
zijner medekanoniken. Zoo onder meer belastte kanonik Henricus de Lavatorio 
hem met de uitvoering van zijn testament en als zoodanig gaf Dirk in 1412 kwi- 
tantie aan deken en kapittel eener som van 100 mottoenen, welke dezen aan hem 
verschuldigd waren wegens een van hem gekocht claustraal huis. Den 28 November 
van dat jaar gaf hij als lid en laat van het kamerhof van het kapittel met zijne 
medeleden het getuigenis dat Arnoldus de Cigno, zijn medekanonik, aan de uit- 
voerders des testaments van Johannes de Bunde ten behoeve van den rector der 
oude kapel ter eere van de H. Maagd in St. Servaaskerk verkocht had eene jaar- 
lijksche rente van 1 mark uit zijn claustraal huis. Wilhelmus de Sancta Mar- 
GARETA, kanonik en scholaster dier kerk, vertrouwde hem eveneens de uitvoering 
van zijn testament toe en diensvolgens droeg hij in 1414 aan het kapittel over eenen 
cijns van ö schellingen 's jaars. Kort daarop werd hij door zijne medekanoniken 
benoemd tot den gewichtigen post van fabriekmeester, magister fabricae hunner 
kerk. Als zoodanig zou hij groote werkzaamheden ondernemen. Matheus Herben, 
de bekende humanist en schoolmeester van St. Servarskapittel -]- in 1538, verhaalt 
ons van zijn vader vernomen te hebben, die er ooggetuige van was, dat Volquyn 
begonnen was met het aanbrengen van het huidige steenen gewelf in de St. Ser- 



Digitized by 



Google 



— 287 — 

Triecht als executoir ende testamenture des testamentes ende 
leste willen heren Johans Forelly, priesters, capellaens der kirken 
sint Servoes te Tricht overmits ons kande openberlic, dat her 
Reyner Kellenere, priester, capelloen der kirken vurscreven als 
recht maech aen hoem als testamenture vurscreven guestyts ende 
binnen joers geloist gequyt ende beschodt heet die eyne marck 
joirlix ende erflix ceys, daer af dat mencie ende gewach wort 
gedaen inden scepenen brieve, dair an dis is getransfigiert, ende 
dat her dat geit der beschuddinge vander vurgenoempten heren 
Reyner volcomentlic gehanen en gebuert hedde, heet daer omme 
opgedragen ende oevergegeven denselven heren Reyner die eyne 
marcke erfcyes metten brieve vurgenoempt met allen den rechte 
ende alle der manieren dat he die hadde off hebben mocht in 
eyniger wys sonder argelist. Des getuge der waerheit hebben wir 
onse segele heran gehangen int jair vander geboirt ons Heeren 
dusent vierhondert ende achtendetwintich noegenendetwintich 
dage inden Meye. 

Afschrift ibidem fol. 139. 

No 839. 

14S0 (September 13) derthene dage in Septembru 
Schep. v. M. oorkonden, dat Reynart Kellener, priester en 

vaaskerk, waar voor dien tijd slechts eene houten testudo was, doch het begonnen 
werk niet had kunnen vohooien. De regeering der stad had beloofd het op hare 
kosten te voleindigen, was er mede begonnen in den noordelijken kant der kruisbeuk, 
alwaar men nog op de sluitsteenen het wapen der stad ziet, doch had het werk niet 
voltooid. Dit werd later gedaan op kosten der kerkfabriek. 

i5ij testament stichtte Volquyn in 1426 op het aluar ter eere der H. Maagd op 
het „Nieuwerk" 1' fundatie eene gezongen Mis (mis discanU met den succentor^ 
sengeren ende kinderen) op alle Zondagen en feestdagen der H. Maagd, na de 
Metten; daarvoor gaf hij aan het kapittel eene jaarlijksche pacht van 2Vs mudden 
rogge, die hij op zijn claustraalhuis vestigde. Tot uitvoerders van zijn testament 
benoemde hij Johan Coperdroets en Peter Tant, wisselaars der stad Maastricht. Hij 
overleed 16 Maart 1441 en werd begraven in de schoone zuidelijke portiek der kerk 
tegenover den voormaligen ingang der Katharinakapel alwaar men in den muur 
ingemetseld vindt zijn gra&teen met het volgend inschrift: Hir . ligt . begraven . 
Her . DiERiCK . Volqjuyn . canonik . dieser . kergken . die . starf . int . 
lOER . ONS . Heren . M . CCCC . ende XLI des . XVI . daichs . inde . Meert . . 
Bidt . Got . voer . die . sil . 



Digitized by 



Google 



- 288 — 

kapellaan van St. Servaaskerk, de mark jaarlijksche rente vermeld 
in de brieven waardoor deze gestoken is, overdragen heeft aan 
de priesters en kapellanen dier kerk die alle jaer opten dage des 
erfjaergetyts Reynartz Kelleners walve der vurscreven heren Rey- 
nartz vader misse doen ende celebreren sullen inder kir ken van sinte 
Servoes vurscreven inden omganck aldae ende inden gasthuyse van 
sinte Servoes vurscreven in heyU ende troest der selen Reynartz 
walve vurscreven ende synre alderen ende vur kon te bidden als dat 
behoirlic is. 

Afschrift ibidem fol. 139 v. — Schepenen: Johan van Bloemendale 
en Reynart PrOenen. 



No 840. 



(1379 Februari 12) Datum anno Domini millesimo CCC^^ LXX^ 
octavo prout adhuc scribitur de consuetudine dicti opidi ntensis 
Februarii die duodecima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Wilhelmus Zeeus, kanonik van 
St. Servaaskerk, als rentmeester en prepositus refectorii van deken 
en kapittel dier kerk, en frater Nycholaus Jopilhe, Predikheer te 
Maastricht, als receptor censuum van zijn klooster voor 40 Luiksche 
schellingen en 2 kapoenen cijns 's jaars aan Henricus de Cleirmont, 
wonende achter O. L. Vrouwekerk bij de graanmarkt, eene 
open plaats {area seu domistadium) aldaar gelegen nabij de stupa 
van Lambertus Lamson, koopman, tusschen het huis van Gode- 
fridus DE Merzen, clericus^ en de straat voerende naar voormelde 
stupa^ in erfrecht opgedragen hebben, van welken cijns 23 schellin- 
gen bestemd zijn voor den deken en het kapittel van St. Servaas, 
7 voor het klooster der Predikheeren, 2 kapoenen voor het kapittel 
van O. L. Vrouwekerk, 5 schellingen voor de broederschap van 
kapellanen dier kerk en 5 schellingen voor het altaar ter eere 
van de HH. Felix en Audactus in die kerk gelegen, en Henricus 
onder verband zijner goederen beloofd heeft binnen het jaar 100 
kleine mottoenen te zullen uitgeven voor verbeteringen van die area. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnoldus Nüest en Servatius de 
Mulken. 



Digitized by 



Google 



— 289 — 

N* 841. 

(1379 Februari 23) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
Septuagesima octavo prout adhuc scribitur de consuetudive 
opidi prescripti mensis Februarii die vicesima tertia. 

Schep. V. M. oorkonden, dai Libertus Membrugghen, de zoon 
van wijlen Johannes, ad annos sue discretionis perventus, ten behoeve 
van Henricus de Cleirmont en van zijne erfgenamen afstand 
gedaan heeft van al zijne rechten, zoo tegenwoordige als toeko- 
mende, op een erf in vico sito retro ecclesiam beate Marie (y) 
gelegen tusschen het huis van Godefridus de Merzen en de 
vicum parvum ducentem ad stupam (2) Lamberti dicti Lamson, 
koopman, en beloofd heeft die afstand te zullen doen goedkeuren 
door zijnen broeder Johannes, die thans in den vreemde vertoeft, 
zoodra hij zal zijn teruggekeerd en door diens kinderen Elisabeth 
en Jacobus, zoodra zij meerderjarig zullen zijn geworden, alles 
onder verband van zijne goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnoldus Nuest en Macharius 

DE JECORA. 



N* 842. 



(1379 Maart 20) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
septuagesimo octavo prout adhuc scribitur de consuetudine 
dicti opidi Dominica qua cantabatur in ecclesia Letare Jhe- 
rusalem^ videlicet mensis Martii die vicesima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Robinus de Millen, wonende te 
Hoekelem^ en zijne echtgenoote Gertrudis, de zuster van Floren- 
tius Weelde schepen van Maastricht, ten behoeve van Lambertus 
DE HoRNE, priester, en van diens erfgenamen afstand gedaan 
hebben eener jaarlijksche rente van 29 schellingen en 1 kapoen 
te beuren uit de volgende goederen: 20 schellingen uit het erf 

0) In dorso gezegd: in foro bladorum^ graanmarkt, die achter O. L. Vrouwe- 
kerk gelegen was. 
(O In de aanteekening op den rug van het perkament geheeten: antiqua stupa. 
l 



Digitized by 



Google 



— 290 — 

van Cathieghers weleer geheeten Haspengouwersguet gelegen aan 
de Maas, nabij den stadsmuur tusschen het huis van Johannes 
Karseel en de Quaedevliegenstraete (i), te beuren na eene rente 
van 6 penningen en 3 hennen; 7 schellingen en 1 kapoen grond- 
cijns uit het huis van Gerardus mariscalcus equorum (^) genaamd 
Gerart Marscalck gelegen bij het Vrijthof tegenover het klooster 
der Predikheeren, tusschen dat van Christianus Plencker, waarin 
Reynerus Wvthoet woont, en het huis de Cornu^ en de overige 
twee schellingen grondcijns, uit dit laatste huis naast het voor- 
gaande en naast het huis de lylia dat behoort aan Gerardus of Gheer- 
winus VAMME Hamme en Margareta de Juncis, echtgenooten, 
gelegen, uit welk huis het hospitaal der H. Katharina op de 
Houtmarkt een gelijken grondcijns te beuren heeft; beloofd hebben 
hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren en verklaard 
dat op het huis, Katieghersgtut^ nog gevestigd is eene rente van 
20 schellingen 's jaars, alles onder verband hunner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florentius Weelde, Henricus de 
MoNTHENAKEN en Everardus de Vernenholte. 

No 843. 
Transfixen, 1379 (October 20) mensis Octobris dU vicesima, 

Vidimus van een schepenbrief van Maastricht van 1375 Fe- 
bruari 3, waarbij Florentius Weelde, Arnoldus Nuest en Johannes 
DE JuLEYMONT, schep. V. M. Verklaren, dat Johannes Sack de 
Wyck, man van wapenen, en zijne echtgenoote Jutta ten behoeve 
van Colinus de Huyo, koopman, en zijne erven afstand 
gedaan hebben van eenen jaarlijkschen cijns van 7 marken, 15 
schellingen en 2 kapoenen, waarvan 9 schellingen en 2 kapoenen 
grondcijns uit een erf der Antonieten in de Guelkemansstraete 
gelegen tusschen het huis van Tilmannus dè Nussia en dat van 
Jutta LiBERTi; 2 marken en 10 schellingen leenrente uit het erf 
manegots geheeten in de vicus swevi (Wolfstraat) naast dat van 
Helyas pellifex en dat van Mathias de Haesdaele, brouwer; 



{}) De huidige Koevliegenstraat. 
(>) Hocfemid. 



Digitized by 



Google 



— 291 — 

26 schellingen grondcijns uit het huis van Godefridus Klkrcs in 
de vicus canum (Hondstraat) tusschen die van Johannes de Echt, 
priester, en van Johannes de Lybeke, wever; 2 marken uit het 
huis van wijlen Lambertus Gluppel gelegen versus Jecoram iiixta 
molendiuum brasii (i) tegenover de mansio van ridder Reynerus 
DE Berghe en tusschen dat van Johannes de Ganne, bakker van 
O. L. Vrouwkapittel, en dat van Johannes genaamd Theuz; 
30 schellingen uit het huis van wijlen Symon op den Aldenhof 
(supra antiquant curiam extra por tam fratrum minor um) tusschen 
dat van wijlen Jacobus, bakker van voornoemd kapittel en de 
straat geheeten Zuls (2); en beloofd hebben hun het rustig bezit 
daarvan te zullen vrijwaren, waarvoor zij al hunne goederen 
verbonden hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Gobelinus de Monyouwen en Ma- 
charius db Jecora. 

No 844. 
1379 (October 20) mensis Octobris die vicesima. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Golinus de Huyo, koopman en 
zijne echtgenoote Maria de Gapella met toestemming van Wil- 
helmus de Herbena genaamd Wilmot de Huyo aan Lambertus 
de Horne, priester en rector der kapel van den H. Vincentius 
martelaar, eenen jaarlijkschen grondcijns van 20 schellingen uit het 
huis van Godefridus Klercs in de vicus canum geheeten hontstraetey 
vermeld in den naastvoorgaanden brief, overgedragen hebben en 
beloofd de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 
Orig. op perkament. — Schepenen als van n°. 843. 

No 845. 

(1411 Januari 25) Gegeven int joer vander gebuerde ons Heren dusent 
vyerhondert ende eylfe vyfentwyntich dage in Januario. 

Schep. v. M. verklaren, dat Goedart van Gyney, priester en 



p) De bisschopsmolen op de Steenenbrug tegenover de Koestraat gelegen. 

O De Bcgijnenstraat. Op eene kaart der stad, in 1718 in opdracht der regeering 
vervaardigd door den gezworen landmeter de Lom, wordt de Begijnenstraat genoemd: 
„int sacktjien". Het begijnen-hof dat in die straat gelegen was, wordt in een schepenbrief 
van Lenculen van 1492 Augustus 26, zijnde een transfix van eenen van 1 April 
1468, geheeten: inden convent van Fitter shem gelegen indie Sulsruwe, 



Digitized by 



Google 



_ 292 — 

kapellaan van St. Servaaskerk, als uitvoerder van het testament 
van wijlen zijn oom Lambrech van Horne, priester, aan de 
broederschap van kapellanen dier kerk overgedragen heeft de 
volgende cijnzen, welke wijlen Lambrech haar bij testament 
gelaten heeft tot het lezen eener H. Mis alle Zaterdagen in voor- 
noemde kerk en in de kapel door hem aangewezen: 26 schellingen 
grondcijns uit het erf thans behoorende aan Wouter Kouman, 
priester, in die Hundstraete^ waarvan melding is in den naast- 
voorgaanden brief; 7 schellingen en 1 kapoen grondcijns uit het 
huis thans in bezit van Gobbel Schencke gelegen by den Vrythoff 
te^en die weynUnoelen over en nog 2 schellingen grondcijns uit het 
huis geheeten, dat gtut van den Horne, waarin thans Jacob van 
DER ROESEN der ghoutsmyet woont naast het huis van Gobbel 
voornoemd, beide cijnzen ingelijks vermeld in de voorgaande 
schepenbrieven, en verder al zijne rechten, tegenwoordige en toe- 
komende op zijn huis met het kleine er naast gelegen in de 
breydestrate nyei verre van sinte Jacobs capelle tusschen dat van 
Arnold Eelman den jonge en dat van Katharina van Helmont, 
welke cijnzen de leden dier broederschap gelijkelijk onder elkander 
verdeelen zullen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Mathees Dunnen en HenrickVAN 
Oederbrucke:. Zegels: 2<*. In het schildhoofd twee vijfbladige rozen, 
in het vrijkwartier een naar rechts klimmende leeuw met gespleten 
staart; randschrift: S. Henrici . D* . Oderbruck . SCAB . . . tens. 



N« 846. 



(1S79 April 1) Datum aftno Dotnini millesimo tricentesimo sep- 
tuagesimo octavo mensis Aprilis die prima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Wilhelmus Zeus, kanonik van 
St. Servaaskerk aldaar, in zijne hoedanigheid van preposttus refec- 
torii^ namens deken en kapittel dier kerk aan Elizabet Nucklüets, 
weduwe van wijlen Johannes Nuckloets voor 11 schellingen, 
11 penningen en 1 kapoen jaarlijkschen erfcijns een huis met aan- 
hoorigheden op den hoek van het straatje naar de Visschermaas 
leidende [in ordone parvi vici diuentis versus forum piscium)g^\tg^Ti 



Digitized by 



Google 



- 293 — 

tusschen dat van Johannes Nayman, tector petrarum^ en dat van 
Johannes Haene, weleer bewoond door wijlen Johannes Poyt, 
visscher, opgedragen heeft, van welke rente 9 schellingen en 6 
penningen voor den deken en kapittel voornoemd en de overige 
29 penningen en 1 kapoen voor de grondheeren bestemd zijn; 
dat de deken en kapittel die opdracht goedgekeurd en daarom den 
brief medebezegeld hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnoldus Nu£ST en Macharius 

DE JECORA. 



No 847. 



W^ October 1. yohannes DE Daelheym verplicht zich voor het 
leer looier sgild van Maastricht het leder te zullen verkoopen 
gelijk het door zijne leden wordt verkocht. 

Nos scultetus et scabini curie Lenculensis scilicet Macharius de 
Hese, Florentius Weylde, Reynerus de Berne, Johannes de 
JüLEYMONT, Arnoldus NuEST, Gobelinus de Monyouwen, Macha- 
rius de Jecora protestamur quod Johannes de Daelheym, sutor 
ac cerdo, promisit pro se et suis heredibus et successoribus Hen- 
rico dicto Wytmuys et Hermanno dicto Schuemeker cordonibus, 
pronunc magistris operariorum cerdonum, ac nomine et ad opus 
et usus communis officii cerdonum exnunc inantea nunquam 
vcndere aliud coreum tanatum dictum vulgariter gheloetleder in 
Traiecto aut in Wyck nullo alio modo, jure aut aliqua forma, 
quam ferdones opidi predicti aut commune officium cerdonum 
iamdicti opidi communiter vendent seu vendere debent in dicto 
opido Trajectensi aut in Wyck debitis diebus et consuetis, dolo 
et fraude in premissis exclusis et omnino amotis, tali conditione 
addita quod si dictus Johannes de Daelheym aut sui heredes 
seu successores dictam promissionem non tenuerint et in eadem 
negligentes seu defectui fuerint, quod absit, extunc nullam partem 
aut portionem atque nullum jus habebunt nee comparebunt ad 
Cl supra molendina cerdonum sui in dictis molendinis in platea 
cerdonum opidi predicti supra Jecoram sitis et ad dictum officium 
cerdonum communiter pertinentibus necnon a curia Lenculensi 



Digitized by 



Google 



— 294 - 

predicta moventibus ac sine aliqua contradictione de premissis 
faciendum atque implendum cum emenda. Datum anno Domini 
millesimo CCC™' septuagesimo nono ipso die beati Remigii Episcopi. 

Orig. op perkament. 



No 848. 

1379 (November 27) mensis Ntmembris die vicesima septima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Servatius de Mulken, hun mede- 
schepen, Johannes genaamd Parys en Servatius' broeder, Johannes 
DE Mulken, ten behoeve van Wilhelmus Virgiferi, priester, en 
van zijne erfgenamen afstand gedaan hebben van eenen jaarlijk- 
schen grondcijns van eene mark en 4 kapoenen uit het erf van 
Servatius de Pytersheym genaamd Vaes van den Heyligen- 
GHEIST, met aanhoorigheden gelegen in de St. Jorisstraat (Groote 
Staat) tegenover den H. Geest, tusschen het huis van wijlen 
Godefridus de Vinea, schepen van Maastricht, en dat van Johan- 
nes DE CoLONiA genaamd meyster Johan Sweertvegher, en Ser- 
vatius en Johannes Parys onder verband hunner goederen beloofd 
hebben die overdracht te zullen doen goedkeuren door hunne res- 
pectieve echtgenoote Katharina en Syba, en dat buitendien Johannes 
DE Mulken, nog ongehuwd zijnde, aan Wilhelmus voornoemd eene 
rente van 2 schellingen en 4 kapoenen uit het huis van Johannes 
DE Vryehernen, barbier, in voormelde straat tegenover het 
klooster der Predikheeren gelegen, naast dat van Johannes Ver- 
HOET, ten wildenmanne geheeten, en dat van Hubertus DE Eer- 
leken, calcarium factor^ overgedragen heeft (^). 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnoldus Nuest en Macharius 

DE JECORA. 



P) Deze brief werd 1381 Februari 28 gevidimeerd door de schepenen van Maas- 
tricht, Florentius Weelde en Everardus de Vernenholte. 



Digitized by 



Google 



— 295 — 

N« 849. 

Transfix. (1381 Februari 28) Datum anno Domini millesimo tre- 
centesimo octuagesimo prout adhuc scribitur de consuetudine 
opidi prescripti tnensis Februarii die ultinia. 

Schep. V. M. verklaren dat Wilhelmus Virgiferi, priester, aan 
deken en kapittel van St. Servaaskerk aldaar, alsmede aan de 
kapellanen, de socii en officiati dier kerk de mark en 4 kapoenen 
jaarlijkschen grondcijns, vermeld in den brief waardoor deze 
gestoken is, overgedragen heeft tol stichting van zijn jaardienst, 
in voornoemde kerk more solito te houden (i). 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florentius Weelde en Evcrardus 

DK VERNENHOLTE. 



No 850. 

1379 (December 12) mensis Decembris die XIL 

Schep. V. M. verklaren dat Jacobus de Leut, man van wapenen, 
broeder van Rutgherus de Viseto, schepen van Maastricht, en 
zijne echtgenoote Mechtildis, ten behoeve van Petrus de Sittert, 
wonende aldaar in de Breedestraat, en van zijne echtgenoote Bela 
afstand gedaan hebben eener jaarlijksche rente van 3 marken uit 
het huis (2), dat zij bewonen in voormelde straat tusschen dat 
van Henricus de Cleirmont en de zich daar bevindende poort, 
en beloofd hebben hem het rustig bezit daarvan gedurende een 
jaar en een dag te zullen vrijwaren, met de verklaring dat behalve 



(*) Bij de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk stichtte hij ook een 
jaardienst, die op 31 Mei gehouden werd en aldus in het necrologium dier broe- 
derschap ingeboekt staat : Annrversarmm domini WiUulmi Virgiferi presbyteri ei 
frairisy custodis ecclesie^ X solidos, In de Nederduitsche akten wordt hij genoemd 
Willem Roedrbgers. Hij was lid van voormelde broederschap sinds 1366. In 1384 
vinden wij hem vermeld als rentmeester van het kapittel en woonde toen aan het 
Vrijthof, iuxta atrium. Later werd hij benoemd tot schatbewaarder der kerk, waar- 
schijnlijk ter vervanging van Balduinus de Molen ding, die in 1386 overleed. 

(') Uit de noot in dorso blijkt, dat het huis naderhand kwam aan Petrus Tant, 
yleeschhouwer. 



Digitized by 



Google 



*- 296 — 

voornoemde rente dat huis met niets meer belast is, alles onder 
verband van al hunne goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johannes de Juleymont en Go- 

belinUS DE MONYOUWEN. 

No 851. 

Transfixen. 1380 (April 11) mensis Aprilis die undecima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Petrus de Zyttart en zijne^ echt- 
genoote Bela, aan Lambertus genaamd Beert en zijnen broeder 
Johannes, zonen van wijlen Adam genaamd Wynman de Mersen, 
de 3 marken jaarlijksche rente, vermeld in den naastvoorgaanden 
brief, alsook dezen omnibus ei singulis tnodoy jure et forma prout 
habebanty overgedragen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johannes deJüleymont enRcne- 
rus DK Eetzenboede. 

No 852. 

(1416 Mei 12) Gegeven int jaer vander gebuerde ons Herent dusent 
vyerhonde'rt ende sestene iwelf dage in Meye. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan van Mersen (i), kanonik 
van ü. L. Vrouwekerk aldaar, hoem ende syne guede in desen saken 
ten werentliken recht als leye onderghevende de jaarlijksche rente 
van 3 marken vermeld in de beide brieven, waardoor deze gestoken 
is, aan de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk aldaar 
{der pry ester en ende cape lianen der broederschap der kerken Sin te 
Servaes) overgedragen heeft en verklaard dat op het huis, waaruit 
die rente te beuren is, geene andere gevestigd is met verbeyntenisse 
alle synre guede^ erve ende gereyde die he heet ende ercrygen mach. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Mathees Dunnen en Herman van 
Hese. Zegels: 2^, Gefaast van acht stuk; in het vrijkwartier een herten- 
schedel; randschrift: S.' Hermani . de . Hese . scabini . traiecten . 



Q) Jolian VAN Mêrsen vinden wij voor het eerst als kanonik van O. L. Vrouw- 
kapittel vermeld in 1423; hij overleed in 1446 en benoemde tot zijn testamentaire- 
uitvoerder Lambertus de Montenaken. 



Digitized by 



Google 



— 297 — 

N» 853. 

1379 (December 16) mensis Decembris die XV Da. 

Schep. V. M. verklaren, dat Johannes de Canne, wonende supra 
platea rufi, zijn schoonzoon Thomas de Ghelke, diens echtge- 
noote Katharina, en de dochter van Johannes voornoemd ten 
behoeve van Johannes Sac alias de Pitersheim, priester, en 
van diens erfgenamen afstand gedaan hebben eener jaarlijksche 
erfrente van 20 schellingen, waarvan 15 schellingen van eenen 
grondrente van 21 schellingen en 1 kapoen uit het huis van 
Godefridus de Heze, koopman, te Tweebergen tusschen dat van 
Katharina Eggen en dat van Godefridus Sutor gelegen en 5 
schellingen (i) van eene rente van 9 schellingen uit een huis 
insgelijks te Tweebergen gelegen tegenover het voorgaande en 
tusschen die van Jacobus de Fleytingis en van Lambertus de 
Udenberch, beloofd hebben hem het rustig daarvan te zullen 
vrijwaren en verklaard dat op het laatst genoemde huis nog 
gevestigd is eene rente van 5 schellingen en 2 kapoenen 's jaars, 
alles onder hypotheekstelling hunner goederen 

Orig. op perkament en afschrift in: Res^istrum Utter, frater n, A fol. 
87 V. — Schepenen: Gobbelinus de Monyouwen en Servatius de 
Mulken. 

No 854. 

Transfixen, (1401 Juli 9) Gegheven int jaer van der gebuert ons 
Heren duysent vierhondert ende eyn nue^ken daeghe in Julia. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Heynrich van Noderbrueck, 
zijn neef Heynrich van Noderbrueck, brouwer, en Barbara, 
dochter van wijlen Wilhem Scepens, leerlooier, als uitvoerders 
van het testament van Johan Sack anders van Pytersheym, priester, 
aan de broederschap van kapel lanen der St. Servaaskerk over- 
gedragen hebben de jaarlijksche rente van 20 schellingen, vermeld 
in den naastvoorgaanden brief, waarvoor die kapellanen zijn jaar- 
getijde (i) zullen doen en die door den beneficiant van het altaar 



Q) Dit jaargetijde werd gehouden op 6 September en is volgenderwijze vermeld 
in het necrologium der broederschap : Anniversarium Johannis Sac de Pitersheim^ 
custodis ecciesie et fratris, III vasa siliginis in Eygenbilsen et capellanis celebran- 
tibus in ecclesia unam marcam. — Als schatbewaarder van St. Servaaskerk volgde hij 
wellicht op aan Johannes Hbrdbrman. 



Digitized by 



Google 



- 298 — 

ter eere van den H. Leonardus 2« stichting in vermelde kerk, in 
het bezit waarvan Johan voormaals geweest is, te beuren, waar- 
voor Jan de broederschap bij testament gelaten heeft eyn stuck 
bomvelyck lants van 5 groote en 17 kleine roeden dat hij ver- 
kregen had tegen Gyselbrecht, zoon van Gysen Vrimans. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godenuel van Spauden en Johan 
VAN Hese. 

No 855. 

Ii06 (Juni 25) in den Braemaende des XXV daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Wynant van Mere, vicaris van 
het altaar ter eere van den H. Leonardus 2* stichting in de 
St. Servaaskerk aldaar, die door wijlen Johan Sack alias van 
Pyetersheym bij testament belast is geworden met het innen 
eener jaarlijksche rente van 1 mark, welke deze aan de broeder- 
schap van kapellanen dier kerk voor zijn jaargetijde gelegateerd 
had, zich van dien last willende ontdoen [willende daromme . . 
des lastB nyet mee te draegen] hem overgedragen heeft op 
voornoemde broederschap . . . die ntarck erfcyns voirscreven op te 
halden ende te deylen onder de capellanen ende priesteren vurgenoempt 
in alle der vuegen ende manieren gelyck hie selven doen mocht, 

Orig. op perkament. — Schepenen : Godenuel van Spauden en Mach- 
giel Neve van Sïevne. 



No 856. 

1B80 (April 12) mensis Aprilis die duodecima. 

Schout en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Arnoldus 
Dreupe alias Sceper verklaard heeft, dat drie jaren geleden hij 
ee^erzijds aan Theodericus en Johannes Coppens van Ghelabbeke 
broeders en hun schoonbroeder Johannes Droege, als man en 
momboor zijner echtgenoote Billa, anderer zijds aan Wilhelmus 
Halsberch van Tweebergen en diens echtgenoote Elisabet voor 



Digitized by 



Google 



— 299 — 

eene jaarlijksche erfrente van 2 marken, 15 schellingen en 5 
kapoenen in erfrecht opgedragen heeft een huis met daarachter 
gelegene hoeve op de Jekerstraeie tusschen Tweebergen en de 
Kommel [inter duos montes et commenam) naast het erf van 
Johannes de Hercke en dat van Johannes genaamd Derdelinc, 
van welke rente Wilhelmus en Elisabeth beloofd hadden binnen 
het jaar en dag 10 schellingen te zullen aflossen met 9 dubbele 
gouden mottoenen, dat zij die aflossing gedaan en de helft dier 
negen mottoenen aan hem en de andere helft aan de wederpartij 
betaald hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Macharius de Hese, Florentius 
Weylde, Reynerus de Berne, Johannes de Jüleymont, Arnoldus Nübst, 
Grobbelinus de Monyouwen en Macharius de Jecora. 

No 857. 

Transfixen. (1397 December 18) Dattém anno Navitatis Domini 
millesimo irecentesimo nonagesimo septimo mensis Decembris 
die decima octava. 

Schout en schepenen van Lenculen verklaren, dat Godefridus, 
de zoon van wijlen Wilhelmus Halsberch, voor 5 marken, 10 
schellingen en 5 kapoenen jaarlijkschen cijns aan Johannes de 
Merhout, klerk, ten behoeve van deken en kapittel van St. Ser- 
vaas opgedragen heeft een erf te Tweebergen in de Jekerstrate 
tusschen dat van Johannes genaamd Heynsberch en dat van 
Egidius DE JuNCCis, parator armorum en tegenover de mansio van 
wijlen Danyel Caseus gelegen, opgedragen heeft en beloofd hen in 
het rustig bezit van dat erf te zullen houden, en Wilhelmus zijn 
broeder en Katharina zijne zuster alsmede Gerardus Beckers 
de sancto Geerlaco als man zijner zuster Gertrudis, die opdracht 
goedgekeurd hebben en Johannes de Merhout namens deken 
en kapittel voornoemd beloofd heeft van dien cijns 21/2 mar- 
ken, elke mark met 30 kleine gouden mottoenen, te zullen 
terugkoopen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johannes deJuyleymont, Johannes 
Sack, Henricus de Cleermont, Johannes de Here, Goiswinus de Mon- 
TBNAKEN, Araoldus DE CiGNO en Servatius DB Mulkbn. 



Digitized by 



Google 



— 300 ~ 

No 858. 

1397 (December 20) mensis Decembris die vicesima. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Gode- 
fridus, de zoon van wijlen Wilhelmus Halsberch, in korting 
van den jaariijkschen cijns, vermeld in den brief waardoor deze 
gestoken is, aan den deken en het kapittel van St. Servaaskerk 
den cijns van 21/2 marken *s jaars in dienzelfden brief genoemd 
overgedragen heeft, en zijn broeder Wilhelmus en zijne zusters 
Katharina en Gertrudis, verklaard hebben geene rechten te hebben 
noch te zullen nemen op die 2^/2 marken. 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n» 857. 



N* 859. 



1380 (Juni 28) f er ia guinta post festunt beati Johannis Baptiste, 

Schout en schepenen der vrijheid Sint-Pieter oorkonden, dat 
Godefridus de Duobus Montibus, procurator^ en Heylwigis ge- 
naamd Heyllaet aan de broederschap van kapellanen der St. Ser- 
vaaskerk te Maastricht al hunne rechten, zoo tegenwoordige als 
toekomende, op het huis van wijlen Petrus Voeght, voller, te 
St. Pieter gelegen tusschen het huis van Wynandus de Lychten- 
BORGH, brouwer, en dat van wijlen NoUTS, brouwer, overgedra- 
gen hebben. 

Afechrilt in : Regisirum litier, fratern. A fol. 64 v. — Schepenen : 
Johannes Iserman schout, Henricus Kestelman, Philippus de Hercke, 
Rutgherus de Viseto, Reynerus de Hoefreo, Reynerus de Eytzenrode, 
Mathias Supra Lacum en Laurenti.s de Lacu. 



No 860. 



(1380 Augustus 10) Datum anno Domini millesimo trencentesimo 
octuagesimo mensis Augusti die decima. 

Schout en schepenen van St. Pieter oorkonden, dat Marghareta 



Digitized by 



Google 



— 301 — 

genaamd die Grutersse van Maastricht, voor eenen jaarlijkschen 
cijns van 13 Luiksche schellingen en 2 kapoenen aan Egidius 
LuECKART van St. Pieter eene hoeve aldaar gelegen in de platea 
presbytororum dicta die papenstrate tusschen het erf van Johannes 
DE LovANio, priester, en dat van Johannes de Mulken, man 
van wapenen, opgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Laurentius de Lacu, schout en 
schepen, Henricus Kestelman, Philippus de Hercke, Rutgherus de Viseto, 
Reynerus de Horreo, Reynerus de Eytsenrode en Mathyas Süpra Lacüm 
Zegels: 1**. Drie naar rechts gewende stappende kippen (?) 2, l ; in het 
hartpunt een vijfbladige roos; randschrift: . . Laurenti . Dcs . de . 
lacü; — 2 . Drie kepers in het vrij kwartier een band. 

No 861. 

Iransfix, 1405 April 5. Overdracht aan Wilhelmus DE Gruysbeke, 
fcanonifc van St, Servaas te Maastricht eener jaarlijksche 
rente van 13 schellingen en 2 kapoenen, 

Nos Petrus de Lacu, scultetus, Reynerus de Horreo, Gode- 
nulus de Spauden, Wilhelmus de Monte Crucis, Jacobus Meys, 
Amelius de Wange, Petrus de Lacu et Mychael Neve de Steyne, 
scabini libertatis sancti Petri notum facimus universis etsingulis, 
tenore presentium publice protestantes, quod alias anno a Nativi- 
tate Domini millesimo quadringentesimo secundo mensis Februarii 
die XX coram nobis ac conscabinis nostris tune presentibus Ka- 
therina relicta Henrici de Rosis quondam et Thomas eius frater 
una cum dicto Thoma suo mamburno, uti moris est, coram nobis 
ad hoc constituto pariter reportaverunt ore, manibus et calamis 
ad manum sculteti predicti tredecim solidos et duos capones 
census annui et hereditarii sicut de bonis hereditariis quolibet 
anno exsolvitur in libertate predicta eisdemque penitus effestu- 
cantes renuntiaverunt ad opus et usus venerabilis viri domini 
Wil helmi de Gruysbeke, canonici ecclesie santi Servatii Traiec- 
tensis, et suorum heredum, capiendis, habendis et assequendis 
singulis annis hereditarie ad et supra curiam scriptam et nomina- 
tam in litteris scabinalibus, quibus hec nostre presentes littere 
sunt transfixe, pro una parte media in festo Nativitatis beati 
Johannis Baptiste et pro alia parte media cum dictis caponibus 



Digitized by 



Google 



— 302 — 

in festo Navitatis Domini nostri, illisque sic reportatis, renuntiatis 
et per dictum scultetum uti premittitur receptis et retentis usque 
ad annum a Nativitate Domini millesimo quadringentesimo quinto 
mcnsis Aprilis die quinta, prenominatus scultatus prefato domino 
Wilhelmo presenti et requirenti huiusmodi tredecim solidos et 
duos capones census annui contulit et concessit, ac ipsum de 
eisdem investivit et adheredavit, iure cuiuslibet semper salvo, 
adhibitis solempnitatibus in talibus adhiberi solitis et consuetis 
iuxta legem et consuetudinem libertatis predicte; et hec omnia 
prenominatis partibus hincinde, uti asseruerunt, sufficientia sepe- 
dictus scultetus in nostrorum scabinorum ibidem presentium cus- 
todiam reposuit et commendavit dolo et fraude in premissis 
eclusis. Datum sub nostrorum sigillorum appensione in testimo- 
nium premissorum anno, mense dieque supradictis. 

Orig. op perkament. — Zegels: 1<» In een driepas een schild waarop 
drie naar rechts gewende stappende kippen (?); randschrift: S. Peter van 
DER Lake. — 4®. In het schildhoofd drie naar rechts gewende vogels 
naast elkaar; daaronder drie pelgrimschelpen een in den schildvoet en 
een aan de beide zijden; in het vrijkwartier een getand kruis; rand- 
schrift: S* Willem . van . nberch .; — 6*». Een Sint-Andrieskruis 
vergezeld in ieder kanton van eene naar rechts gewende merlet. 



No 862. 

1380 (Ai4s:ustus 26) mensis Augusti die XX VL 

Schep. V. M. oorkonden, dat Katharina, dochter van wijlen 
Henricus Bovtersckem, /aaor perarum, aan Wilhelmus DE Sancta 
Margareta, roededrager van St. Servaaskerk aldaar, aan zijne echt- 
genoote en erfgenamen eene jaarlijksche erfrente van 30 Luiksche 
schellingen te beuren na eene van 3 marken en 7 schellingen uit 
het huis (}) thans in erfpacht bij Egidius de Junccis, purgator 
seu eviginator armorum^ in de platen sancti Georgii (Groote Staat) 
nabij den H. Geest tusschen dat van de Duitsche Ordensheeren 
en dat der kinderen van wijlen Gerardus Caloeps, overgedragen 



(1) Dit huis kwam naderhand aan den zoon van Katliarina Blanckarts, alias 
de Palüde. 



Digitized by 



Google 



— 303 — 

heeft en beloofd hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren, 
waarvoor zij verbonden heeft eene jaarlijksche rente van 1 mark 
uit het huis van Theodericus genaamd Vuerenblaes gelegen /;/ 
Goesmanstoeren . . . in platen pontis et supra monetam tusschen dat 
van Arnoldus de Veringen, koopman, en dat van Henricus 
Neysken, alsmede eene rente van 3 schellingen 's jaars uit het 
huis van voornoemden Egidius de Junccis. 

Afschrift in : Registruin liiter. frateni, A fol. 52 v. — Schepenen : 
Arnoldus Nuest en Gobelinus de Monyouwen. 

N<> 863. 

Transfix, 1382 (Juni 16) mensis Junii die decima sexta. 

Schep. V. M. verklaren, dat Mechtildis Kyppe, weduwe van 
Wilhelmus de Sancta Margareta, als uitvoerster van diens 
testament, voor zijne jaargetijde en het hare afstand gedaan heeft 
van de 30 schellingen jaarlijksche rente, vermeld in den brief, 
waardoor deze doorstoken is, waarvan 20 schellingen ten behoeve 
van de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk en 10 ten 
behoeve der armen, verpleegd in het hospitaal dier kerk. 

Afschrift ibidem. — Schepenen: Johannes de Jüleymont en Servatius 

DB MULKBN. 



N° 864. 



1380 (October 4) Ghegeven in den jaere ons Meeren duysent drie- 
hondert en tachtentich des Donresdach nae sente Remeysdach, 

Schout en schepenen der banck ende des dorps Heer bij Maas. 
tricht oorkonden, dat Claes, zoon van wijlen Claes van Cadiers , 
en zijne echtgenoote Katharina aan Johan.nes van Pytershem 
genaamd Johan Sac, priester en kapellaan van St. Servaaskerk 
te Maastricht, verkocht hebben eene jaarlijksche erfpacht van 6 
vaten rogge, voor de geregelde betaling waarvan zij hun huis me^ 
hoeve te Gadier gelegen verbonden hebben en beloofd hem 



Digitized by 



Google 



— 304 — 

het rustig bezit dier pacht te zullen vrijwaren, waarvoor Claes' 
broeders, Gerardus en Gillis, zich borg hebben gesteld. 

Afechrift in: Liber litterar. botwrum fianistarum fol. 32 v. — Sche- 
penen: Ledenart Wüeste schout, Nitel (?) Offermans, Heinric van 
Hese gezegd van Bbmelen, Peter Thonis, Johan Cadier, Nyes Cadier 
Magiel Geldoulf en Arnoult van Wyck. 



No 865. 



(1380 December 30) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
octuagesimo pront adhuc scribitur de consuetudine opidi prefatie 
secundum quam data renovatur in festo pasche^ mensis Decem-- 
bris die penultima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gerardus de Eymaele, man van 
wapenen, en zijne echtgenoote Yda, dochter van wijlen Florencius 
DE Rosis genaamd de Ghelke ten behoeve van Theodericus 
Quant, wonende aldaar in tnmco (i), en van zijne echtgenoote 
Heilwigis afstand gedaan hebben eener jaarlijksche erfrente van 
33 schellingen, 7 penningen en 5 kapoenen uit de volgende goe- 
deren: 23 schellingen en 2 kapoenen uit het huis van Renerus 
DoLWAY, pastoor van St. Mathiaskerk aldaar, op de Houtmarkt 
nabij die kerk naast het kerkhof en het erf van Mathias Robart 
gelegen ; 9 schellingen en 3 penningen op de camba geheeten koe- 
mansguet gelegen in de vicus pullorum (Hoenderstraat) tusschen het 
huis van Arnoldus Eleman en dat van wijlen Mathias Kocman; 
16 penningen, 2 kapoenen en ^^ van twee kapoenen uit het erf 
van wijlen Hermannus La yen, bekend onder den naam van Layen- 
guet en gelegen in de Stokstraat, op den hoek der straat (*) 
gaande naar de vicus mercenariorum (3) en naast het huis van 
Cornelius Pruyt, en onder verband van al hunne goederen be- 
loofd hebben hun het rustig bezit dier rente te zullen vrijwaren (*). 



(1) De Stobtraat. 
(') Het Eikelstraatje. 

(8) De Houtmaas, hetgeen blijkt uit den transfixbrief. 

(^) Deze brief werd in 1400 Maart 15 gevidimeerd door de schepenen van Maas- 
tricht: G>denoele dr Sfauden en Matheus Dunnen. 



Digitized by 



Google 



-- 305 — 

Afschrift op perkament. — Schepenen: Servatius de Molken en Ma- 
charius de Jecora. 

No 866. 

Transfix, 1400 (Maart 15) vyftene dage inden Meert. 

Schep. V. M. verklaren, dat Dyederic, zoon van wijlen Dryerix 
Quant, aan den rectoer der St. Vincentiuskapel de jaarlijksche 
erfrei\te van 16 penningen, 2 kapoenen en 2/3 van twee kapoenen 
uit de gtude die geheiten woeren walve Layenguet gelegen inden 
Stoick voire ende achter mit alle synen tubehoer opten oyrde van den 
ruweken dat geit vander alder plancken ter hoyde masen (i) wart^ 
naast het huis van Yda, de weduwe van Cornelis Pruyts en 
vermeld in den brief, waardoor deze gestoken is, overgedragen 
heeft, met de belofte hem het rustig bezit daarvan te zullen vrij- 
waren en met de verklaring die overdracht te zullen doen goed- 
keuren door zijne echtgcnoote, alles onder verband van al zijne 
goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n* 865. 



No 867. 



(ISSl Januari 8) Ghegeven int jaer ons Herm dusent driehondert 
tachtentich acht dage in Jantiario, 

Schepenen van Hamont oorkonden, dat Jan van Rodenryt van 
Gherit Kotelport gekocht heeft eene jaarlijksche erfpacht van 
een mud en daarvan in het bezit is gesteld, tot geregelde betaling 
waarvan Gherit verbonden heeft zijn huis met hoeve gelegen te . I 

Hamont naast de hoeve van Tys Hockarts en den ghemynen \ 

weck, alsmede een stuk weiland aldaar gelegen aen des heren brueck 
en aan dat bontlacken. 1 



Orig. op perkament. — Schepenen: Gherit Hollen, Wilhem Melis, 
Peter Boten, Tiehiian van den Linden, Dideric Pef.ltman, Jan 
GODARTS en Johan Genten. 



Q) Houtmaas. 

n 



I 



Digitized by 



Google 



— 306 — 

No 868. 

1381 (Jimi 7) mens is Junii die septima. 

Schep. V. Al. oorkonden, dat Johannes Struever de Huels- 
BERCH, man van wapenen, en zijne echtgenoote Margareta aan de 
broederschap van kapellanen van St. Servaas voor het jaargetijde 
van Lambertus de Horne, priester, eenen jaarlijkschen grondcijns 
van 4 schellingen en 2/^ van twee kapoenen uit de twee volgende 
huizen, het eene bewoond door Christianus de Heynsberch, 
priester, en het andere door Petrus Keelsten, naast elkander 
gelegen in de Kapoenstraat tusschen dat van Nycholaus de Beke, 
wagenmaker, en dat van Godefridus de Hulst genaamd Lant- 
metere, overgedragen hebben, welke grondcijns gelijk is aan die 
van 2 schellingen en 1/3 kapoen die voormelde broederschap 
uit die beide huizen te beuren heeft, en beloofd hebben haar het 
rustig bezit daarvan te zullen verzekeren, waarvoor Petrus 
Wythues zich borg heeft gesteld. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henricus de Monthènaken en 
Johannes de Juleymont. 

No 869. 

Transfix, (1382 Jimi 11) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
octuagesimo secundo mensis Junii die undecima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes, genaamd Parys, man 
van wapenen, verklaard heeft geen rechten van eigendom te 
hebben op den cijns vermeld in den brief waardoor deze gestoken 
is, en zoo hij in de toekomst eigendomsrechten daarop mocht 
bekomen, daarvan in eigen naam en in dien van Anna de Rosis, 
monialis convenius stie monasterii beati Marie de Hocht^ afstand 
te doen ten behoeve van genoemde broederschap. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godefridus de Hese en Johannes 
DE Cervo. 



Digitized by 



Google 



— 307 — 

No 870. 

1381 (Juli 20) ipso die beate Margarete Virginis. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Godefridus de Vleytingis, magister 
communitatis (i) opidi Traiectensis predictie en zijne echtgenoote 
Yda, de dochter van wijlen Aleydis de Ryempst, ten behoeve 
van Henricus de Ryempst, tinctor^ zijne echtgenoote Ehsabet en 
hunne erfgenamen afstand gedaan hebben eener jaarlijksche rente 
van 30 schellingen uit het erf of ververij {super bona seu tincto- 
riam) in erfpacht bij Mathias de Gladio en gelegen aan de Jeker 
ex opposito muri opidi predictie tusschen het huis van Laurentius 
genaamd Lens Baldewini, verver en dat van Goswinus Theus, 
voller, en beloofd hebben hun het rustig bezit daarvan te zullen 
vrijwaren, waarvoor zij hunne goederen verbonden hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florentius Weelde en Macharius 

DE JECORA. 

No 871. 

Transfix. 1419 (September 24) inden maende Septembris des vierende- 
twintichsten daichs. 

Schep. V. M. verklaren, dat Heynrich van Riemst der alde^ 
als tochtenaar, en zijn zoon Lambrecht van Riemst als erfgenaam 
11/2 mark jaarlijkschen erfcijns uit het huis en varwerie van 
Cloes Cukers gelegen inden hueck (2) te Lynculen op die Jecore 
tusschen het huis van Lees Bauwens en dat van Johan Spronx, 
vermeld in den naastvoorgaanden brief, aan Willem van Börne, 
brouwer, zijne echtgenoote Maria en hun beider erfgenamen 
overgedragen hebben en beloofd, onder verband van al hunne 
goederen, hun het rustig bezit daarvan te zullen verzekeren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Pouwels van den Biesen en 
Johan VAN Brede. Zegels: 1<*. Een getand kruis in het rechter kanton 



Burgemeester; eene lijst der burgemeesters van Maastricht van 1367 is uit- 
gegeven door H. P. H. Eversen in de Maas^ouw, orgaan voor Limburgsche Ge- 
schtedenisy Taal- en Letterkunde ^ jaargang 1881 — 1885, blz. 1031 en volgende, aldaar 
is zijn voornaam niet ten volle vermeld. 

(*) De Ververhoek; in dorso aangeduid: in angulo Lenculensi, 



Digitized by 



Google 



— 308 — 

5 spiisruiten; randschrift: S. POUWELS VAN DEN BlESEN SCEP. TRIECHT; — 
2^ Twee omgewende kepers, in het vrij kwartier een naar rechts klim- 
mende leeuw; randschrift: S. Johannis : de : Bkb:ede : scabini : 

TRAItCÏENSIS : 



N° 872. 

1381 (September 14) mensis Septembris die XIIIL 

Schep. V. M. oorkonden, dat Goeswinus de Dilsen, olim ma 
gister dtcti opidi^ en zijne echtgenoote Mechtildis Paradon aan 
Nycholaus de Embems, sartor en graanhandelaar, zijne echtgenoote 
Mechtildis de Eymole en hunne erfgenamen eenen jaarlijkschen 
grondcijns van 16 schellingen en 2 kapoenen uit dezer woonhuis 
iit alto ponte (Heistraat) gelegen tusschen het huis van Walterus 
NouTS van St. Pieter, brouwer, en dat van Johannes de üteren 
iiauta et hullarius (}\ overgedragen hebben, onder belofte hun 
het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren, en Petrus de Dylsen, 
verwer, Goeswinus' broeder, verklaard heeft geene rechten op 
dien cijns te bezitten, maar andere goederen daarvoor bij deeling 
ontvangen te hebben. 

Afkhrift in: Registrum litter, fratern, A fol. 76. — Schepenen: 
Heinricus de Montenaken' en Servatius de Mülken. 

N« 873. 

Transfix, (1401 Juli 31) Gegeven i?itjaer van der gebuert ons Heren 
M. CCCC ende eyn des lesten daeghs van den maende inden 
Latyne geheeten Julitis, 

Schep. V. M. verklaren, dat Johan Knoep der Jonghe, verver, 
zoon van wijlen Johan Knapen, en zijne echtgenoote Lysbet ten 
behoeve der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk {der 
pryestere ende cappellane der broederscappe van Sincte Servais gast- 
huyse) eenen jaarlijkschen grondcijns van 16 schellingen en 2 



Q) Hullarius volgens Ducange: qui carbones ex lerra nigra eruit = het 
fransche houilleur; hier wellicht een schipper die de steenkolen aan de groeven te 
Luik haalt en ze naar Maastricht vervoert. 



Digitized by 



Google 



~ 309 — 

kapoenen (^) uit een huis gelegen te Hoebruggen en vermeld in 
den brief waardoor deze gestoken is, overgedragen hebben en 
beloofd haar tegen alle vorderingen te zullen vrijwaren. 

Afschrift ibidem fol. 75. — Schepenen: Johan van den Hertte en 
Godenuel van Spauden. 



No 874. 



'1381 September 19. — Johannes Molenere de oude geeft in erf- 
pacht aan Gerardus KoEC :siij7i aandeel in den y^wyncken- 
ntoeletC^ te St, Pieter. 

Nos Theodericus de Boynghen scultetus, Heinricus Kestel- 
MAN, Philippus DE Hercke, Rutgherus de Viseto, Reynerus de 
HoRREO, Reynerus de Eytzenrode, Mathias supra Lacum et 
Laureniius de Lacu, scabini libertatis sancti Petri prope Traiec- 
tum notum facimus universis, publice protestantes, quod Johannes 
Molenere senior de sancto Petro, braxator, jure hereditario con- 
tulit Gerardo dicto KoEC, molendinario, partem seu portionem 
suam molendini dicti vulgariter wynckelmoelen siti ante et retro 
cum omnibus et singulis suis appendiciis seu attinentiis in libertate 
predicta supra Jecoram ibidem inter molendinum Lamberti Moffel, 
molendinarii, et bona Wolteri Mouts, annuatim pro duobus mo- 
dus, sex vasis siliginis et uno vase tritici, mensure opidi Traiec- 
tensis boni et solubilis pacti, pro pacto dicto moelenpacht, per- 
solvendis singulis annis hereditarie per dictum Gerardum et suos 
heredes pro iina parte media cum vase tritici in festo Nativitatis 
Domini nostri, et pro alia parte media in festo Nativitatis beati 
Johannis Baptiste, necnon pro quindecim solidis annui et here- 
ditarii census sicut de hereditate quolibet anno exsolvitur in 
libertate predicta, persolvendis singulis annis terminis et festis 
iamdictis venerabilibus viris dominis decano et capitulo ecclesie 
sancti Servatii opidi Traiectensis seu eorum receptori, et nichilo- 
minus pro decem et septem vasis cum dimidio siliginis mensure 



(1; Die cijns was bestemd voor het jaargetijde van Johannes Prunen, dat 27 Maart 
gevierd werd. 



Digitized by 



Google 



— 310 — 

et pacti predictorum et pacti fundi, persolvendis exinde singulis 
annis terminis solitis mense sancti Spiritus opidi Traiectensis 
quator vasa et mense sancti Spiritus libertatis predicte tredecim 
vasa siliginis cum medio. Quamquidem hereditariam collationem 
prescriptam predictis Johanni collatori et Gerardo KoEC et cuilibet 
eorum, ut asseruerunt, sufficientem prefatus scultetus in nostrorum 
scabinorum prescriptorum custodiam reposuit jure cuiuslibet 
adhibitis solempnitatibus in taiibus iuxta consuetudinem nostram 
hactenus observatam adhiberi soütis et consuetis. Datum sub 
nostrorum sigillorum appensione anno a Nativitate Domini mil- 
lesimo trecentesimo octuagesimo primo feria quinta post festum 
beati Lamberti Episcopi et Martyris. 

Orig. op perkament. — Zegels: l^ Van vair, in het vrijkwartier een 
naar rechts gewende klimmende dubbelstaartige gekroonde leeuw; — 
2®. Drie kepers, in het vrijkwartier een dwarsbalk. 



No 875. 



(1382 Maart 5) Datum anno a Nativitate Domini M"" III^ LXXXII^'' 
mensis Marcii die quinta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannis de Libra genaamd 
Johannes Bartholomey of Johanncs Trecwyn en zijne echtge- 
noote Margareta, ten behoeve der echtgenooten WalterusDE Duren 
bakker, en Jutta de Thyenneren en van hunne erfgenamen afstand 
gedaan hebben eener jaarlijksche erfrente van 1 mark uit het 
huis(i) van Godefridus de Heinsberch genaamd Kampsterper 
in de Kapoenstraat tusschen dat van Gerardus de Haeren, 
wagenmaker, en dat van Godefridus, t^ beuren na eene rente 
welke Nicholaus de Limborch genaamd Cloes inden Valke uit 
dat huis te beuren heeft, en onder verband van al hunne goederen 
beloofd hebben hun het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren (^^). 

Afschrift in: Re^istrum lifter, fra/ern. A fol. 71 v. — Schepenen: Floren- 
tius Weelde en Macharius de Jecüra. 



(1) Dit huis kwam naderhand aan Beatrix de Zusteren. 

(') Deze brief werd 1396 Juli 6 gevidimeerd door de schepenen: Godenulus de 
Spauden en Heinricus de Sancta Agatha. 



Digitized by 



Google 



• _ 311 — 

N* 876. 

Transfixeii. (1396 Juli 6) Gegeven inden jaer vander gebuerten 
ons Heren M"^ III^ XCVI in Julio geheyten Hoymant des 
sesden daeghs. 

Schep. V. M. verklaren, dat Johan Zeilwender, der gewantmeker^ 
en Lambrecht van Montenaken, der brnewer^ als kerkmeesters 
der parochiekerk van St. Jan den Dooper aldaar aan Philippus 
VAN DER Wagen, Lucen van Echt en Em melen van Heinsberch, 
als uitvoeders van het testament van wijlen Jutta vanTheneren, 
weduwe van Welter van Duren, eene jaarlijksche erfrente van 
10 schellingen van die van 1 mark, vermeld in den brief waardoor 
deze gestoken is, overgedragen hebben. 

Afschrift ibidem fol. 72. — Schepenen: Godenuel van Spauden en 
Heinrich van Sinte Aechten. 



N^ 877. 
1S96 (Juli 19) in Julio geheyten Hoymaent des XIX daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Philipps van der Woegen, Luce 
VAN Echt en Emmele van Heinsberch als uitvoerders der 
laatste wilsbeschikking van Jutta van Theneren, weduwe van 
Welter van Duren, bakker, voor beider jaargetijde (^) aan de 
broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk eene jaarlijksche 
rente van 5 schellingen van die van 10 schellingen, vermeld in 
den naastvoorgaanden brief, overgedragen hebben en beloofd haar 
in het rustig bezit daarvan te zullen houden. 

Afschrift ibidem fol. 72 v. — Schepenen als van n"*. 876. 



0) De aanteekening boven de brieven meldt, dat dit jaargetijde in de maand 
April gehouden werd. In het necrologium der broederschap staat het evenwel niet 
opgeteekend. 



Digitized by 



Google 



— 312 — • 

No 878. 

(1382 Augustus 4) Datum anno Domini millesimo CCC^^ octuage- 
sinio secundo tnensis Augnsti die quarta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Paulus Hostienbecker, priester, 
in zijne hoedanigheid van rentmeester van deken en kapittel van 
St. Servaas aldaar, met toestemming van Symon de Waule, als 
rector van het altaar ter eere van den H. Theobaldus, 2« stichting 
in St. Servaaskerk gelegen, van Laurentius de Lacu van St. Pieter, 
als provisor van het begijnenhof „den Nieuwenhof' en deszelfs 
gasthuis, van Johannes de Meere en Wilhelmus de HoESELTals 
provisoren van het gasthuis der H. Agatha en van Henricus Yser- 
MAN, als provisor van het gasthuis der H. Katharina op de Hout- 
markt, voor eenen jaarlijkschen erfcijns van 3 marken en 3 kapoenen 
aan Wilhelmus de Vleytingis, koopman, zijne echtgenoote Ger- 
trudis Freens en hunne erfgenamen in erfrecht opgedragen 
heeft een huis met toebehoor in de Brugstraat naast dat van 
Johannes Oyslinghen, koopman, en naast het huis en bakkerij 
van Franco Parisvs van Stockheym, van welken cijns voornoemde 
deken en kapittel van St. Servaas beuren zullen 26 schellingen en 
2 kapoenen, waarvan 13 scheUingen grondcijns zijn, en Wilhelmus 
de Vleytingen in het bezit van dat huis gesteld werd om het 
manutenere ac firmiter et quiete conservare. 

Orig. op perkament. — Sdiepeneii: Rutgherus de Viskto en Code- 
fridus DE Hese. Zegels: 2». Drie hoefijzers 2, 1; randsdirift: S . Go . . 
DE . Hese . scabini . t*iectensis . 



No 879. 



1382 (September 15) mensis Septembris die decima quinta. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Lam- 
bertus de Boxberch en zijne echtgenoote Katharina ten behoeve 
van Margareta genaamd die Grutersse, waardin, en van hare 
erfgenamen afstand gedaan hebben eener jaarlijksche erfrente van 



Digitized by 



Google 



- 813 — 

10 schellingen (i) te beuren uit het huis van Franco Prickinc 
met toebehoor gelegen ex oposito porte curie Lenculeitsis tusschen 
dat van Johannes, molenaar, en dat van Lambertus genaamd 
Breetken, kaarsenmaker, beloofd hebben haar het rustig bezit 
daarvan te zullen vrijwaren en verklaard dat op gemeld huis nog 
gevestigd is eene rente van 10 schellingen 's jaars, alles onder 
verband hunner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Macharius de I1eS£, Florentius 
Weelde, Johannes de Juleymont, Arnoldus Nuesï, Qoblinus de 
MoNYOUWEN, Macharius de Jecora en Johannes Sack. Zegels: dat 
▼an den rentmeester: drie tweelingsbalkcn. 



No 880. 



(1^2 October 12) Datum anno Domini millesimo trecentesimo oc- 
iuagesimo secundo mensis Octobris die duodecima. 

Schep. V. M. verklaren, dat Johannes Noene, brouwer, en zijne 
echtgenoote Katharina aan Tilmannus, zoon van Baldewinus de 
HoEKELEM en zijne erven 1 mark jaarlijkschen cijns uit een huis 
met er naast gelegen brouwerij supra lapideam viam (achter het 
Vleeschhuis) seu stratam ex opposito vici dicti die sterruwe (de 
Vijf haringenstraat j tusschen het huis van Johannes de Waalwyc, 
kleermaker, en dat van Jutta Calckarts overgedragen hebben 
en verklaard, dat behalve dien cijns op dat huis en die brouwerij 
nog gevestigd is een van 5 marken, 14 schellingen en 8 kapoenen, 
waarvoor zij hunne goederen verbonden hebben (2). 

AÉschrilt in: Registrum Utter, fratern, A fol. 51 v. — Schepenen: 
Florentius Weelde en Gobclinus de Monyouwen. 



0) Uil de noot in dorso blijkt, dat naderhand die rente gegeven werd aan de 
broederschap van kapellanen voor het jaargetijde van Johannes de Merhout. 

O Die brief werd door genoemde schepenen gevidimeerd (1885 Juni 24) anno a 
NiWiiate Domini tnilUsifno trecentesimo ociuagesimo quinto ipso die beati Johannis 
ApostoH ei EwangeiisU. 



Digitized by 



Google 



— 314 — 

N*> 881. 

Transfix. (1385 Juni 24) Datum anno a Navitate Domini millesimo 
trecentesimo octuagesimo quinto ipso die beati Johannis Apostoli 
et Ewangeliste, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Menta de Havert, Johannes de 
Kestelt, kleermaker, en Baldewinus Voeghel, stUor^ als uitvoer- 
ders van het testament van Tilmannus de Hoekelem, zoon van 
wijlen Baldewinus de Reymst, ten einde daaraan uitvoering te 
geven, aan de broederschap van kapellanen van St. Servaas toe- 
gewezen en overgedragen hebben eene jaarlijksche erfrente van 
2 schellingen en 6 penningen uit de beide erven, vermeld in den 
brief waardoor deze gestoken is, waarvoor die broederschap Til- 
mannus' jaargetijde O) geregeld zal moeten houden, en verklaard 
hebben, dat de fabriek der parochiale kerk van den H. Johannes 
den Dooper uit kracht van dat testament hebben zal eene rente 
van 10 schellingen, de investitus seu rector dier kerk en de rec- 
toren der altaren ter eere van de H. Maagd en van de HH. Ely- 
zabet, Maria Magdalena en de elf duizend Maagden 1® stichting in 
die kerk gelegen, ieder eene van 5 schellingen, de matricularius 
dier kerk ook eene van 5 schellingen en de armen van het hos- 
pitaal van St. Servaaskerk eene van 2 schellingen en 6 penningen. 

Afschrift ibidem fol. 52. — Schepenen als van n°. 880. 



No 882. 



(1383 Februari 26) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
LXXX secundo^ pro7U adhuc scribitur secundum consuetudinem 
dicte curie Lenculensis secundum quam data in festo Pasche 
renovatury mensis Februarii die vicesima sexta. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Nyco- 
laus DE Lymborch genaamd de Falcone en zijne echtgenoote 



(1) Dit jaargetijde staat in het necrologium der broederschap ingeboekt op 23 De- 
cember: Anniversarium Tilmani de Hokelheym^ II solidos^ VI denarios. 



Digitized by 



Google 



— 816 — 

Yda aan Lambertus de Laer, hospes in clave^ wonende aan het 
Vrijthof, aan zijne echtgenoote Scolastica en hunne erfgenamen 
eene jaarlijksche rente van 9 schellingen, 3 penningen en 2 ka- 
poenen uit het huis waarin zij wonen met toebehoor aan het 
Vrijthof gelegen tusschen het erf van St. Servaaskapittel en het 
huis van Goblinus de Monyouwen, schepen van Maastricht, 
overgedragen hebben en beloofd hun het rustig bezit daarvan te 
zullen vrijwaren en hun schoonzoon Johannes Bartholomei 
verklaard heeft geene eigendomsrechten op die rente te bezitten 
of zoo hij er in de toekomst verkrijgen mocht, daarvan afstand 
te zullen doen ten behoeve van Lambertus en Scolastica voor- 
noemd. 

Afschrift in : Registrum litter, fraiern, A fol. 58 v. — Schepenen : Ma- 
charius DE Hese, Florencius Welde, Johannes de Juyleymünt, Arnol- 
dus NUEST, Goblinus de Monyouwen, Macharius de Jecora en 
Johannes Sack. 

No 883. 

Transfix. (1393 Augustus 27) Datum anno Nativitatis Domini 
milUsimo trecentesimo nonagesimo tertio mensis Augusti die 
vicesima septima. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Lam- 
bertus DE Lare (1), waard in hospitiis dictis ten sleutel et ten 
guylden reynge^ en zijne echtgenoote Scolastica de jaarlijksche rente 
van 9 schellingen, 3 penningen en 2 kapoenen vermeld in den 



(^) Lambertus db Lare, die afkomstig was van Wijnandsrade, was in 1377 
gehuwd met voornoemde Scolastica, toen weduwe van Theodoricus van dek 
Sleutel alias Versammen. Hij was eigenaar van voormelde beide restaurants 
waarvan het eene ten gulden ringe, gelegen was op den hoek van het Vrijthof 
tegenover het Statenstraatje, ter plaatse der huidige Groote Sociëteit, het ander ten 
sleuiel er naast gelegen was naar den kant van het klooster. Hij stierf 27 Augustus 
1393 en zijne weduwe schonk voormelde rente aan de broederschap van kapellanen 
voor zijn jaargetijde. — Bij besluit van den gemeenteraad van 24 October 1603 werd 
aan den waard van eerstgenoemd restaurant de sleutel in bewaring gegeven van het 
hek voor zijn huis gelegen dat toegang gaf tot het Vrijthof Tot op het laatst der 17* 
eeuw was het Vrijthof geheel omgeven door een muur, waarvan de vier ingangen 
ain de Groote Sociëteit, de Groote Staat, de Breedestraat en bij de St. Servaas- 
ea St Janskerk, door een hek gesloten werden. 



Digitized by 



Google 



— 316 — 

brief waardoor deze gestoken is, aan de broederschap van kapellanen 
der St. Servaaskerk overgedragen hebben. 

Afschrift ibidem fol. 58 v. — Scliepenen : Florentius Welde, Johannes 
DE JUYLEYMONT, Johanues Sack. Henricus de Clermont, Johannes 
DE Hese, Godcfridus de Vleytingis en Goeswinus de Montenaken. 



No 884. 



(1383 Maart 26) Datum anno Domini millesifno CCC^ octuagesimo 
tertio^ prout adhnc scribitur de consuetudine dicti opidi secun- 
dunt quant data in festo Pascke renovatur^ mensis Marcii 
die vicesima sexta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Lambertus de Horne, als rent- 
meester van deken en kapittel van St. Servaas aldaar voor 27 
schellingen, 4 penningen en 2 kapoenen *s iaars aan Johannes 
AuDEGOT, brouwer, en zijne echtgenoote, Beatrix, in erfrecht op- 
gedragen heeft een huis met toebehoor in platea dicta die aude 
plancke (Plankstraat) gelegen tusschen dat van Johannes de Berne, 
man van wapenen, en dat van Johannes de Hercke, beenhakker, 
van welken cijns 28 penningen en 2 kapoenen aan hem, aan 
Johannes de CErvo, schepen van Maastricht en aan zijne erf- 
genamen, . . schellingen aan Wilhelmus Danyelis . .en 10 schel- 
lingen aan de kapittel-heeren van St. Servaas betaald zullen worden. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Goblinus de Monyouwen en 
Johannes de Cervo. 



N<> 885. 

1383 (April 16) mensis Aprilis die decima sexta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Goblinus Meynte, priester, als 
rentmeester der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
aldaar namens deze, Arnoldus Bovyer en Gerardus Pistor, 
wonende te Wyck, nabij de Maasbrug, als kerkmeesters van 
St. Maarten te Wyck, Petrus Bovyer en Leonardus genaamd 



Digitized by 



Google 



— 817 — 

WuEST als provisoren der armen tafel van den H. Geest te Wyck 
en Wilhelmus Wyse van Sint Pieter wonende te Maastricht 
in vico canufn (Hondstraat) aan Katharina, de weduwe van Mathias 
genaamd mit der Vlecken, in erfrecht opgedragen hebben een 
huis met toebehoor gelegen op den Aldenhof supra antiquam 
curiam et triscum asynorum dictntn Eseldryesche (y) tusschen het 
huis van Theodericus Amelti, wever, en dat van Arnoldus de 
Steyne genaamd Muc VUR den Nuwenhof, brouwer, eerstge- 
noemde voor eene jaarlijksche erfrente van 3 schellingen ten 
behoeve der broederschap voormeld, de beide volgende wegens 
de kerkfabriek van St. Maarten voor eene van 1 schelling, de 
provisoren der armentafel van den H. Geest te Wyck voor 2 
schellingen *s jaars ten behoeve dier tafel en Wilhelmus WvsE 
voor eene jaarlijksche rente van 3 schellingen ten zijnen behoeve, 
onder beding dat zoo de investitus der St. Maartenskerk in die 
opdracht zal willen toestemmen, hij jaarlijks uit dat huis beuren 
zal eene rente van 2 schellingen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florencius Welde en Gobliuus 

DE MONYOUWEN. 



N* 886. 

1^^ (Mei 6) mensis Maii die prima. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Johannes Sac alias de Pyters- 
HEYM, priester, als meester en Gobelinus Menten, priester, als 
rentmeester der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
aldaar, namens deze voor eene jaarlijksche rente van 5 marken 
en 2 kapoenen aan Otto de Roesmer in erfrecht opgedragen 
hebben het huis van wijlen Henricus de Vleytingen, priester, 
met toebehoor gelegen supra fossatum (Groote Gracht) tusschen 
dat van Hermannus, wagenmaker, en dat van wijlen Aleydis 
Spronchs en beloofd hebben hem, zijne echtgenoote Margareta 
en zijne erfgenamen het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren, 
waarvoor zij al de goederen, zoo roerende als onroerende, van 



C) Ezelcnmarkt. 



Digitized by 



Google 



— 818 ~ 

de broederschap verbonden hebben, en Otto voornoemd beloofd 
heeft binnen het jaar 20 dubbele mottoenen te zullen uitgeven 
voor verbouwingen en herstellingen aan dat huis (i). 

Orig. op perkament. — Schepenen als v.m n*. 886. 



No 887. 

1383 (September 11) mensis Septembris die undecima. 

Schep. V. M. verklaren, dat Reynerus de Eytzenrode, hun 
medeschepen, en zijn zoon Henricus ad annos sue discretionü 
perventusy en beide zonder echtgenoote, aan de broederschap van 
kapellanen der St. Servaaskerk aldaar eenen jaarlijkschen grond- 
cijns van 4 schellingen, 6 penningen en 1 kapoen uit het huis (2) 
van wijlen Henricus de Dypenbeke met toebehoor gelegen in de 
Kapoenstraat tusschen het erf van Arnoldus Elemants overge- 
dragen hebben en beloofd haar het rustig bezit daarvan te zullen 
vrijwaren en Reynerus de verklaring heeft afgelegd op verzoek 
van den rentmeester dier broederschap die overdracht te zullen 
doen goedkeuren door zijnen minderjarigen zoon Egidius, zoodra 
hij den wettigen leeftijd zal hebben bereikt, alles onder verband 
zijner goederen. 

Afechrift in: Regisirum litter. fratern, A fol. 55 v. — Schepenen: 
Godefridus de Hese en Johannes de Hese. 



No 888. 

1383 (October 15) mensis Octobris die decima quinta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes de Hese, zoon van 
wijlen Wynandi de Hese voor 4 marken, 11 schellingen en 2 
kapoenen jaarlijkschen cijns aan Gerardus Bosman, klerk, in erf- 



(1) Uit de noot in dorso blijkt, dat voormeld huis geheeten werd „in de beide 
handen** in dtwbus tnanibus. 
(^ Dit huis kwam naderhand aan Henricus Gorys. 



Digitized by 



Google 



— 319 — 

recht opgedragen heeft een huis in de Kesenrtnve tusschen dat van 
Mathyas de Aldenroede, klerk, en dat van diens schoonbroeder 
(sororius) Wilhelmus Decani, met belofte hem in het rustig bezit 
daarvan te zullen houden waarvoor hij al zijne goederen verbonden 
heeft, en Gerardus voornoemd beloofd heeft van dien cijns 18 
schellingen te zullen aflossen met 18 dubbele gouden mottoenen. 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n®. 887. 



No 889. 



(138^ Januari 2) Datum anno Domini millesimo trecentesinio octua- 
gesimo tercio prout adhuc scribitur de consuetudine dicti opidi 
secundum quam data in festo pasche renovatur mensis Januarii 
die secunda. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Johannes Bollen, priester en 
kapellaan van St. Servaaskerk, en zijne moeder Agnesa aan de 
broederschap van kapellanen dier kerk eene jaarlijksche erfrente 
van 5 schellingen (i) uil een huis naast den moutmolen van den 
bisschop en naast ruwellam quandam ibidem stantem per quam itur 
supra Jecoram (de Ridderstraat) overgedragen hebben en verklaard 
dat behalve die rente op dat huisnogeenevanl2schellingen 's jaars 
gevestigd is, waarvoor zij hunne goederen verbonden hebben. 

Afschrift in: Regis trum liiter, fratern, A fol. 64 v. — Schepenen: 
Gobclinus de Monyouwen en Scrvatius de Mulken. 



N^ 890. 

li^i (Mei 7) mensis Maii die sepiima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes Kyepart, priester en 
investiius de Lemmoel (Limmel), Arnoldus Kickelmoy en Gode- 



G) Met die rente stichtte Johannes Bollen zijn jaargetijde bij de broederschap 
^rooiTOcld. 



Digitized by 



Google 



^ 320 ^ 

fridus Beckeneelre, als uitvoerders der laatste wilsbeschik- 
king van Margareta Preeckers, weduwe van Petrus de Herborch, 
aan de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk aldaar 
voor dezer jaargetijde eene jaarlijksche erfrente van 5 schellingen 
uit het huis van Lambertus Gruters tegenover de Leugenpoort 
[ex opposito porta mefidacium) tusschen dat van deze en dat van 
Johannis Ghole, brouwer, gelegen, overgedragen hebben, uit welk 
huis Margareta voornoemd jaarlijks te beuren had eene rente van 
16 schellingen, welke zij bij testament aan de verschillende kerken, 
kapellen en hospitalen gelegateerd heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johannes dk Juvleymont, Gobli- 
nus DE MON VOUWEN en Servatius de Mulken. Zegels: 3*». In een dub- 
belen driepas een schild gefaast van 8 stuk, over alles heen een naar 
rechts gewende klimmende valk; randschrift: S. Skrvatii dë Molken 

SCABI. TRAIECTEN. 



No 891. 



(1384 Mei 26) Datum anno Domini millesimo CCC^^ octuage- 

simo quarto feria quinta post Ascentionem Domini videlicel 
in octavis eiusdem. 

Schout en schepenen der heerlijkheid St. Pieter oorkonden, 
dat Lambertus de Horne, priester, als refterproost van den deken 
en de kanoniken der St. Servaaskerk te Maastricht, voor 20 
schellingen en 2 kapoenen jaarlijkschen cijns aan Henricus 
HoEDRiESCH, visscher en burger dier stad, een huis onder voor- 
noemde heerlijkheid in vico alti pontis tegenover het hospitaal 
gelegen tusschen het erf geheeten weggefiguet en het huis van 
Theodricus Quant, in erfrecht opgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Gyselbertus Querman, schout, 
Heinricus Kestêlman, Rutgherus de Vjseto, Reynerus de Horreo, 
Reynerus DE Eytzenrode, Mathyas supra Lacum, Laurentius de Lacü 
en Theodericus de Boyngen. Zegels: V*, Een band, in het schildhoofd 
eene zespuntige ster; randschrift: S. Gyselberti Quer&ians; — - 5. Een 
band op een schild met blokken bezaaid; randschrift: f S. Reine' . de . 
Eetzenr* . SCABI . ï'iecten; — 6®. Een band, in het schildhoofd twee 
vijfbladen; randschrift: S'. Mathys . . OPDE Laeck; — 7^ Drie naar 



Digitized by 



Google 



— 321 — 

rechts gewende vogels (duiven) in het hartschild een vijfblad; rand- 
schrift: t S. Laurenti : Dcs : de : Lacu : — 8*». Van vair met in 
het rechter kanton een naar rechts klimmende dubbelstaartige leeuw; 
randschrift: . . üiderich . VAN . Boïngën. 



No 892. 

1384 (AugHsttis 16) mensis Augusti die decima sexta. 

Schep. V. M. verklaren, dat Lambertus de Horne, priester, ais 
refterproost en rentmeester van deken en kapittel van St. Servaas 
aldaar voor 2^/2 marken en 4 kapoenen jaarlijkschen cijns aan 
Petrus Gewants van Namen en aan Mathias, zoon van Margarela 
DuELEN, in erfrecht opgedragen heeft een huis gelegen in platea 
panum (Stokstraat) tusschen dat van Johannes genaamd Nayman 
en dat van Theodericus genaamd Brecken, van welken cijns 16 
schellingen zullen zijn voor den priester van de St. Vincentius- 
kapel als grondcijnsheer, 6 schellingen, 6 penningen en 2 kapoenen 
voor den beneficiant van het H. Kruisaltaar in O. L. Vrouwe- 
kerk, 5 schellingen voor Johannes Parys, man van wapenen, en 
zijne erfgenamen en 22^/2 schellingen voor de kanoniken van 
St. Servaaskerk, en Petrus beloofd heeft binnen het jaar 12 dub- 
bele mottoenen of hunne waarde in ander geld voor verbeteringen 
aan dat huis te zullen besteden. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Reynerus DE Eetzenroede en 
Henricus de Cleermont. 



N- 893. 

138i (December 8) mensis Decembris die octava. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Wilhelmus Decani, roededrager 
van St. Servaaskerk aldaar, voor eene jaarlijksche rente van 34 
schellingen en 2 kapoenen aan Johannes Corment, tector stram- 
fnium^ en zijne echigenoote Hilla, in erfrecht opgedragen heeft 
een huis gelegen retro ecclesiam sancti Johannis i7i platea dicta 
op den baluyne (Bouillonstraat) tusschen dat van Goeswinus, 



Digitized by 



Google 



— 322 — 

lapicida, en dat van Margareta Mynnenboede, beloofd heeft hen 
in het rustig bezit daarvan te zullen houden en Johannes voor- 
noemd verklaard heeft binnen het jaar 10 kleine mottoenen 
uit te geven voor herstellinf»en van dat huis. 

Orig. op perkament. — Florentius Weelde en Goblinus de Monyouwen. 

No 894. 

Transfix, 1392 (September 1) op den eersten dage vaiiden maende 
Septembris. 

Schep. V. M. verklaren, dat Mariyn van Wyck, persene (pastoor) 
te Lonsen, en Johan Pruyme, priester, als uitvoerders van het 
testament van Willem Dekens, roededrager van St. Servaaskerk 
aan de broederschap van kapellanen en aan de armen van het 
gasthuis dier kerk {den capellanen der broederscap des gastkuys van 
sint Servoes . . ende den armen inden se hen gastkuys vergaderende) 
eene jaarlijksche erfrente van 16 schellingen, ieder de helft, ie 
beuren uit de rente in den naastvoorgaanden brief vermeld, over- 
gedragen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florens Weelde en Johan van 
DEN Hertte. 



No 895. 



(1385 Januari 12) Datum anno Domini millesimo irecentesimo 
octuagesimo quarto prout adhuc scribiiur de consuetudine dicte 
curie nostre sectmdum quam data i?i festo Passche renovatur 
mensis Januarii die duodecima. 

Schout en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Wilhelmus 
RuEDREGER, priester en kapel laan van St. Servaaskerk te Maas- 
tricht, als rentmeester van de kanoniken dier kerk voor 3 marken 
en 19 schellingen jaarlijkschen cijns aan Gerardus de Borsen, 
sartor^ en aan Heylwidis, zijne echtgenoote, het huis van wijlen 
Gyselbertus genaamd Cleyne Her Ghyskens, priester, gelegen in 
vico E^gerechsgaet tusschen dat van Nicholaus DE Spauden en 
dat van Wilhelmus genaamd Meyer van Hees in erfrecht heeft 



Digitized by 



Google 



^ 323 — 

opgedragen, onder belofte hen in het rustig bezit daarvan te 
zullen vrijwaren en Gerardus verklaard heeft voor de maand 
Mei eerstkomende van dien cijns 10 schellingen te zullen aflossen 
met 8 dubbele gouden mottoenen, waarvoor hij al zijne goederen 
verbonden en Gerardus de Uchelen, wapendrager, tot borg ge- 
steld heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen' [Ulricus de Eckelraede, schout], 
Macharius de Hese, Florentius Weelde, Johannes de Juyleymont, 
Goblinus de Monyouwen, Johannes Sacke, Heinricus de Cleermont en 
Reyncrus de Vinea. Zegels: 1°. Een band waarboven drie naar redits- 
gewende vogels naast elkaar; randschrift: S'. Oylrych : van : eckel- 
rod.; — 2». Gefaast van acht stuk, over alles heen een hertenschedel. 



No 896. 



(1385 januari 27) Datum anno a Nativitate Domivi M^ CCC^ 
LXXX^ quinto feria sexta post Conversionem sancti Pauli 
Apostoli, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Godefridus genaamd Felix, priester, 
als refterproost en rentmeester van deken en kapittel van St. Ser- 
vaaskerk aldaar, en Ghyselbertus de Crucenbergh, roededrager 
dier kerk, voor eene jaarlijksche erfrente van 20 schellingen en 
2 kapoenen in erfrecht opgedragen hebben aan Johannes de Haren, 
visscher, een huis gelegen in parvo vico dicto voeghelsrtiewe tus- 
schen het erf van voornoemden deken en kapittel en het huis 
van Ghyselbertus voornoemd, van welke rente Johannes beloofd 
heeft binnen het jaar na het feest van den H. Johannes den Dooper 
eerstkomende 6 schellingen te zullen terugkoopen met 5 dubbele 
gouden mottoenen, waarvoor hij al zijne goederen verbonden heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Gobbelinus de Monyouwen en 
Mychael Neve de Stbyne. 



No 897. 



ri385 Maart é) Datum anno Domini millesimo trecentesimo ocUia- 
gesimo quarto^ prout adhuc scribiiur sectindum consuetudinem 
dicti opidi secundum qiiam data in festo Pascke renovatur^ 
tnensis Marcii die quarta. 

Schep. V. M. oorkonden dat Johannes [Wytter] ten behoeve 



Digitized by 



Google 



— 324 — 

van zijnen schoonzoon Theodericus Kokart en diens echtgenoote 
Gertrudis afstand gedaan heeft eener jaarlijksche rente van 2 
marken, waarvan 1 mark te beuren uit een huis te Tweebergen 
in vico dicto Kokaris tusschen het huis van Johannes Kokart en 
dat van Rutgherus van Baliuyne en de tweede mark uit het 
huis in den Kaste/e van Nycholaus DE Lyebeke met toebehoor 
gelegen in angulo sive in loco dicto in den hieck (Ververhoek), 
waarna Theodericus en Gertrudis die twee marken aan hunnen 
zoon Theodericus overgedragen en zij alsmede Johannes voor- 
noemd beloofd hebben hem het rustig bezit daarvan te zullen 
vrijwaren, onder verband van alle hunne goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Qohannes de Juleymont] ... en 
Henricus de Cleermont. 

No 898. 

Tranfixen. (1391 Maart 28) Gegeven int joer vander gebuerde ons 
Heren dusent dryehondert neugentich ende eyne^ achtentwintich 
dage in Meert, 

Schep. V. M. verklaren, dat . . . Wytter, zoon van wijlen 
Dieric Kokards, en zijne echtgenoote Lysbet ten behoeve van 
Willem Muelenbrueke van Munsterbilsen en van zijne erfge- 
namen afstand gedaan hebben eener jaarlijksche rente van 1 mark 
uit een huis te Tweebergen in die Kokardsruwe gelegen tusschen 
dat van Rutgerus van Baljuyne en dat der weduwe van Rutgerus 
Karreners, en vermeld in den brief waardoor deze gestoken is. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Machyel Nbvb [van Steyne] en 
Henric van Sint Aechten. 

No 899. 
1409 (Juni 15) vyfftiene dage in Junio, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Loene Clercks van Munsterbilsen 
en Helwyg zijne echtgenoote aan Lysbeden, weduwe van Reyner 
VAN Wessem, eene jaarlijksche rente van 1 mark te beuren uit 
een huis te Tweebergen gelegen in die Koekardsruwe en vermeld 



Digitized by 



Google 



— 325 — 

in de beide naastvoorgaande brieven, overgedragen iiebben, met 
belofte hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Johan van den Herttb en Danyel 
VAN Dybteren. 

N« 900. 

1419 (Februari 18) achtene dage in Februario. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Peter van Weshem ten behoeve 
van zijnen broeder Arnold en van diens echtgenoote Katharina 
afstand gedaan heeft eener jaarlijksche rente van 1/2 mark van 
die van 1 mark, waarvan Arnold de wederhelft reeds bezit, uit 
het huis in die Koekartsruwe te Tweebergen, waarvan gewaagd 
wordt in de brieven waardoor deze gestoken is. 

Orig. op perkament. - Schepenen: Johan van Hese en Pauwels van 
DEN Byessen. 

No 901. 

1420 (Januari 9) noegen dage in Januario. 

Schep. v. M. verklaren, dat Arnold van Weshem aan Kathrynen 
VAN Oebrueke, indertyt dienerse ende maecht van Johan Meemen, 
kanonik van St. Servaaskerk aldaar, de jaarlijksche rente van 
1 mark, waarvan melding is in den naastvoorgaanden brief, 
overgedragen heeft, en beloofd haar het rustig bezit daarvan te 
zullen vrijwaren en die overdracht te zullen doen goedkeuren 
door zijne echtgenoote Kathrynen, soe wannee dats noet ^eboirty 
alles onder verband van al zijne goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Hezb en Pauwcis van 
DEN Biessene. 

N» 902. 

1420 {Januari 11) e lief dage in Januario, 

Schep. v. M. verklaren, dat Kathryne van Oebrueke met 
toestemming van Arnold Nys en van diens echtgenoote Margrieten, 



Digitized by 



Google 



— 326 — 

hare dochter, voor haar jaargetijde en dat van deze laatste aan 
den deken en kapittel van St. Servaas de mark Jaarlijksche rente 
uit het huis (i) gescreven ende gefiuempt in den brief waardoor 
deze gestoken is, overgedragen heeft. 

Orig. op perkament — Schepenen als van n«. 901, 



No 903. 



(1385 April 1) Datum anno Domini millesimo trecenUsimo octua- 
gesinto quarto^ prout adhuc scribitur de constutndine dicti 
opidi secwidum quam data in festo Pasche renovatur mensis 
Aprilis die prima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes de Barchem, wever, en 
zijne echtgenoote Elisabet ten behoeve van deken en kapittel van 
St. Servaas afstand gedaan hebben eener Jaarlijksche erfrente van 
8 schellingen uit het huis van Willem Decani, roededrager dier kerk, 
en uit den daarbij gelegen stal, thans behoorende aan Mathias (*^, 
proost van Maintz en kanonik van St. Servaaskerk voormeld en 
gelegen in platea dicta op den baliuyne retro claustrum St, Servatii 
naast het huis van voornoemden Mathias en dat van Mathias de 
BoELRE, welke rente met inwilliging der testamentaire uitvoer- 
ders van Sigerus de Novo Lapide, proost van Mechelen, voor 
de vermeerdering van diens jaargetijde zal besteed worden. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johannes de Ju yleymont en Johan- 
nes DE Cervo. 



(1) Die Kokardsruwe^ Koekarirnwe was gelegen bij de Kommel, hetgeen blijkt 
uit de aanteekening in dorso, die vermeldt dat het huis gelegen was JM^ra6Y7/M///e'AM7iM. 

(') Deze was Mathias de Novolapide, van dên Nüwensteen. Als kanonik van 
S. Servaas vinden wij hem voor het eerst vermeld in 1384 en in 1386 24 October 
had in zijn huis eene vergadering der kanoniken van S. Servaas plaats, waarop 
besloten werd, dat voortaan van de gedingen van het gerecht van hun kapittel in 
beroep moest gegaan worden bij dat van het kathedraal kapittel van Luik. Hij 
overleed in de eerste jaren van de 15« eeuw. Hij was de broeder van Sigerus de 
Novolapide voormeld, insgelijks kanonik en ook deken van S. Servaaskapittel over 
wien in de noot van n^ 535 van deel I. 



Digitized by 



Google 



— 327 — 

No 904. 

1S85 (Juli 26) ipso die beate Anne vidtu. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gobelinus Menten, priester en 
rentmeester der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
aldaar, namens deze voor 12 schellingen en 2 kapoenen jaarlijk- 
schen erfcijns aan Egidius Stuerboult het huis(^) waarin wijlen 
Petrus DE Fleytingen, placcator^ woonde, in de quaedevlyegen- 
sirate tusschen het huis van Godefridus de Zuschen, wever, en 
dat van wijlen Bartholomeus de Assche gelegen, in erfrecht op- 
gedragen heeft, welke cijns te beuren is vóór die van 5 schellin- 
gen, welke Egidius uit dat huis beurt, en beloofd heeft hun het 
rustig bezit van dat huis te zullen verzekeren. 

Afschrift in: Registrum litter, fratern, A foL 54. — Schepenen: Flo- 
rentius Weelde en Gobelinus de Monyouwen. 



N» 905. 

1B85 (September 30) mensis Septembris die ultima. 

Schep. V. M., verklaren, dat Johannes Wythues, lanifex seu 
drapparius (lakenwever), en zijne echtgenoote Aleydis de Rosis, 
ten behoeve der broederschap van kapellanen van St. Servaaskerk 
afstand gedaan hebben van eenen grondcijns van 5 schellin- 
gen uit de schuur en het erf van Johannes in die Porte van 
Si. Pieter, met toebehoor gelegen siipra triscum astnorum dictum 
den Eseldriesch inxta murum opidi predicti versus libertatem sancti 
Petri et Novam Curiam^ tusschen het huis van deze en dat van 
Johannes Scheper, welke cijns gelijk is aan die welke Johannes 
de Berne, wapendrager, als momboor van Aleydis de Atrio 



(*) Naderhand kwam dat huis aan Johannes Alrych, molenaar, en werden van 
de rente 9 schellingen en 9 kapoenen geschonken aan de broederschap van kapel- 
lanen van S. Servaas voor het jaargetijde van Johannes de Wvc genaamd Bolouge. 
Deze was organist van S. Servaaskerk en zijn jaargetijde werd op 9 Februari bij de 
broederschap van kapellanen gehouden : Anniversarium magistri Johannis de Wyc^ 
organiste dicti Bologhe^ IX solidos^ IX denarios. 



Digitized by 



Google 



— 328 — 

uit die goederen beurt, en onder hypotheekstelling van al zijne 
goederen beloofd heeft haar het rustig bezit daarvan te zullen 
vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johannes de Jüleymont en Rey- 
nerus db Vinea. 



No 906. 



(1385 October 12) Datum anno Domini millesimo trecentesimo oc- 
tuagesimo quinto mensis Octobris die XIL 

Schep. V. M. verklaren, dat Godefridus genaamd Kirleman, 
drapparius, aan de broederschap van kapellanen van St. Servaas 
eene jaarlijksche erfrente van 4 schellingen van eene van 8 schel- 
lingen uit het huis van Johannes de Valle in de guylkemaens- 
strote naast diens ander huis en dat van Wilhelmus Gruter, 
overgedragen heeft, welke rente zijne ouders wijlen Johannes 
Kirleman en Elizabet bij testament aan de broederschap voor- 
meld gelegateerd hebben, beloofd heeft haar het rustig bezit daar- 
van te zullen vrijwaren en die overdracht te zullen doen beves- 
tigen door zijne echtgenoote Elyzabet, wanneer dit door de broe- 
derschap of haren rentmeester zal gevorderd worden. 

Afechrift in: Registrum litter, frater», A fol. 63 v. — Schepenen: 
Godefridus de Hese en Reynerus de Vinea. 



N° 907. 
1385 (Mei 15) mensis Maii die decima quinta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Walterus Couman, priester als 
rentmeester van deken en kapittel van O. L. Vrouw, frater Johannes 
Wesel, guardiaan der Minderbroeders aldaar namens zijn klooster 
en Mychael de Bracht, priester en beneficiant van het altaar ter 
eere van de H. Maagd en den H. Servatius in de kerk van dien 
Heilige van wege dat altaar, voor eenen jaarlijkschen cijns van 
33 schellingen en 2 kapoenen aan Reynerus, den zoon van Macharius 



Digitized by 



Google 



— 329 — 

DE Hese, schepen van het hof van Lenculen, in erfrecht opge- 
dragen hebben een huis gelegen in platea dicta op den balyiiyne 
achter St. Janskerk en het erf van voornoemden Macharius, te 
weten tusschen het oude huis van wijlen Johannes de Rupe en 
de por Heus van Hadewidis de Clemmen, van welken cijns de 
den deken en het kapittel van O. L. Vrouw I6I/2 schellingen, 
het klooster der Minderbroeders 11 schellingen waarvan 5 schel- 
lingen voor den pastoor van St. Jan, het altaar voormeld 51/2 
schellingen en Macharius de Hese en zijne erfgenamen de 2 
kapoenen beuren zullen. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Florentius Weelde en Goblinus de 

MONYOUWEN. 



No 908. 



1386 Juni 12. — Ywan VAN Kartils sUit tot onderpand eene 
weide van ongeveer ii/2 bunder onder Gulpen gelegen wegens 
eene jaarlijksche rente van 2 goudgulden die hij aan Elisabeth 
VAN SteynSTRATEN, kloostervrouiv te Sinnich^ verschuldigd is, 

Weir Moes Gastmolen scholtet der banck van Gulpen . . Johan 
Cleynsmet . Arnolt Ackerman . Wilhem Spechouwer ende 
Lambrecht van Rode schefiFen der banck voirgenoempt doen kont 
alle guden luden mit desen brive ende bekennen ofFenbeerlyc, dat 
vor ons komen is Ywaen van Kortyls, knape van wapen, ende 
haet gelyt ende bekant, overmitz ons indertyt dat heet wael doen 
mochte, dat he sculdich is eirflyc ende ummermeer, jonckvrouwe 
Lyssen van Steynstraten, cloester joncvrouwe te Zennic in den 
cloester in urber ende in behoef desghemeynen cloesters vorscreven 
twe swaer gulden guet van golde ende gherechte van ghewichte 
of peyment, daer voer als der wesseleer tot Aecken dan kiessen 
sal, die te betalen alle joer eirflyck te kersmesse ende te leveren 
los ende ledich ombekummert van yman te Zennic bennen den 
cloester in eyn zeker behalt te willen ende te bewysen joncvrouwe 
Lyssen voirgcnoempt oft ymans van des ghemeynen cloesters 
wegen op kost, anxt, schade ende verluys Ywaens van Kortyls 
voirgenoempt ende synre gerechten erven, ende om joncvrouwe 



Digitized by 



Google 



— 830 — 

Lyssen voirscrev-en ende auch den ghemeynen cloesters voirscreven 
zeker te doen der voirgenoempde twe gulden eirftzeens die te 
leveren ende te betalen alle joer in alle der formen als voirscreven 
is, so hact hon Ywaen voirscreven guden onderpant gesat ende 
sette eynen benent die geheiten is der lueder ende haldende is 
anderhalf bonre wenich meer of men ende gelegen is tusschen 
die alde Gole ende die nuwe bi Moes Gastmolens benent, in 
deser vughen als voirscreven is te weten in eynen deile oft in 
altemaeU So sal ende mach joncvrouwe Lysse voirgenoempt oft 
ymant van des ghemeynen cloesters wegen hon hant slaen aen 
den voirgenoempten onderpant ende honnen wille dor met te 
doen na des hoefs gewoende van Gulpen voirscreven als met 
anderen honnen properen erve ende gude sonder eynich weder- 
sagen Ywaens van Kortyls voirgenoempt, synre erven oft ymans 
van honnen wegen ende sonder eynge crghlyst dor in te keren 
oft quade dunde, si weren geistlyc oft wereltlyc. In orkunden der 
waerheit, want ons richter ende scheffen mit namen voirgenoempt 
kundich synt alle dese voirscreven vurwaerden, dat si woer syn 
ende wyr dor bi bliven, dat si alsus vor ons komen ende in 
onser hueden gelacht synt ende want wyr schefiFen egheyn proper 
sigel en haent, so haent wyr gebeden ende bidden onsen scholtz 
voirgenoempt, dat he syn proper sigel vor ons aen desen brief 
hangen wille, dat ich Moes Gastmolen scholtet voirscreven gerne 
gedoen haen om beden wille der scheffen voirscreven, so haen 
ich myn proper sigel vor mich ende vor die scheffen aen desen 
brief gehangen. Ende ich Ywaen van Kortyls, want ich kenne 
alle dese voirgenoempte vurwaerden, dat si woer synt ende dor 
bi bliven die te halden ende te voldoen in alle der formen als 
voirscreven is ende des om te mere zekerheit so haen ich ouch 
myn proper sigel aen desen brief gehangen in ghetugenis der 
waerheit. Gegeven int joer ons Heren dusent driehondert seesen- 
tachtentich des XII dagz in Junio. 

Orig. op perkament. 



N° 909. 
(1386 Juni 27) Datum anno Domini millesimo CCC'^'' LXXX"" 



Digitized by 



Google 



— 331 — 

sexto feria quarta post festum Nativitatis beati Johannis 
Baptisie, 

Schout en schepenen van M. oorkonden, dat Christianus de 
MoLENDiNO, priester, als beneficiant van het altaar ter eere van 
den H. Nicholaus 2« stichting in de St. Servaaskerk aldaar, wegens 
het niet betalen van den verschuldigden cijns op Wilhelmus, den 
zoon van Johannes de Namurco, heeft doen uitwinnen een huis 
in de Hoenderstraat [in vico pullorum) tusschen dat van Bartho- 
lomeus DE Antwerpia, koopman, en dat van Arnoldus de Grymby, 
brouwer, en zij hem dit ten behoeve van voormeld altaar voor 
een jaar in eigendom toegewezen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnoldus de Louwen, schout, 
Godefridus de Hese, Johannes de Cervo, Reyncrus de Eytzenrode, 
Johannes de Alken, Godenulus de Spaudek, Mychiiel Neve en Henricus 
DE Sancta Agatha. Zegels: 1°. Een St. Andrieskruis; in het schildhoofd 
eene zespuntige ster; randschrift: S. Arnolt . van . Lowen; — 8**. Drie 
bijlen naar rechts gewend, in het vrij kwartier drie vijfbladen, 2, l ; in 
het schildhoofd een barensteel; randschrift: Henrici . de . sca . Aghat . 

No 910. 

Transfix, (1387 Juli 3) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
octuagesimo septimo feria quarta post festum beatorum Petri 
et Pauli Apostolorum. 

Schout en schepenen van M. verklaren, dat zij op verzoek van 
Christianus de Molendino, priester, hem het huis vermeld in 
den brief, waardoor deze gestoken is definitief hebben toege- 
wezen ten behoeve van het altaar van den H. Nicholaus 2« stich- 
ting in de St. Servaaskerk, onder bepaling dat de verus heres 
dat huis nog zal kunnen terugkoopen en aflossen tusschen 
dit en Donderdag na O. L. Vrouw Hemelvaart eerstkomende 
(22 Augustus). 

Orig. op perkament. — Schepenen: Reynerus de Louwen, schout, ver- 
der als van n . 909. Zegels: 1*». Een St. Andrieskruis, in het schildhoofd 
eene schelp; randschrift: Sighel . Reiners . van Louwen. 



Digitized by 



Google 



— 332 — 

No 911. 

(1386 Juli 8) Datum anno Domini millesimo trecentesimo octuage- 
sinio sexto mensis Julii die octava. 

Schout en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Lambertui 
DE HoERNE, priester, als rector der kapel van den H. Vincentius 
te Maastricht gelegen, voor eene jaariijksche pacht van 161/2 vaten 
rogge in erfrecht opgedragen heeft aan Johannes Cleyniohan 
van Wylre 21/2 bunders bouwland, waarvan 2 bunders gelegen 
zijn op den berg tegenover de hofstede in de Key nabij de straat 
gaande naar Susschen op de plaats zedelstael geheeten tusschen 
land van Boxberch en den moelenwech^ 7 groote roeden nabij het 
dorp Wilre tusschen land der kapittelheeren van St. Servaas te 
Maastricht en land van voornoemden Johannes, en 3 groote roeden 
prope lapideam stratam tusschen land van Arnoldus DE Blisea en 
dat van Godefridus Ottonis, en Johannes voornoemd voor de 
geregelde betaling van vermelde pacht 2 groote roeden akkerland, 
gelegen bij de 3 laatst vermelde, tot onderpand gesteld heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Macharius de Hese, Florentius 
Weelde, Johannes de Juleymont, Goblinus de Monyoüwen, Johannes 
Sac, Henricus de Cleermont en Reynerus de Vinea. Zegels: dat van 
den schout, «en St. Andrieskruis van sabel met hartschild, waarop een 
getand kruis; randschrift: f S. Symon [SJcaefdries. 



No 912. 



(1315 September 24) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
octuagesimo sexto mensis Seftembris die vicesima quarta. 

Schep. V. M. verklaren, dat Martinus de Wyc, priester, pastoor 
van Lontzen voor de zielerust van wijlen zijnen broeder Lam- 
bertus de Wyc (^) en van zijne overige bloedverwanten en vrienden 
aan het hospitaal van St. Servaaskapittel te Maastricht ad opus 



(1) Het jaargetijde van Lambertus werd bij de broederschap van kapellanen ge- 
houden den 7 Mei en is aldus vermeld in het necrologium dier broederschap: Annt' 
versarium La$nberti de Wyke^ III I sulidos supra forum sabbati in ordone ruelle 
pitilornm. 



Digitized by 



Google 



— 333 — 

pauperum ibidem confluentium eene jaarlijksche rente van 4 schel- 
lingen en aan de broederschap van kapellanen dier kerk eene 
gelijke rente van eene van 27^/2 schellingen te beuren uit het huis 
van Johannes genaamd Kamtke, tritor oley^ op de Zaterdagsmarkt 
op den hoek der Hoenderstraat naast het huis van Nycholaus 
DE Pyse, van welke 271/2 schellingen hij nog overgedragen heeft 
aan den pastoor van St. Jacobskerk en aan dien der St. Nicolaas- 
kerk ieder 4 schellingen 'sjaars, insgelijks 4 schellingen aan het 
hospitaal van den H. Nycholaus te Tweebergen en aan dat der 
H. Katharina op de Houtmarkt, en het resteerende aan de broe- 
derschap van kapellanen van O. L. Vrouwkapittel. 

Afschrift in: Regis trum Utter, fratern, A fol. 67. — Schepenen: Flo- 
rentius Weelde en Johannes d£ Cervo. 



No 913. 



[15S7 Januari 20) Datum anno a Nativitaie Domini millesimo tre- 
centesimo octuagesimo septimo mensis Januarii die vicesima. 

Schout en schepenen van St. Pieter [libertatis sancti Petri) 
oorkonden, dat Johannes de Meerholt, klerk, als rentmeester van 
het kapittel van St. Servaas te Maastricht voor eene jaarlijksche 
erfrente van 10 schellingen aan Engelbertus Frayken, molenaar, 
eene area seu domistadium met toebehooren te St. Pieter gelegen 
tusschen dezes huis en dat van Lambertus Moffel en Gerardus 
KoEC, molenaar, ter eene en dat van Egidius Jamots ter andere 
zijde, in erfrecht heeft opgedragen en beloofd hem het rustig 
bezit daarvan te zullen vrijwaren, onder verband van al de goederen 
van voormeld kapittel. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Laurentius de Lacu, schout, Hen- 
neus Kestelman, Reynerus de Horreo, Reynerus de Eytzenroede, 
Mathyas supra Lacüm, Theodericus de Boynghen en Godenulus de 
Spauden. 



No 914. 

(18^ April 12) Datum anno Domini M^ CCC^ LXXXVl'' mensis 
Aprilis die XIL 

Schep. V. M. oorkonden, dat Bartholomeus dictt^s vulgariter 



Digitized by 



Google 



— 334 — 

Meys indie Hoenrestrate^ meester van de armentafel van den 
H. Geest, en uitvoerder van het testament van Albertus de Her- 
deren, aan de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
aldaar toegewezen en overgedragen heeft eene jaarlijksche rente 
van 4 schellingen (i) uit een huis met toebehoor (*) gelegen stipra 
antiquam ctiriam (Aldenhof) itixta por tam novam ducentem versus 
licertatem sancti Petri et prope domum theiitonice byden haegedoeren^ 
tusschen het huis van wijlen Menta en dat van Johannes KoEC, 
wever, waarin thans Petrus supra Pontem, lakenscheerder woont, 
en op welk huis Albertus voornoemd en zijne echtgenoote El izabet 
bij testament nog gevestigd hebben de volgende jaarlijksche renten: 
een mark voor de armentafel van den H. Geest, 2 schellingen 
voor den pastoor en 2 voor de fabriek der St. Janskerk, 2 schel- 
lingen voor de Predikheeren, 2 voor de Augustijnen en voor de 
hospitalen van de H. Agatha, der H. Katharina en van den Nieu- 
wenhof ieder 2 schellingen. 

Afschrift in: Regis trum lifter, f ra tem, A tol. 77. — Schepenen: Rey- 
nerus de Eytsenrode en Henricus de Sancta Agatha. 



N« 915. 



(1387 October 4) Datufti anno a Naiivitate Domini millesimo treeën- 
tesimo octuagesimo septimo mensis Octobris die quarta. 

Schout en schepenen van St. Pieter oorkonden, dat Rycolfus 
IN DIE Porte van St. Pieter, burger van Maastricht, verklaard 
heeft vele schulden te hebben, vooral aan de Lombarden te Maas- 
tricht, en ten einde die te betalen en zijnen broeder, Johannes 
en de overigen die hij den Lombarden tot borgen gesteld had, 
te ontheffen, aan Johannes 8 roede akkerland in een perceel 
te St. Pieter gelegen nabij de plaats schutten cleyf en de twee 



(1) Met die rente werd het jaargetijde van Albertus de Herderen en van zijne 
echtgenoote gesticht, dat op 18 April in het necrologium der broedersdiap geboekt 
staat. 

(') In de aanteekening boven den brief wordt de ligging van het huis aldus aan- 
gegeven: in antiqua curia iuxta spinetum. 



Digitized by 



Google 



— 335 — 

wegen, waarvan de eene loopt van de Linculenpoort te Maastricht 
naar Wilre en de andere naar Monthenaken, overgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johannes de Hasilisbur, schout, 
Laurentius de Lacu en de overigen als van n°. 913. 



N« 916. 



(1388 Februari 11) Datum anno a Navitate Domini millesimo 
CCO^^ octuagesimo mensis Febrnarii die undecima. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Godefridus de Heydendaele, 
lanifex^ en zijne echtgenooie Yda, ten behoeve van Wilhelmus 
DE Sancta Margareta, kanonik van St. Servaaskerk aldaar, en 
van zijne erfgenamen afstand gedaan hebben eener jaarlijksche 
erfrente van 3 marken, waarvan 2 te beuren uit hun woonhuis 
met toebehooren, gelegen in de Hoenderstraat tusschen dat^van 
wijlen Reynerus de Herborch ter eenre en dat van Egidius, 
lakenscheerder, ter andere zijde, en 1 mark uit het woonhuis van 
Martinus de Sancto Petro, vicarius perpetum van St. Servaas- 
kerk, met toebehooren gelegen in de straat achter de St. Janskerk 
en eenige claustrale huizen van die kerk, tusschen het huis van 
wijlen Johannes de Houthem, priester, en dat van Johannes 
Bosch, priester, en onder verband van al hunne goederen beloofd 
hebben, hem het rustig bezit dier renten te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Servatius DE Mulken en Henricus de Sancta 
Agatha. 

No 917. 

Transfix. 1394 (Juni 2) twe dage in Junio, 

Schep. V. M. verklaren, dat Wilhem van Sint-Margroeten, 
kanonik van St. Servaaskerk aldaar, als vur die andere erfgedeyn- 
kenisse of commemoratie alle jaren in die kerk te houden voor 
Zyeger van den Nuwensteye, in leven proost te Mechelen en 
deken en kanonik der St. Servaaskerk voormeld, aan het kapittel 
dier kerk overgedragen heeft eene jaarlijksche rente van 1 mark 



Digitized by 



Google 



^- 336 — 

van die van 2 marken vernield in den brief, waardoor deze ge- 
stoken is, waarvan de andere mark overgedragen is aan den rectoer 
der capellen sint Jacobs ende sint Maryen Magdalenen bynnen voer- 
melde St. Servaaskerk gelegen^ voor het jaargetijde van wijlen Robyn 
VAN SwALMEN, kanonik dier kerk, welke 2 marken te beuren zijn 
uit het huis van Goedard van Heyendale, met toebehooren 
gelegen in de Hoenrestraete naast dat van wijlen Reyner van 
Herborch en dat van Syelys der Scherer. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Reynart van Eetzenroede en 
Goedart van Vleytingen. 



No 918. 



{1388 Februari 22) Datum anno Domini millesimo trecentesimo 
octuagesimo septimo pront adhuc scribitur de consuettuline 
dicti opidi secundum quam data in festo pasche renovatur 
mensis Februarii die vicesima secunda. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Goblinus Meynten, priester en 
kapellaan van St. Servaaskerk alsmede rentmeester van deken en 
kapittel dier kerk voor eenen cijns van 2 marken 's jaars aan 
Goswinus de Wylre, vinitor^ in erfrecht opgedragen heeft een 
huis in de Jodenstraat tusschen dat van Bruno de Gladbach, 
goudsmid, en dat van Petrus Verlyes, vleeschhouwer, en deken 
en kapittel voornoemd die opdracht goedgekeurd hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johainies de Juleymont en Rey- 
nerus [de Vinea]. X 



No 919. 



(1388 Maart 12) Datum anno a Nativitate Domini millesimo tre- 
centesimo octuagesimo octavo mensis Marcii die duodecima. 

Schep. V. M. verklaren, dat Goblinus Menten, kapellaan van 
St. Servaaskerk als rentmeester van deken en kapittel dier kerk 
voor eene jaarlijksche rente van 19 schellingen en 1 kapoen aan 



Digitized by 



Google 



— 337 — 

Henricus de Vleytingis, koopman, en zijne echtgenoote Gertruda 
het halve huis met toebehoor, gelegen retro domum carniurn (i) 
(vleeschhal) supra forum cerasorutn naast dat van Johannes Quant 
en dat van Henricus voornoemd gelegen, in erfrecht opgedragen 
heeft, welke rente betaald moet worden half met het feest van 
den H. Johannes den Dooper en half met Kerstmis. 

Orig op perkament. — Schepenen: Johannes de Juleymont en Hen- 
ricus DE Sancta Agatha. 



N» 920. 



(1^88 Juli 21) Datum anno Domini millesimo trecentesimo octua- 
gesimo tertio in vigilia beate Marie Magdalene. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Arnoldus de Cigno, magister ad 
presens opidi iamdicti (burgemeester), en zijne echtgenoote Maria de 
Elderen aan de echtelieden Henricus Meeme de Valkenborch en 
Mechteldis voor 17 marken en 3 kapoenen jaarlijkschen cijns in 
erfrecht opgedragen hebben het huis de cigno^ dat zij thans in erf- 
recht houden en met toebehoor gelegen is in de platea sancti 
Georgii (Groote Staat) tusschen het huis de parvo cigno bewoond 
door Arnoldus de Eupen, tornator (2), en dat van Symon den 
zoon van wijlen Rutgerus de Welpsdaele, bakker, beloofd heb- 
ben hun het rustig bezit van dat huis te zullen verzekeren en 
Henricus en Mechtildis verklaard hebben 7 marken van dien 
cijns te zullen terugkoopen^ eiken mark met 17 dubbele mottoenen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godefridus DE Hese en Henricus 
DE Sancta Agatha. 

No 921. 

Transfix, (1388 September 8) Datum anno Domini millesimo treeën- 
centesimo octuagesimo octavo mensis Septembris die tercia. 

Schep. V. M. verklaren, dat Arnoldus de Cigno, burgemeester 



Q) In de noot in dorso geheeten: retro macellum, 
O Tornator = tornarius^ draaier, houtdraaier. 
t8 



Digitized by 



Google 



— 338 ^ 

aldaar, en zijne echtgenoote Maria de Elderen aan Henricus 
Meeme van Valkenberg (i), theolonarius ad presens in dicto opido^ 
en zijne echtgenoote Mechtildis eenen jaarlijkschen cijns van 6 
niarken, in korting van den cijns vermeld in den brief waardoor 
deze gestoken is, overgedragen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godefridus dê Hese, Johannes de 
Cervü en Henricus de Sancta Agatha. 



N^ 922. 



(1389 Juni 21) Datum anno Nativitatis Dotnini millesimo trecente- 
simo octuagesimo nono ntensis Jufiii die vicesima prima. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat hun 
medeschepen Godefridus de Vleytingis en zijne echtgenoote 
Katharina ten behoeve van Wilhelmus de Sancta Margareta, 
kanonik van St. Servaaskapittel te Maastricht, afstand gedaan hebben 
van 21/2 bunder bouwland in verschillende perceelen gelegen, 
waarvan het eene 3 groote roeden gelegen is op die steynestrate 
tusschen land van Johannes Vastrardi en van Egidius Ottonis; 
het tweede van 6 groote roeden tusschen land van dezen laatste 
en dat van Johannes Vercregen; 3 jurnalia bij de voorgaande 
perceelen gelegen tusschen land van Theodricus Godscalci en 
dat der kinderen van wijlen Marselius de Hese en 14 groote 
roeden aan den weg naar Laeffelt naast land van dezen laatste, 
beloofd hebben hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren 
en verklaard dat het land met niets anders bezwaard is dan met 
den gewonen cijns betaalbaar in het hof van Lenculen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Macharius DÊ Hese, Florentius 
Sack, Henricus de Cleermont, Johannes DE Here en Godefridus de 
Vleytingis. 



(1) Henricus Mkeme of Meyme was ontvanger der tollen van den hertog van 
Brabant te Maastricht. Zijne echtgenoote Mechteldis overleed in 1397 en beiden 
stichtten bij de broederschap van kapellanen van S. Servaas hun jaargetijde, dat op 
31 October gehouden werd. Hij had een zoon Johannes, die kanonik was van het 
Munster te Aken en van S. Servaas te Maastricht, een tweede zoon Matheus die 
lid was der broederschap van kapel laiien in deze laatste kerk en eene dochter ge- 
naamd Mechtildis. 



Digitized by 



Google 



— 339 — 

N» 923. 

Transfixen, 1401 (Januari 6) ipso die Epiphanie Domini. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Wil- 
helmus DE Sancta Margareta, kanonik en scholaster van St. Ser- 
vaaskerk, subiciens se et bona sua quecuntqtie quo ad infrascripta 
juri civili ten behoeve van Johannes de Cancere,* schepen van 
Maastricht, en van zijne echtgenoote Mechtildis afstand gedaan 
heeft van de 2^^ bunder bouwland, vermeld in den brief waar- 
door deze gestoken is en onder verband van al zijne goederen 
beloofd heeft hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Johannes de Juleymont, Henricus 
DE Cleermont, Johannes de Hese, Goiswinus de Montenaken, Ar- 
noldus DE CiGNO, Johannes de Mosa en Danyel de Dveteren. 

No 924. 

Hi5 {Januari 13) derthene daghe in Januario. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen verklaren, dat Johan 
VAN DEN Creefte, schepen van Maastricht, aan de broederschap 
van kapellanen der St. Servaaskerk aldaar I1/2 bunder akkerland 
opgedragen heeft, waarvan 3 morgen gelegen zijn in dat gevitte 
gekeyten op die steynstraete tusschen land van Johan van Heggen 
en dat der kinderen van wijlen Gielys van Riemst, en 3 morgen 
in hetzelve gevitte gelegen tusschen land van Johan van Heggen 
voornoemd en het land van Laureynsen van Hese, van welk 
akkerland melding wordt gemaakt in de beide naast voorgaande 
brieven waardoor deze getrokken is. 

Orig. op perkament. ~ Schepenen: [Pauwels van dën Biessen, rent- 
meester], Henricus Bavyer, Laureyns Haybayken, Pauwels van den 
Biessen, Bartholomeus van Warwelle, Gerart Clut, Andries van 
Gelke en Wilhera van Mulken. Zegels: 1«. Een uitgeschulpt kruis, in 
bet vrijkwartier vijf aaneengesloten spitsruiten; randschrift: S. Pouwels 

van den BlESEN SCEPEN TRIfcCHT. 



Digitizèd by 



Google 



— 340 — 

N^ 925. 

1390 {Juni 23) op sint Johans avonde Baptisten, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Henric Beggarde, beenhakker, 
en zijne, echtgenoote Anna aan Wigeer van Ganne en Oeden 
diens echtgenoote eene jaariijksche erfrente van 21 schellingen uit 
een huis op ^e Houtmaas {in faro //^»£?r«w) overgedragen hebben, 
met belofte hun het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren 
waarvoor zij al hunne goederen verbonden hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florens Weelde en Johan van 
Here. 

No 926. 

Transfixen, 14 tO {Juni 23) ifiden Braetnaende des dryeentwintich- 
sten dagh. 

Schep. V. M. verklaren, dat Wolter Vaire (?) ten behoeve van 
Wilhem van Gruysbeke, kanonik van St. Servaaskerk aldaar, 
afstand gedaan heeft eener jaariijksche rente van 1 mark waarvan 
gewag wordt gemaakt in den naast voorgaanden brief, waardoor 
deze getrokken is. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Mulken en Johan 
VAN Bazilisbür. 

No 927. 

lilO {December 19) des maendts Decembris des noegenteenden daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Peter Begaerts, priester, zijne 
broeders Laurens en Joost, Johan Meysenbeyn als momboir zijner 
echtgenoote Maria, Johan van Karmpt (?), barduersticker^ als 
mom boor zijner echtgenoote Lysbetten, zusters van Petrus voor- 
noemd, alsmede zijne zuster Anna aan Willem van Gruysbeke (i), 
kanonik van St. Servaas, een jaariijksche rente van 1 schelling, 
vermeld in den hoofdbrief overgedragen hebben, en Peter, Laurens 



(>) Zijne biographie zie deel I n®. 194, p. 110, noot 1. 



Digitized by 



Google 



- 341 - 

en Joost voornoemd beloofd hebben die overdracht te zullen 
doen goedkeuren door de kinderen van voormelde Anna, soe 
wannce sy toet honven wetliken daegen coemen suelen syn^ waar 
voor zij hunne goederen verhypothekeerd hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Machgeele Neve van Stevne en 
Dyrich Thonus, 



No 928. 



{1S90 Juli 5) Gegeven onder onse segele heran gehangen int joer 
ons Heren dusent dryehondert noegentich vyf dage in Julio, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Symon, zoon van wijlen Peter 
Thoenis, molenaar, de ie synen mondigen dagen koemen is, aan 
den deken en de kanoniken van St. Servaaskerk aldaar alle zijne 
rechten en aanspraken, zoo tegenwoordige als toekomende, op het 
huis gelegen op ghene boxstat tusschen het erf van Philips van 
Basyelisbur, overgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Machiel Neve van Stevne en 
Heynric van Sint Aechten. 



N» 929. 

1391 (Maart 24) vierentwintick daghe in den Meert. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Johan Jouwe, verver, wonende 
op den Aldenhof, zijne echtgenoote Oede, hunne kinderen L-am- 
brecht, Andryes en Voesken, alsmede Johan van Pytershem, 
gehuwd met hunne dochter Margariete aan de broederschap van 
kappellanen der St. Servaaskerk (der broederscap der <apelloen des 
f^asthuys sint Servoes) eenen jaarlijkschen cijns van 9 penningen en 
1 hen uit het huis van Thoelen, de echtgenoote van Godart 
Pluymkens, op den Aldenhof gelegen tusschen dat van Dyerix, 
zoon van Arnold van Roethem, scroeder^ en dat van wijlen Mathys 
van Canne, ntolenmekere, overgedragen hebben en onder verband 
van alle hunne goederen beloofd hebben haar het rustig bezit 



Digitized by 



Google 



— 342 — 

van dien cijns te zullen vrijwaren, die volgens hunne verklaring 
een grondcijns is. 

Afechrift in: Registrum Utter, fratern. A fol. 63 v. — Schepenen: 
Godart van Hese en Reynart van Eetzknroede. 



N^ 930. 

1391 (October 6) des Vrydachs noe Remigiu 

Schout en schepenen van Maastricht oorkonden, dat Goedart van 
Heyendale als rentmeester van deken en kapittel van St. Servaas, 
wegens het niet betalen van den verschuldigden cijns op Katharina, 
de weduwe van Goedart Vleners, en op hare kinderen met name 
Lambrecht, Goedart, Johan genaamd Blanyan, Merten, Aleyden 
en Kathrinen, een huis met toebehoor gelegen vur die masebrugge 
tegen die Augustyne oever heeft doen uitwinnen en zij hem dat 
voor een jaar en dag in eigendom hebben toegewezen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florents Welden, Johan van 
Juyleymont, Servocs van Mulken, Johan Sac, Henric van Cleir- 
MONT, Johan VAN Here en Goedart van Vleytingen. 



N° 931. 



1391 October 18 — Gerechtelijke uitwinning op Heynen VAN Hese 
van een huis in de Kokstraat {Koekschroef straat). 

.Wir Johan van Bloemendale scouteit ende scepene te Tricht, 
dats te weten met naemen Godart van Hese, Johan van den 
Hertte, Reyner van Eytzenroede, Johan van 'Alken, Godenuel 
VAN Spauden, Maggiel Neve van Steyne ende Henric van 
Sente Aeghten tueghen ende gestaen, dat voer ons settende in 
vollen gerichte inder dengbanck Godart van Heydendaele als 
rentmeyster des heren van sinter Vaes der stat voirscreven, guet, 
alsoe als dat gelegen is in die Koexruwe tusschen guet Johan 
Wevers ter eynre syden ende guet Henrics van Ulenstraeten 
ter andere syden op Heynen van Hese omme gebreke van censc 



Digitized by 



Google 



— 343 — 

den hie van hueme nyet hebben en konde als hie sachte, drie 
veirtiennachte als ghewóenliken is dede vernachten, den welken 
Godart wir toe wiesden met vonnisse ende pronuntieerden dat 
guet voirscreven in sinen handen te halden jaer ende dach be- 
heltenisse mallike syns rechts te orber ende behoef der heren 
voerscreven ende dat hie tents dan dat jaer voirscreven weder 
voer ons queeme, wir sulden hueme seggen soe wat dat recht 
voert sulde leren ende eieren te doen van ende op den saken 
voirscreven. Gegheven inden jaer vander ghebuert ons Heren 
duesent driehondert nuegentich ende eyn des Goensdaeghs op 
sente Lucas dach des Heyligen Ewaengelisten, 

Orig. op perkament. 



No 932. 

Transfixen, 1392^ Juni 26. — Dyeric Tetken van Oeken verklaart 
het huis in den naastvoorgaanden brief vermeld iji erfpacht te 
houden van het kapittel van St. Servaas en belooft de rente 
jaarlijks geregeld te zullen betalen, 

Wir Machyel Neve van Steynen ende Heynric van Sint 
Aechten, scepenen te Triecht getuygen mit desen brieve als 
scepenen dat voir ons koemen is Dyeric Tetken van Oeken 
ende heet oepenbeirlic bekant te halden ende te besitten, die 
guede daraf dat mentie woerdt ghedoen inden vernachten brieve 
dae dis tegenwordich onse brief an is gehangen, in name ende 
van wegen der eirsamen heren deken ende capittel der kircken 
sint Servaes te Triecht, alsoe dat der voirgenoempte Dyeric ghe- 
loefde in gueden truwen te gheven ende te betalen Goedarde 
van Heyendale, rentmeyster der heren vurscreven alsolghen 
cyens als he ioerlix vanden selven guede geldende is Heynric van 
Hese ten tyden ende termynen behoirlic met verbeyntenisse alle 
synre guede ende te peynden mit der bueten. Gegeven int joer 
ons Heren dusent driehondert tweyennoegentich xxvi dage in 
Junio. 



Digitized by 



Google 



— 344 — 

No 933. 

1393 April 26, — ^oAan Stenmetzer verklaart in erfrecht te hebben 
genomen van het Kapittel van St. Servaas het huis waarvan 
in de beide naastvoorgaande brieven gewag wordt gemaakt. 

Wir Machgiel Neve van Steyne ende Henrich van Sente 
Aeghten, scepene te Triecht, tueghen ende gestaen met desen 
brieve als scepene, dat voer ons coemen is Johan Steynmetzer 
woenende in die Koexruwe ende heeft bekant ende ghelyet open- 
baerliken dat hie haldende is ende besittende in naeme ende van 
weghen der heren van senter Vaes al sullich guet alse dar inne 
hie woent, vernacht van Godarde van Heydendaele rentmeyster 
der selver heren met anderen guede dae by gelegen, van welken 
gueden gewach ende mentie worden ende is gedaen inden ver- 
nachtden brieve, daer aene ons tiegenwordich brief oft dese cedule 
is gehangen, ende hieromme soe geloefde dieselve Johan te gheven 
ende te betalen Godarde den rentmeyster voerscreven te orber 
ende in behoef sinnen heren voerscreven alsulken eens, als hie 
schuldich is ende schuldich syn sal jaerlixs vanden selven guede 
Henricke van Hese inden selven vernachtden brieve genoempt 
ten termynen ende hoegetyden alsmen ghewoenliken is erfcens te 
betalen beheltenisse mallike sins rechts, ende met verbentenisse 
alle synre guede, ende te penden metten boeten. Gegheven inden 
jaer vander ghebuert ons Heren duesent driehondert nuegentich 
ende drie des maendes van Sporkille des xxvi daeghs. 

Orig. op perkament. 



No 934. 

1391 (Deeember 23) drieentwintich daighe in December. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Godart van Here en zijne dochter 
Yde, die te hoeren mondighen daigen komen is^ aan Willem VAN 
Gruesbeck, kanonik van St. Servaas eene jaarlijksche erfrente van 
2 marken uit het huis ten beere gelegen by synt Jorys (in de 
Groote Staat) naast het huis van den viyng'arde en naast dat van 



Digitized by 



Google 



— 345 — 

Johan VAN Hoeselt, scrynemeker, overgedragen hebben, onder 
bepaling hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren, en 
verklaard hebben dat op dat huis nog bevestigd is eene jaarlijk- 
sche rente van 4 marken, 10 schellingen en 41/2 penningen en dat 
de 2 marken voormeld sonder gewynne synt te geven of te nemetty 
alles onder verband hunner goederen. 

Afschrift in: Registrum litter, frateru. A fol. 118. — Schepenen: 
Johan VAN den Herte en Machyel Neve van Stevne. 



N^ 935. 

Vi92 (Maart 1) op den eersten dage vanden Meert, 

Schep. V. M. verklaren, dat Johan Lambrechs genaamd Johan 
IN DIE Maltmoelen en zijne echtgenoote Lysbet, ten behoeve 
van Johan Paresys, zijne echtgenoote Mechtelde en hun beider 
kinderen afstand gedaan hebben eener jaarlij ksche erfrente van 
1 mark van eene van 2 marken uit het huis van Tylman Wever, 
gelegen in die Capuynestrate tusschen broetsenpanhuys en het huis 
van Pouwel Ostyenbecker, priester, en beloofd hebben hen 
tegen elke vordering te zullen verdedigen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henric van Sint Aechten en 
Johan van Here. 

No 936. 

Transfixen. 1418 (Augustus 20) twyntich dage in Augusto. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Johan [Pa]resys, der becker^ aan 
Moes VAN Grembey, zijne echtgenoote Lysbeden en hun beider 
erven zijne rechten op de jaarlijksche rente van 1 mark, vermeld 
in den brief waardoor deze gestoken is, overgedragen heeft, waarna 
Moes als momboor zijner echtgenoote van dien mark afstand 
gedaan heeft ten behoeve van Peter en Aleyde, kinderen van 
wijlen Peter Duytsche van Esden en Johan en Moes beloofd 
hebben voornoemde kinderen het rustig bezit dier rente te zullen 
vrijwaren. 

Orig, op perkament. — Schepenen: Johan , en Johan van 

Bryede. 



Digitized by 



Google 



— 346 — 
No 937. 

1434 (Mei 2) twe dage in Meye, 

Schep. V. M. oorkonden dat Gerart van der Laer, roededrager 
van St. Servaaskerk, voor zijn jaargetijde en dat zijner echtgenoote 
Aleyde, aan den deken en het kapittel dier kerk de mark jaarlijksche 
rente, vermeld in de beide naastvoorgaande brieven, te beuren 
uit het huis voorheen van Tielman Wevers, thans van Pau wei 
Perfusen, priester, in de Kapoenstraat heeft overgedragen, en 
Peter Duytsche, der gholtsmyet^ verklaard heeft geen recht op 
die rente te hebben noch aanspraak daarop te zullen maken en 
voormelde overdracht heeft goedgekeurd. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henric Bovyer en Goedart van 
Warwelle. 



No 938. 



(1392 Mei 18) Gegheven inden jaere ons Heren duysefit driehondert 
nuegentich ende twee des maendes van Meye des XVIII daegh. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Johan van Wellen, zoon van 
Johan Oem van Wellen, tot synen mundighen ende wetlichen daeghen 
coenten^ ten behoeve van Henrich Stoeten van Lenculen en diens 
echtgenoote Mechtilde Busscop, afstand gedaan heeft werpende 
haer van synen cleyde^ van eene jaarlijksche rente van 1 mark van 
eene van 2 marken te beuren uit het huis met /ö:^«A«^5^ (brouwerij) 
van Wouter Paep van Diest en Lyesbeth zijne Zeresenvrouwe in 
de St. Jorisstraat (Groote Staat) by sente Joris capellefi ende tiegen 
der Preytkeren moeren gelegen, tusschen het erf van Johan van 
DEN Bongharde en het huis met brouwerij van Peter van 
BuRGHEENE genaamd van der Clocken en beloofd heeft hem 
in het rustig bezit dier mark te zullen houden. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Machgiel Neve van Steyne en 
Henrich van Sinte Aeghten. 

N* 939. 
Transfixen, 1394 (October 26) sessentwynticA dage in Octobri, 
Schep. V. M. oorkonden, dat Johannes van Wellen, wonende 



Digitized by 



Google 



— 347 — 

bij Johan Blank art, kanonik van St. Servaaskapittel aldaar, ten 
behoeve van Robeert van Berchem, afstand gedaan heeft eener 
jaarlijksche erfrente van 1 mark uit het huis van Wouter int 
SciiYEPE in de Groote Staat tegenover het klooster der Predik- 
heeren tusschen dat van Johan vanden Bonghartte en dat van 
Peter van der Clocken, met verklaring dat behalve voormelde 
rente op dat huis nog eene van 71/2 marken 's jaars gevestigd is. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Reynart van Eetzenroede en Fiorens 
Wythüys. 

No 940. 

1398 (Juli 23) des anderen daeghs nae sente Marien Magdalenen 
daeghe vallende in den hoyemaefide. 

Schep. V. M. verklaren, dat Robeert van Berchem, voorheen 
kramer, wonende te Tweebergen by der nuwerporte (i), te gunste 
ende vruntscap aan Johannes van Wellen de jaarlijksche repte 
van 1 mark, waarvan melding is in den brief waardoor deze 
gestoken is en die gebeurd wordt uit het huis van wijlen Wouter 
Papen van Diest, die geheyten wart doe die leefde Wouter INT 
Scheep, overgedragen heett en beloofd dat zijne dochter Lynen 
of Katlynen, wannee sie wale gedaeght ende mundich sal sin^ ook 
afstand dier rente doen zal. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henrich van Sente Aeghtbn en 
Fiorens Wythübs. 

No 941. 

1398 (September 4) in dett Evenmaende geheyten September des vier- 
den daeghs. 

Schep. V. M. getuigen, dat Johan van Wellen, clerck^ ten 
behoeve van Johan Blanckart, kanonik van St. Servaaskapittel 
aldaar, afstand gedaan heeft der jaarlijksche rente van 1 mark, 



(1) Hieruit zou volgen, dat de nieuwe Tweebergerpoort de latere Brusselschepoort, 
reeds in 1398 gebouwd was, tenzij men zou moeten denken dat de Tweeberger- 
poort zelve vernieuwd was. 



Digitized by 



Google 



^ 348 — 

waarvan melding is in de naastvoorgaande brieven en beloofd 
heeft de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godenuel van Spauden en Hen rich 
VAN Sente Aeghten. 

N« 942. 
1407 (April 12) inden maende van Aprille des tweelfden daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Willem va^Eymale^ der scroeder^ 
en zijne echtgenoote Mechtilt de Jaarlijksche erfrente van 1 mark, 
waarvan hiervoren gewag wordt gemaakt, aan Henrich Sax, priester 
en zijne erfgenamen overgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Johan van der Heirte en Florens 
Wythüys. 

N° 943. 

1411 (November 13) des viaendts Novembris des derteenden daighs. 

Schep. V. M. verklaren, dat Henrich Sack, priester, ten behoeve 
van Engelbrecht van den Brueke, van diens echtgenoote Kathrijnen 
en van hunne kinderen afstand gedaan heeft der jaarlijksche erf- 
rente vermeld in den hoofdbrief waardoor deze gestoken is. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Everart van den Vernenholte en 
Johan VAN Blomendalb. 

No 944. 

1411 (November 18) des derUende daege in Novembru 

Schep. V. M. oorkonden, dat Engelbrecht van Brueke, als man 
en momboor van Kathrynen voor het jaargetijde van wijlen Johan 
Blanckart (^), kanonik van St. Servaaskerk, aan den deken en 
het kapittel dier kerk de mark jaarlijksche rente uit het huis 



(^) Als kanonik van St. Servaas vicden wij hem voor het eerst vermeld in 1386 
in de akte van 24 October, waarbij de kanoniken in gevolge kapittels besluit de 
verklaring afleggen en erkennen de jurisdictie van het kathedraal kapitaal van 
Luik in zake appel van de vonnissen hunner rechtbank. 



Digitized by 



Google 



— 349 — 

thans in bezit van Gerard Capuien, tegenover het klooster der 
Predikheeren gelegen en geheeten /;// schepe^ overgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Everart van den VernünhÓlte en 
Johan VAN Bloemendalb. 



N<» 945. 

1392 (October 30) des Guensdaechs nae Symonis et Jude Apostolorum, 

Schout en schepenen v. M. oorkonden, dat Godart van Heyen- 
DALE als rentmeyster der cense van deken en kapittel van St. Ser- 
vaas aldaar, wegens het niet betalen van den verschuldigden cijns 
op Claes VAN Stocheym, steenhouwer, een huis in den Stock 
(Stokstraat) tusschen dat van Henric van Cleirmont, schepen 
van Maastricht, en dat van Lambrecht van Leute heeft doen 
uitwinnen en zij hem dat huis voor een jaar en een dag hebben 
toegewezen. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Johan van Bloemendale, schout, 
Godart van IIeze, Johan van den HertiH:, Reyner van Rytzenrode, 
Johan VAN Alken, Goedenuel van Spauden, Machgiel Neve van 
Stevne en Henric van Sinte Aeghten. Zegels: 1°. Een band van sabel 
in het vrijkwartier een kruikruis; randschrift: S'. Johan van Bloe- 

MENDAEL. 



No 946. 

1392 (November 28) XXVIII daghe in Novembri. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Rutte van Mersche, klerk, als 
uitvoerder des testaments van Lysbeden Htlbrands, weduwe 
van Johan van Birkestorp, voor dezer jaargetijde aan de broeder- 
schap van kapellanen der St. Servaaskerk aldaar, eene jaarlijksche 
rente van 5 schellingen van eene van eene mark uit het huis van 
Willem VAN Hulsbergh, gelegen . in de straat geheeten /// den 
stocke (Stokstraat) tusschen het huis van Kathrynen van Mere 
en dat van Johan van Eggertinghen, overgedragen heeft, van 
welke mark rente 10 schellingen behooren aan de armentaf el van 



Digitized by 



Google 



— 350 — 

den H. Geest en de overige 5 aan de broederschap van kapellanen 
der O. L. Vrouwekerk. 

Afechrift in: Regis ir um litter, fratern, A fol. 9. — Schepenen: Rey- 
nart van Eetzenroede en Henric van Sint Achten. 



N° 947. 
1392 (December 3) drye dage in December. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Andryes van Dortmunde, kanonik 
van St. Servaaskerk aldaar, Johan van Aubelen, priester en 
kapellaan dier kerk, en Arnolt van den Swane rentmeester onsser 
genediger vrouwen van Brabant (}') in der stat van Tryecht^ als 
uitvoerders van het testament van wijlen Johan Herderman (2), 
priester en kapellaan van voormelde kerk, voor diens jaardienst 
aan den deken en het kapittel dier kerk eene jaarlijksche erfrente 
van 2 marken overgedragen hebben, waarvan 1 mark te beuren 
uit het huis van Johannes Thurelli, lombard, met toebehooren 
gelegen in die Hontstrate tusschen dat van Henrix Penre (3) 
kanonik van ü. L. Vrouwekerk aldaar en dat van Wouter Kouman 
en de tweede mark uit het huis neuden te Wyck gelegen tegen- 
over sinter Claese tusschen het huis van Herman van Meyloere 
en dat van Henen van Beke. 

Orig. op perkament. —Schepenen: Godart van Vleytingen en Florens 
Wythuys. 



(1) Johanna. 

O Johannes Herderman werd geboren te Wijck en was zoon van Koenraad. 
Hij was priester en lid der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk en ook 
pauselijk notaris in welke hoedanigheid wij hem vermeld vinden in 1348 en 1350. 
Twee jaren later ontmoeten wij hem in het bezit van het beneficie ter eere van den 
H. Jacobus in voornoemde kerk en in 1362 werd hij gekozen tot schatbewaarder dier 
kerk, welke waardigheid hij bekleedde tot 1883. Hij overleed, zooals uit boven- 
staanden brief blijkt, in 1392 na bij het testament o. a. het feest van den H. Aman- 
dus in de St. Servaaskerk tot een duplex festum te hebben gesticht. — Zijn broeder 
Marcarius was ook priester en kapellaan van voormelde kerk en van 1352 — 13ö2 mees- 
ter der broederschap van kapellanen aldaar. 

(S) Nog vermeld als kanonik van O. L. Vrouw in 1406. 



.Digitized by 



Google 



— 361 — 

No 948. 

1393 (januari 16) sessetene dage in Januario, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Andries van Dortmunde (i), 
kanonik van St. Servaaskerk, Johan van Aubelen, kapellaan 
dier kerk en Alnolt van den Swane, in hunne hoedanigheid 
van uitvoerders des testaments van Johan Herderman, kapellaan 
aldaar ten behoeve van der fabrieken ende den gelucht der kapel 
van den H. Jacob in die breydestrate overgedragen hebben eene 
jaarlijksche rente van 1 mark, waarvan 18 schellingen uit Schelen 
gtiede in die lorestrate (Looierstraat) tusschen het erf van 
Machyel Bylands en dat van Peter Capruyn en 2 schellingen 
uit het huis van Johannes der Lombarder in de Hondstraat tus- 
schen de huizen van Henrix Penre, kanonik van O. L. Vrouw 
kapittel, en van Wouter Kouman, priester. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Florens Weelde en Henric van Sint 
Aechten. 

N<» 949. 

Transfix. 1413 (Februari 2) op onser liever Vrouwen Lichtdage, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Tilman Wever en Jacob van 
BUNDE, steynmytzer, als mombare ende provisoren der f abriken ende 
des geluchs van St. Jacobskapel ende met consente ende willen der 



(1) Andreas Zuderman (de Tremonia) van Dortmund vinden wij voor het eerst als 
kanonik van St. Servaas vermeld in de akte van 24 October 1386, waarbij de kano- 
niken dier kerk de verklaring afleggen dat bij meerderheid van stemmen in eene 
kapittel- vergadering gehouden ten huize van hennen medebroeder, Mathias de Novo 
Lapide besloten is, dat van de processen in eersten aanleg bij hen hangende, het appel 
moet geschieden op het kathedraal kapittel van Luik. In 1409 werd hij door Henricus 
VAN Rolingen van St. Truiden tot zijn scheidsrechter aangewezen in een geschil 
dat deze had met de regecring dier stad. Als canonicus prebendatus van St. Servaas 
verschijnt hij bij de getuigen in de akte van 2 Januari 1417 waarbij Johannes Meëns, 
kanonik van Aken, in beroep ging tegen zekeren Renier Vlatten, clericus van het 
diocees Keulen, die zich in het bezit had weten te stellen van de prebende van 
Willem VAN Groesbeek bij het Munster te Aken die aan hem vergeven was. Hij 
stierf in het begin van 1419 na tot zijn testamentaire uitvoerder te hebben aan- 
gesteld Johannes van Meerhout, lid der broederschap van kapellanen van St. Servaas. 



Digitized by 



Google 



— 352 — 

kirspellude dier kapel verklaard hebben, dat zij aan Peter van 
MoNYOUWEN, priester en kapellaan der St. Servaaskerk als testa- 
mentaire uitvoerder van wijlen Dyerix van der Niewerstrate, 
kapeliaan dier kerk, ten behoeve van den deken en kapittel van 
St. Servaas voor het jaargetijde van voornoemden Dyerix verkocht 
hebben eene jaarlijksche erfrente van 1 mark vermeld in den 
naastvoorgaanden brief, waarvan zij de koopsom belacht ende 
gekeert hedden in noet orber ende buwe der koere van voormelde 
kapel, en zij hem die rente overgedragen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan Lamboy en Bartholomees 
Warwellis. 



No 950. 
1393 (Mei 16) sessetene dage inden Meye, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Lysbet, de weduwe van Herman 
Cleynwerck, verklaard heeft, dat de broederschap van kapellanen 
der St. Servaaskerk eene jaarlijksche erfrente van 22 schellingen 
en 2 kapoenen te beuren heeft uit haar huis met toebehooren 
gelegen in de Grachtstraat tusschen dat der kinderen Degon en 
het huis van Margareta Sanders, en dat overigens nyeman nie 
voire desen cyes daran gelden en heet, 

Afechrift op papier. — Schepenen: Johan van Julevmont en Reynart 

VAN EETZENROEDE. 



No 951. 



139S (Mei 16) sessetene dage inden Meye. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Henric genaamd Qwoedeheyne, 
verver, en Lysbet zijne echtgenoote, aan Wouter van Me wen, 
zijne echtgenoote Margrete en hun beider kinderen en erfgenamen 
eene jaarlijksche erfrente van 5 marken, van eene van 51/2 marken 
te beuren uit het huis van Vrankenberch in die strate geheytenvur 
dat cruys (}\ gelegen tusschen het huis van Geenken Crucenberch, 



(!) De Muntstraat, zie ook n"»" 969 en 960. 



Digitized by 



Google 



— 353 — 

kramer, en het huis ten lurtte^ overgedragen hebben onder bepaling 
hun het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen ais van n'^. 950. 

No 952. 

Transfixen, 1393 (yuli 24) vyerentwyntich dage in Julio, 

Schep. v. M. oorkonden, dat Wouter van Mewen de verklaring 
heeft afgelegd dat Gerard van Ryemst de jaarlij ksche rente van 
5 marken, vermeld in den brief waardoor deze gestoken is, afgelost 
en hij het geld ontvangen heeft, weshalve hij aan Gerard die 
rente en den naastvoorgaanden brief met al zijne aanspraken 
daarop heeft overgedragen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florens Weelde en Henric van 
Sint Aechten. 

No 953. 

1394 (Januari 9) noegen dage in Januario. 

Schep. v. M. verklaren, dat Gerart van Ryemst verklaard 
heeft, dat Willem van Sint Margraeten, kanonik van St. Servaas- 
kerk aldaar, van hem gekocht heeft de jaarlijksche rente, vermeld 
en de beide naastvoorgaande brieven en nog eene van 3 marken, 
waarvan 2 uit het huis ter lylyen en eene uit dat van Martyn, 
vicaris van voornoemde kerk, weshalve hij en zijne echtgenoote, 
Aleyt, die beide renten aan Willem voornoemd overgedragen 
hebben met inachtneming der gebruikelijke formaliteiten. 

Orig. op perkament — Schepenen: Henric van Sint Aechten en Johan 
VAN Hrre. 



No 954. 
1393 (yuni 22) XXII daghe in Junio. 

Schep. V. M. verklaren, dat Johan Smyet van Gronsfeldt, 
wonende te Wijk en Barbe Roefelmans, begijn, als uitvoerders 
van het testament van Johan Roefelman en zijne echtgenoote 



Digitized by 



Google 



— 354 — 

Caryssien, voor dezer Jaargetijde (i) en dat hunner ouders aan 
de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk eene jaar- 
lijksche erfrente van 10 schellingen uit het huis van Johan van 
Heynsbergh genaamd Heucketock der lersenere gelegen te Wijk 
naast het huis van Johan Roefelman en naast dat van Maria 
VAN HoEGHEM, weduwe van Martyn van Beke, overgedragen 
hebben, bij welk testament voornoemde echtelieden nog gelaten 
hebben eene jaarlijksche rente van 5 schellingen aan den persoen 
ende der fabriken van St. Martinuskerk te Wyk en 10 schellingen 
aan ieder der dry biddende orden (2) te Maastricht. 

Afechrift in: Regislrum lifter, fratern, A fol. 58 v. — Schepenen: 
Johan VAN Juylevmont en Henric van Sint Aechten. 



No 955. 

1393 (September 10) opten tienden dach in Septembri. 

Schepenen in Eersel oorkonden, dat Udeman Arnt Udemans 
soen was VAN WiDART verklaard heeft aan Johannes van Roden- 
RYT en zijne erfgenamen verschuldigd te zijn eene jaarlijksche 
erfpacht van 2 mudden rogge; maat van Eersel, betaalbaar op 
onser Vrouwendach Lichtmisse als men kersen bernt (2 Februari) 
en te beuren uit eenen etisel geheeten die putten^ gelegen onder 
de parochie van Dommelen naast voornoemden Udeman's erf en 
naast dat van Godevart van Vessem, en uit eene weide, die was 
voert geheeten nabij het voorgaande erf, gelegen naast dat der 
kinderen van Gherit uten Bosch van Steensel. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Arnt LoYS, Jan van den Spirer, 
Jan Hoefman, Jan Henrichs Smets soen, Wouter Wellens, Willem 
Jan Scardels soen en Diederic Opper. 



No 956. 
1393 (November 12) tzvelf daghe in Novembri, 
Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Sleeswyde en Dyeric 



Q) Dit jaargetijde werd gevierd 10 Mei. 

(') De Franciscanen, Dominicanen en Augustijnen. 



Digitized by 



Google 



— 355 — 

Lamboy omme heyl ende troest der ziel van wijlen Lysbeden (i), 
echtgenoote van Johan voornoemd aan de broederschap van 
kapellanen der St. Servaaskerk eene jaarlijksche rente van 5 schel- 
lingen uit het huis van Margarieten Kuersyns gelegen opt ocrt 
vander alder plancken ter masen wart, naast het huis van Lambrechs 
VAN Leert, der scherer, en dat van Cloes VAN Stockem, der 
sfeynmeizer, overgedragen hebben en beloofd haar het rustig bezit 
daarvan te zullen vrijwaren, waarvoor zij hunne goederen ver 
bonden hebben. 

Afschrift in: Regis ir urn iiiier, fratern. A foi. 59 v. — Schepenen: 
Florens Welde en Johan van Jüyleymünt. 



No 957. 



1S93 (November 19) des Goensdaeghs nae octave sente Mertens des 
heyligen busscops te weten op sente Lyesbetten daeghe. 

Schout en schepenen v. M. oorkonden, dat Godart van Heyden- 
DAEL, als rentmeester van deken en kapittel van St. Servaas 
aldaar, wegens het niet betalen van den cijns op Peter Penre 
heeft laten uitwinnen het huis van Wynand van . . . , gelegen 
op den styenwech bij de kapel van St. Amor tusschen dat van 
Lambrecht van Oeteren en dat van Machgiel van der Slacht, 
en zij hem dat huis voor een jaar en dag in eigendom toegewe- 
zen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Johan van Bloemendaele, schout, 
Johan VAN den Hertte, Reyner van Eytzenrode, Johan van Alken, 
Qodenuel van Spauden, Machgiel Neve van Stevne, Henrich van 
SiNïE [Aech]ten en Florens Wythues. 



No 958. 



i393 {November 30) op sint Andryes dage. 
Schep. V. M. verklaren, dat Godart van Heydendale, als 

0) I^ie jaardienst werd bij de Broederschap van kapellanen gehouden op 15 October. 



Digitized by 



Google 



— 356 — 

rentmeester van het kapittet van St. Servaas voor eêne- jaar- 
lijksche rente van 1 mark en 2 kapoenen aan Conrarde van 
Gruytroede den stroedecker en Kathrynen van Mersen, zijne 
echtgenoote, in erfpacht opgedragen heeft een huis met annexen 
gelegen op ghenen boxstat tusschen het huis van Philips van 
Basyelysbuer en dat van Ernken van Steyne, smid, en Conrarde 
beloofd heeft te leggen in beteringen ende an buwe van dat huis 
8 dubbele mottoenen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Reyner van Eetzenroede en Henric 
VAN Sint Aechten. 



No 959. 



1394 (Januari 5) des maendes January geheyten loemaent des vyfden 
daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gysebrecht van Crueseberch, 
roededrager van St. Servaaskerk aldaar, en zijn zoon Willem, ook 
roededrager dier kerk en schepen van Sint-Pieter voor eene jaar- 
lijksche erfrente van 1 mark en 16 schellingen aan Willem van 
Sente Margraèten, kanonik van voormelde kerk, in erfrecht 
opgedragen hebben het huis Vranckenbergh op de Munistraat 
gelegen tusschen het huis den hertte van Johannes van den 
Creefte en dat geheeten van Crueseberch^ en verklaard hebben 
dat buiten voormelde jaarlijksche rente het huis met niets belast 
is, waarvoor zij al hunne goederen verbonden hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Vaes van Mulken en Henrich 
VAN SiNTE Aechten. 



No 960. 

lB9i (Januari 9) noegen dage in Januario. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Henric Raet genaamd Quoede- 
HEYNE aan Wilhem van Sint Margroeten, kanonik van St. Ser- 
vaaskerk aldaar, en aan zijne rechte erven eene jaarlijksche erf- 
rente van 10 schellingen uit het huis Vrankenberch gelegen in 
die gemeyne strate geheyten vur dat cruys (^) tusschen het huis 



{}) De Muntstraat; zooals ook duidelijk blijkt uit den voorgaanden schepenbrief. 



Digitized by 



Google 



^ 857 - 

van den hertte en dat van Geenken gezegd Crucenberch, kramer, 
en beloofd heeft hem het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren- 
Orig. op perkament. — Schepenen ; Henric van Sintb .... en Johan 
VAN Here. 



No 961. 

1394: (Februari 4) des neesten Goensdaeghs nae onser liever Vrouwen 
Lyechtmesse daeghe. 

Schep. V. M. verklaren, dat Willem van Vleytinghen, voor- 
heen bode der stad voornoemd, wegens het niet betalen van den 
verschuldigden cijns op den deken en het kapittel van St. Servaas 
heeft doen uitwinnen het huis in de cleyne brootbrugghe straet 
achter dat van Johan Oyslingher en tusschen dat van deze en 
het huis van Johan van Borne, bakker, gelegen en zij hem dat 
huis voor een jaar en dag in eigendom toegewezen hebben. 

Orig. op perkament. - Schepenen: Johan van Bloemendaelb schout, 
Johan VAN den Hertte, Reyner van Eytzenroede, Johan van Alken 
Godenuel van Spauden, Machgiel Neve van Steyne, Henrich van Sente' 
A ECHTEN en Florens Wythues, 

N*> 962. 

Iransjix. 1394 (Juni 17) des XVII daeghs in Junio te weten op 
des heyligen Sacraments avonde. 

Schep. v. M, oorkonden, dat Daenyel ten Post van Vleytinghen, 
schoenmaker, verklaard heeft het huis vermeld in den brief waar- 
door deze gestoken is in erfpacht te houden van Willem van 
Vleytingen en beloofd heeft den verschuldigden cijns te zullen 
betalen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: en Henrich van Sente 

A ECHTEN. 



No 963. 



1394 (Maart 18) jeria quarta post Geertrudis. 

Schout en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Godefridus 
DE Heyendale, als rentmeester van deken en kapittel van St. Ser- 



Digitized by 



Google 



— 358 — 

vaas te Maastricht, wegens achterstalligen cijns op Laurentius 
genaamd Laurens Pirots en Johannes gezegd mitten keyderen een 
erf met toebehoor te Lenculen gelegen tusschen dat van Herman- 
nus DE Nedercanne, verver, en dat van Arnoldus Frayken heeft 
doen uitwinnen en zij hem dat huis voor een jaar en een dag 
toegewezen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: [Goiswinus de Wilre schout,] 
Florentius Weelde, Johannes de Juyleymont, Johannes Sack, Henricus 
DE Cleermont, Johannes de Here, Godefridus de Vleytingis en Gois- 
winus DE MONTENAKEN. 

No 964. 

Transfix, 1394 (Juli ifï) mensis ytdii die vicesimaseptima. 

Schout en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Mabilia 
GoBLiNi en Truyda Knoeds van St. Truiden verklaard hebben 
het huis, vermeld in den brief waardoor deze getrokken is, in 
erfpacht te hebben genomen van den deken en het kapittel van 
St. Servaas en daarin te wonen en beloofd hebben dezen of hunnen 
rentmeester op den gestelden tijd de verschuldigde rente te zullen 
betalen, waarvoor zij hare goederen verbonden hebben. 

Orig. op perkament — Schepenen als van n". 963. 



No 965. 



1B94: üctober 15. — Godevar t Gobbenzoon verklaart schuldig te zijn aan 
Gerard Hogurds eene jaarlijksche pacht van 14 LOOPEN rogge. 

Wir Arnt LoYS, Jan vanden Spiker, Jan Hoefman, Wouter 
Wellens, Willem Jans Scordels soen was. Wouter vander 
QuADEWASSCHEN ende Diederic Opper scepen in Eersel (») tugen 
onder onsen ghemeynen seghel dat voir ons comen is Godevart 
Gobben soen was van Borkel lide ende kende dat hi gheloeft 
heeft ende erfeliken sculdich is te ghelden voir hom ende voir 
sinen erfgenamen na hom Gherarden Hogarts Gherit Hogarts 



p) Eersel, gelegen in Noord-Brabant in de Meijerij van 's Hertogenbosch nabij 
Bergeyck. 



Digitized by 



Google 



— 359 — 

soen van Eyke tot sinen behoef ende sienre erfgenamen behoef 
na hom veertien lopen gaits ende gheefs rogghen 's jaers erfs 
pachts der gherechter maten van Eersel erfeliken ende alle iaer 
op onser Vrouwen dach Lichtmis alsmen kertsen bornt te ghelden 
ende te betalen, te heffen ende te boren ute enen beemde diemen 
heet die Eelmansbosch ende die ghelegen is op Borkel indie 
prochie van Westerhoven met eenre siden aen die dommel met 
ten andere siden aen Godevarts erve voirscreven, dat ghelegen is 
aen die peds met enen eynde aen Gherit Jans kinder erve ende 
metten anderen eynde aen Merselis Strixs erve, ute ghenomen 
vanden voirscreven beemde alsulken ghedeelte vanden selven 
beemde als Willem Elen dair in hebbende is, welken beempt 
voirscreven die voirscreven Godevart erfeliken te pacht vercregen 
heeft teghen den voirscreven Gherarden over den voirscreven 
pachte ende der heren tsyns vanden gronde, ghelyc der scepen 
brieve van Eersel daer op ghemaect begripen. Gegheven inden 
jair ons Heren gheboirt dusent driehondert noghentich ende vier 
opien vyftienden dach in Octobri. 

Orig. op perkament. Zegel der schepenbank van Eersel, voorstellende 
een burcht van drie gekanteelde torens, de middenste de hoogste en 
met eene poort; daaronder een naar rechts hellend sdiild, waarop drie 
drieliugbalken, in het schildhoofd een naar rechts klimmende uitschie- 
tende leeuw; randschritt: . . abi . . orum . db . V . . le . de . . brsbl 



No 966. 

J395 {Februari 10) tene dage in Februario. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Johannes Wytter, als rentmeester 
van deken en kapittel van St. Servaas aldaar voor eene jaarlijksche 
crfrente van 18 schellingen en 2 kapoenen aan Maes van Gangelt 
^ strodecker en zijne echtgenoote Truyden in erfrecht opgedragen 
heeft een huis te Tweebergen in de Kokardsruwe gelegen tusschen 
dat van Gerard Kiggen en dat van Metten Snydeweynd en Maes 
voornoemd beloofd heeft in beternisse ende an rechten buwe van 
dat goed binnen de twee eerstvolgende jaren te zullen uitgeven 



Digitized by 



Google 



eene halve mark ende dat to hewysen mit wercluden ende tnifkn 
nagebuyren^ alles onder verband zijner goederen (i). 

Orig. op perkament. — Schepenen : Florens Weelde en Johan van Hbre. 



N^' 967. 

lBd5 (April 24) viere ende tivyntich daeghe in Af rille. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Rensen der schevcrsteymn- 
decker en zijne echtgenoote Aleyt ten behoeve van Florens van 
DEN Hertte, van zijne echtgenoote Heylssen en van hun beider 
erven afstand gedaan hebben eener jaarlijksche erfrente van 3 
marken, te beuren half met het feest van den H. Johannes den 
Dooper en half met Kerstmis uit een huis in de Stokstraat [in 
den siocke opt oert van der alder plan eken) (2) begrensd in de 
Plankstraat (in die alde Plancke) door het huis van Lambrecht 
VAN Leute, waarin Henrichs lynnenwever woont en in de straat 
omnie ter stoeven wart te gaan door dat van Claes van STOCliEMt 
steenhouwer, en beloofd heeft hun het rustig bezit daarvan te 
zullen vrijwaren, met de verklaring dat op het huis geene andere 
rente gevestigd is(8). 

AÉschrift op perkament. — Schepenen: Johan van den Hertte en 
Henrich van Sentb Aeghtbn. 

N« 968. 

Transfix, 1396 (Juni 8) inden hoyemaende des achtden daeghs. 

Schep. V. M. verklaren, dat Florens van den Hertte en Helse 
zijne echtgenoote voor het jaargetijde van wijlen Willem Dekens, 
roededrager van St. Servaaskerk aldaar, aan den deken en het 
kapittel dier kerk eene jaarlijksche erfrente van eene halve mark 
van die van drie marken, vermeld in den brief waardoor deze 
gestoken is, overgedragen hebben en onder verband hunner goederen 
beloofd hebben de gewone rechtsgebruiken te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Johan van den Hertte en Florens 
Wythües. 



(1) In dorso: de XVIII solidis ad bona Tkome Siroodecker, siia in dU Koec- 
kartsroitwe, 

(2) In dorso: op den Stocke by der alde plancken, 

(') Deze brief werd 8 Juni 1396 gevidimeerd door de schepenen Johan van den 
Hertte en Florens Wythues, 



Digitized by 



Google 



— 361 — 

N« 969. 

1395 (Mei 16) des maendes van Meye des sestiende daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gerart Morseel van Oermunde, 
genaamd der jonge Gerart, voorheen brouwer nu laken wever, en 
zijne echtgenoote Heyle of Heylwich Quants, dochter van wijlen 
Dyrich Quants, aan Heinrich van Voeren, genaamd Heinrich 
OP DEN Kelre en diens echtgenoote Maria, eene jaarlijksche 
erfrente van 2 marken en 8 schellingen overgedragen hebben, 
waarvan 13 schellingen grondrente uit hel huis van wijlen Arnolt 
VAN der Maesen, vleeschhouwer, nu van Claes van Stocheym, 
steenhouwer, van achteren begrensd door het erf van Henrich 
VAN Cleermont, schepen van Maastricht en gelegen in de Plank- 
straat naast het huis van Henrich Rembalt, linnenwever en dat 
van Gerart zoon van Jan, holtmenger; 1 mark van eene rente van 
25 schellingen uit het huis van Johan Conynchs met toebehooren, 
gelegen m de Plankstraat naast dat van wijlen Hueghkn en naast 
dat van Lambrecht Dxjechals van 's Gravenvouren, en 15 schel- 
lingen en 1 kapoen uit het huis van Hubrecht van Cadier oft 
VAN Eckelroede, der sacdregher^ in voornoemde straat naast het 
huis van Mathys van Parys gelegen, en beloofd hebben hun het 
rustig bezit dier renten te zullen vrijwaren, waarvoor zij al hunne 
goederen verbonden hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florens Wbelde en Henrich van 
SiNTE Aeghten. 

N» 970. 

Transfixen. 1420 {Februari 14) veerthene dage in Februario, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Daniel van Ursbeke, ten behoeve 
van zijnen zoon Arnold, van diens echtgenoote Oda en kin- 
deren afstand gedaan heeft zijner rechten op de jaarlijksche 
rente van 2 marken, 8 schellingen en 1 kapoen, vermeld in den 
brief waardoor deze gestoken is, en daarna voornoemde Arnold 
als erfgenaam voor de helft dier rente en Gerart van Steyne, 
steynmytzer^ als momboor zijner echtgenoote Katharina, erfgename 
voor de andere helft ze aan Hubrech van Lydorp, kanonik van 



Digitized by 



Google 



— 362 — 

St. Servaaskerk, en diens erfgenamen overgedragen hebben en 
beloofd dat ieder hunner voor zijn aandeel (voer syn hahchet ende 
antale) hem het rustig bezit daarvan zal vrijwaren, onder verband 
hunner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Matliecs Dunnen, Hbnric Bovyer 
en Pauwels van der Byessen. 

No 971. 

14:28 (Augustus 8) acht dage in Augusto. 

Schep. V. M. verklaren, dat Hubrecht van Lydorp, kanonik 
van St. Servaaskerk aldaar, voor zijn jaargetijde aan den deken 
en het kapittel dier kerk de jaarlijksche rente van 2 marken, 8 
schellingen en 1 kapoen, in de beide naastvoorgaande brieven 
vermeld, overgedragen heeft, 

Orig. op perkament. — Herman van Hese en Arnolt van der Moblen. 
Zegels: 2<*. £en karbonkel eindigende in leliën, met hartschild waarop 
een balk; randschrift: S. Arnoldi de Molendino. 



No 972. 

1395 (Juni 26) sessentwyntich daeghe in Junio. 

Schep, V. M. oorkonden, dat Katharina, de weduwe van Heinrix 
Stouwen verklaard heeft, dat deze aan de broederschap der capel- 
lane sint Servaes gasthues voor zijn jaargetijde Q-) bij testament 
gelegateerd heeft eene jaarlijksche erfrente van 2 schellingen, en 
zij diensvolgens, met toestemming van Willem Alard, potgyeter^ 
en van Heinrix van Weert, schrijnwerker, als erfgenamen van 
Heinrix voornoemd, aan voormelde broederschap die 2 schellingen 
jaarlijksche rente uit een huis in de leucnlenstraete tusschen het 
huis(*) van Johan Kecken en dat van Mathys Waelgeboeren, 
overgedragen heeft. 



(1) Dit jaargetijde staat in het necrologium der broederschap vermeld op 4 Juni. 
O In de aanteekening boven den brief wordt gezegd, dat dit huis behoorde aan 
Henricus Stbphani. 



Digitized by 



Google 



— 363 — 

Afechrift in: Registrum Uiter. fratern. A fol. 83. — Schepenen : Johan 
VAN JüYLBYMONT en Hcnric VAN Sint Aghtbn. 



N« 973. 



1395 November 11. — Rutger Valcke van Ulestraten neemt in erf- 
pacht van deken en kapittel van St. Servaas een huis met 
toebehooren gelegen in de Linculenstraat, 

Wir Johan van Juleymont ende Machgiel Neve van Steyne 
scepene te Triecht tueghen ende gestaen met desen brieve alse 
scepene, dat Reyner van Wessem, clerck, woenende in der breyt- 
straeten alse rentmeister ende ophelder der cense der eirsamer 
heren Dekens ende Capittels der kerken des gueden sente Servais 
ghelegen inder stat van Triecht voerscreven ende van honnen 
weghen ghaef in erve ende in rechte van erflicheyt met monde 
ende met hande voer ons ende overmits ons Rutghere Valcke 
van Ulenstraeten den varwer, van des selven Reyners handen 
niemende ende onifanghende eyn hues oft eyn guet, alsoe alse 
dat gelegen is voere ende achter mit allen synen toebehoerten 
inder straeten van Lenculen gaende ende streckende achter al 
totter schueren heren Willems van Eynenberch, ridders, tusschen 
den guede Peter Ghewants des volres ter eyn re syden ende den 
guede Beien Busscops ter anderen syden, alle jaer erflichen ende 
ommermee omme eyn ende dertich schillinghe erfcens jaerlixs 
ende erflixs eens ende omme twee capuenen alsmen jaerlixs inder 
stat voerscreven ghewoenlichen es te gheven ende te betaelen van 
erflichen gueden, te betaelen ende te gheven alle jaer erflichen 
ende ommermee van Rutgher voerscreven ende synen erven, ende 
oevermits hoeme, ende hon gelyker wys die selve Rutgher Valcke 
voer hueme ende sinen erven gheloefde dat eyn halfscheyde vanden 
eyn ende dertich schillingen erfcens voerscreven metten twee 
capuenen voerscreven te Kersmesse, ende dander halfscheide -sente 
Johansmesse baptiste Nativitas; in welichs hues of guets voer- 
screven erftaelen ofte erflicher gichten Reyner van Wessem rent- 
meister vorscreven gheloefde in naeme ende van weghen synrc 



Digitized by 



Google 



— 364 -. 

heren voerscreven te halden ende te weren Rutghere Valcken 
voerscreven ende Marien Moenarts desselven Rutgheres wetlich 
wyf ende honnen erven bynnen jaers ende buten jaers erflichen 
ende ommermee voer die eyn ende dertich schillinghe ende twe 
capuene voerscreven ende alle rechte aenspreeke end calangie af 
te doen, alse ghewoenliken es met verbentennisse alle der guede 
synre heren voerscreven. Voert so gheloefde Rutgher Valcke 
voerscreven aen te leggen in verbeternisse ende in bouwe ende 
tymmeringhe des hues ende guets voerscreven achte dobble mot- 
toyne opden daeghe datum dis briefs ghenge bynnen eynen jaere 
volghende vlochs (i) naeden daeghe datum des briefs, te proefenisse 
ende wetliken bewyssenisse der wercklude ende der naegebueren 
als ghewoenlichen es met verbentenisse alle synre guede erfliche 
ende ghereyde die hie nu heft oft noemaels sal moeghen hebben 
ende vercryeghen ende te penden metter boeten; ende opdat die 
heeren voerscreven oft honne rentmeister te bat (2) sekere syn derre 
achte dobble mottoyne voerscreven aen te leggen alse voerscreven 
is, so heft Rutghere Valcke vurscreven met hueme teynen burghe 
ende teynen saec walde gesat Arnolt van U lenstraeten den 
bruewer woenende te Lenculen, die hueme als burghe ende saec- 
walde verbonden heft ende verbant te beden Rutghers voorscreven 
ende sine erven ende alle syne guede erfliche ende ghereyde, die 
hie nu heeft ende hier naemaels sal moeghen hebben ende ver- 
cryeghen den welcken Arnolt die selve Rutghere geloefde voer 
hueme ende synen erven te loyssen te quyten ende scaedeloys te 
halden ende te maken vander gheloefden vanden achte dobblen 
mottoynen voerscreven aene te leggen alse voerscreven es, verbant 
daeromme den selven Arnolde hueme selven, syn erven ende alle 
syne guede voerscreven. Ende wyr Everart van Reys, deken ende 
capittel voerscreven bekennen ende lyen openbaerliken met desen 
brieve, dat der erfdoem ende alle saken voerscreven met onsen 
wille ende consente gedaen ende geschiet syn van Reyner onsen 
Rentmeyster voerscreven van onsen bevelenisse. Ende hebben 
daeromme in getuegenisse der waerheyt onsen ende onser kerken 
siegel* totten saken voere aen desen brief gehangen, by siegele der 



(1) Vlochs, 7floghs, vloechs = fluks. 

(*) Te bat^ te bet = te beter, des te beter. 



Digitized by 



Google 



— 365 — 

scepene voergenoempt ouch daeraen ghehangen. Ghegheven inden 
jaere vander ghebuert ons Heren duesent dryehondert nuegentich 
ende viefve des neesten Donresdaeghs nae sente Mertens daeghe 
des heylgen busscops vallende in den maende van November. 
Consimiles litteras habent partes prelibate 
Orig. op perkament. 



No 974. 

1396 (Augustus 17) mensis Augusti die decima septima. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Petrus 
genaamd Versammen, brouwer, als uitvoerder van het testament 
zijns broeders, wijlen Theodericus de Clave (i), met toe- 
stemming van diens weduwe Scolastica en van haren tegcnwoor- 
digen echtgenoot, Lambertus de Roede Wynandi (2) aan den 
deken en het kapittel van St. Servaas aldaar, eene jaarlijksche 
rente van l mark uit het huis geheeten ten sluetele^ bewoond door 
Lambertus en Scolastica voornoemd en gelegen bij het Vrijthof, 
iuxta atrium quasi ex opposito orrei van St. Servaaskapittel, naast 
het erf ten gulden ringe en de brouwerij van dat kapittel, over- 
gedragen hebben, waarvoor de deken en het kapittel voornoemd 
het jaargetijde van Theodericus en Scolastica voornoemd houden 
zullen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Florentius Welde, Jobannes Juy- 

LEYMONT; Johannes Sack, Henricus , Johannes de Here, 

Godefridus DE Vleytingis en Goiswinus de Montenaken, 



Theodericus de Clave, van den Sceutel heette eigenlijk Versammen. Beide 
eerste namen zijn ontleend aan het huis, en hier het restaurant, waar hij woonde 
en waarvan hij de waard was. 

(^ Deze heette Lambertus de Lare, terwijl Wijnandsrade de naam is zijner 
geboorteplaats. Hij was eigenaar van het restaurant den sleutel en naderhand ook 
van het er naast gelegene den gouden ring geheeten. Dit laatste is te zoeken ten 
plaatse waar thans de Groote Sociëteit aan het Vrijthof gelegen is. Lambertus over- 
leed in 1396 en stichtte in het begin van dat jaar zijn jaargetijde en dat zijner 
weduwe, dat bij de broederschap van kapellanen den L4 April gehouden werd. 



Digitized by 



Google 



— 366 — 

N« 975. 
1396 (Augustus 17) mensis Augusti die decima septima. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Lam- 
bertus de Roedewynandi, hospes in hospitia dicto wulgariter ten 
renge ende ten slueteU^ en zijne echtgenoote Scolastica voor hun 
jaargetijde en hunne begrafenis aan den deken en het kapittel van 
St. Servaaskerk aldaar eene jaarlijksche erfrente van 26 schellingen 
en l kapoen uit het erf ten sleutel, waarin zij thans wonen, gelegen 
bij het Vrijthof tegenover de graanschuur van voornoemde kerk 
overgedragen hebben en beloofd hun het rustig bezit daarvan te 
zullen vrijwaren, onder verklaring dat die rente eene grondrentc 
is en zij die verkregen hebben tegen wijlen Johannes de Berne, 
man van wapenen. 

Orig. op perkament. — Schepenen ak van n». 974. 



No 976. 

1397 (Januari 11) des Loemandes des achtiende daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Daem Kuepenbender, zoon van 
Arnoll Kuepenbender, g/iewantmeker ende utesnyeder^ aan Nesa 
VAN Redekem overgedragen heeft eene jaarlijksche erfrente van 
26 schellingen uit het huis van Aleyde Voghels, met toebehoo- 
ren gelegen opten balyoen tusschen die van wijlen Jacob van 
Thoenen en van Johan van Ruest, welke rente hij bij gerech- 
telijke uitwinning verkregen heeft, en beloofd heeft haar het rustig 
bezit daarvan te zullen verzekeren, waarvoor hij al zijne goederen 
heeft verbonden. 

Orig. op perkament — Schepenen : Johan van Juleymont en Henrich 

VAN SlNTE AeGHTEN. 

No 977. 

Transfix, 1405 (September 5) vyf dage in Septembri. 

Schep. V. M. verklaren, dat Henrick ter Masen en Machgiel 
VAN DER Weyde, priesters en kapellanen van St. Servaaskerk 
aldaar, als testamentaire uitvoerders van Nesa van Redekem, 
dienstmaagd van Gerard van Redekem, kanonik en cantor dier kerk, 
aan den deken en het kapittel daarvan 20 schellingen *s jaars, welke 



Digitized by 



Google 



— 367 — 

voornoemde Nesa voor haren jaardienst aan voornoemde kapittel- 
heeren bij testament gelaten heeft, overgedragen hebben, te 
beuren van de erfrente van 26 schellingen, vermeld in den brief 
waardoor deze gestoken is, waarvan de overige 6 schellingen door 
haar gelegateerd zijn aan de broederschap der kapellanen dier 
kerk ook voor eenen jaardienst (}). 

Orig. op perkament. — Schepenen: Mathees Dunnen en Johan van 
Hese. 



No 978. 

1397 (januari 26 J sessentTvyntick dage in Januario. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Hylle, weduwe van Johan van 
•Lyebeke(2), verklaard, heeft dat wijlen haar echtgenoot bij tes- 
tament voor een jaardienst aan de broederschap van kapel- 
lanen der St. Servaaskerk gelaten heeft eene jaarlijksche rente van 
6 schellingen, en zij diensvolgens aan voornoemde broederschap 
eene jaarlijksche erfrente van 6 schellingen uit het huis van 
Reyner Kellener (3), in de Breedestraat tusschen dat van Ida 
Papen en dat van wijlen Reynken van Weshem gelegen, over- 
gedragen heeft en beloofd der broederschap het rustig bezit 
daarvan te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Juylkymont en Ser»- 
vaes VAN Mulken. 



No 979. 
139^ (April 12) iwelf dage in Afrille. 
Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Kyppe en Geertruid zijne 



Q) Deze jaardienst werd bij de broederschap van kapeiianen gehouden op 20 
Januari en is aldus vermeld in het necrologium : Anniversarium Neze de Redekem^ 
nepHs Domini Gerardi de Redekem^ cantor is ^ êtparentum eim^ VI solidos ad do mum 
supra bulyoen et capellanis celebrantibus in beneficiis sitis in ecclesia sancti Servatii 
et eidem ecciesie contigue cuiiacentibus unam marcam ad bona fraternitatis, 

(') Hij was lakenwever, drappariusj zijn jaardienst werd gehouden op St. Michiels- 
dag (29 September^ 

(') Luidens de noot in dorso kwam dat huis naderhand aan Fredericus, vttriaior. 



Digitized by 



Google 



•- 368 — 

echtgenoote ten behoeve van Johan van Mülken den jonge, van 
zijne echtgenoote Kathrynen en van hun beider kinderen afstand 
gedaan heeft eener jaarlijksche erfrente van 1 mark van eene van 
IV2 mark en 1 kapoen uit een huis in de Grachtstraete ghoende 
achter uyte in die Ramestrate^ in eerstgenoemde straat tusschen de 
. huizen van Gobbel, bakker, en van Tylman Roubelouf, en in 
de Raamstraat tusschen dat van voornoemden Gobbel en dat van 
Cloes KoERENMARCK gelegen, beloofd heeft de gebruikelijke for- 
maliteiten te zullen nakomen en verklaard dat voornoemde rente 
eene grondrente is. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Juyleymont en Arnolt 

VAN DEN SWANE. 

No 980. 
Transfix, 1400 (November 17) seventene dage in Novembri. 

Schep. V. M. verklaren, dat Johan van Mülken, de jonge, aan 
den deken en het kapittel van St. Servaaskerk aldaar voor het 
jaargetijde van Hugo van Hervorst, in leven kanonik dier kerk 
en proost van Xanten, de mark jaarlijksche erfrente, vermeld in 
den brief waardoor deze gestoken is, overgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godenoele van Spauden en 
Florens Wythuys. 



N* 981. 

1H97 (Augustus 6) in den Oestmaende des sesden daegh. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Anthonys van Spauden, als rent- 
meester van deken en kapittel van St. Servaaskerk aldaar, alsmede 
Willem VAN Cruesenberch, schepen van St. Pieter en roede- 
drager van voormelde kerk, voor 25 schellingen en 2 kapoenen 
's jaars in erfrecht opgedragen hebben aan Jacop Ausems, visscher, 
een huis met toebehooren, gelegen op den hoek der straat geheetcn 
Voeghelsruwe en tegenover het huis schoenyden^ naast die straat 
en het huis van Johan van Basilisbuer en van achteren grenzende 



Digitized by 



Google 



- 369 — 

aan het huis van Beateren Maroelen, weduwe van Johan van 
Haeren visscher, en Jacob voornoemd beloofd heeft vóór het 
feest van Kerstmis eerstkomende te zullen aanleggen in beuwe 
ende beieringhen van dat huis de som van 8 dubbele mottoenen 
te wetlichen beweisenisse ende preffenisse der werckleude ende der 
naegeboeren Q\ 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godcnuel van Spauden en Hen- 
rich VAN Sente Aechten. 

N« 982. 

Transfix, 1397 (Augustus 9) inden Oestmaende des nuegenden daeghs. 

Schep. V. M. verklaren, dat Willem van Cruesenberch, roede- 
drager van St. Servaaskerk aldaar en schepen der vrijheid St. Pieter, 
en zijne echtgenoote Trude van der Laecken aan den deken en 
het kapittel van voornoemde kerk eenc jaarlijksche erfrente van 
17 schellingen, 6 penningen en 1 kapoen van de rente vermeld 
in den brief waardoor deze gestoken is, die zij bij erfenis ver- 
kregen hadden, alsmede eene rente van 1 kapoen 's jaars uit eene 
cleenre cameren gelegen achter het huis beschreven in dienzelf- 
den brief in Voeg kelsr uwe ken gelegen naast dat huis en dat van 
Beateren Maroelen, weduwe van Johan van Haeren, en van 
haren zoon Symon van Haeren, overgedragen hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n«. Ö81. 



N« 983. 

1397 (Augustus 11) inden Oestmaende des elfden daeghs. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Anthonys van Spauden als rent- 
meester van het kapittel van St. Servaas aldaar voor eenen jaar- 



(1) In dorso leest men: littere de XXXV soudis et II caponibus in foro piscium 
firo anttiversario quondam domini Kaex et Gyselberti tiecwever. Hieruit volgt dat 
de voormelde voeghelsruwe een straatje was in de Stokstraat en uitkomende op de 
Visschermaas. 



Digitized by 



Google 



— 370 — 

lijkschen erfcijns van 30 schellingen, 6 penningen en 2 kapoenen (}) 
aan Cloes Eynensoen in erfpacht gegeven heeft een huis in de 
begartstrate (}^ gelegen tusschen dat van Johan Tyloyken alias 
Tyloys, ghewantmeker^ en dat van Kristiaen Mesens, en Everart 
VAN Reys deken en al de kanoniken van voornoemde kerk ver- 
klaard hebben, dat Anthonys met hunne toestemming dat huis 
in erfpacht heeft gegeven en zij zulks hebben goedgekeurd, en 
Cloes beloofd heeft binnen de eerstvolgende twee jaren 6 dubbele 
mottoenen te zullen besteden /// beteringen ende bouwe van het 
huis, waarvoor hij zijne goederen verbonden heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Godenuel van Spauden en 
Matheeus Dunnen. Zegels: 2**. Gefaast van 10 stukken, over alles heen 
een naar rechts gewende, klimmende leeuw; randschrift: S'. Math. 

ÜUNNEN : SCABI : TRAJECTENSIS. 



N» 984. 



13ff7 (October 10) des neesten Goensdaeghs nae sente Dyonys daeghe 
des heyligen Busscops ende Merteleers, 

Schout en schepenen van M. oorkonden, dat Arnolt van Stochem, 
priester en ghasttneyster des gasthues van St. Servaaskerk aldaar, 
als beneficiant van het altaar van den H. Petrus Apostel in de 
krocht dier kerk gelegen, wegens het niet betalen van den ver- 
schuldigden cijns op Aleyden van Bloemendaelen heeft doen 
uitwinnen het huis van wijlen Herman van Dilsen, te Lenculen 
in den hoeck gelegen naast die van Gerart van Cortterssoe, 
schoenmaker, en van Aleyden Bacmans, en zij hem dat huis voor 
een jaar en dag in eigendom toegewezen hebben, behoudens ieders 
rechten daarop. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Johan van Bloemendaele schout, 
Johan VAN den Hertte, Johan van Alken, Godenuel van Spauden, 
Machgiel Neve van Steyne, Heinrich van Sente Achten, Florens 
WvTHUYS en Johan van den Creefte. Zegels: 1**. Een band in het 
vrijkwartier een kruikruis; randschrift: S\ Johan . van . Bloemendale. 



(>) De noot in dorso meldt, dat naderhand van dien cijns 10 schellingen en 6 
penningen aan het kapittel geschonken werden voor het jaargetijde van Gerardus 
DE Here, priester. 

(*) In de aanteekening in dorso platea bagardorum (Bogaardenstraat) geheeten. 



Digitized by 



Google 



— 371 — 

No 985. 

Iransfix 1398 (Ociober 30) des neesten Goensdaeghs nae sente 
Symens ende sente Juden daegke. 

Schout en schepenen van M. getuigen, dat zij het huis vermeld 
in den brief, waardoor deze gestoken is, aan Arnold van Stochem 
priester en meester van het gasthuis der St. Servaaskerk toegewezen 
hebben om het te bezitten ghelyck sins etters voerscreven anderen 
proper en erflichen gueden^ behoudens ieders rechten daarop en dat 
eyn rechte gkerve dat huis zal kunnen aflossen binten den neesten 
goensdaeghe volgende vloechsQ) nae onser liever Vrouwen daeghe 
geheyten Conceptio beate Marie Virginis naest toecoemende ende 
volgende vloeghs nae datum dis brief s, 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n". 984. 



No 986. 
13yf (December 4) vyer dage in Decembri. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Henric Myeme van Valkenborch, 
tollener te Maastricht, en zijn zoon Mathijs, priester en kapellaan 
van St. Servaaskerk aldaar, voor hun beider jaargetijde, voor dat 
van Henric's echtgenoote Mechtelden en dat van zijne dochter 
Mechteld, gehuwd met Cloes van Pyse aan deken en kapittel 
van St. Servaas eene jaarlijksche erfrente van 2 marken uit zijn 
voormalig huis, thans van Henric Bovyer, dat geheeten is Un 
swane en gelegen in Sint Joerys strate tegen die lantscrone over 
tusschen het huis van Jacob, bakker, en dat van Arnold der 
dreseler^ overgedragen hebben en beloofd hun het rustig bezit 
daarvan te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Juylfamont en 
Mathees Dunnen. 



(1) Vloechs^ vloochs^ vluchs = vluks, onmiddellijk. 



Digitized by 



Google 



— 372 — 

No 987. 

(1398 Januari 24 J Dattivt anno a Nativitale Domini milUsimo 
trecentesimo nonagesimo octavo ntensis Januarii die vicesima 
quarta. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Anthonius de Spauden, als rent- 
meester van het kapittel van St. Servaas aldaar, Arnoldus de 
Stochem, priester als provisor seu hospitularius dier kerk, alsmede 
Reynerus de Monthenaken, als rentmeester der broederschap 
van kapellanen van die kerk voor 34 schellingen en 2 kapoe- 
nen jaarlijkschen cijns aan Arnoldus Nuest, klerk, in erfrecht 
opgedragen hebben een huis gelegen opden baelyom tusschen dat 
van Aleydis Conyncks weduwe van Lambertus Conyncks, en 
dat van wijlen Goeswinus, steenhouwer, en van den achterkant 
zich uitstrekkende tot aan het huis van wijlen Henricus de La- 
VATORio, kanonik van St. Servaas, en verklaard hebben hun het 
rustig bezit van dat huis te zullen vrijwaren; dat Arnoldus Nuest 
voornoemd onder hypotheekstelling van zijne goederen beloofd 
heeft binnen het jaar en dag 6 dubbele mottoenen te zullen 
uitgeven voor verbeteringen van dat huis en Everardus de Reys, 
deken, en de kanoniken van St. Servaas die opdracht goedgekeurd 
en den brief medebezegeld hebben. 

Afechrift in: Regisirum liiter, fratern, A fol. 154 verso. -- Schepe- 
nen: Servatius de Mulken en Arnoldus DE CiGNO. 

No 988. 

Transfix. 1451 (April 26) sesse ende twintich dage in die moent 
van Aprille, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Kathryne die Bruyt, als vrucht- 
gebruikster en haar zoon Ghyse als erfgenaam aan Kathrynen 
weduwe van Gobbel van Helmont eene jaarlijksche erfrente van 
4 schellingen uit hun huis opden balyuyun^ vermeld in den brief 
waardoor deze gestoken is, overgedragen hebben met de verklaring 
hun het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren. 

Afschrift ibidem fol. 165 v. — Schepenen: Servoes KiPS en Cornelis 

VAN DiEPENBEKE. 



Digitized by 



Google 



— 373 — 

N^ 989. 

1398 Febrt$ari 7. Opdracht aan Johan Vederwesche van Doenrade 
van een huis door Leonard van Breyde, 

Wir Johan van Juyleymont ende Mathees Dunnen, scepenen 
te Tryecht, getuygen mit desen bryeve als scepenen dat Leonart 
VAN Breyde der varwer in recht van erve gaf Johannes gênant 
Vederwesche van Doeyenroede ende Gudelen sinen wyve guede 
nuwelingen getymmert gelegen op ghene Mase, darmen gheyt tsint 
Anthonys wart, voere ende achter mit allen sinen tubehoer tus- 
schen guede des selven Leonards dar he ynne woent ter eynre 
syden ende guede Hubrecht Moers ter andere, te weten mitter 
plaetsen achter dese vurscreven guede gelegen ghoende totter 
nuwen thoenen tu die Leonarde tuhoirt ende mitten ghange totter 
heymlicheyt, die heymelicheyt mede gelyc dat dat huysken vander 
heymlicheyt nu onderslagen is, beheltenisse soe wes an der heym- 
licheyt noemoels noyt gebuerde te buwen, an vegen of anders, dat 
beyde partyen vurscreven ende honne nacomelingen dat gelycker- 
hant maken sullen op honre beyder kost, vytgescheyden van dake 
salt egelyc syn antale buwelic halden. Óuch ist te weten der 
caengel, de ligt boeven dit vurscreven guet ende darmede Leonart 
syn water van sinen huyse vallende voire ter straten wart afleyt, 
denen caengel sal Leonart ende sine erven ende naecoemelinge, 
die dat gut haldende sullen syn dat Leonart nu helt, ewelic op 
honnen kost buwelic halden sonder kost ende schade Johans 
Vederwesche, Gudelen syns wyfs ende honre erven, alle joer 
dese vuerscreven guede omme ende vur vyer marcke ende twe 
capuyne joirlix ende erflic cyes alsmen te Tryecht van erve joir- 
lix schuldich is te betalen, alle joer erflic te betalen eyne halt- 
schet tsint Johans messe ende dat ander haltschet mitten capuynen 
te Kirsmesse, alsoe dat Leonart vurgenoempt geloefde die vur- 
screven Johannes ende Gudelen parvolx en honne erven inden vur- 
screven guede mit sinen tubehoer gelyc dat voirebecleert [steyt te 
halden, rastlic ende vredelic buten joers ende dar bynnen vur den 
alingen cyes ende capuynen vurscreven ende alle recht ansproeke 
ende calaynge af te doen als behoirlic is mit verbeyntenisse alle 
synre guede ende te peynden mitter bueten, van wilgen alingen 
cycsc vurscreven der vurgenoempde Johan Vederwesche geloefde 



Digitized by 



Google 



- 374 — 

af te lolssen ende te quytcn derdehalve marcke erfcyes vurscreven, 
egelicke 'marcke mit vyftcne dobbeie mottuynen, gelyc eyne kou- 
man den anderen te Tryecht betailt, dat is te weten eyne marck 
tusschen dit ende sint Johansmesse neest volgende ende dat andere 
bynnen joer ende dage noest den vurscreven sint Johans dage 
komende, mit verbentenisse alle synre guede ende te peynden 
mitter bueten. Gegeven int joer vander gebuerde ons Heren dusent 
dryehondert noegentich ende acht sesse dage in Februario. Ende 
et is te weten alsoe lange die talinge vander loyssinge nyet gedoen 
en is, soe sal Johan vurscreven den cyes betalen nae belange als 
gewoenlic is. Datum ut supra. 
Orig. op perkament. 

No 990. 

Transfixen, 1398 (Februari 9) noegen dage in Februario, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Leonart van Bryede, verver, en 
zijne echtgenoote Byelie aan Johan Vederwesche en zijne echt- 
genoote Gudelen 2V2 mark van de jaarlijksche rente, vermeld in 
den brief waardoor deze is gestoken, overgedragen hebben, onder 
belofte hun het rustig bezit daarvan te zullen verzekeren. 
Orig. op perkament. — Schepenen als van n®. 989. 

No 991. 

1B99 (September 29) op den lesten dage sonder eyne van den maende 
Septembris, 
Schep. V. M. verklaren, dat Leonart van Bryede, verver, en 
Byelie zijne echtgenoote in korting van de rente in den hoofd- 
brief vermeld eene van 2^/2 marken 'sjaars aan Johan Veder- 
wesche en diens echtgenoote Gudelen overgedragen hebben. 
Orig. op perkament. — Schepenen als van n". 989. 

No 992. 
U21 (Januari 23) dryeendetwinticA dage inden Loumaent. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Veederwisch voor 2 marken, 
19 schellingen, 6 penningen en 2 kapoenen jaarlijksche rente in 
erfpacht opgedragen heeft aan Reyner van Ophoven en Beateren 
zijne echtgenoote het erf gelegen opder maesen byder vierlinx- 
poerten (}^ daemen gheyt /;y/«/yl«/A/?;jt;'5zt/.7r/ gelegen tusschen het erf 

(^) Poort bij de Kleine Gracht aan de Maas, 



Digitized by 



Google 



— 375 — 

van Peter Mürderoggen en dat van Goedart Hasenpeck van 
Gronsfeldt en vermeld tn den eersten scepenen brieve daran dis 
tegenwerdich brief is getransfigeert en beloofd heeft hen in dat erf 
hantvaste^ rastelick ende vredelyck te zullen houden voor den voor- 
meiden cijns en hen tegen elke vordering te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. •— Schepenen: Dierick Lambov en Arnolt van 

DER MOELEN. 

No 993. 
Ié21 (Januari 25) vyfendetwintich dage inden Loumaent. 

Schep. V. M. getuigen, dat Johan Vederwisch in korting van 
de jaarlijksche rente, vermeld in den naastvoorgaanden brief, aan 
Reyner van Ophoven en zijne echtgenoote Beateren 2 marken 
jaarlijksche rente overgedragen heeft en afstand gedaan van zijne 
rechten op het erf in dien brief genoemd. 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n\ 992. 

No 994. 

1431 (Maart 12) des twelfden daichs in Marcio, geheyten Merte, 

Schep. v. M. oorkonden, dat Reyner van Ophoven aan de 
broederschap van kapellanen van St.'Servaas, van de rente in den 
naastvoorgaanden brief vermeld, overgedragen heeft eene jaar- 
lijksche rente van 2 marken, waarvan 28 schellingen in ruil voor 
een gelijk aantal schellingen, die de broederschap hem op 
andere goederen heeft toegewezen, en de overige 12 schellingen 
voor zi^n jaargetijde en beloofd heeft die overdracht te zullen 
doen goedkeuren door zijne echtgenoote Beateren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Pauwels van den Biessen en 
Gerard Clut. 



N* 995. 

1398 (Maart 9) noegen dage inden Meert, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Peter van Rymerstock aan 
Erwyn van Eckelroede, zoon van Ulrix van Eckelroede, eene 
jaarlijksche erfrente van l^/^ mark uit het huis van Arnold van 
ByelSEN, boirmekery in die nuwestrate by sinte Antore gelegen 
tusschen dat van Johan van den Hertte, schepen van Maas- 



Digitized by 



Google 



— 376 — 

tricht, en het huis geheeten ten engele^ voorheen genaamd pape 
Wyrix guede, overgedragen heeft en beloofd hem het rustig bezit 
daarvan te zullen vrijwaren (i). 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Juvlevmont enjohan 
VAN Here. 

No 996. 

Transfixen, 1398 (Maart 18) achtene dage inden Meert, 

Schep. v. M. verklaren, dat Erwyn, zoon van Ulrix van Eckel- 
ROEDE, aan Johan van den Hertte, hun medeschepen, de jaar- 
lijksche erfrente van 1^/2 mark in den naastvoorgaanden brief 
vermeld en al de rechten daarop heeft overgedragen, en onder 
verband zijner goederen beloofd heeft de gebruikelijke formaliteiten 
te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henric van Sint Aechten en 
Johan VAN Here. 

No 997. 

Iil2 (Maart 15) inden maende vanden Meerte des vy f teenden daighe. 

Schep. V. M. oorkonden, dat hun medeschepen, Johan vanden 
Heirte, de verklaring heeft afgelegd, vroeger beloofd te hebben 
Cornelis van den Bongarde en Barbara diens echtgenoote, zijne 
dochter, mit vurwarden van huwelick te geven eene jaarli)ksche rente 
van 11/2 mark en dit nog niet geschied is, weshalve hij aan Cor- 
nelis en Barbara de rente van II/2 mark uit het huis van Arnout 
VAN Byelsen, schepen van Maastricht, vermeld in den hoofdbrief 
waardoor deze gestoken is, overgedragen heeft, waarna Cornelis 
van die rente ten behoeve van den deken en het kapittel van 
St. Servaas afstand gedaan heeft, met belofte dit te zullen doen 
goedkeuren door zijne echtgenoote. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Bertrand van LaER en Lambrecht 
VAN Lijnde. 

(Wordt vervolgd). 



(1) In dorso: DU es der bryf van XXX op Arnouts huis van Bylsen^ en met 
eene latere hand erbij gevoegd: de XXX soudis pro anniversario domtni Martini 
de Aquis^ canonici. 



Digitized by 



Google 



Croix sépulcrale de 
Oeldulphe, 

prévót de Saint-Servais k Macstricht, 

retrouvée en cette église Ie 31 aoüt 1903. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



LA CROIX SEPULCRALE 

DE GELDULPHE, 

prévót de rêglise Saint-Servais a Maestricht, 

datant du XI* siècle 

et retrouvée en cette église Ie 31 aoüt 1Q03, 

par 

D" P. DOPPLER, 

Archiviste-ad joint de TEtat dans Ie Limboursr. 



Depuis des siècles date au sein de i*église grecque une coutume, 
et qui est pratiquée chaque jour dans tout 1'empire de Russie 
ca.d. que Ton couronne Ie front du défunt d*un bandeau et que 
Ie pope lir sur Ie mort la formule d'absolution qu'il dépose 
ensuite dans sa main, afin qu*il Temporte avec lui dans la tombe. 
D'autre part l'usage de placer les mains en croix sur Ie corps du 
défunt, soit sur la poitrine, soit sur l'abdomen, a commencé de 
bonne heure en Oriënt, mais n'a pénétré que très-tard en Occident. 
Aussi, un auteur grec du XIII« siècle semblait reprocher aux 
Latins d'inhumer leurs morts a la maniere des païens, en ce sens 
que les mains étaient alignées Ie long des cótcs: y^Mortuos sepe- 
liunt manibus eorum nequaquam constiintis in tnodum crucisy sed 
deorsum missis circa in f er tor a instrumentc^'* (i). 

Cependant TEglise a eu de tout temps Ie plus grand soin de 
marquer ses enfants du signe de son divin Fondateur, non seule- 
ment dans toutes les circonstances de la vie, mais aussi après la 
mort. Aussi, cette doublé coutume a existé de bonne heure dans 
l'église de TOccident, mais sous d'autres formes. Une chose qui 
parut peut-être aux Latins un motif suffisant pour ne pas former 
la croix avec les mains sur Ie corps du défunt, ce fut la coutume 
de placer sur Ie cadavre une croix en plomb, coutume qui fut 
généralement pratiquée au Xl% XII* et XIII« siècle et même plus 
tard. Sur cette croix était gravé en creux, tantót Ie nom du 



(1) Cochet, La Normandie souterraine, 014 notices sur des cimetières romains et 
des cimetières francs explorés en Nonnandie Pag, 220. 



Digitized by 



Google 



— 378 — 

défunt ordinairement avec ie titre de sa dignité et Ie jour de son 
décès, en d*autres termes son épitaphe, tantót une formule d'abso- 
lution OU une autre prière; de la Ic nom de croix d'absolution. 
En Angleterre on a trouvé des croix portant d'un cóté cette 
inscription : 

Crux Christi pellit hostem, 
et de l'autre celle-ci: 

Crux Christi triumphaU 

M. Murcier voit dans ces dernières croix Tidée qu'avaient ces 
hommes de combattre les approches du demon, qu'ils regardaient 
ces croix comme un exorcisme puissant contre Tesprit malin (^). 

La grandeur de ces croix varie; ordinairement elles ont celle 
de la main; de notre science, la plus grande trouvée en France, 
mesure 20 centimètres en carré, la plus petite n'a que 8 cen- 
timètres de long sur 6 de large. 

Les croix trouvées en Angleterre différent, pour la forme, de 
celles rencontrées en France; les premières sont latines et les 
secondes grecques. Celles-ci rappellent beaucoup les croix de 
consécration que Ton peignait sur les murs de Téglise, depuis Ie 
XI« au XVI« siècle, et mieux encore ces belles croix de cimetière 
du XII* siècle (2); celles-la reproduisent assez bien Ie plan d'une 
église avec son transept; quelques-unes affectent tout a la fois 
les types latins et grecs(3^. 

On a trouvé de ces croix en France, entre autres: sur Ie 
cimetière de Tancienne paroisse de Bouteille; a Metz celle de 
Pévêque-fondateur de la cathédrale, Théodoric II, mort en 1046; 
a Quiberville-sur-mer (canton d'Offranville) sur Ie cimetière de 
l'ancienne paroisse; a Bordeaux dans Téglise de Saint-Seurin; dans 
la sépulture des abbés de Saint-Front de Périgueux etc; — en 
Angleterre: une dans la cathédrale de Lincoln; a Chichester sur 
Ie cimetière de Tancienne cathédrale; sur Ie cimetière d'EdmundV 
Bury celle du deuxième évêque, Godefroid, dont Tinscription 



(1) Arthur Murcier, La sépulture chrétienne en France a\tprès les inonuments 
du XI* au XVI* siècle, p. 168. 

(*) Pour ces croix de cimetière voir: A. de QzxyaxQViX, Abécédaire ,,, d^ Archéologie^ 
pag. 332. 

(') G>chet, Sépul/ures Gauloises^ Romaines, Franqius et Normandes, pag. 314 
et suivants. 



Digitized by 



Google 



— 379 — 

commence par ces mots: ^Absolvifnus ie Godefride etc. (i); — en 
Allemagne: dans Ie sarcophage de Gcrtrude, aïeule de Henri Ie 
Lion (f 1117), dans la crypte de la cathédrale a Brunswick; a 
Mainz dans la tombe de l'archevêque Adalbert I, a la cathédrale 
dans la chapelle de Saint-Gothard; a Bonn dans Ie tombeau du 
prévót de la cathédrale, Gérard d'Are, mort en 1169 etc. {J)\ — 
en Belgique: a Huy la remarquable croix de Théoduin, évêque de 
Liége, décédé a Huy Ie 23 juin 1075; elle porte Tinscription sui- 
vante: y^Ego DietwimiSy episcopus Leodiensis obii VI III K, julii et 
credo in Deum Patrem (suivent Ie Credo et Ie Pater en entier); 
sepultus sunt m ecclesia 6. Mariae quant Deo adjuvante construxi 
Hoii (3). 

A Maestricht, ville par ses églises si remarquable au point de 
vue de Tarchiiecture et de Tarchéologie chrétienne, nous venons 
de déterrer au mois d'aoüt dernier dans ia nef de Téglise Saint- 
Servais, une pareille croix, celle d'un prévót de cette église; elle 
date du XI« siècle et est très-remarquable par sa grandeur. Son 
exisience nous a été révélée par les procès-verbaux des séances 
des chanoines dans les circonstances suivantes. Lorsque Ie Lundi 
Ie 13 février 1702 était mort dans l'après-midi Ie prévót Jean 
Adolphe de Brederode de Bolswart (^), les chanoines réunis en 
chapitre Ie jour suivant, désignèrent, sur les instances de ses 
executeurs testamentaires, pour lieu de sa sépulture une place 
dans la nef principale de Téglise, en deca de la tombe du prévót 
Engelbert de Hemstede, décédé Ie 6 novembre 1539. Dans l'après- 
midi les fossoyeurs, occupés a faire la fosse, découvrirent un 
sarcophage en pierre blanche. Celui-ci fut ouvert et on y trouva 
les ossements d'un prévót avec une croix en plomb, ayant sur Ie 
bras vertical une inscription relatant Ie nom, la dignité et Ie jour 
du décès du défunt. Après avoir examiné la croix les chanoines 



(1) Cochet, Sépultures Gauloises^ Romaines etc. p. 314 et suivants. 

(2) Heinrich Ottc, Handbuch der kirchlichen Kunst- Archaoloqie des Deutschen 
MittelalUrs p. 241. 

(8) Jos. Daris, Hisioire du diocese et de ta principauté de Liège depuis leur 
origine jusqu\m XI IT siècle , p. 398 et 399. 

if) 11 fut nomtné prévót Ie 18 juillet 1664 après la mort de son frère Oswald 
Guillaume. 



Digiti^ed by 



Google 



^ 380 — 

la firent remettre dans Ie sarcophage, qui fut ferme et laissé en 
place; la fosse fut rempli et les fossoyeurs en creusèrent, sur les 
indications des chanoines, une autre tout près, vers l'occident. 

Voici Textrait correspondant des procès-verbaux : 

[I7Ö2] Martis die decima quarta Februarii. 

Praetacti Domini (l) ad petitionem Dominornm Executorum Tes- 
tamentariorum perillustris quondam Domini Praepositi, assignarunt 
pro inhumatione dicti perillustris Domini locum in navi Ecclesiae 
infra monumentnm Domini Praepositi de Hemstede^ in loco ubi 
in stationibus solent consistere Dominus Celebrans et Ministri in 
majoribus solemnitatibus. 

Eadem die a prandio fossa aperta in loco supra designato inventus 
est sarcophagus lapideus albus et in eo repertae reliquiae corporis 
alteriits Domini Praepositi cum cruce plumbea habente in directa 
parte epitaphinm et formam e r eg ion e (y) delineatam. Qua in dicto 
sarcophago reposita Dominus Praepositus ultimus defunctus quam 
proxime eidem est appositus versus occidenten (3). 

Maintenant se pose la question, oü chercher la tombe du prévót 
de Brederode, afin d'en déduire Ie lieu oü doit se trouver Ie 
sarcophage avec la croix qui nous occupe? En cela nous sommes 
éclairés et aidés par les mêmes procès-verbaux des séances du 
chapitre, par la note suivante insérée au 17 janvier 1772 lors de 
la mort du prévót Pierre René baron de Wassenaer-Warmondt(*); 
dans cette note Ie lieu de la tombe du prévót de Brederode est 
indiqué avec précision : 

[17722 ^^^^ ( Veneris die 17 jannarii) praetacti Domini ad 
propositionem Dominornm Executorum Testamentariorum aunuerunt 
quatenus funus Domini Praepositi crastina die hora 4^^ pomeridiana 
inhumetur in navi ecclesiae in monumento Domini Praepositi De 



Q) Les chanoines de Téglise Saint- Servais. 

(') Le rédacteur des procès-verbaux a eu soin de faire, sur Ie feuillet opposé, un 
croquis en grandeur naturelle de la croix et de Tinscription. 

\^) Registrum conclitsionum capitularium admodum rei'erendorum et mbilium 
Dominorutn meorum^ Domiiwrum Decani et capituli insignis ecclesiae collegtatae 
Sti Servatii opidi Mosae Trajectemis etc, 1666 avril 29 a 1726 ao7U21, fol, 179 v, 

(*) Pierre René baron de Wassenaer- Warmond fut nonimé prévót par lettres 
patentes des Etats-Géncraux du 26 ociobre 1733 et installé le 16 avril de l'année 
suivante. 



Digitized by 



Google 



— 381 — 

Brederode^ distante a monumenio Domivi Praepositi De Hemstede 
14 pedibus versus occidentem^ ubi consistere solent Celebrans et Ministri 
in majoribus stationibus^ exequias et vigilias differentes donec et usque 
haeres seu illius constitutus aderit (^1). 

Or comme 1'emplacement de la tombe du prévót de Hemstede 
est connu et indiqué encore maintenant par une grande pierre 
tumulaire, malheureusement dépourvue de ses ornementations et 
de la plaque de cuivre sur laquelle était gravé Tépitaphe qui 
néanmoins est connu, il ne reste pas de doute sur Ie lieu oü est 
enfoui Ie sarcophage en pierre avec la croix en plomb. En effet 
il résulte de tout ce qui précède qu'il faut Ie chercher entre la 
tombe du prévót de Hemstede et celle des prévóts de Brederode 
et de Wassenaer susdits. Cependant, comme pour autant du moins 
que les documents nous renseignent, c'était Phabitude au chapitre 
de Saint-Servais d'enterrer les prévóts dans la nef du milieu de 
l'église et pour nous assurer que 1'on n*a plus fait, a remplace- 
ment indiqué, un enterrement après les dates précitées, nous nous 
sommes donnés la peine de rechercher, oü furent ensévelis les 
prévóts décédés depuis 1702 et 1772, dont voici Ie résultat: 

Le successeur du prévót Jean Adolphe de Brederode, Jean Fer- 
dinand de Méan, décédé le 18 juillet 1709, et son successeur 
immédiat et neveu, Laurent Déodat de Méan, mort le 3 juillet 
1719, furent enterrés a Liége au choeur de la cathédrale 
Saint-Lambert. Arnoul Hyacinthe de Wynants, qui succéda a ce 
dernier trépassa le 27 février 1732 et fut enséveli a Mechelen sur 
Meuse, dont il était seigneur en sa qualité de prévót, et oü nous 
avons vu, il y a quelques années, sur Tancien cimetière sa 
pierre tombale. Il était le prédécesseur immédiat de Pierre René 
baron de Wassenaer- Warmondt. Celui-ci eut pour successeur 
Charles-Borromé Jean-Baptiste Léonard Michel Walrave de Geloes, 
comte du Saint-Empire, archidiacre de Malines. président de la 
chambre des comptes du prince-évêque de Liége, prévót de Notre- 
Dame a Tongres etc, qui mourut le 28 juillet 1791 a Chatelet, 
oü il eut sa sépulture. Il fut succédé par Thomas Guillaume 
Jacques baron de Wassenaer- Warmondt, dernier prévót du 



(1) Regis trum cottclusionum capitularium etc. de 1765 aoüt 30 i 1784 juin 14, 
ji la date indiquée. 



Digitized by 



Google 



— 382 — 

chapitre, qui survécut a sa suppression en 1797 Par arrêté du 
23 janvier 1798 des Républicains francais il fut condamné a la 
déportation. Üe retour dans son pays natal, grace a la protection 
de Charles Roemers de Maestricht, membre du conseil des cinq 
cents, il fit toutes les instances pour Ie rétablissement du chapitre, 
qui cependant restèrent sans résultat. Il se retira alors a Liège 
oü il mourut Ie 14 septembre 1817. 

Maintenant convaincu d'un plein succes nous n'avions qu'un 
désir, c'était de faire une fouille sur place et de déterrer la 
croix, désir que nous communiquions au très-révérend L. Sevriens, 
doyen de Téglise Saint-Servais, prélat domestique de Sa Sainteté 
etc, qui accorda imnriédiatement notre demande, pour quoi nous 
lui présentons Thommage de notre profonde gratitude. C'est grace 
a son acquiescement et a sa bienveillance que Ie trésor de son 
église est enrichi d'un monument, remarquable au point de vue 
de ^archéologie religieusc et très-important pour Thistoire de 
Téglise Saint-Servais. Il eut aussi la complaisance de nous associer 
Ie vicaire-trésorier de l'église, Ie reverend N. Ramaekers. 

Au jour fixé, Ie 31 aoüt, les fouilles commencées a la place 
indiquée, vers 9V2 heures avancèrent tellement, que, vers III/2 
heures les ouvriers mirent a découvert la partie supérieure du 
sarcophage; Ie couvercle était brisé en deux a travers ce que 
nous avions craint. 

Le sarcophage en pierre a la forme des sarcophages francs, se 
rétrécissant vers la partie inférieure. 

La planche ci-jointe, dont nous sommes redevables a la bien- 
veillance de M. le chevalier Victor de Stuers, pour laquelle nous 
lui présentons nos remerciments, en donne les différentes vues: 
A Tintérieur; B le dessus du couvercle, C Ie cóté latéral^ Dface 
de la partie supérieure et E de la partie inférieure. 

Le sarcophage a une longueur de M. 1.94 sur une largeur de 
M. 0.63 et 0.33 et une hauteur de M. 0.68 et 0.46; sa profon- 
deur est de M. 0.47 et Tépaisseur des parois de M. 0.05. Le cou- 
vercle, qui est bombé et creux, a M. 2.05 de long, M. 0.68 et 
0.39 de large, M. 0.27 et 0.17 de haut, le creux est de ±: M. 0.14 
et Tépaisseur des parois de M. 0.06 et 0,08 et de M. 0.13 a la 
partie inférieure. 



Digitized by 



Google 



— 383 — 




Sarcophage du prévót Geldulphe, retrouvé en Téglise Saint-Servais 
a Maestricht, Ie 31 aoüt 1903. 

Digitized by VjOOQIC 



— 384 — 

Après avoir soulevé la moitié du couvercle nous y trouvames 
les ossements mêlés a la terre, qui y était tombée par la fente, 
et, a la partie supérieure, contre Ie paroi la croix fixée avec la 
partie inférieure dans la terre. Après Tavoir prise Ie sarcophage 
fut fermée, laissée en place et la fosse remplie; Ia croix fut 
déposée au trésor de Téglise. 

La croix est remarquable par sa grandeur extraordinaire; elle 
mesure 26 sur 24 centimètres, etson épaisseur est de5 millimètres. 
Sa forme est a la fois latine et grecque. A Texception de la partie 
inférieure, qui est un peu abimée par la terre, elle est intacte et 
d'une conservation parfaite. L'inscription, gravée en creux sur Ie 
bras vertical, est très-lisible, sauf les. dernières lettres; elle porte 
tous les caractères de l'épigraphie du XI« siècle. Le graveur a 
tracé sur le bras vertical des lignes horizontales sur Icsquelles il 
a gravé les lettres; il avait eu d'abord Tintention de graver 
rinscription sur la traverse, témoins les quelques lignes verticales 
que Ton voit sur le bras gauche. Voici l'inscription: 

■jr KL APR 

ILIS 
OBIIT 

GEL 

DVL 

FVS 
HV 

MIL 
ISIN 

XPO 

PRE 
POSI 

TVS 

Ce qui signifie: Kalendas Aprilis obiit Geldulfus humilis in 
Christo prepositus. 
Il est a regretter que Tannée n'est pas indiquée. 

Qui était ce prévot et qu'en disent les documents?^ 
A l'exception des procès-verbaux, nommés plus haut, aucun 
document ni aucunc charte ne font mention de ce personnage. Le 



Digitized by 



Google 



— 385 — 

seul qui Ie nomme et qui nous transmet quelques données sur 
lui, c'est Jocondé, prêtre d'origine franco-gauloise, qui a vécu au 
XI* siècle et mourut probablement vers 1088. Celui-ci est Tauteur 
d'une vie de Saint-Servais, qu'il avait composée pour répondre 
au désir des religieux de Tabbaye de ce nom, qui en cela étaient 
ses principaux témoins et pour laquelle il utilisa les anciennes 
vies de ce Saint. Cette oeuvre de Joconde comprend trois parties: 
la vie du Saint, sa translation, ses miracles. Quoique pour son 
fondement historique, eet oeuvre est a employer avec discernement 
et que la crédibilité de Joconde n'est pas sans bornes, nous sommes 
cependant convaincus qu'elle est plus grande et plus süre pour ce 
qu'il nous raconte sur Téglise Saint-Servais même et surtout 
pour des faits pour lesquels il s'appuie sur les renseignements 
fournis par des chanoines de la ville, témoins oculaires. 

Il est établi par des preuves historiques d'une complete certi- 
tude, qu'au début du règne de Tempereur Henri III, dit Ie Noir^ 
en 1039 eut lieu a Maestricht la consécration de Téglise Saint- 
Servais, nécessitée par Tajoute de nouvelles grandes constructions. 

ür, dans la seconde partie de sa vie de Saint-Servais, la 
Translatio Sancti Servatii^ Joconde nous a transmis quelques détails 
sur cette cérémonie, qui eut lieu Ie 10 aoüt 1039, environ cinquante 
ans avant qu'il la décrit, et il nous dit que les constructions qui 
nécessitaient cette consécration avaient été faites sur les ordres 
et sous Ie haut patronage de notre prévót Geldulphe; il ditenefFet 
en termes explicites: „. . . . constitnit enim basilicam, quam 
homo Dei praepositns eiusdem cenobii pater Geldiilfus CONDIDERAT 
NO VAM (^) ad numerum 12 apostolorum dedicari, . ." (2). 

Avec cela tous les documents et écrits historiques se taisent sur 
Ia personne de Gcldulphe; aucun ne nous fait connaitre la date 
de sa mort. Cependant nous sommes a même de limiter ap- 
proximativement celle-ci et par conséquent la date de la croix en 
plomb, grace au rouleau mortuaire de Guifred, comte de Cerdagne, 



(1) Comment il faut comprendre les mots basilica nova: voir P. Schmeitz, La 
hasilique de Saint-Servais h Maestricht bdtie par Saint- Monulphe et ses construc- 
tions romanes^ p. 35 et suiv. - Gilde de St. Thomas et de St. Luc, Bulletin de la 
trente-deuxième réunion^ pag. 128. 

O Jocundi translatio Sancti Servatii dans: Pertz, Monumenta Germaniae histo- 
rica . . Scrip torum^ torn. XII p. 112. 



Digitized by 



Google 



— 386 - 

qui devint moine de l'abbaye de Ganigou diocese d'Elne en France. 

On appelle rouleau mortuaire, des lettres de parchemin, desti- 
nées a recevoir les noms des défunts frères el bienfaiteurs d'un 
monastère ou église, que celle-ci envoyait aux différents monastères 
OU églises qui avaient accepté la communion des prières. La 
circulaire, que dans ces circonstances on écrivait en tête du 
rouleau (i), renfermait des détails biographiques sur Ie défuntet 
se terminait par une demande de prières. Les communautés aux- 
quelles Ie rouleau était présenté se faisaient un devoir d'y répondre 
et y consignaient un titre, titulus^ plus ou moins long, pour accuser 
réception de la circulaire, pour promettre des prières et pour en 
demander a Tintention des membres et des bienfaiteurs qu'ils 
avaient perdus. 

Le rouleau du comte Guifred, qui mourut a la fin du mois de 
juillet 1050, était présenté a 133 églises, dont Téglise Saint-Servais 
était la cent-neuvième. Le porte-rouleau, qui partit de son couvent 
peu après cette date, arriva a Maestricht aux Ides du mois d'aoüt 
de Tannée suivante, partit de la pour Aix-la-Ghapelle et était a 
Liége vers la moitié du mois de novembre, d'oü il continuera la 
route vers son abbaye. 

Sur ce rouleau on trouve une série de onze poèmes, plus ou 
moins grands, composés par des chanoines de Saint-Servais, qui 
dénotent chez les auteurs une remarquable facilité de versification. 
lis comptent ensemble cent quatre-vingt-dix-neuf vers, comme le 
dit le vers final. 

Versus in fidei dotent hi sunt tmdeducenti (2). 

Presque tous sont léonins. Le cinquième et le plus grand de 
ces poèmes nous apprend, dans les deux derniers vers, que prévót 
du chapitre était alors Hugues: 

„ Verunt tte lateat quae natio talia scribat 
Trajectutn nutrit nos^ pater Hugo regit (^). 



(1) Le terme propre, employé pendant le Moyen-ige pour designer le rouleau des 
morts, était breve; souvent il est nommé breves gestatoriae^ Utterae currenteSy bre- 
viaria et rotuius. 

(*) Mgr Georges Monchamp, Le distique de Pégiise Saittt-Servais è Maestricht^ 
etc p. 22 note 1. 

(■) P. Doppler, Aécrolo^e de ia confrérie des chapelains de la ci-devant collegiale 
de Saint-Servais a Maestricht^ pag. XLI. 



Digitized by 



Google 



— 387 — 

Il en suit que Geldulphe était décédé avant Ie 13 aoüt 1051. 
Il est possible qu'il eut pour successeur immédiat ce Hugues. 
Un homonyme du dernier était, en 1063, prévót de la cathédrale 
Saint-Lambert a Liège. Dans une charte de cette année, oü il 
figure parmi les témoins et par laquelle Théoduin, évêque de 
Liége, fait connaitre que Brunon, comte de Hingebach, avait 
engagé a Téglise collegiale Sainte-Croix en cette ville, pour 300 
marcs d'argent, un alleu qu'il possédait a Herve, et dont il s'était 
réserve Tavouerie, il est nommé; Hugo prepositus Sancti Lamberti 
sanctique Servatii (i). Serait-il permis de conclure de ces épithètes 
que celui-ci et notre Hugues étaient Ie même personnage? 

Somme toute la croix en plomb du prévót Geldulphe est de 
la première moitié du XI* siècle et date d'une des années entre 
1039 et 1051. 



(1) S. P. Ernst, Histoire du Limbourg tom. VI, pag. 108. — J. de Theux de 
Montjardin, Le chapiire de Saint-Lambert è Liège^ lom. I, pag. 86. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



VERHAAL DER WREEDHEDEN 

TE ROERMOND 

TEGEN DE GEESTELIJKEN GEPLEEGD 

DEN 23 JULI 1572, 

NAAR EEN OELIJKTIJDIO ITALIAANSCH VERHAAL. 

Medegedeeld door 

A. J. A. FLAMENT, 

RiJKS-ARCHIVARIS IN LlMBURO. 



Wij deelen hier mede een tot nu toe vrij onbekend verhaal van 
de gruwelen te Roermond gepleegd door de Staatsche troepen — 
niet door den Prins van Oranje, gelijk de titel aan het hoofd van 
het relaas zegt, daar deze, toen niet te Roermond was en ze niet 
kon beletten. 

Tot nu toe was Arnoldus Havensius, Historica relatio duode- 
cim martyrum Cartusianorum qui Ruraemundae in ducatu Geldriae 
anno MDLXXII agonem suum feliciter compleverunt (te Gent in 
1608 bij Walter Manilius gedrukt) de eenige bron, waaruit alle 
schrijvers, ook Knippenbergh, in zijn historia ducatus Gelriae 
praesertim vero superioris, geput hebben. 

Hier hebben wij een gelijktijdig verhaal te Rome gedrukt. 

Het zeldzaam boekje wordt in de bibliotheek te Gent bewaard 
en is door den Hooggeleerden Heer Prof. D' van der Haegen, hoofd- 
bibliothecaris dier bibliotheek in zijn monumentale bibliographia 
Belgica beschreven; het werd mij welwillend door hem ter leen 
verstrekt, waarvoor ik hem openlijk hier mijn dank betuig (^). 



p) Het boek werd in 1894 te Rome gekocht, blijkens eene aanteekening voorin. 
«7 



Digitized by 



Google 



— 390 — 

Volgens den voormelden titel zou het verhaal — zelf in vorm van 
een brief — aan brieven en verhalen (relazen) van edellieden, zeker 
van het Spaansch garnizoen te Roermond, ontleend zijn, die de 
stad na de inname door de Staatschen ontvlucht waren. 

De bescheiden over deze treurige gebeurtenis zijn zeldzaam en, 
naar mij de heer Jos. Cuvelier, archivaris en afdeelings-overste 
aan het Algemeen Rijks-archief te Brussel, schreef, is er in voormeld 
archief niet veel bizonders daarover te vinden; al wat hij vond 
werd door hem aan den archivaris van het bisdom Roermond, den 
Z.Eerw. Heer Hanssen medegedeeld. 

Het verhaal dat hier volgt komt in hoofdzaak met dat van 
Havensius overeen en is minder uitvoerig. 

De geestelijke die te Roermond door zijn Duitschen landgenoot 
werd gered, was geen bewoner van het klooster der Karthuizers, 
maar rector der Reguliere Kanonikessen van Mariagaarde, n.1. 
Joannes van Halen, althans volgens Habets, Gesch. van het bisdom 
Roermond, dl. II, p. 70. 

Het belang van ons verhaal is vooral hierin gelegen dat het 
van hetzelfde jaar als de moord is, ja eenige dagen daarna is samen- 
gesteld en dat het Havensius' verhaal bevestigt in de hoofdzaken. 

Wij deelen het Italiaansch relaas hier letterlijk mede, maar 
hebben alle woorden voluit zonder samentrekkingsteekens enz. ge- 
schreven en ook in het gebruik van v en u ons naar de heden- 
daagsche eischen geregeld. De aanteekeningen aan den voet der 
bladzijden zijn van ons. 



Digitized by 



Google 



L'INVDITE 

ET MONSTRVO 

SE CRVDELTA 

VSATE DA GLI HERETICI 

CONTRA LI MINISTRI' 

Dl DIO, 

Nella espagnatione della Cittè di Ruremonda in Fiandra 
a di 23 di Luglio. 1572. 



Hier is op het oorspronkelijk eene gravure 
voorstellende eene vrouw (?) op een brand- 
stapel, aan het hoofdeind een vorst op zijn 
troon met uitgestrekten schepter, aan zijn 
rechterhand een dienaar, aan het voeteneind 
der vrouw drie beulen met lange ijzers. 



In Roma per li heredi di Antonio Blado Stampatori Camerali. 
Con licentia delli Superbri. 



Digitized by 



Google 



Breve historia, deirabominanda & essecrabile, & Barbara ex- 

pugnatione della Citta de Ruremonda in Fiandra, nella 

quale apieno s'espone Tinaudita crudelta & Barba- 

rle del Prencipe d'Oringes, nelli ministri di Dio 

& sacre Virgine, nobili e Cittadini, etian- 

dio della sua fattione de Gheusi cava 

ta da lettere & relationi d'alcuni 

Gentilhuomini degni de fe- 

de, che da quelle sca- 

parono adi 23 

di Luglio 

1572. 

PERCHE non dubito che V.S. havera desiderio d*intendere 
quel che poco fa segui a Mosa li daro un" breve ragguaglio diquel, 
che fu ordinato dal Prencipe d'Oranges il giorno doppó S Maria 
Magdalena contro ai Ministri di Dio per quanto ho inteso da 
testimonii di vista, & altri degni di fede. 

Dapoi che gia due volte haveva indarno domandato, ce Q') se 
gli rendesse la citta finalmente, senza batterla con artigliarie, ma 
havendo brugiate due porte, & per quelle intromesso gran numero 
di soldati Tespugno^ era la citta istessa {-) da un forte, e valoroso 
capitano assai giovane(3) ma di animo invito, &di valorsingulare 
con puoco plu di centoquatanta archibugieri Francesi, & alcuni 
altri puochi cittadini, il quale per tre, o quatro volte ribbuttó 
valorosamente Tinimico, ma gl'inimici sdegnata (sic) per la gran 
mortalita di piu di cinque cento di loro, & d'alcuni principali 
capitani, che con gran pompa sepelirono nel choro della chiesa 
parochiale, quasi infuriati fecero di tutta la lor gente quindici 
insegne, & andorno C*) la quinta volta sforzando quasi sei insegne 



(1) Che. 

(•) Diffesa (?). 

(3) Lancelot de Berlaymont Floyon. 

(*) Audarono. 



Digitized by 



Google 



— 393 — 

de Franzesi a combattere, & per che i soldati combattevano 
alquanto pegramente, restavano di dietro i cavaglieri, quali chia- 
mano Neri, che con Ie lancie altri ferivano, altri amazzavano, 
acio almeno per timore combattessino virilmente, finalmente 
perdendosi homai gli cittadini di animo, & abbandonando la 
dosi difFesa della citta per andar ciaschuno a casa sua crescendo 
tutta via la moltitudine de nemici, i quali per la perfidia di 
ceni havevano havuto entrata per un'altro luogho, & combaiten- 
do tutta la notte final menie circa Totto hore preseno la citta, 
subbito se n'andorno drittamente a casa de Vescovo, ^& rotta per 
forza la porta tanto essi quanto alcuni altri cittadini alliguali 
egli, come vostra Signoria si recordera tanto in privato, quanto 
in publico con Ie elemosine, & altri officie haveva fatto tanto 
bene, la sachegiorono tutta, & stracciorono, & dissiparono tutta 
la libraria piena di moltissimi libri di varie scientie, &particular- 
mente della sancta scrittura, dipoi andorno con grand'impeto alla 
chiesa di canonici regulari, & alcuni tagliorono a pezzi, ad altri 
tagliorono Torechie, al Padre Priore diedero una grande ferita 
in capo, dipoi gli tagliorono un orechia con una gran parte della 
tempia, finalmente lo passarono da un Tato (i) all'altro; il sacrestano, 
& il cuocho furono amazzati miserabilmente, all'ultimo presero 
quel buon vecchio del padre Arnaldo (2), il quale servia a gl'amalati 
di medico, & spetiale, & cominciorno con gran furore & orgoglio 
a chieder gli danari, egli con patto di salvar la vita pago cento 
taleri, li quali subbito, che hebbero in mani senza servar fede, ne 
promessa Tammazzorono, & tagliorono a pezzi, gli altri soldati 
scorrendo per la citta facevano grand'oltaggi a tutti quelli, ch'in- 
contravando, & a squadroni, se n'andorono al medessimo 
Monastero de certosini, & entrando nella porta sacrificorono la 
prima Hostia a Christo Segnor nostro percio che presero il 
portinaro, & havendoli date molte ferite appresso a un pozzo li 
gettorno a terra, & li cavoro Ie viscere, & sparsero tutte l'interiora, 
& havendoli tagliato Ie parti dishoneste gli Taitacorno in bocca, 
& chiamorono a quel spettacolo molte donne di quel vicinato, 
corsero dipoi nel choro dove i fratti erano con gran devotione 



Q) un' lato. 

o Arnold van Somcren. 



Digitized by 



Google 



— 394 — 

posii in genochioni avanti l'altare Maggiore, a li quali con 
grand'impeto si aventorno a dossi & a dui a dui crudelessima- 
mente li tagliorono per mezzo gridando cosi insegneremo portar 
ie cape da frati (i), presero il P. Procuratore huomo de rara virtu, 
& santita di viia, & vestitelo per burla de piviale lo menorono 
fuori dei monasterio & cintelo una gran moltitudine di quei 
scelerati al tri gli portavano la coda per scorno, & altri vestiti di 
dalmateste, altri di cotte, altri di pianete dicevano col messale 
aperte certe lor biasfeme, altri lo cominciarono a strastinare (2) per 
una lungha strada & li davano calci, pugna, & schiaffi con ogni 
crudelta, uno portava la croce alzata, non tanto per móstrarla a quel 
buon Frate quanto per dargline tal volta, si come faceva crudelmente 
suilvolto; finalmente seguiva uno, che a gran fatica Tandava flagel- 
lando, si che per tante ferite, & battiture casco in mezzo alla 
piazza, che si chiama inferiore (3), & preso da un fu passato per 
il mezzo da un canto all' altro, & spirando anchora lo strassino- 
rono fin al monastero de franscescani, alla porta del quale verso 
la chiesa Timpicorno, subbito trassero con gran forza due Frances- 
cani da quel monastero, il padre Gorganeo Alnaldenr (*), presi- 
dente (ö) & il padre Reverud (ö), i quali dopó molti & crudelis- 
simi tormenti similmente impiccorno. ma chi potra esplicare con 
che insolentia, & crudelta habbino trattato sedeci cartusiani, che 
erano rimasi, delli quali uno per mezzo d'un soldato Thedesco 
scampó in questo modo percioche gettato segli ai pie di lo prego 
che gli salvasse la vita; egli mosso a piëta li diede Ie sue vesti& 
vestitosi lui come per giuoco di quelle del Frate Taccenno che 
uscisce fuori della citta dove essendo anch'egli andato gli restitui 
Ie sue vesti & lo lasso andare, alcune dicono de haver visto due 
cartusiani cotti in una caldara, tre arrostiti (J) in spiedi, & piglian- 
do i loro grasso gridavano per la citta chi vuol comprar songia 
fratesca, & non satij anchora di tanta crudelta tutti li altri parte 



(1) de woorden »cosi insegneremo portar Ie cape da frati» zijn van de soldaten. 
(«) = strascinare (sleepen). 
(') een lager gelegen plein (?). 
(*) Gorgonio a Meldert. 

(*) Guardiaan, doch Havensius noemt hem ook »praesidentem«. 
(6) Reinerum; volgens Habets, Gesch. v. h. bisd. Roermond II, 72, Reinerus van 
Linier, die bij Havensius seculier priester is. 

(') Havensius spreekt ook van dit gerucht, doch weet niets zeker. 



Digitized by 



Google 



— 395 — 

nella chiesa, parte nel portico amazzorno, & accumulorno nell* 
entrata della chiesa tutti i lor corpi nudi miserabilemente trattati, 
& essendo iuinenuto (}) uno padre d'un de quei frati carthusiani 
per cercare il suo figluolo non solo non gli lo permessero, ma 
lo prescro e lo messero in prigione. 

Stava appreso questi Carthusiani nascosto il confessore, & pre- 
dicatore del Vescovo (2) insieme con dui altri sacerdoti, il quale 
ogni giorno per quel gregge miserabile ofFeriva a Deo venerabile 
sacrificio della Messa haveva costui per tre anni con gran constanza, 
& eloquenza predicato a quel popoio, & quasi transformato in 
un altro, percioche con niente minor vehemenza reprendeva li vitii 
de catholici che li nuovi errori & falso dogmi degli heretici. Hor 
essendo costui retrovato in quel monasterio fu preso- & con 
gran crudelta martyrizato, percioche lo ferirono neir una, e 
neir altra parta del capo gravissimamente & un altro con una 
acerta gli divise il capo in due parti si che caddc in terra morto, 
ne content anchora di questo gli diedero molte altre ferite, & 
spogliandolo gli cavorono Tinteriora & il cuore, che haveva ar- 
dentemente amato Dio & gli lo posero in bocca, feriro il Decano 
cathedrale in capo, nella spalla, e nel petto, & 1'han fatto prigione, 
& chiedono per rescatto mille talenti, diedero un archibusata in 
un braccio al Prior carthusiano, il quale dopo essc stato malamente 
trattato, doppo haver pagato tre millia coronati fu lasciato andaref 
presero il priore dei Genufen T^), & legato con una catena al collo 
a guisa de cane lo tenevano legato sotto un carro, dove per giuoco 
gli porgevano tal volta un pezza di pane, & cosi lo tenevano finche 
pagasse il riscatto, imperoche preso il s. Bartholeme de Venraidt 
huomo pio amator di Dio, & defensor della Religion Catholica 
tormentatolo con varii supplicii, battuto crudelissimamente fu con 
molte ferite nella piazza publica amazzato, & il s. Godfnedo 
strallense (*) fu co' il capo avanti gettato in un pozzo, dipoi 
trattone fu impicato, & tagliatoli il naso, e 1'orechie gli tirorno 
molte archibugiate, di maniera, che tutto il clero fu o crudcl- 



P) Invenuto. 

O Pau lus van Waelwyck. 

(•^) Lees: Crociferi. 

{*) Lees : Godefredo Straelense — Godfried van Straelen. 



Digitized by 



Google 



— 396 — 

mente ferito, o spielatamente iicciso, ó senza veruna compassione 
fatto prigione, percioche pochissini (i) lasciorno andare con tutto 
che per loro rescatto havessero cavato gran somma di denari, 
laquelle alcuni sono stati sforzati a duplicare, altri a iriplicare, fu 
publicatoda un banditore che niuno sotto pena della vita nascon- 
desse cosa alcuna del Vescovo, o retenesse in casa sua huomini 
ecclesiastici, perilche tutti i canonici venero in mano de nemici; 
eccetto il signor scholastico, che fu con molte ferite ammazzato; 
pochissimi chierici, come molte nobilissime monache delF Ab- 
batia scaporno, io per mi sento nell' animo mio gran spavento 
ricordandomi della fierezza deshonesta, anzi piu presto bestialita, 
che usorono senza alcuno rispetto di eta, o nobilta con molte nobi- 
lissime monache, Ie quali furono vergognosamente violate, il Ves- 
covo sempre fü presente alli suoi, quali con parole, & con essempi 
aiutava finche i nemici scorsero alli borghi. Emili tea (2) Elmpt, & 
essendo a mezzo giorno stato avisato dal secretario del senato 
mandato a lui a posta del gran pericolo, & della vicinanza de 
nemici egli nondimeno andó con gran constanzo, & ancho a dir 
messa, & pregare per il suo popoio, il che havendo fatto gli vien 
detto da parte del Governatore, chi ei si maravigliava, che sua 
signoria Reverendissima tardasse tanto, che s'ella non si spedisce 
fra un hora, sarebbe stata miseramente uccisa il che havendo 
udito, di mezzo giorno a piedi con grandissimo caldo con Ie sue vesti 
lunghe se n'ando al traietto di Mosa, che si chiamo. Hoob (3) 
indi se n'ando in Merssem (f) co l'aiuto di Dio sano e salvo il che 
havendo udito alcuni di que! scelerati per stizza & rabbia si pe, 
lavano la barba, & capeli j verso i soldati Franzesi che presero si 
portorno di modo, che non e possibile poterlo in alcun modo 
esplicare, perioche de quelli 140 cittadins Leodensi pochissimi 
scaporono, tra liquali furono quatro, che da una dona con una 
corda furono calati al fiume, dove si salvero natando, il capitano 
& alcun'altri furon fatii prigioni, se ritrovavano per sorte alcuno 
nascosti li mettevano subito in publico, & gridavano prys, prys, 
cio è preda della morte, & in un subbito gli si aventavano a dosso 

Q) Pochissimi. 

(3) Achter borchi moet geen . gelezen worden, wat Emili tea is, begrijp ik niet. 

(«) Ooi. 

(*) Meerssen. 



Digitized by 



Google 



— 397 — 

coUe cortellate & lo facevano in pezzi, ne presero tra graltri uno, 
& vestitolo da canhusiano empiendoli la cappa e'lcapucioi (^^/Vj di 
polvere gli diedero fuoco, il quale la sbalzo sino alla porta de 
Vescovo, & tagliorno nella piazza, il resto finirono di consumare 
in carcere. Fa tanta ia crudelta di quei Goessi, che manco per- 
donarono a quelli della sua fattione, che vi trovaronp anzi alcu- 
ni di loro, che giacevano in letto ammalati crudelmente, ammaz- 
zarono alcuni furono sforzati a riscuoter se e Ie cose sue due, o 
tre volte, ammazzorono anchora due fanciulli pazzi che se li 
fecero in contro. Fu veramente giuditio di Dio, che alcuni 
Ghoessi, i quali T per addrietra erano stati hypocriti, \olendo 
essere entrata la gente nella citta & volendo far loro accoglieze con- 
porgerli la mano e rallegrarsi con loro invitandoli anco a bere 
fussero da Ghoesi Leodiensi, e Guasconi ammazzati, lalche piu di 
loro, che de catholici morirono, come piu volte haveva il Vescovo 
predetto dovergli evenire, se da doveri non si convertivano, 
questo basta haver detto di questa cosi gran crudelta, del resto 
Tavisaro un altra volta a pieno, & con questo gli bascio Ie mani 
dalla Zopa (?) di Mosa alli 28 de Luglio 1572. 

Qui hanno referito alcuni degni di fede, che il curato de Gor- 
cony (y) huomo di molte virtu, & dottrina è stato con un vicino 
impicato per una mascella, & con crudelmento tre giorni tormen- 
mentato, quasi il simile è intravenuto a quello di Echeloe (?) per 
cioche collaccio al collo tra quatro spagnoli che di certi una (?) ni 
attacatogli alle mascelle gli pendevano fu impicato. Dicono anchora 
che hanno arrostito vivo il fratello di Harlemo. Prego vestra 
Signoria se ha qualche cosa di nuovo intorno questi Heretici me 
ne voglia far parte. 



(*) Oorcum. 



Digitized by 



Google 



REGISTER DER GRAVEN 

IN DE 

ST. MAARTENSKERK TE VENLO. 

Medegedeeld door 
A. J. A. FLAMENT, 

RiJKS-ARCHIVARIS IN LlMBURQ. 



Hier laten wij letterlijk volgen eene aanwijzing der graven in 
de St. Maartenskerk te Venlo. Van de grafsteenen is thans niets 
meer te zien, wijl zij bedekt zijn onder den tegen woordigen vloer, 
zoo zij al niet „opgeruimd" zijn. 

Ik ken weinig kerken die zoo zijn „leeggepompt" van al wat 
er oud en eerwaardig was als de Venlosche parochie-kerk. 

Het ware te wenschen, dat het tegenwoordig Kerkbestuur, dat, 
gelukkig, betere beginselen huldigt dan degenen welke de schuld 
dier opruiming droegen, ten minste den fraaien grafsteen weder 
liet opgraven van den Roermondschen Bisschop Philippus 
Damianus van Hoensbroeck, die, toen de Oostenrijksche Regeering 
van Joseph II het begraven in de kerken had verboden, en hij 
dus niet in zijn Roermondsche kathedraal kon begraven worden 
(daar Roermond tot het Oostenrijksch Overkwartier van Gelder 
behoorde) te Venlo zijn laatste rustplaats, in de schaduw van het 
Hoogaltaar vond. Deze grafsteen kon in den muur van het priester- 
choor worden gemetseld of in den vloer en met roosterwerk 
bedekt, gelijk te Rolduc in de oude abdijkerk is geschied met 



Digitized by 



Google 



399 — 



eenige steencn (i). De 300 gulden Kleefsch, in dien tijd eene groote 
som, zijn toch niet geschonken om dit graf met grafsteen geheel 
te doen verdwijnen (zie hierna). 

Wij voegen bij de aanwijzing der graven een plan der ligging vaii 
de graven uit een vroegeren tijd, 't einde der 17« eeuw, meen ik. 



(1) Die vroeger onbedekt in den vloer lagen, zijn daar thans ook in den muur 
gemetseld, dank zij de goede zorgen van den tegenwoordigen directeur den Zeer Eerw. 
Zeer Gel. Heer D*" Gorten, die zooveel voor de eerwaardige oudheid der voormalige 
abdij heeft gedaan en nog doet. 



Digitized by 



Google 



Register Boeck 

Dienende tot Naericht der Graven. 

Wat nombers de selve hebben en aen 
wy se toebehooren. 

Gemaekt 

Door Lambertus Verheyen. 
Int jaer 1748. 

Beginde Int Lieve Vrouwe Pandt by den autaer met 
nommer Een. 

Int Lieve Vrouwe Pandt syn 73 Graeven beginnende 
Van Folio 1 tot Folio 73 G) 

Midelste Pandt syn 80 Graeven 

beginnende van Folio 43 tot Folio 82. 

Voorste Pandt syn 125 Graeven 

beginnende van Folio 89 tot Folio 151. 

Nogh 16 Graeven liggende op den Kerchoff daer int 
jaer 1750 het oudt been huyske is afgebrooken en 
is te sien in folio 153. 



(1) lees 43. 



Digitized by 



Google 



— 401 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wie de groeven toe (}) 
behooren. 



1. Kercke GrafF. 

2. Heer Scherens. 

3. Kercke Graff. 

4. Heer Hinssen. 

5. Swinckels. 

6. ErfF Groeve van Gaspar 
Boeckstegers, gestorven den 
11 Aug. 1721 en Catharina 
Conrats anno 1716 den 8 Sept. 
Eheluyden Joan Wynandt 

Boeckstegers, A® 17 en 

Maria Barbara Mans A® 1738 
den 12 Jan. en Catharina Ce- 
ciliavan derKeclin(?),A«17. . . 
Gewesene Eheluyden Boick- 
steger ende Vrouw niet hier 
begraeven. 

7. Heer scheepen Jonckers. 

8. Kercke Graff. 

9. Kercke GrafF. 

10. Kercke Graff. 

11. Dese Erfbegreffcnis verkogd 
aan van Gemeren en des selfs 
familien den 27 Febr. 179S 
voor agdendertig guld. Cleefs 
gelyck te zien in de Reke- 
ning van het jaar 1798. 

12. Heer Duyker. 

13. Heer Kels. 

14. Rongaerts. 



Getal 

der 
Nombers. 



Aan wie de groeven toe 
behooren. 



15. Staet in dubio of het aen 
de kerck is. 

16. Kercke Graft. 

17. Heer Tiebo. 

18. Heer Tiebo. 

19. Heer Doubes. 

20. Familie Falderer. 

21. Heer Golten. 

22. Van Velden. 

23. Heer Duyker. 

24. Kercke Graff. 

25. Cuypers. 

26. Cares. 

27. Hoghsteyns. 

28. 0)ens. 

29. Ojens, en is hiermede het 
einde van de koor. 

30. Kercke Graff. 

31. Loutz. 

32. Heer Spee. 

(Daaronder Haas, later met 
inkt doorgehaald), 

33. dese eerffbegraffenisse ver- 
koght den 14 Feber 1783 
met consent van de Heer 
Willem Thyssen als Oper 
Kirckmester aan Mevrouwe 
c°* (?) Paules, wedue Surin- 
gar (2) voor haar, en hare fa- 
milie voor de somme van 16 



(1) Er is nog een 3* kolom in het register met opschrift »In wat teydt de Groeven 
aan de kerck vervallen zyn« en een met opschrift: «Wanneer de selve weer zijn uyt- 
verkoght en aen Wienc In deze 4<' kolom is slechts één aanteekening, zie hierna 
N" 68 ; in de 3" geen. 

(>) Zie de Maasgouw 1882, p. 672 en 1888, p. 99. 



Digitized by 



Google 



— 402 — 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wie de groeven toe 
behooren. 



pattacons, in Cleeffs: 60 gul- 
dens 16 str. voldaan sal ge- 
broght worden in de reckenn- 
ge van den jaar 1783. 
Numero 33 in het Lieverowe 
paant. 

34. Van Soelingen. 

35. Van Soelingen. 

36. Van Soelingen. 

37. Verbeek. 

38. Roggus. Van Aerssen. 

39. Geestelijken heer Hermans. 

40. Hermans. 

41. Familje Nooten. 

42. Meenssen (Manssen?). 

43. Heer van Wessem. 

44. Heer van Darth. 

45. Heer van Darth. 

46. Coffers leit onder de bancke 
int clein koor. 

47. Metze. 

48. Kercke Graff. 

Dit ErfbegrafFenis verkogd 
aan de wed. van Asch den 
3 Novembris 1792. Voor 
agdendartig Gulde kleefs 
gelijk te zien in de rekening 
van het jaer 1792. 

49. Kercke Graff. 

50. Heer Hinssen. 

51. Adams leit onder de bancke. 

52. Kercke graff. 

53. Wassenbergh. 

54. Kerckegraff. 

55. Kerckegraff. 

(1) Dat is: die recht op dit graf hadden; 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wie de groeven toe 
behooren. 



56. Familje Smeets. 

57. Kistemackers. 

58. Kerckegraff: 
Erffbegraeffenisse van Maria 
Beugels weduwe van Leo- 
nardus Homus gekocht den 
30 Juny 1748 voor 13 specie 
pattacons, gelyck te sien is 
in de reeckeninghe van 't 
iaer 1748. 

59. Kerckegraff. 

60. Erbegraeffenisse van Hen- 
drick Cuypers en Maria Sax 
eheluyden gekocht den 6 
Meert 1751 voor acht specie 
pattacons gelyck te syn is in 
de reeckeninghe van het jaer 
1751 

61. Familje iMom. 

62. Kerckegraff. 

63. Kerckegraff. 

Dit Erfbegraffenis verkogd 
aan Gerardus Haas voor hem 
en sijne familie sonder serk 
voor tien rixdaelders gelyck 
te sien is in de reckening 
van het jaer 1803 den 19 
Januari 1804. 

64. Toma De Siangh. 

65. Eemans leit onder de banck 
maar syn alle doot(i). 

66. Kercke Graff. 

67. Kercke Graff. 

68. Kercke Graff. 

69. Leenders. 

zóó klinkt het allervreemdst. 



Digitized by 



Google 



— 403 — 



70. Kercke Graff. 

71. Kercke Graff. 

72. Kercke Graff. 

73. Kercke Graff. 

Einde der Groeven Int Live 
Vrouwe pant. 

Bladtwyser van de groeven 
leggende int Lieve Vrouwe 
pandt (1). 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wien de groeven 
toebehooren 



1. Kercke en heer Scherers. 

2. Kercke en heer Hinssen. 

3. Heer Swinckels en Boek- 
steger. 

4. Heer Jonckers en Kercke. 

5. Kercke en Kercke. 

6. Heer Duyker en heer Duyker. 

7. Heer Kels en Rongaerts. 

8. Kerck meen ick en Kerck. 

9. Heer Tiebo en heer Tiebo. 

10. Heer Doubes en Faldera. 

11. Heer Golten en Van Velden. 

12. Heer Duyker en Kercke. 

13. Cuypers en Cares. 

14. Hoghsteyn en Ojen. 

15. Heer Ojens en Kercke. 

16. Loutz en Heer Spee. 

17. Haas en Van Solingen. 

18. Van Soelingen (sic) Van So- 
lingen. 

19. Verbeek en Van Aerssen. 

20. Geestelijke Hermans en Her- 
mans. 

21. Nooten en Manssen. 

22. Heer van Wessem en heer 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wien de groeven 
toebehooren. 



van Dart. 

23. Heer van Dart en Goffers. 

24. Metze en Kerck. 

25. Kercke en Heer Hinssen. 

26. Adams en Kercke. 

27. Wassenbergh en Kercke. 

28. Kercke en Smeets. 

29. Kistemakers en Hoemus. 

30. Kercke en Hendrick Cuypers. 

31. Mom en Kercke. 

32. Kerke en Toma de Siangh. 

33. Eemans en Kercke. 
34 Kercke en Kercke. 

35. Leenders en Kercke. 

36. Kercke en Kercke. 

37. Kercke. 

Alhier begint het middel 
pandt beginde van den Au- 
taer met N° 1. 

1. Kerckegraff. 

2. Heer Bucken. 

3. Heer Gerkenraet. 

4. Kercke graff. 

5. Heer pastoor maar oock 
Kercke graff. 

6. Heere Capellans maer oock 
Kerckegraff. 

7. Fremde luyden 
verkoghten overgelaten deese 
erf begraffenis aan den Wel 
Edelen Heer Baron van Laar 
enzijnefamiljevoordesomme 
van 18 rixdaalders of 68guld. 
8st. Cleefsgelyck in de reeke- 



\}) Wellicht van latere bezitters. 



Digitized by 



Google 



404 — 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wien de groeven 
toebehooren. 



ning van het jaar 1797 ie sien 
is. 

8. Fremde luyden. 

9. Kercke graff. 

10 Heer van Beringen. 

11. Den 21 Jan. 1753 dese groeve 
verkocht met serck aen den 
Hoogh Edelen Heer Francis- 
cus Adamus van AefFerden 
President van den Ed. Hove 
alhier ende aen den Hoogh 
Ed. Heere Cornelius Ouden- 
rogge als weldoenders deser 
moeder kerck voor de somme 
van 30 specie pattacons gelyck 
te sien is in de reeckeninghe 
vant iaer 1752. 

12. Heere vant Capittel. 

13. Meeven. 

14. Bormans. 

15. Scheerers. 

16. Craenen en Caets. Den 19 
April 1793. 

Dit Erfgraf verkogd en over- 
gegeven ter begrafFenis van 
zijne doolugteg.hoogwaardig- 
heyd Den Heere Philippus 
Damianus Marquis van ende 
tot Honsbroek Bischop van 
Ruremonde primaat van Gel- 
derland etc. etc. eic. dienende 
alleen ter begrafFenis van bo- 
vengemelde ende daarvoor 
ontfangen 300 gulden Kleefs 
gelyk te zien is in de rekening 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wien de groeven 
toebehooren. 



van den jaare 1793. 

17. Heer Moutz. 

18. KerckegrafFsoomenseitmaer 
meen dat het van Hoornet of 
Scherers aengaet. 

19. Heer Requillée. 

20. ErfFbegraefFenis van de heer 
Joannes Hermanus Conraets 
faendraeger deser stadt ende 
jufifr. Catharina Margaritha 
Herbey Eheluyden gekocht 
den 5 December 1748 gelyck 
te seyn is in de reeckeninghe 
van het jaer 1748 voor 20 spe- 
cie pattacons, weduwe siende 

gekocht door dito jufFrouw. 

21. Kercke GrafF. 

22. Straaten. 

23. Heer van der Heyden maer 
nu aen de Kerck. 

24. Gaelens. 

25. Heer Heuts. 

26. Kercke grafF. 

27. Kercke grafF. 
Familie Lakevelt. 

28. Kercke grafF. 

29. Roomer. 

30. Roomer. 

31. Roomer. 

32 Kercke graf in de bancke. 

33. Schelbergh in de bancke, den 
zerk van dit grafF is op de 
KerkhofF gebragt ende de 
plaats door de famielie met 
plavuyse gedekt. 



Digitized by 



Google 



— 405 



Getal 

der 

Kotnbers. 



Aan wien de groeven 
toebehooren. 



34. Heer Heutz. 

35. Roomer. 

36. Scheerers. 

37. Schelbergh in de banke. 

38. Heer Peeters. 

39. Coen Faessen. 

40. Daers. 

41. Kerck in de banke (i). 

42. Kerck in de banke. 

43. Linnaes. 

44. Kercke graff. 

45. Heer de Paula. 

46. Kercke in de bancke. 

47. Dese erffgroeven is toebehoo- 
rende den Heer Petrus Piro- 
vano ende Margaritha Kolck- 
mans nu dessens heer soon 
Franciscus Pirovano adiu- 

dandt deser stadt Venlo. 

48. Dese erffgroeve verkocht met 
consendt van mijnheer den 
Rhaedts verwanten Swinckels 
den 4 Ap. 1753 aen mijnheer 
Ant. Adolphus Hermans Re- 
gierenden Borgemeesterdeser 
stadt voor ses specie pattacons 
gelyck te sien is in de reecke- 
ningh van t iaer 1752. 

49. Kerckegraff. 

50. Kercke in de banke. 

51. Kercke in de banke. 

52. Kercke in de bancke. 

53. Door den rhendant gekoght 
deese erffgroeve met een sarck 
ontrent den preekstoel behoo- 

0) Dat. is: het graf ligt onder een bank. 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wien de groeven 
toebehooren. 



rende deese groef! voor de 
heele familje en dat voor een 
summa van thien pattacons 
gelyck in de reekeninge vant 
jaer 1755 te sien is Dus Ver- 
heyen kerckmeester. Den 27 
December 1755. 

54. Heer Duyker. 

55. Kercke in de banke. 

56. Kercke in de banke. 

57. Kercke graff. 

58. Bartel of Waejong. 

59. Heer Verbeek. 

60. Kercke in de banke. 

61. Fandrager, Delmuele in de 
bancke. 

62. Rykens. 

63. Van Wanssem. 

64. Faendrager Van der Straeten. 

65. Postmeester Cl uy kers. 

66. Kerck in de banke. 

67. Croonenborgh. 

68. Erf begraflenisse van de wee- 
duwe van S' Petrus van 
Doesborgh voor haer en de 
naerkoemelinge van haere 
kinderen geleegen onder int 
middelpant N« 68 voor een 
summa van tien rixdalder 
gelyk te zyen is in de rekening 
vant jaer 1754. 

69. Meela. 

70. Kercke in de bancke. 

71. Kercke in de bankke 

72. Kercke in de bancke. 



Digitized by 



Google 



— 406 — 



Getal 

der 

Nombers. 



Aan wien de groeven 
toebehooren. 



78. KerckgrafF. 

74. Verkoght en overgelaeten een 
erfFgrafFaen Mons. Everardus 
Boom voor hetn en naerkoo- 
melingen van syn kinderen 
voor een summa van lOpatt. 
gelyk in de rekeningh vant 
jaer 1765 te sien is, gelegen 
onder int middelpant N° 74, 
orkoniVenlo den 15 February 

1766. 

75. Verkocht en overgelaeten een 
erffgraff aen den heer quar- 
tiermeester Leendert Tomas- 
sen voor hem en syn familje 
voor een summa van tien patt. 
N*» 75 int middelpandt den 
18 Meert 1765 gelyk ook in 

de rekening vant jaer 1765 te 
sien is. 

76. Carel Alberts. 

77. Huybers. 

78. Kerckmeester Jonckers. 

79. Kercke graff. 

80. Kercke graff. 

Einde der groeven int 
middelpandt (i). 

Bladwijzer van de groeven lig- 
gende int middelpant. 

43. Kercke en Heer Bucken. 

44. Heer Gerckenraet en Kercke. 

45. Heer Pastoor en Capellans. 

46. Fremde luyde en Fremde. 

(1) Wellicht van latere bezitters? 



47. Kerck en van Beringen. 

48. Kercke en het capittel (i). 

49. Meeven en Bormans. 

50. Scherers en Craenen. 

51. Heer Moutz en Kercke. 

52. Heer Requillée en Gonraets. 

53. Kercke en Straaten. 

54. Kercke en Gaelens. 

55. Heer Heutz en Kercke. 

56. Kercke en Kercke. 

57. Heer Roomer en Roomer. 

58. Heer Roomer en Kercke. 

59. Heer Schelbergh en Heutz. 

60. Heer Roomer en Scherers. 

61. Heer Schelbergh en heer 
Peeters. 

62. Coen Faassen en Daers. 

63. Kercke en Kercke. 

64. Linaes en Kercke. 

65. Heer de Paula en Kercke. 

66. Heer Provaen (2) en Her- 
mans. 

67. Kercke en Kercke. 

68. Kercke en Kercke. 

69. Verheyen en Duyker. 

70. Kercke Kercke. 

71. Kercke en Waejongh. 

72. Verbeeck en Kercke. 

73. Delmuele en Rykcs. 

74. Van Wansem en heer Faen- 
drager van der Straeten. 

75. Cluykers en Kercke. 

76. Faendrager Croenenborgh en 
Doesborgh. 

77. Meela en Kercke. 

78. Kercke en Kercke. 

79. Kercke en Boom. 

80. Toemassen en Alberts. 

(1) Dat is het parochiaal kapittel. 
O Lees Pirovano. 



Digitized by 



Google 



— 407 



81. Huybers en kerckmeester 
Jonckers. 

82. Kercke en Kercke. 

Alhier begint S'* Lucia ofte het 

Voorste Pandt beginde van 

den Autaer met N*» 1. 

1. Kercke grafF. 

2. Hermans. 

3. Cleyfort. 

4. Kercke grafF. 

5. Heer ontfanger Poel. 

6. Familje Poel. 

7. Herstraaten. 

8. Wynans. 

9. Kercke grafF. 

10. Kercke grafF. 

11. Kerckmeester Hinssen. 

12. Hertooghs. 

13. Van Gooi. 

14. Kercke grafF. 

15. Heer Cosveldt. 

16. Deursdaels. 

17. Fleysmans. 

18. Henrici. 

19. Kercke grafF, 

20. Kercke grafF. 

21. Kercke grafF. 

22. Familje Golte. 

23. Gilthuysen. 

24. De Munnich. 

25. Hermans. 

26. Kercke in de bancke. 

27. Kercke grafF. 

28. Kercke grafF. 

29. Kercke grafF. 

30. Kercke in de bancke en 
eynde vant coor. 



31. Van Gools en Blitterswick. 

32. Staels (JJaelsT). 

33. Kercke. 

34. Roomer. 

35. Sluers ofte Culitz. 

36. De Pasch. 

37. Kercke. 

38. Boomers. 

39. Sweyns. 

40. Kercke. 

41. Verbeek. 

42. Kercke. 

43. Kercke. 

44. Putz. 

45. Putz. 

46. Waerssaert ( Waerffaerit^. 
en Evers. 

47. Van Beringen. 

48. Kercke. 

49. Buegels en Beringen. 

50. Buegels en Huyshaeven. 

51. Roomer. 

52. Baron Stockum. 

53. Roomer. 

54. Creeckelmans. 

55. De Putz en Roomer. 

56. Kercke. 

57. Kercke. 

58. Kercke. 

59. Kercke. 

60. Schekers. 

61. Kercke. 

62. van Leewen. 

63. Kercke. 

64. Kercke. 

65. Kercke. 

66. Kercke 

67. Heer Heuu. 



Digitized by 



Google 



408 — 



68. Roomer. 


105. Aiberts. 


69. Kercke. 


106. Kercke. 


70. Mombach. 


107. Kercken. 


71. Kercke. 


108. Coenen. 


72. Kercke. 


109. Cartoo. 


73. Kercke. 


110. Erffgroeve. 


74. Hoekx in de Claesstraat. 


Den 30 Ap. 1752 dese groeve 


75. Kercke. 


verkocht ende overgelaeten 


76. , 


aen monsieur Remy Roux 


77. Molaniis. 


en Anna Jonckers eheluyden 


78. Vermaasen. 


voor devoiren gedaen aen de 


79. Kercke. 


kerck met schipvrachten van 


80. Kercke. 


Naamse steenen voor den 


81. Franke maer(i) heer Bote- 


dorpel aen de groote kerck 


nakel. 


als andere devoiren.voor den 


82. Kercke. 


serck betaelt ad twelf patt. 


83. Kercke. 


gelyck te syn is in dcreec- 


84. Kercke. 


keninghe vant Jaer 1752. 


85. Kercke. 


UI. Kercke. 


86. Kercke. 


112. Kercke. 


87. Kercke. 


113. Kercke. 


88. Familje Tony Theunissen. 


114. Kercke. 


89. Kercke. 


115. Kercke. 


90. Kercke. 


116. Kercke. 


91. Kercke. 


117. Kercke. 


92. Kercke. 


117. Kercke. 


93. Ltebergen. 


118. Kercke. 


94. Kercke. 


119. Kercke. 


95. Faendrager cnde Kerckmes- 


120. Kercke. 


ter T. Willetnscn. 


121. Kercke. 


96. Smeetz. 


122. Kercke. 


97. Kerck. 


123. Kercke. 


98. Graaven. 


124. Kercke. 


99. Kerck. 


125. Kercke. 


100. Kerck. 




101. Kercke. 


Einde der groeve int voorste 


102. Cruysberge. 


pant. 


103. Van Peldt. 


L. V. H. 


104. Kercke. 


Fecit. 



(}) Dat is: thans aan heer Botenakel. 



Digitized by 



Google 



— 409 — 

Getal 16 Groeven liggende op den Kerk HofF alwaar het oudt 

Nombcrs. ^een Huys heeft gestaen begind van N^ 1 tot N* 16 en 

aan wien de selve zyn verkoght. Lighte (i) kerkhofF achter 

by de duer aan de beeck daer altyt de kerck wegh is 

geweest. 

1. Den 21 Aug 1752 verkocht aen Petrus Michielse en Al- 
degondis Schick eheluyden voor 2 patt. Luyt reecke- 
ninghe van 1752. 

2. Den 1 Nov. 1752* heeft Jones Bart. Velman en Johanna 
Dinghs eheluyden gekocht voor 2 patt. Luyt recckeninghe 
van 1752. 

3. Den 22 Aprill 1782 heeft Johannes Ganter en Agnes Ep- 
tinger, eheluyden gekoeght een groeven op den kerckhooff 
volgens rekeninge van 1782 te vinden is. 

4 — 14. Niet ingevuld. 
15. Den 20 Juny dit graef verkocht aen Arnoldus Verbong 

en Allegondis Smets voor 2 pattacons. Luydt reeckeningh 

1752. 
15. Den 14 Decem. 1751 dit graef verkocht aen Joannes Ser- 

vaas voor eenen pattacon volghens reeckeninge vant iaer 

1752. 



Hier volgt de plattegrond der kerk en daarna de aanwijring 
der daarop met nummers aangeduide grafsteden. 



(}) dat is: ligt op het 



Digitized by 



Google 






(N 


+ 

+ 

+ 
+ 

+ 






1-1 




» 




« 


♦ 






« 




SHHOHD 


+ 
+ 
+ 




•>* 




- 1 




co 


















+ 








O» 


co 


in 






Monumeritum 
Eclesiae. 

8 












=0 






^^ 


^ 






























O 








t- 


CO 


09 


co 








+ 


+ 
+ 
+ 






+ 




CHORUS. 


+ 



Digitized by 



Google 




» + 




El 



+ + 



H 




hhE] 



E 





+ 




S 












ïS + 


1-H 










— 1-4 


+ 




QO 



§5 




in 






c^ 






c 
go 

O) 

jo 

J= 



'u^ypuisq 



o 

% 

''S 






Digitized by 



Google 



412 



1. Den heere Bucken, racdsver- 
wante. 

2. Den scheepen mijnheer Bri- 
tone. 

3. Den EE. heer pastor. 

4. DenEE.heerenCappellaenen. 

5. Den EE heere Oien. 

6. Pro Ecclesia. 

7. Egbertus Duyckers ook van 
Offels of Beringen. 

8. De Kerckc. 

9. De heeren Gapiteleeren. 

10. Lucia de Grauw 

11. De Kercke. 

12. Boermans oock Daers. 

13. Mathis Scherders. 

14. Den ontf. in de Betouw. 

15. Slingelandt.EE.heerenMouts 
f voor de Kercke. 

Onder den dorpel. 

1. Van der Heyden. 

2. Wed. van der Straeten. 

3. Anna Galley. 

4. Heutsz. 



5. Dry den heere Scholtus. 

6. Heutsz. 

7. Stalbergens kinderkens. 

8. Goen Faessen, alias Hend. 
Daers. 

9. dubius (1). 

10. Gatharina van Gousvelt pro 
ipsa persona. 

11. Lom Daers, ontfanger. 

12. Organista cum uxorc. 

13. Pro Eclesia (sic). 

14. Privano (2). 

15. Pro Eclesia (sic). 

16. De familje van den raedheer 
Duyckers. 

17. Bartel Philips. 

18. (?) Monen. 

19. Math. Musemuelen. 

20. Wed. van der Straeten. 

21. Familij van Croenborgh. 

22. Pro Eclesia (sic.) 

23. De familij van Noy Melle. 

24. Pingellaer. 

25. Huberts. 



(i) Hier is bedoeld dat het twijfelachtig is wie de bezitter is. 
(') Pirovano. 



Digitized by 



Google 



EEN HEKSEN-PROCES 

GEVOERD TE LIMBRICHT IN DE ZOMERMAANDEN VAN 1674. 



Het Rijksarchief ie Maastricht bewaart de stukken eener vervol- 
ging in Juli 1674 voor Schout en Schepenen te Limbricht ingesteld 
tegen eene oude vrouw genaamd Entgen Luyten, weduwe van 
Jacobus Boven die Erdt, verdacht van hekserij en tooverij, 
wellicht het eenig proces van dien aard in zijn geheel nog be- 
waard, dat zich in voornoemd Rijksarchief bevindt. Wij zullen 
trachten, voor zoover die zeer onduidelijk geschreven stukken te 
ontcijferen zijn, een trouw verslag van dit eigenaardig proces te 
geven, dat reeds met het oog op den tijd, waarin het gevoerd 
werd, immers het laatst der 17« eeuw, merkwaardig mag worden 
genoemd. 

De verdachte, die te Lutterade, toen schepenbank en parochie 
Geleen, thans gemeente van dien naam, was geboren, eerst gerui- 
men tijd te Valkenberg en vervolgens gedurende 44 jaren onaf- 
gebroken te Limbricht had gewoond en die, blijkens hare ant- 
woorden, eene arme vrouw was, welke met moeite in haar onder- 
houd kon voorzien, werd in Juli 1674 aangehouden en gevangen 
genomen wegens „hexerei oder quaede Zauberei". 

Bij haar eerste verhoor, dat plaats vond den 21 Juli 1674 en 
slechts over algemeenheden liep, verklaarde de verdachte met 
nadruk dat zij niet wist wat hekserij of tooverij was en zich ook 
nooit daaraan schuldig had gemaakt. Nu volgden van 22 Juli tot 
aan het einde dier maand verhooren van getuigen, zoodat de fiscaal 
van het gerecht te Limbricht, zekere Herman Tacken, in de eerste 
dagen van Augustus 1674 voldoende gegevens verzameld achtte 

28 



Digitized by 



Google 



— 414 — 

om een „Klaglibeir' (naar de tegenwoordige rechtspraak ongeveer 
gelijk staande met het in art. 81 Sv. bedoelde requisitoir tot het 
verleenen van rechtsingang) bij Schout en Schepenen van het 
gerecht te Limbricht in te dienen. Bij de meeste gerechten in 
Limburg vervulde de Schout het ambt van vervolger in straf- 
zaken, dus wat wij thans Openbaar Ministerie noemen. Te Lim- 
bricht schijnt het anders te zijn geweest. Daar was de vervolging 
opgedragen aan den „Anwalt Fisci". De Schout scheen daar alleen 
voorzitter der schepenbank te zijn. Hij vervulde dus de rol, die 
in het tegenwoordig Duitsch strafproces wordt vervuld door den 
Amtsrichter als voorzitter van het SchöfFengericht. 

Daar dit „Klaglibell", dat de dagteekening van 4 Augustus 1674 
draagt, ons voorkomt het meest belangrijke stuk van het proces 
te zijn en men in dat stuk noodwendig ook al de punten van aan- 
klacht moet aantreffen, deelen wij deszelfs inhoud hier getrouw 
mede. 

De fiscaal vangt aan met de mededeeling, dat hij tegen de ver- 
verdachte een klaagschrift indient en het gerecht verzoekt haar 
op de verschillende punten te hooren, door haar bij ieder punt 
af te vragen of het haar voorgehoudene waar of onwaar is. Nu 
volgen deze punten en vragen: 

1. Stelt hij zoowel in de H. Schrift als in het geestelijke en 
wereldlijke recht ook in de wetgeving van het H. Roomsche Rijk 
op zware straffen, aan iedereen, van welken stand hij zijn moge, 
verboden is „einige Zauberei treiben und dadurch anderen leuthen 
ahn Leib, gesundtheit, gutt oder viehe schaden zufuegen. 

2. dat iedereen verplicht is ^sich alles Verdachts der Zauberei 
frey machen und durchaus keinen auf sich laden soUe. 

3. dat de verdachte zich niet gevrijwaard heeft voor het ver- 
moeden van tooverij. 

4. dat de beklaagde in haar doen en laten zich zoo gedragen 
heeft, dat in deze vrije Heerlijkheid Limbricht en omgeving „ein 
allgemein starck und hefftig Geschrey" en gerucht ontstaan is 
en nog bestaat, dat beklaagde eene toovenares en heks is. 

5. dat deze algemeene roep, op goede gronden berust. 

6. dat de beklaagde haar voornoemden man Jacob boven de 
Erdt, die bij den bierhuishouder op Lichtenberg, Gorten van 
Neusz, was gezeten voor ongeveer 26 jaar, des avonds was nage 



Digitized by 



Google 



— 415 — 

komen en, nadat deze uit een pot bier die hij in handen had, haar 
toegedronken had en zij onmiddellijk daarop Gort van Neusz 
ook toegedronken had en den pot overgereikt en deze ook een 
dronk daaruit gedaan 

7. Gort daarna zich over dien dronk tegen zijne vrouw beklaagd 
en gezegd heeft »ich hab da einen Trunk gethaen, so mich insz 
Grab führen wirt". 

8. dat Gort „alspald krank worden und in seine langwie- 
righe Kranckheit sowohl als in seine Sterbstund sich dessen be- 
klagt mit vermelden er wehre durch angerechten von beklagtin 
ihme zubrachten Trunck bezaubert worden, und dass darauf 
leben und sterben thate wie er auch darauff gestorben ist". 

9. dat Aleth, de dochter van Zietzen Bruggen nu 6 jaren 
geleden met verdachte in het veld te Limbricht geweest is, toen 
geheel gezond zich naast haar heeft neergezet, maar onwel is op- 
gestaan, en naar huis gekomen betooverd, lam en kreupel naar 
bed gedragen moest worden. 

10. dat dit meisje eenige dagen lam en kreupel is gebleven en 
dat toen aan Trieneke, de moeder van het kind, de raad is 
gegeven „von diejenige, welche ihre Tochter bezaubert Saltz und 
Brot umb Gottes wille bitten und selbig dem magdtgen eingeben 
soUe". 

11. dat Trieneke bij haar verdachte brood en zout heeft ge- 
bedeld, dat zij zulks aanvankelijk heeft geweigerd, doch eindelijk 
als Trieneke 

12. naar haar voorgeven, in de drie „benachbarten Hausern Salz 
und Brott bettien mueste, und darumb lang angehalten, selbig ihr 
mitgetheilt und geben, Sie aber esz gemelter derro lam und 
kruppeler tochter zu essen gegeben habe. 

13. dat de dochter van Trieneke, nadat zij dit „Salz und Brott" 
had gegeten, hare vorige krachten en gezondheid heeft terug 
erlangd en van het bed is opgestaan. 

14. dat daarna drie koebeesten van Zietzen Bruggen betooverd 
zijn geworden, krank werden en gestorven zijn. 

15. dat Bruggen haar openlijk voor heks heeft uitgescholden en 
dat zij deswege den 10 September 1668 tegen hem bij dit 
gerecht een „libellum pretensarum injuriarum" heeft ingediend, 
dat zij zelfs daarvoor 500 goudgulden amende tegen Bruggen heeft 



Digitized by 



Google 



— 416 — 

geëischt en herroeping der beleediging en dit „processum famosum'* 
tot in Juni 1669 heeft doorgevoerd. 

16. dat zij dit proces tegen Bruggen niet heeft vervolgd, maar 
daarentegen die onverantwoordelijke „Lasterung" heeft op zich 
laten rusten. 

17. dat verdachte ongeveer 5 jaren geleden aan Arnold Geisgens 
heeft verzocht, dat hij haar eenig land zoude beakkeren, deze 
zulks echter aanvankelijk heeft geweigerd; dat zij vervolgens hem 
den huurprijs vooraf betaalde met een vat tarwe, waarop hij 
dit voor haar deed en het land bezaaide. 

18. dat 8 of 9 dagen later bij Geisgens een paard ziek werd 
en gestorven is en dat bij gelegenheid der opening van het lijk 
allerlei soort van giftige dieren gelijkende op crocodillen daarin 
gevonden zijn. 

19. dat 3 of 4 dagen later zijn ander paard ziek werd, doch 
door medicamenten genas. 

20. dat bij Geisgens vervolgens vier stuks rundvee en nog een 
paard beiooverd en gestorven zijn en dat zich bij de lijkopening 
in het paard allerlei gift als slangen, zelfs slangen ter lengte van 
een halve arm aanwezig bevonden. 

21. dat Geisgens en zijne vrouw haar toen hebben toegevoegd 
„du Carogne (i), du Hex, was kan es dich helfFen dasz du mir 
mein pferdt und Kuhebeesten bezaubert und mich verdorben 
habst. 

22. dat G. haar toen heeft vastgegrepen „sterk abgepreugelt und 
auf ihre Heuth hart geschlagen". 

23. dat zij hem daarover bij dit gerecht heeft aangeklaagd, zelfs 
twee klaagschriften heeft ingediend, doch spoedig daarna 

24. aan Geisgens heeft gezegd „antwortet nit aufF meine in 
gericht ubergebene schriftt, .... sondern schweiget still und ich 
werde auch stillsch weigen". 

25. dat zij het „processum famosum" (2) had laten steken en 
de haar verweten tooverij en hekserij andermaal onveranderd op 
zich had laten zitten. 



(1) Kreng, een scheldwoord nog, ook in den Franschen vorm gebruikt. 
O Letterlijk op te vatten het woord famosum, n.1. proces wegens de faam of 
den goeden naam. 



Digitized by 



Google 



— 417 — 

26. dat van Rhenier Hermansz, de naaste nabuur van beklaagde, 
op Palmzondag 1.1. eene koe krank geworden en gestorven is, 
bij welker lijkopening aan het hart eenig gift is gevonden, waarna 
in Mei eene koe op dezelfde wijze is verongelukt. 

27. dat voor ongeveer een maand geleden bij Thomas Welschs 
eene koe ziek werd „und derselbe alle naturliche milch be- 
nommen" waarvoor Welschs geneesmiddelen aanwendde en ge- 
noodzaakt werd „beym leyenhaus dafür Tranck zu hohlen" en 
daar verstaan heeft (^) „dass die Kühe bezaubert gewesen und 
dafern er nit zeitlich dahin kommen wahre, esz bei selbige nit 
plieben sein soUe. 

28. dat op Dinsdag 17 Juli jl. de beklaagde in hare weide 
en hare dochter Grietgen op een kersenboom was gezeten en 
kersen had afgeworpen en tot hare moeder o.a. gezegd had, wat 
raad, het paard van mijn heer is gansch krank, als het sterft zal 
men u betichten dat gij het gedaan hebt en gij zult gevat worden; 
dat zij daarna den boom met weenende oogen verlaten had. Dat 
dit paard ook gestorven was en gift er ingevonden werd. 

29. dat zij „peinlich" beklaagde, door voor verhaalde en andere 
euveldaden den naam van heks of toovenares op zich geladen heeft 
en als zoodanig in de vrije heerlijkheid Limbricht en omstreken 
bekend stond 

30. dat zoowel in het algemeen geschreven recht als in de crimi- 
neele „gerichtsordnung" van Keizer Karel V en van het Roomsche 
Rijk is vastgesteld dat als een persoon als zoodanig beticht en 
befaamd is „solches ein redtliche gnugsahme Anzeig der Zauberei 
und eine gnugsahme Ursach zu scharfere peinliche fragh seie" (2). 

31. dat ter ontdekking der waarheil de verdachte, ook tenge- 
volge van haar eigen verzoek van 21 Juli 1.1., aan den scherp- 
rechter moet worden overgeven, opdat deze door „strengere, hartere 
und scharfFere peinliche Fragh" haar tot bekentenis brenge en zij 
voorts „nach befinden zum Todt und feuer zu verdammen seie". 

Ziedaar de opsomming der feiten die de fiscal Tacken aan de 
verdachte ten laste legt. Die feiten nu wettigen volgens hem het 
verzoek dat hij doet aan het gerecht te Limbricht: 



(^) Daar woonde zeker iemand die verstand van tooverij had. 
C^) Woorden van § 44 der Const. Grim. Carol. 



Digitized by 



Google 



— 418 — 

om de verdachte die door vorenstaande „Uebelthaten der Zau- 
berei hochlich verdachtiget und- berüchtiget, dahero zue auss- 
bringung der lieber wahrheit zur scharffere peinlich harte Fraege 
zu verdammen und demnegst nach befindung zu sententiren und 
zu urtheilen seie, dan sie beklagtin wieder Gott und die heilige 
gebott, wieder geist- und weltlichen rechten wieder keiserliche 
und des H. Romischen Reichs, peinliche gerichtsordnung groblich 
gesundiget und mishandelt habe, und derwegen, anderen zum ab- 
scheulichen exempell, ihr selber aber zur wollverdienter strafF, 
ahn Leib und Leben alsz ein Hex und Zauberin mit den Todt 
und Feuer zu bestraffen seie idque cum expensis". 

Dus een requisitoir tot toepassing der tortuur. 

Dienzelfden dag, zijnde Zaterdag 4 Augustus 1674, vond het 
verhoor der verdachte voor Schout en Schepenen te Limbricht plaats. 

Hare antwoorden waren de volgende: 

Ad. 1. dat zij aan tooverij onschuldig is, dat zij overigens mag 
lijden dat „wann sie inhaftirte darahn einige Schuldt tragen oder 
haben würde dasz man ihro, ihr herz lebensleibsz auszschneiden, 
oder aber lebens Leibs verbrennen solle". 

Ad. 2. dat zij „keine Zauberey kenne, dan solches sich nun 
und in der ewigkeit nicht besünden solle". 

Ad. 3. dat zij als voren „keine Zauberei kan". 

Ad. 4. antwoordt negative. 

Ad. 5. antwoordt negative „und dasz ihro solches niemandt vor 
ihr Heufft gesagt oder die Tag ihres Lebens beweiszen habe". 

Ad. 6. dat het wel waar kan zijn, dat zij haren man Jacob 
boven die Erdt gevolgd was, doch dat het overige onwaar is. 

Ad. 7. antwoordt zij daarvan niets af te weten. 

Ad. 8. antwoordt neen, en voegt daaraan toe, dat als het waar 
geweest ware wat Gort von Neusz beweert, deze zich te bekwa- 
mer tijd bij den Landsheer daarover had moeten beklagen. 

Ad. 9. dat zij noch ter plaatse, noch in de omgeving zich 
bevond. 

Ad. 10. anwoordt beklaagde dat zij aan de moeder van Trie- 
neken op haar verzoek zout en brood heeft gegeven en zonder 
te vragen waarom van den aanvang af dat de vrouw haar had te 
kennen gegeven, dat zij zich in drie huizen moest vervoegen om 
zout en brood te bedelen. Dat zij overigens alle schuld ontkent. 



Digitized by 



Google 



— 419 ~ 

Ad. 11. antwoordt dat zij het gebedeld zout en brood in den 
oogsttijd had gegeven aan Trieneke. 

Ad. 12. verwijst zij naar haar antwoord op de vorige vraag. 

Ad. 13. antwoordt dat zij daarvan niets weet. 

Ad. 14. dat van Zietzen Bruggen eenige koebeesten gestorven 
waren, doch dat zij van geen tooverij iets weet te zeggen. 

Ad. 15. antwoordt, dat Bruggen haar nimmer voor eene heks 
had uitgescholden, overigens verwijst zij naar het tegen hem 
gevoerd proces. 

Ad 16. antwoordt zij, met verwijzing naar vorige antwoorden, 
dat zij uit gebrek aan geld het tegen Bruggen begonnen proces 
niet heeft kunnen doorzetten. 

Ad. 17. antwoordt zij, dat haar neef Martin Schmitz, haar 
geweigerd had een stuk land te beploegen, tenzij zij zich te voren, 
wegens Aletha, de dochter van Zietz had verdedigd, waarop zij 
zich beroepen had op Arnold Geiszgens, dat hij voor haar land 
had beakkerd en zij, zoover zij wist, hem het akkerloon niet dan 
met geld betaald had. 

Ad. 18. antwoordt zij, daar niets van te weten. 

Ad. 19. daar evenmin iets van te weten. 

Ad. 20. antwoordt insgelijks. 

Ad. 21. antwoordt zij, dat werkelijk Arnold Geisgens haar, toen 
zij zich op haar beemd bevond, haar tot drie malen met eenen 
grooten stok in de rechter zijde geslagen had dat zij daarvan dui- 
zelig was geworden en bloed geurineerd had en dat hij haar heeft 
toegevoegd „du hast mich verdorben und auch Martinen Schmidt". 

Ad. 22. ontkent zij, met verwijzing naar hare vorige antwoorden. 

Ad. 23 ant>voordi zij, dat zij werkelijk daarover Geisgen bij 
den Schout heeft aangeklaagd, en dat deze toen twee buren als 
getuigen heeft bijgebracht en hare klacht is afgewezen. 

Ad. 24. antwoordt zij, dat dit onwaar is. 

Ad. 25. antwoordt, daar niets van te weten. 

Ad. 26. antwoordt zij, dat zij bij de lijkopening is tegenwoordig 
geweest, dat zij echter aan dit feit geen schuld had, en dat zij 
het beest ook niet betooverd had „weil Sie inhafftirte kelner 
Zauberei gestandig wehre". 

Ad. 27. antwoordt zij, de koe geen kwaad te hebben gedaan. 

Ad. 28. antwoordt ontkennend. 



Digitized by 



Google 



- 420 — 

Ad. 29. antwoordt zij eveneens ontkennend. 

Ad. 80. antwoordt zij, dat wanneer men van oordeel is dat zij aan 
„einigen Unthat" plichtig is, men den scherprechter moet ontbieden 
^mi't deni anhang sie moge erleiden .... dasz man sie probando 
auffs waszer werffen oder aber ietz gesachter maszen auf die Tortur 
bringen laszen solle. 

Ad. 31. antwoordt zij, dat zij volhardt bij hare verklaringenen 
dat zij overtuigd is dat men om harentwege den scherprechter 
hierheen had ontboden. 

Daarmede liep het verhoor ten emde. 

Het Limbrichtsche gerecht beschouwde de feiten in het klaglibel 
opgesomd als vermoedens van tooverij en beval diensvolgens 
nader getuigenverhoor. Dit vond plaats den 13 Augustus 1674 op 
welken dag tien getuigen werden verhoord. De eene getuige kwam 
verklaren dat hij verdachte voor eene heks hield, de andere 
daarentegen zeide het niet te weten. 

De zaak bleef intusschen slepende. Den 22 Augustus 1674 
ontmoeten wij een verslag van den fiscaal Tacken aan de schepen- 
bank, waarin hij mededeelt, dat de verdachte aan den gerechts- 
bode Kanis had gezegd „Sie wolte gegen hiesigen Landsherren 
nicht procediren, wehre auch nit gesinnet in dieser Sachen einige 
advocaten noch procuratoren anzunehmen", welk verklaring zij 
vrij van banden herhaalde en dit tevens er aan toevoegde dat 
„sie keine hexerei kenne noch darab wissenschaft habe"; ook 
had zij verzocht „dass man Sie, ad probandum, auffs wasser 
werffen und also probiren auch auf die Tortur pringen lassen solle". 

De eerste verklaringen komen het schepengerecht zoo gewichtig 
voor dat wij ze telkenmale in het vervolg in de akten vermeld 
vinden. Wat kunnen die woorden „dat verdachte er van af zag 
om tegen den landheer te procedeeren" beteekenen? Ons komt 
het voor, dat zij terugzien op eenig hooger beroep. Wel stond 
vast als regel dat in de Duitsche rijkslanden geen appel in straf- 
zaken was toegelaten, zoodat in elke heerlijkheid de strafzaken 
zoowel in de geringste als in de zwaarste zaken onherroepelijk 
werden beslist (Gutten, Institutiones juris public! Gernianici : 
Unusquisque status in suo territorio habeat omnem potestatem 
criminalem nee appellari ad Caesarem ejusque tribunalia in 
causis criminalibus potest." lib. VII. cap. 2). Doch het recht van 



Digitized by 



Google 



— 421 — 

den heer der heerlijkheid Limbricht (i) in dezen scheen niet zoodanig 
boven twijfel verheven te zijn, dat de ontvankelijkheid van een even- 
tueel appel op zijn souvereiniteitsrecht zoude afstuiten. Van daar dat 
men er waarschijnlijk op bedacht is geweest om aan de verdachte 
de verklaring te ontlokken dat zij de bevoegdheid in dezen van 
het Limbrichtsche gerecht niet zoude betwisten. 

De moderne wetgevingen schrijven voor, dat in strafprocessen 
van belang de beklaagde worde bijgestaan door eenen rechtsge- 
leerde, ook zelfs tegen den uitgedrukten wil en het verlangen 
van den beklaagde in. 

Die verplichting waardeert men, wanneer men ziet hoe in een 
geding als dit eene onwetende dorpsbode de verdachte weet over 
te halen om af te zien van rechtsgeleerden bijstand en het gerecht 
met onverholen vreugde het besluit der verdachte begroet. 

Het verzoek der verdachte „dass man sie aufFs wasser werfe" 
staat blijkbaar in verband met de in heksenprocessen bekende 
Wasserprobe of Hexenbad, waarbij werd aangenomen, dat zoo een 
aan handen en voeten gebonden persoon op het water bleef boven 
drijven, dit als een bewijs van schuld moest worden aangemerkt. 

Den 29 Augustus 1674 dient andermaal de fiscaal Tacken een 
verslag aan de schepenbank in. Dit verslag resumeert het bewijs 
dat tegen verdachte is geleverd. Zien wij nu, wat hij mededeelt. 

Hij acht bewezen door bekentenis der verdachte (,jrechten") 
de feiten sub 1, 2 en 3 en door getuigenverklaring die sub 6, 7, 
8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 van het libell. Wat punt 15, 16 en 24 
betreft had zij veeleer gratis moeten procedeeren (wegens armoede) 
dan het proces van laster laten rusten, die sub 17, 18, 19, uit 



(1) Limbricht werd, toen de Franschen in 1673 Sittard verwoestten, nog als vrije 
Rijksheerl ijkheid gespaard, dus niet gerekend tot het gebied van den Keurvorst van 
den Palts als hertog van Gulick, waartoe Sittard behoorde]; echter maakte deze 
hertog er al lang aanspraak op als suzerein en werkelijk, gelijk uit een Keurpaltzische 
holkalender blijkt (zonder titelblad, slechts gedeeltelijk nog aanwezig en op het Rijks- 
archief alhier bewaard, zoodat het jaar van uitgave onbekend is), dat Adriaan Constant 
van Hentinck van 1720 zitting had wegens Limbricht bij de ridderschap der Staten 
van Gjilick. Zijn souverein recht in crimineele zaken werd daardoor niet verkort, 
ook de *Unterherren" hadden dit, zoo in Gulick als elders, doch wellicht werd hem 
door den hertog van Gulick alle crimineele rechtspraak betwist, ja de rechtspraak in 
't algemeen, alsof Limbricht in het Guliksche ambt Borne ware geênclaveerd en aan 
het ambtsgericht aldaar onderhoorig. 



Digitized by 



Google 



— 422 — 

verklaringen der getuigen, alsmede die sub 27 tot en met 29, 
terwijl de feiten sub 30 en 31 gesteld „auss gemeinen rechte" 
alsmede uit de crimineele gerechtsordonnantie van Keizer Karel V 
en van het Heilige Roomsche Rijk voortvloeien. 

De juristerei van Tacken meet in den breede ten nadeelc der 
verdachte uit, het verschijnsel dat zij te Limbricht voor eene heks 
werd gehouden, indachtig aan S 19 der Gonst. C. C, waarin bij 
aanklacht van tooverij als aanwijzing daarvan wordt aangeduid 
„ein redliches Wahrzeigen aber auch blosser Argwohn Verdacht 
und Vermutung." 

Geen wonder dan ook, dat de fiscaal, met een beroep op 
Jacobus Menochius, De praesumptionibus lib. I quest. 89 n* 32 
en 34 en op Gilhaeus, Arbor lud. Grim. Gap. VI § 5 n** 27 en 40 
concludeert en de Limbrichtsche Schepenbank verzoekt dat deze 
verdachte „zur erfroschung der lieben wahrheit nummehr ad 
torturam zu verdammen". 

Het schepengerecht had met de zaak geen haast. De verdachte 
zat veilig achter slot en grendel en het duurde nu tot 10 Sep- 
tember 1674 eer iets geschiedde. 

Het gerecht moest nog steeds eene beslissing geven op des 
fiscaals eisch van 29 Augustus 1674 om de verdachte door middel 
der pijnbank tot bekentenis te brengen. Blijkbaar was men met 
de zaak verlegen, zoodat men zijne toevlucht nam tot de bepaling 
van § 7 der Garolina bepalende dat in geval van twijfel „ob 
des fürgebrachten Argwohns und Verdachts zu peinlicher Frage 
gnugsam waere oder nicht" de rechter de meening van eenen 
rechtsgeleerde over de zaak behoort in te winnen. Daarom de- 
creteerde het gerecht den 10 September 1674: „solle dieser pein- 
lich Sachen verfolg zu impartheischen rechtsgelehrten ad refe- 
rendum hinauf geschickt werden und demnegst aufF desz fiscali- 
schen Anwalten ferner förmblich anruffen daerinen ferderlichst 
ergehen wasz rechtens". 

De zaak werd nu in handen gesteld van zekeren Nicolaus Hel- 
gers, die daarover een zeer uitvoerig rapport (het stuk draagt geen 
dagteekening) uitbracht. 

In dit rapport worden de verklaringen der getuigen en de ver- 
hooren der verdachte medegedeeld. Of de feiten in het libel op- 
gesomd en die den grondslag der aanklacht vormen b. v. het 



Digitized by 



Google 



— 423 — 

sterven van vee, het ziek worden van menschen enz. zich ook 
langs natuurlijken weg laten verklaren, zoodat dit alles ook zoude 
kunnen zijn geschied, wanneer b. v. de verdachte afwezig of zelfs 
dood ware geweest, daarover vernemen wij niets in een verslag 
van zeven bladzijden folio. Blijkbaar stond het ook bij Helgers 
a priori vast, dat tooverij in 't spel was en achtte hij het 
onnoodig te onderzoeken of het paard van Geiszgens en de koe van 
Hermans soms ook waren gestorven tengevolge eener dagelijks 
voorkomende kwaal. Waarom zou hij eene zoo voor de hand lig- 
gende vraag behandelen, nu vaststond dat er tooverij was gepleegd 
en hij zijne roeping als rechtsgeleerd adviseur zoo opvatte, dat hij 
alleen had te rapporteeren of het bewijs voldoende was geleverd? 
In den breede weidt Helgers uit over de „fama publica" de 
openbare roep van tooverij. Hij beschouwt die fama publica 
als een gewichtig bewijs en haalt zelfs de beruchte uitspraak van 
Joannes Bodin aan „quod in eo (crimine magiae) quia sunt 
tam difficiles probationes, tam abdita scelera, ut ex millenis vix 
unus merito supplicio affici queat necesse non sit religiose quem- 
quam inhaerere regulis procedendi sed extra ordinem oporteat 
fieri illius judicium, diversa a caeteris ratione", doch haalt ook 
deze uitspraak aan: „quod nemo (nisi?) ex certis indubitatisque 
indiciis condamnari possit^' van Hippolytus de Marseliis, en zegt 
in het hem toegezondene proces „ich . . . keine voUige clare undt 
zur endlicher Verdammung erforderte probation wider die peinlich 
beklagtin Endtgen Luyten vorhanden sehe". 

De slotsom van het rapport was, dat Helgers aanraadde de 
verdachte nogmaals te confronteeren met de getuigen en nieuwe 
getuigen aan te voeren, die te goeder faam stonden, hun naar de 
oorzaak hunner wetenschap te vragen en, zoo dan de verdachte 
blijft ontkennen schuldig te zijn aan tooverij, haar „mit der 
Tortur" eerst te bedreigen en dan „wo möglieh zur Bekandtnus" 
te brengen. 

Vóór dat echter het verslag van Helgers de Schepenbank had 
bereikt, waren nieuwe elementen in het proces gebracht. In den 
regel waren het arme oude vrouwen, die van hekserij werden 
aangeklaagd. Geen wonder dat een langdurig verblijf in gevan- 
genisholen, zooals zij toen op het platteland bestonden, verbonden 
met de kwellingen die zulke vervolging medebracht, dikwerf op 



Digitized by 



Google 



— 424 — 

het verstand van nadeeligen invloed waren. Entgen Luyten had, 
blijkens hare menigvuldige verhooren, bewezen in verstandelijke 
ontwikkeling eer boven dan beneden de meeste dorpsbewoners te 
staan. Hetgeen nu voorviel bewijst welken invloed het verblijf in 
de gevangenis op haar uitoefende. 

Den 3 October 1674 verscheen de gerechtsbode Versteinen voor 
den fiscaal en deelde dezen een onderhoud mede dat hij met ver- 
dachte in de gevangenis had gfehad. Tacken stelde onmiddellijk 
daarop de volgende vragenlijst op: 

I. „Ob sie inhaftirte nit bekennen muss, gegen den gerichtsbotten 
verscheidener reisen gesagt zu haben, dass Sie vom TeufFel 
besessen wehre und derselb ihr in die Ohren und im Halsz keme. 
Auch wan sie bitten wolte, alsdan der bose Feind mit solchen 
Stanck zu ihr kame sitzen, dasz Sie darab uber ruggen fallen 
muszte: Si ita, ferner zu fragen: 

1 part. Wir lange Zeith Sie von den Teuffell beseszen seie und 
mit selben einige GemeinschafFt gehabt. 

2 part. Ob derselb Sie zu ausschlagung der glasfinstern (?) 
gezwungen und darzu mitgeholfFen und ob er Sie inhaftirte in 
sein Gewalt habe. 

II. „Ob Sie gleichfalsz gegen ihme gerichtsbotten nit gesagt dasz 
ihre Schamheit so dick wehre, dasz Sie derwegeschwehrlich sitzen 
oder liggen kontte; si ita ferner zu fragen. 

1 part. Wohin solche Aufschwellung und dickte ihren Scham- 
heit entstanden seie. 

2 part. Ob Sie mit den TeufFel Sich nit fleischlich vermischet 
habe, und wie langen Zeith solches geschehen und continuirt seie. 

III. „Ob nit wahr, dass sie heiszigen gerichtsbotten vor 5 oder 6 
tage angegrienen hat gleich eine Katz. wauber wauber gerueffen 
und mit Umbkehrung der Augen gemawet, den mondt scheiff 
gezogen und sich so erzeigt habe, als wann den leibhaftigen Teu- 
fell in hette, si ita, ferner zu fragen. 

Part. Ob Sie nitt bekennen und beiahen meuss, dasz diesesein 
klares anzeichen der hexerey und esz auch auss hexerij geschehen 
seie. Celera (get.) Herm. Tacken qqa. 

Zulke vragen werden tegen het einde der XVII« eeuw door de 
magistratuur ter beantwoording gesteld. Slechts één stuk zooals 
het bovenstaande leert ons meer omtrent het intellectueel gehalte 
van hen die toen het recht bedeelden, dan stapels boeken. 



Digitized by 



Google 



— 425 — 

Dienzelfden dag nog had het verhoor plaats, blijkens hetgeen 
volgt : 

Mittwoch den 3 Oct. 1674. 

Tacken Anwalt fisci wieder inhafftirte bove die Erdt, ubergab 
nach fernere specialia interrogatoria bittent inhafftirte darüber zu 
erfragen und derer aussag treulich zu beschreiben. 

Antwortung ad ulteriora specialia interrogatoria. 

Ad 1° speciale, antworttet besagte inhafftirte, relaxatis vinculis, 
dass ihro ein boser Geist in die ohren einkommen, und wan sie 
bitten wolte der boser Geist ihr in ihrem Halz kame. 

Ad 1° particulam antwortet dasz wohll drey wochen gelitten, 
dasz der bose geist in ihren ohren einkommen seie. 

Ad 2« particulam antwortet nein. 

Ad 2« speciale interrogatorium, antwortet dasz durch dem liggen 
ihr geseesz oder rechter basz auffgeschwollen, hicque cessant la et 
2 particulae. 

Ad 3« interrogatorium antwortet, dass ist wahr. 

Ad 1° particulam, antwortet nein. 

Endlich abgefragte begehrent, dasz die patres von Maeseick (i), 
zu ihro inhafftirte ie ehender ie lieber kommen mögten umb 
den bosen geist ihro ausz zu treiben". 

Hiervan verzocht de „anwalt fisci" copie, wat hem verleend werd, 
terwijl besloten werd de zaak aan twee onpartijdige rechtsgeleer- 
den over te geven, volgens hetgeen 10 September te voren werd 
bepaald. 

Den 3 üctober 1674 had dit verhoor plaats. Zes dagen later 
werd de vrouw dood in de gevangenis gevonden. Dit blijkt uit 
de volgende verklaring. 

„Bekenne ick onderscreven Med. doctor ende M' Jacobi chyrur- 
gien der stat Sittart, dat wij versoght syn geweest van den Wel 
Edelen ende Hoogh Geboren Heere, baron de Lymborgh (2) ende 
dcrselve justitie alhier om te visiteeren het doode corpus van 
Enken Luyten, weduwe van Jacob boven die Eerde. 

Ende hebben het selve des avonts, wesende den negende deses 



(') Waarschijnlijk de Minderbroeders, deze stonden de ter dood veroordeelden 
overal bij. 
(*) Zoo werd Limbricht oudtijds genoemd; heer was toen Nicolaas van Breyl. 



Digitized by 



Google 



— 426 — 

monats octobris mit de kertse in presentie van scholtus und scepene 
gevisiteert in de gevanckenis alwaer deselve nu albevoorens 
eenige tyt geincarcereert was gewest ende hebben bevonden het 
doodt corpus mit eenen strop van blauw lynwaet om den hals 
vast toegedruckt, soo dat den hals boven daar van dicker geswollen 
was als beneeden den strop, ende denselven avont den strop ont- 
bonden synde hebben wy geobserveert onder den strop rechtop 
de straete(i) eene blauwe straem ofte teyken van den strop, waer 
naer wy de reste van het corpus ook gevisiteert ende ondervonden 
hebben onder aen de teenen van de voeten eenigh bloet ende het 
vel afgestooten, aperent van de groote fortser van het stranguleren 
door de strop. 

Den naervolgenden dagh wesendeft den 10 October hebben wy 
onderscreven wederom in claeren ende hellen dagh hetselve corpus 
in praesentie van Scholtus ende Scepenen gevisiteert ende bevon- 
den als vooren, ende dat den strop achter in den hals die seer 
overgeboogen was ingedruckt was waer ut wy anders niet en 
konnen oordeelen ende suspiceeren als oock praesumeeren dan 
dat de selve vrouwe gestranguleert ofte verworght is. 

Dies ter oirconde hebben wy dese onderteykent mit onse eygen 
hantscrift, aldus gedaen op den edelen huyse Lymborgh den 
10 Octobris 1674. 

(get.) Gaspar Linssens med.doct. (get.) Mattyas Jacobi,gherurgus." 

Daar een der fungeerende schepenen schrijvens onkundig was, 
staat onder de akte eene W met de vermelding „diesz ist Wil- 
helmen Wehrens als scheffen eigenhandige mirk". 

Dienzelfden dag, zijnde 10 October 1674, kondigde de schepen- 
bank twee decreten uit. Bij het eene beval zij haren secretaris 
om het verslag der lijkschouwing aan een onpartijdigen rechts- 
geleerde met naam den ons bekenden Helgers over te geven, om 
daaruit een vonnis te formeeren en te publiceeren volgens de 
hals- en gerechtsordonnantie van Keizer Karel V en volgens 
bevinden. 

Het tweede was een vonnis ten opzichte van het doode lichaam 
van het ongelukkig slachtoffer van de heksenwaan, opgemaakt 



(1) Strot. 



Digitized by 



Google 



— 427 — 

volgens het recept van Helgers in zijn zoo aanstonds te be- 
spreken advies. 

„Demnich die peinlich beklagtinne Endtgen Luyten wittib Jacob 
boven die Erdte in der Hafft thodt und bey gerichtlich daruber 
bey heyszigen Herren Medicinae doctoris Gasparen Linszensz, so 
dan Mattheisen Jacobi chyrurgein eingenohmene visitition erfunden 
worden, dass selbige sich selbsten gewaltiglich umbs leben 
pracht und strangulirt, alsz wirt auff eingehalten Rath unpar- 
theischen rechtsgelehrten, dero leib den Schinder mit Pferden 
auszgesleyfft und durch denselben unter den Gericht oder Galgen 
hieselbsten begraben, und verscharret zu werden, erkent (i) 
cum expensis". 

Wat nu het advies van Nic. Helgers betreft, maak ik de volgende 
opmerkingen. Helgers zag wel in, dat in het visum repertum der 
doctoren onmogelijk iels anders te lezen viel dan wat er in stond 
nl. „dat die vrouwe gestranguleert ofte verworght is". Wat het 
Limbrichtsche Schepengerecht er in las, dat zij nl. zich geweldadig 
den dood zoude hebben toegebracht stond allerminst in dit stuk 
te lezen, ja veeleer het tegendeel. Helgers begreep dus, dat daar 
iets over geredeneerd moest worden en daar blijkbaar het gerecht 
het niet der moeite waard achtte om over zulk onbeduidend voor- 
val een onderzoek te doen plaats hebben en te dier tijde geene 
macht buiten den heer van Limbricht bevoegdheid bezat om zulks 
te gelasten, wijdt Helgers eene volle bladzijde aan het betoog 
dat hier zelfmoord heeft plaats gevonden en aan de straf die 
iemand, die zich had gezelfmoord uit vrees van de verdachte van 
zwaardere straf, „metu atrocioris criminis" en uit haar besef van 
schuld nl. door den vilder onder de galg begraven te worden. 
Natuurlijk werd dit helder betoog door de Schepenbank gretig 
aanvaard. Die straf was zwaar genoeg, verklaart Helgers want, 
zoo zegt hij „Es mogte einer sagen quod in nostro casu argui 
possit conscientia sceleris, et ex eo poena exasperari debeat". 
Waarop dan zijn antwoord luidt: „Dan hierauff geantwortet wirdt 
weillen die thatt nicht erwiesen, noch bekendt, die darüber in 
habito processu vorhandene indicia auch ad torturam vielleicht 
nicht einmahl nisi forte coniunctim sufficiënt sein, dies nicht zu 



(1) Dat is gewezen. 



Digitized by 



Google 



— 428 — 

achten, vundt die straflF grosz gnug sey". En dezelfde Helgers ver 
telt te voren dat de ongelukkige zich zeker wegens het bewust- 
zijn van schuld had geworgd, terwijl dezelfde Helgers tenzij in zijn 
vroeger advies had gesproken over het onbelangrijke der reeds 
afgelegde getuigenissen, zoodat hij nieuw getuigenverhoor noodig 
oordeelde. 

Verder adviseert hij, dat hoewel 't niet zeker is, dat een ver- 
oordeeling wegens de misdaad van tooverij confiscatie van goe- 
deren meebracht en de schepenbank derhalve voor de kosten der 
procedure moest opkomen, die ze op de inwoners der heerlijk- 
heid zou kunnen verhalen, het echter billijk was dat de goederen 
van de overledene daarover zouden aangesproken worden, wijl zij 
zelven zich vrijwillig tot de inquisitoir had aangeboden. 

Zoo is het drama afgespeeld, maar blijft nog steeds in het 
duister de vraag, of het slot daarvan zelfmoord dan wel een 
gerechtelijke moord is geweest. 

In elk geval is het proces eene merkwaardige bijdrage van de 
toestanden waarin de justitie in de kleine heerlijkheden binnen de 
grenzen van Limburg op het einde der 17« eeuw verkeerden en 
tevens van de noodlottige heksenwaan, waarmede toen zoowel 
rechters als rechtsgeleerden behept waren. 

J. J. DE WIT. 



Digitized by 



Google 



TABLE DES MATIÉRES. 



1. Geschiedenis van het klooster der Kruisheeren te 
Maastricht, par H. P. A. van Hasselt, O. S. Cr. 3 

Voorwoord 3 

Hoofdstuk I. Stichting der orde van het H. Kruis 5 
Hoofdstuk II. Stichting van het Kruisheeren-kioos- 

ter te Maastricht 12 

d) De Kerk 12 

V) Het klooster 2o 

Hoofdstuk III. Geschiedkundige bijzonderheden. . 24 

Hoofdstuk IV. d) Prioren 42 

b) Supprioren . 50 

c) Procuratoren 53 

d) Conventuales 56 

Hoofdstuk V. Liber anniversariorum vel Necrolo- 

gium Conventus Crucigerorum Tra- 
ject! ad Mosam 62 

Bijlagen. , 126 

2. De politieke indeeling van Limburg 1794 — iSSg, 

par baron von Geusau 139 

Inleiding 139 

I* Afdeeling. Politieke toestand vóór de Fransche 

overheersching van 1785 — 1794 . . 141 
II« Afdeeling. Politieke toestand tijdens de Fransche 

overheersching 151 

III« Afdeeling. Politieke toestand na de Fransche 

overheersching 209 



Digitized by 



Google 



— 430 — 

IV* Afdeeling. De inbezitneming van Limburg door 
Nederland in 1839 en Limburg met 
betrekking tot den Duitschen Bond. 250 

Addenda 267 

Naschrift tot de 1« Afdeeling 271 

3. Schepenbrieven van het kapittel van St. Servaas 

te Maastricht, par Dr. P. Doppler 272. 

4. La croix sépulcrale de Geldulphe, prévót de Téglise 
Saint-Servais k Maastricht, datant du XI* siècle 
et retrouvée en cette église Ie 3i aoüt igoS, par 

Ie même 377 

5. Verhaal der wreedheden te Roermond tegen de 
geestelijken gepleegd den 23 Juli 1672, naar een 
gelijktijdig Italiaansch verhaal, par A. J. A. Flament 389 

6. Register der graven in de St. Maartenskerk te 
Venlo, par Ie même 398 

7. Een heksen-proces gevoerd te Limbricht in de 
Zomermaanden van 1674, par J. J. de Wit. . . 413 



Digitized by 



Google 



TABLE ALPHABÉTIQUE. 



Aalne, 10. 

Aalst, Henri de, Croisier a Maes- 

tricht, 13, 50, 53. 
Abeele, van den, 215. 
Abrial, 197, 202. 
Achel, 175, 213. 
Achel, Théodore d', 105. 
Acken, Marie ab, 103. 
Ackerman, Arnoul, échevin de 

Galoppe, 329. 
Adalbert I, évêque de Mainz, 378. 
Adriaans, Jean, sous-prieur des 

Croisiers a Maestricht, 48, 51, 

54. 
Adriaansz, Jean^ voir Adriaans. 
Aefiferden, Adam d*, 404. 
Aerschot, 42. 
Aix-la-Ghapelle 9, 36, 43, 151, 

153, 155, 160, 181, 188, 189, 

193, 198, 204, 210, 226, 241, 

284, 351, 386. 
Alardi (Alartz) George, .108; — 

Guillaume, 362; — Herman, 

101. 
Alartz, Herman 17, 64, 108. 
Albert, évêque de Liége, 6. 
Alberts, Charles, 406. 
Alden-eyck, 171. 
Aldenhoven, 151. 
Aldenroede, Mathias de, 319. 
Alexandre III, pape, 7. 



Alexandre VII, pape, 9. 
Alken, Jean d', échevin de Maes- 
tricht, 331, 342,349, 355, 357, 

370. 
Alsdorf, 170. 
Alstorf, 158. 
Alrich, Jean, 327. 
Amby, 145, 158, 170, 176, 177, 

182. 
Amelii, Théodore, 317. 
Amelsdorp, 87, 92. 
Amoris, Helmicus, général des 

Groisiers, 96. 
Amstenrade, 142, 158, 170, 176. 
Amstenrade, Henri d^ 84, 107; — 

Mathilde d\ 107, 110. 
Amsterdam, 168. 
André, Groisier a Maestricht, 58. 
Angers, 10. 

Ansembourg, comte d', 213. 
Antwerpia, Barthélémi de, 331. 
Anvers, 161, 247. 
Apel, ter, 10. 
Aquis,Guillaume de, 77; — Martin 

de, chanoine de Saint-Servais 

a Maestricht, 376. 
Aquisgrano, Herman de, 101. 
Arcen, 144, 196, 203, 269. 
Are, Gérard d', prévót de Bonne, 

379. 
Aremberg, 193. 



Digitized by 



Google 



432 — 



Arnhem, Guillaume de, Croisier 
a Maestricht, 56. 

Asch, 175. 

Asperen, 9. 

Assche, Barthélémi d\ 327. 

Asselt, 142, 157. 

Asten, Pétronelle d', 83; - Pierre 
d', 97; — Simon, prieur des 
Croisiers, 52, 79, 118, 120. 

Atrio, Aleide de, 317. 

Aubel, 208, 241. 

Aubelen,Jean,chapelain de Saint- 
Servais a Maestricht, 350, 351. 

Audegot, Jean, 316. 

Aumon, 162. 

Ausems, Jacques, 282. 

Auwera, Barbe, 117. 

Auwerix, Herman, 108; — Hu- 
bert, 118. 

Avins, Jean d\ général des Croi- 
siers, 10. 

Ayen, 143. 

Bacheloz, 172. 

Bacmans, Aleide, 370. 

Baden, 182. 

Baerll, von, 191. 

Baerlo, 143, 205. 

Baest, Arnoul de, doyen de Saint- 

Paul a Liége et chanoine de 

Saint-Servais a Maestricht 19, 

71. 
Baexem, 148, 157, 171, 176. 
Baldewini, Laurent, 307. 
Baliuyne (Baljuyne), Roger de, 

324. 
Bangeman-Huygens, 21 1,212,218, 

219, 224, 228. 
Barchem, Jean de, 326. 
Baren, Catherine de, 109. 
Bartholomei, Jean, 310, 315. 
Basel, 210, 21 1 , 216, 218, 219, 230. 
Bassenge, 158, 171. 
Bastiaens,Mathias,CroisieraMaes- 

tricht, 59. 
Basyelisbur, Philippe de,341,356. 



Bathen, Jean, 24. 
Baudin, P. C. L., 162. 
Bauduin,Groisier a Maestricht, 58. 
Bavyer, Henri, échevin de Len- 

culen, 339. 
Bauwens, Laurent, 307. 
Bazilisbur, Jean de, échevin de 

Maestricht, 340. 
Beaufort, duc de, 230. 
Beaufort-Spontin, Gautier de, 5. 
Becays-Ferrand, J. H., 174. 
Beckeneelre, Godefroid, 320. 
Becker, Jean, 87; — René, 279. 
Beckers, Gautier, voir Pistoris; 

— Gerlache, 299. 
Beegden, 145, 171,176,177,268. 
Beek, 118, 146, 159, 170, 176. 
Beert, Lambert, 296. 
Beerts, Antoine, 78. 
Beesel, 147, 157, 170, 176. 
Begaerts, Pierre, prêtre, 340. 
Beggarde, Henri, 340. 
Beilstein, 193. 
Beke, Henen de, 350; — Martin de, 

354; — Nicolas de, 360. 
Beifeld, 147, 157,170,176,177,204. 
Bemelen, 146, 170. 
Bemelen, Macaire, 279. 
Bentinck, Adrien Constant. 421. 
Bentlagen, 10, 40. 
Berchem, Robert de, 347. 
Berckden, Jean de, 84. 
Berdot, 194. 
Berg, 144, 146, 147, 158, 159, 170, 

177, 178, 206, 207. 
Berg, comté de, 193. 
Berg-Terblijt, 176. 
Berge, Marguerite de, 67. 
Bergen, 196, 203, 206, 269. 
Bergen, Corneille de, prince- 

évêque de Liége, 31. 
Bergerot, 253. 
Berffhe, René de, 291. 
Berleken, Hubert de, 294. 
Berlier, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 59. 



Digitized by 



Google 



488 — 



Bernadotte, 218. 

Berneau, 63. 

Berne, Jean de, écuyer, 316, 327, 

366; — René de, échevin de 

Maestricht, 276, échevin de 
'Lenculen, 293, 299. 
Bernshom, commandant des 

Vieux-Joncs, 32. 
Biecht, Arnoul de, 101; — Ma- 

thias de, 277. 
Bies, de, 184, 185. 
Biessen (Biesen), Elise de, 72, 85, 

106, 171; — Paul de, échevin 

de Maestricht, 307, 325, 362, 

375. 
Bilsen, 69, 110, 175. 
Binche, 216. 
Bingelrade, 142, 158, 170, 176, 

260. 
Binghelroede, Tilman, 75. 
Binghenrode, Tilman de, 14. 
Birkestorp, Jean de, 349. 
Blanckart, Jean, chanoine de Saint- 

Servais a Maestricht, 347, 348. 
Blanckarts, Catherine, 302. 
Blanckenheim, 193. 
Blavier, Pierre, général des Croi- 

siers, 66, 125. 
Blerick. 143, 205, 262. 
Bleyerheide, 142, 144, 181. 
Bliescastel, 193. 
Blisea, Arnoul de, 332. 
Blitterswyck, 143, 205. 
Bloemendaele, Aleide de, 370; — 

Jean de, échevin de Maestricht, 

286, 288, 348, 349, écoutête de 

Maestricht, 342, 349, 355,357, 

370. 
Bobart, Mathias, 279. 
Bocholt (Bocholtz;, 142, 158, 170, 

176, 178. 187. 
Bocholt, Rudolphe de, prieur des 

Croisiers a Dusseldorf, 22. 
Boeckstegers, Gaspar, 401; — 

Winand, 401. 
Boeghenmekers, Jean, 101. 



Boelreman, 65. 

Boelsbeeck, 73, 86. 

Boelsbeeck, Charles de, Croisier 

a Maestricht, 58; — Jean de, 

73, 74, 86, 106, 122; - Jutte de, 

115. 
Boemhouwers, Jean, 277. 
Boenen, Jean, 64. 
Boense, Gilles, 280. 
Boermans, René, 82. 
Bois-le-duc, 10, 31, 134, 136. 
Bolcke, Guillaume, 278. 
Bollen, Jean, chapelain de Saint- 

Servais a Maestricht, 319. 
Bologhe (Boloughe), Jean, 327. 
Bolre (Boelre), 76, 110, 171. 
Bombaye, 24. 
Bommel, Libert de, général des 

Groisiers, 10. 
Bonaparte, consul, 119, 201, 202. 
Bongarde, Gorneille van den, 376.* 
Bongharde, Jean van den, 346,347. 
Bonhomme, Nicolas, Groisier a 

Maestricht, 51, 58. 
Bonn, 153, 193, 194, 379. 
Bonne, Ghrétien, Groisier a Maes- 
tricht, 50, 56, 104. 
Boom, Everard, 406. 
Boomerstraat, 182. 
Boorsheim, 179. 
Boppard, 10. 
Borcette, 196, 198. 
Borch, Barthélémi van den, 15: 

— Henri van der, 98. • 

Borchgrave d'Altena, comte de, 

213. 
Bordeaux, 377. 
Bordes, 200. 

Borgharen, 146, 171, 176. 
Borkel, Godevart de, 358. 
Borman, René, 63. 
Bormans, René, 94. 
Born (Borne), 144, 196, 203, 421. 
Borne, Guillaume de, 307; — Jean 

de, 357. 
Borret, A, J., 254. 



Digitized by 



Google 



— 434 — 



Borsen, Gérard de, 322; — Guil- 
laume de, 126; — Thomas de, 
273. 

Borset, Francois, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 48. 

Bos, Henri, 66. 

Bosch, Gérard uten, 354. 

Bosch, Jean, 335. 

Bosman, Catherine, 79; — Gérard 
318; — Mathias, chanoine de 
Saint-Servais a Maestricht, 80, 
89. 

Boscjuin, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 59. 

Boten, Pierre,éche vin de Hamont, 
305. 

Bouillon, duc de, gouverneur de 
Maestricht, 39. 

Boumans, Pierre, 92. 

Bouteille, 377. 

Bouterschem, Henri, 302. 

Bouteville, 179. 

Bouvery, 37. 

Bouwens, André,échevin deMaes- 
tricht, 67, 68, 120; — Jean, 120. 

Boven die Erdt, Jacques, 413, 
414, 426. 

Bovyer, Arnoul, 316; — Henri 
371; — Henri, échevin de Maes- 
tricht, 346, 362, échevin de 
Lenculen, 126, 127; — Pierre, 
316. 

Box, Helger,sous-prieur desCroi- 
siers a Maestricht, 50. 

Boxberch, 332. 

Boxberch, Lambert de, 312. 

Boxs, Franco, 120. 

Boyen, von, général, 230. 

Boyngen, Théodore de, échevin 
de Saint-Pierre, 309, 320, 338. 

Brabant, Francois de, Croisier a 
Maestricht, 40, 68. 

Bracht, 198, 269. 

Bracht, Michel de, prêtre, 328. 

Brandenbourg, 10. 

Brant, Jacques, 84. 



Brecken, Théodore, 321. 

Brede, Jean de, échevin de Maes- 
tricht, 307. 

Brederode de Bolswart, Jean 
Adolphe, prévót de Saint-Ser- 
vais a Maestricht, 379, 280,381. 

Bree, 175. 

Breetken, Lambert, 313. 

Brefeld, 268. 

Bretagne, Ode de, 5. 

Breust 146, 148, 152, 158, 163, 
165, 176, 178, 183, 208. 

Breust, Jean de, Croisier a Maes- 
tricht, 58. 

Breyde, Léonard de, 373. 

Breyello, Gilbert de, 150. 

Brixsteyn, Pierre, 68. 

Broechaet, Adam, chanoine de 
Saint-Servais a Maestricht, 72. 

Broeck, Agnès van den, 74, 83, 
104, 121; — Gilles van den, 
74, 83, 104; — Rudolphe van 
den, vpir Paludanus. 

Broecken, Libert de, évêque de 
Barut et suffragan deLiége, 15. 

Broeckhoven, Materne, 106. 

Broeckhuysen, 143, 185, 196, 203, 

Broeckhuysen vorst, 143, 203. 

Broecksittard, 144, 206, 296. 

Brouck, Léonard van, 116, 

Brouwens, Marie, 81. 

Brueke, Engelbert van den, 348. 

Brugard, Arnoul, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 48, 51, 54, 
66. 

Bruges, 161. 

Bruggen lez Ruremonde, 10, 40. 

Bruggen, Sietzen, 415, 416, 418. 

Brugis, George de, général des 
Croisiers, 119. 

Brulinc, Thierry, 284. 

Bruninx, Jean, 78. 

Brunssum, 142, 158, 170, 176, 
268. 

Brunswick, 260, 378. 

Brusthem, de, 215. 



Digitized by 



Google 



— 485 — 



Brussel, Jean de, 36. 

Bruxelles, 154, 160, 161, 167, 168, 
179, 211, 246. 

Bruxellis, Jeanne de, 67. 

Bruysterbosch, 158; — N., 101. 

Breyde, Jean de, échevin de Maes- 
tricht, 345; — Léonard de, 374. 

Buel, Marie de, 124. 

Buggenum, 145, 157, 171, 176. 

Bulow, de, général, 230. 

Bunde, 146, 159, 170, 176, 268. 

Bunde, de, échevin de Maestricht, 
64; — Catherine de, 75; — 
Jacques de, 351; — Jean de, 286. 

Burgheene dit van der doeken. 
Pierre de, 346. 

Busco, Michel a, Croisier a Maes- 
tricht, 58. 

Busscops-Belen, 363; — Mathilde, 
346. 

Buyl (Buyll), Ide de, 121; — 
Jacques de, 73,86, 93, 106, 122. 

Buyskens, Marguerite, 57, 76. 

Buysten, Mathias, 90. 

Buyten, Antoine, chanoine de 
Notre-Dame a Maestricht, 64. 

Byecht, Mathias de, 278. 

Byelsen, Arnoul, échevin de 
Maestricht, 375, 376. 

Byenburg, 9, 10, 60. 

Byl, Gérard, Croisier a Maestricht, 
53. 

Bylands, Michel, 351. 

Bysman, Gérard, Croisier a Maes- 
tricht, 47, 51, 54; — Gilles, 
Croisier a Maestricht, 58. 

Cadier, 146, 170, 176, 178, 303. 
Cadier, Hubert de, 361; — Jean 

de, échevin de Heer, 304; — 

Nicolas de, 303. 
Caen, 9. 
Calcar, Lambert de, Croisier a 

Maestricht,. 57. 
Calckarts, Jutte, 313. 
Caloeps, Gérard, 302. 



Cambacerès, 174. 

Campis, Peregrin de, général des 
Croisiers, 10. 

Campo-Formio, 165, 166. 

Cancere, Jean de, échevin de 
Maestricht, 339. 

Canigou, 386. 

Canne, 72, 79, 101,154,158,171, 
183, 184, 187. 

Canne, Jean de, 291, 297; — Ma- 
thias de, 341 ; — Nicolas de, 
chapelain de Notre-Dame a 
Maestricht, 277; — Wiger de, 
340. 

Capella, Marie de, 291. 

Capruyn, Pierre 351. 

Capuien, Gérard, 349. 

Capuyens, Guillaume, 21,81; — 
Ide, 82. 

Carignan, 9, 43. 

Carleys, Elise, 97. 

Carnet, Samuel, Croisier a Maes- 
tricht, 54. 

Castro, Lambert de, Croisier a 
Maestricht, 54. 

Cartels (Cartiels), 148, 158, 170. 

Casel, 159. 

Caseus, Daniel, 299; — Godcfroid, 
273 

Castillion, 173. 

Castro, Arnoldine a, 99; — Arnoul 
de, Croisier a Maestricht, 54; 
— Arnoul a, 51,99; — Lambert 
a, sous-prieur des Croisiers a 
Maestricht, 51, 87, 99. 

Caulot, Henri, Croisier a Maes- 
tricht, 59. 

Celles, 5. 

Celles, Théodore de, fondateur 
de l'ordre des Croisiers, 5, 6, 
7, 8. 

Cervo, Jean de, bourgmestre de 
Maestricht, 276; — échevin de 
Maestricht, 306, 316, 326, 331, 
388, échevin de Lenculen, 333. 

Chaptal, 202. 



Digitized by 



Google 



— 436 



Charles-Quint, empereur, 26, 26, 

417, 422, 426. 
Chatelet, 381. 
Chaulne, 10. 
Chichester, 377. 
Chonincs, Elise, 115. 
Cigno, Arnoul de, chanoine de 

Saint-Servais aMaestricht216; 

— Arnoul de, échevin de Maes- 
tricht, 339, 372, échevin de 
Lenculen 299; — Arnoul de, 
bourgm estre de Maest richt, 337. 

Clave, Théodore de 365; — 
Thierry de, 365. 

Cleermont(Cleirmont), Henri de, 
288, 289, 295; — Henri de, 
échevin de Maestricht, 321, 
339, 342, 349, 358, 361, échevin 
de Lenculen, 316, 323, 324, 332, 
338. 

Clement VII, pape, 8, 26. 

Clemmen, Gérard, 72, 86, 106, 
121 ; — Hedwige de, 329. 

Cleynishan, Jean, 332. 

Cleynsmet, Jean, échevin de Ga- 
loppe, 329. 

Cleynwerck, Herman, 352. 

Clercks, Laene, 324; — Mathias, 
106. 

Clèves, 193, 198, 237, 240. 

Glimmen, 159, 268. 

Clinckars, Jean, 95. 

Glinckers, Mette, 53. 

Clocken, Pierre van der, 347. 

Clocker, Jean, prieur des Croisiers 
a Maestricht, 42. 

Gloetz, Mathias, Croisier a Maes- 
tricht, 53. 

Clouwen, Corneille, 103. 

Clueten, Aleide, 85; — Jean, 85; 

— Mathias, 85. 

Cluetz, Daniel, chanoine de Saint- 
Lambert a Liége, 85. 

Cluppel, Lambert, 291. 

Clusen, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 56. 



Clut, Gérard, échevin de Maes- 
tricht, 77, 126, 127,375, éche- 
vin de Lenculen 126, 127; — 
Jean, échevin de Lenculen, 127. 

Clutinj^en, Corneille, général des 
Croisiers, 112. 

Cluyt, Jean, 109. 

Cobben, Godefroid, 94. 

Coblence, 210. 

Coclers,jpeintre Maestrichtois, 19. 

Cocus, René, 276. 

Coemans, Arnoul, sous-prieur des 
Croisiers a Maestricnt, 34,36, 
51,54, 65; — Jacques, 51; — 
Maurice, 51. 

Coenen, Nicolas, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 36, 47. 

Coeninx, Lambert, secrétaire du 
magistrat a Maestricht, 29. 

Collyns (Colyns, Colini), Jean, 
19, 76, 283. 

Colini, voir Collyn. 

Cologne, 9, 10, 33, 40, 45, 64, 
193, 198. 

Collombel, 172. 

Colonia, Henri de, prieur des 
Croisiers a Maestricht, 43; — 
Jean de, 294. 

Conincs, André, 68. 

Conincx, 17; — Jean, Croisier a 
Maestricht, 54. 

Conrats, Catherine, 401 ; — Jean 
Herman, 404. 

Conynchs, Jean, 361. 

Conyncks, Aleide, 372 ; — Lam- 
bert, 372. 

Conti, Hugolin, évêque d'Ostie 
et légat Apostolique, 7. 

Gooien, 40, 43, 47-49, 51, 54,58, 
59. 

Coperdroets, Jean, 287. 

Coppens, Jean, 298; — Thierry, 
298. 

Corment, Jean, 321. 

Corswarem, Catherine de, 12; 
— Gautier de, doyen de Saint- 



Digitized by 



Google 



487 — 



Jean de Liége, 31. 
Gorten, 159. 
Cortenbach, 67; — Gérard de, 

19,74,83,104, 121; ~ Gilles 

de, 121 ; — Louis de, 104; — 

Pierre de,sigillifère de Tévêque 

de Liége, 107. 
Gortersom (Gorthersom), Guil- 

laume de, 81 ; — Marie de, 82. 
Gorttersoe, Gérard de, 370. 
Goumans, Walter, receveur du 

chapjtre de Notre-Dame a 

Maestricht, 328. 
Gousveit, Gatherine de, 412. 
Gouxheur, Gillis, Groisier a 

Maestricht, 60. 
Granenbourg, 196, 198. 
Greefte, Jean van den, 356 ; — 

Jean van den , échevin de 

Maestricht, 339. 
Grefeld, 198. 

Greft van den Abeele, de, 215. 
Cretz , Guillaume , Groisier a 

Maestricht, 60.* 
Greutznach, 192. 
Groenborgh, de, 412. 
Gronenbourg 241. 
Grops, Elise, 95. 
Grucenberch, Geenen, 352; — 

Pierre, 85. 
Grucenbergh (Grusebergh, Gisel- 

bert de, porte-verge de Saint- 

Servais a Maestricht, 323, 356. 
Greusenberch, Guillaume, porte- 
verge de Téglise Saint-Servais, 

a Maestricht, 369. 
Gupar, Mathieu, 63. 
Gruts , Guillaume , Groisier a 

Maestricht, 52,54, prieur, 49. 
Gukers, Nicolas, 307. 
Gulener, Guillaume, Groisier a 

Maestricht, 57. 
Gupers, Liberite, 71. 
Guuroken, 159. 
Guyck, 43. 
Gyney, Godart de, chapelain de 



Saint-Servais a Maestricht, 29 1 

Dael, Pierre van den, 124. 

Daelenbroeck, 157. 

Daelers, Pierre, 71. 

Daelheym, Jean de, 293. 

Daems, Adam, échevin de Maes- 
tricht, 36. 

Daers, Lom, 412. 

Dalhem, 153. 

Dale, Jean de, curé de Saint-Jean 
a Maestricht, 13. 

Dalers, Marie, 107. 

Dam, 205, 206. 

Dammerscheit, 159. 

Danet, 200. 

Daniel, Groisier a Maestricht, 56. 

Danielsweert, 184, 203 

Danyelis, Guillaume, 316. 

Dathyn, Jean, 71. 

Decani (Dekens) , Guillaume , 
porte-verge de l'égHse Saint- 
Servais a Maestricht, 319, 321, 
322, 326, 360. 

Delcambe, 168. 

Delft, Jean de, Groisier a Maes- 
tricht, 56. 

Delleville, J. P. Philippe, 162. 

Delres, Mathieu, 94. 

Denis, évêque de Rossen et suf- 
fragant de Liége, 14. 

Denis, Henri, Jésuite a Maes- 
tricht, 32, 34, 35. 

Derdelinc, Jean, 299. 

Desmolin, 172. 

Deventer, 51. 

Deux-Ponts, 193. 

Diepenbeek, Arnoul de, 73, 102; 
— Gorneille de, échevin de 
Maestricht, 372. 

Diest, 42, 346. 

Dicteren. 144, 346. 

Dietz, 251, 256, 

Dilsen, 171. 

Dilsen, Gosuin de, 308; — Her 
man de, 370. 



Digitized by 



Google 



— 438 — 



Dinant, 5, 10. 

Dinghs. Jeanne, 409. 

Doelmans, Jean, 96. 

Doenrade, 142. 

Doenraede, Etienne de, 75; — 

Gosuin de, 75. 
Doesborgh, Pierre de, 405. 
Dolhaerts, Catherine, 45. 
Dolway, René, curé de Saint- 

Mathias a Maestricht, 304. 
Dommelberghe, Jean de, 399. 
Dordrecht, 212. 
Dortmund, 351. 
Dortmunde, André voir Zuder- 

man. 
Doussin, Corneille, 108. 
Dreupe, Arnoul, 298. 
DroeflF, Henri, 88. 
Droege, Jean, 298. 
Dryel, Conrad de, chanoine de la 

cathédrale a Liége, 274, 275. 
Duechals, Lambert, 361. 
Duelen, Marguerite, 321. 
Duisbourg, 10, 51, 52, 59. 
Duker, Pierre, 276. 
Duiken, 10. 
Dungeloeff, Pierre, Croisier a 

Maestricht, 40, 61. 
Dunnen, Mathieu, échevin de 

Maestricht, 292, 294, 362, 370, 

371, 373. 
Duobus Montibus, Oiselbert de, 

receveur du chapitre de Saint- 

Servais a Maestricht, 283, 284; 

— Gisbert de, prêtre, 282; — 

Godefroid de, 300. 
Du Pont, général, 225, 227. 
Duren, Gautier de, 310, 311. 
Dusseldorf, 10, 20, 40, 193, 210, 

219. 
Duyckers, Egbert, 412. 
Duytsche, Pierre, 345, 346. 
Dyc, Bauduin de, chanoine de 

Saint-Lambert a Liége et de 

Saint-Scrvaisa Maestricht, 103. 
Dyeteren, Daniel de, échevin de 



Maestricht, 274, 325, 339. 
Dylsen, Pierre de, 308. 
Dym, Jean, prieur des Croisiers 

a Emmerick, 22. 
Dypenbeke, Henri de, 318. 

Eben-Emael, 158. 

Echt, 146, 158. 170, 175, J76. 268. 

Echt, Jean d', 281 ; — Jean d', 

prêtre, 291. 
Eckelrade (Ekkelrade), 148, 158, 

170, 179. 
Eckelroede, Erwin d', 375, 376; 

— Hubert de, voir de Cadier ; 

— Jutte de, 100; — Ulricde, 
écoutête de Lenculen, 323. 

Edmund's-Bury, 377. 

Eelen, 171, 184, 203. 

Eelman, Jacques Ie jeune, 292. 

Eersel, 354, 358, 359. 

Eetzen roede (Eytzenroede, Eyt- 
zenrode), René de, échevin de 
Maestricht, 296, 318,321,331, 
334, 336, 342, 347, 349, 350, 
352, 355, 356, 357, échevin de 
Saint-Pierre lez Maestricht, 
300,301, 309, 320, 323. 

Effertz, 169. 

Eggen, Catherine, 297. 

Eggertinghen, Jean d', 349. 

Ehrenstem, 10. 

Eigenbilsen, 297. 

Eigenhausen, 149. 

Elbe, 239. 

Elcht, 147. 

Elderen (Eldris, Elderis) d', che- 
valier, 12; — Gérard d', Croi- 
sier a Maestricht, 36, 58; — 
Gillis d', 12, 13, 126, 127, 129; 

— Marie d', 337, 338. 
Eldris, voir Eldren. 

Eldris, Arnoul de,chanoine etéco- 
latre de Saint-Servais a Maes- 
tricht, 89. 

Eleman (Elemants), Arnoul, 304, 
318. 



Digitized by 



Google 



— 439 — 



Elen, Guillaume, 359. 

Eli, 186. 

Elle, 148. 

Elmpt, 157. 

Elreborns, Catherine, 74, 83, 104, 
121. 

Elsloo, 156, 159, 170, 176, 179, 
185, 267, 271. 

Elsloo, Jean d', Croisier a Maes- 
tricht, 57. 

Emael (Eymael), 48, 49, 171. 

Embems, Nicolas d',- 308. 

Emmerik, 10, 37. 

Emons, Guillaume, sous-prieur 
des Croisiers a Maestricnt, 52. 

Enjubault, 162. 

Epen, 148, 170, 186, 187. 

Eptinger, Agnès, 409. 

Erden, Jean van der, 284. 

Erp, Laurent d', Croisier a Maes- 
tricht, 48, 54. 

Esloy, 172. 

Eupen, 241. 

Eupen, Arnoul d', 337. 

Eycoeren, Jean, 279. 

Eygelshoven, 144, 1.76, 179,181. 

Eyke, Edmond, d', 275. 

Eyken, Lambert, Croisier a Maes- 
tricht, 40, 59. 

Eyken, Herman van den, 279, 280. 

Eymael (Eymale), Guillaume d', 
69, 348; — Jean d', Croisier 
a Maestricht, 41, 61 

Eymaele, Gérard d', écuyer, 304. 

Eymole, Mathilde d', 308. 

Eynatten, Chrétien d', 67; — 
Chrétien d', écoutète de Maes- 
tricht, 36; — Jean d', 36; — 
Jéróme d', secrétaire de la 
ville de Maestricht, 36. 

Eynenberch, Guillaume d', che- 
valier, 363; — Thierry d', 
échevin de Maestricht 12, 13, 
126, 127. 

Eynensoen, Nicolas, 370. 

Eynspick, 68. 



Eys, 148, 165, 170, 187, 270 
Eysden, (Esden), 146, 154, 158, 

170, 175, 176, 178, 179, 183, 

188, 208, 345. 

Paassen, Conrad, 406, 412. 

Fabri, Wynand, 120, 

Falais, 147 

Falkenhagen, 10. 

Fauquemont, 50, 53, 158, 170, 

175, 177, 178, 337, 371. 
Fauquemont, Gautier de, 14. 
Felix, Godefroid, prêtre, rece- 

veur du chapitre de N. D. a 

Maestricht, 274, 323. 
Fleurus, 151. 

Fleytingen, Pierre de, 327. 
Fleytingis, Jacques de, 297. 
Fontainebleau, 184, 185. 
Forelli, Jean, chapelain de Saint- 

Servais a Maestricht, 285, 237. 
Foris, Jean, 277. 
Forys, Mathieu, 282, 283. 
Foulogne, voir Veulen. 
Fouron.le-Comte„182, 208, 361, 
Franco, Croisier a Maestricht, 58. 
Franeker, 50. 
Frangois, pléban de l'église Saint- 

Nicolas a Maestricht, 277. 
Francois I, roi de France, 31. 
Fransoys, Henri, 115. 
Franssen , Joseph , Croisier a 

Maestricht, 60. 
Frayken, Arnoul, 358; - Engel- 
bert, 333. 
Frécine, 153. 
Frédéric Barbarousse, empereur, 

5, 7, 8. 
Frédéric, prince de Nassau, 256. 
Freens, Gertrude, 312. 
Frépont, Collin, chevalier, 281. 
Fulcon, évêque de Toulouse, 6. 

Gablens, de, 223. 
Gadet, Claude, Croisier a Maes- 
tricht, 60. 



Digitized by 



Google 



— 440 — 



Galley, Anne, 412. 

Galoppe, 146,158, 170, 176,179, 

188, 237, 329 
Gand, 161. 
Gangelt, 159, 184, 
Gangelt, Fran9ois de, 124; — Macs 

de, 389. 
Ganter, Jean, 409. 
Gasimolen , Moes, écoutête de 

Galoppe, 329, 330. 
Geel, Walter de, 93. 
Geiseens, Arnoul, 416, 418, 423. 
Gelabbeeck, 298. 
Geldoulf, Michel, échevin de 

Heer, 304. 
Geldulphe, prévót de Saint-Ser- 

vals,aMaestricht, 377,384, 385, 

387. 
Geleen, 142, 158, 170, 176, 268. 
Geleen, Marie de, 111. 
Gelke, André de, échevin de 

Lenculen, 126; — Nicolasde, 

échevin de Lenculen, 339. 
Gcllick (Geylick), Philippe de, 

108. 
Geloes, Charles Borromée Jean- 

Baptiste , Léonard , Michel , 

Walrave de, prévót de Saint- 

Servais a Maestricht, 381. 
Geloess, Etienne, 46; — Jean, 

46. 
Gelre,Henride,évêquedeLiége,9. 
Gemert, 196. 
Gemmenich, 186, 207. 
Genck CGinck), 70. 
Gennep, 144, 196, 203, 267. 
Genoels-Elderen, 158, 171. 
Genten, Jean, échevin de Hamont, 

305. 
Gericke van Herwijnen, J. E. P.E., 

248, 254. 
Gerolstein, 193. 
Geul (Geulle), 146, 159, 170, 176, 

177, 179. 
Geuret, Michel de, 48, 115. 
Gewants (Ghewants), Pierre, 



321, 363. 

Geylenkirchen, 159. 

Geysteren, 143. 

Geystingen, 146. 

Ghelke, Thomas de. 

Ghole, Jean, 320. 

Gielen, Gisbert, Croisier a Maes- 
tricht; 25,53; — Hubert, 106; 

— Jacques, 53, 105. 

Gilles, Croisier a Maestricht, 56. 
Gingelom (Ghingelom), 129. 
Gisbert, Croisier a Maestricht, 57. 
Glabbach, Laurent von Gladbach. 
Glabbeek, Jacques de, 114. 
Glabbeke, Brunon de, orfèvre d^ 

Maestricht, 275. 
Gladbach, Arnoul, prieur des 

Croisiers de Marien vrede 22; 

— Brunon de, 336; — Jean de, 
prieur des Croisiers a Schwar- 
zenbroich, 22; — Laurent de, 
gériéral des Croisiers, 8, 111. 

Gladio, Mathias de, 307. 

Glintfeld, 10. 

Gobelen, Marguerite, 118. 

Goblini, Mabile, 358. 

Goch, 196, 198, 203. 

Godarts, Jean, échevin de Ha- 
mont, 305. 

Godefridi, Jean, bourgmestre de 
Maestricht, 275. 

Godding, Léonard, prieu des 
Croisiers a Maestricht, 49; — 
Théodore, prieur des Croisiers 
a Maestricht, 48, 49, 54; ~ 
Thierry, Croisier a Maestricht, 
87. 

Godefroid, évêque d'EdmundV 
Bury, 378. 

Goes, 81. 

Goldbeck, V., 191. 

Gonnien, Jean, Groisier a Maes- 
tricht, 60. 

Gouda, Thomas de, général des 
Croisiers, 22, 121. 

Gorys, Henri, 318. 



Digitized by 



Google 



— 441 — 



Graaf, Arnoul van de, Croisier a 

Maestricht, 57. 
Grammont, 161. 
Grand-Spauwen, 17, 47. 
Grase, Nicolas de, écuyer, 277 
Grathem, 148, 157, 171, 176, 179, 

187. 
Grauw, Lucie de, 412 
Grave, Thierry op te, 21. 
Grefrath, Mathias de, prieur des 

Croisiers de Hohenbusch, 22. 
Grégoire IX, pape, 7. 
Grembey, Moes de, 345. 
Gretis, Mathias, 76. 
Grevenbicht, 112, 149, 160,184, 

196, 203, 269, 271. 
Grevenraede, Jean de, 93. 
Grimby, 147. 
Griten, Gilles, sous-prieur des 

Croisiers a Maestricht, 51. 
Groenstraat, 185. 
Groesbeeck, Gérard de, prince- 

évêque de Liége, 33; — Gull- 

laume de, chanoine d'Aix-la- 

Chapelle, 351. 
Gronsteldt (Gronsvelt), 75, 147, 

158, 165, 170, 176, 179, 271, 

353, 375. 
Groot-Beersel, 181. 
Grootloon, 147. 
Grubbenvorst, 143, 196, 204. 
Gruesbeck (Gruysbeke) , Guil- 

laume de, chanoine de Saint- 

Servais a Maestricht, 301, 340, 

344. 
Grumpart, Jacques, 122. 
Gruter, Guillaume, 126, 328 ; — 

Moes, 274. 
Gruters, Lambert, 320. 
Grutersse (Gruetersse), Margue- 

rite die, 273, 301, 312. 
Gruysen, Jean, 57; — Jean, Croi- 
sier a Maestricht, 57; — Roger, 

111. 
Gruyter, Guillaume, 14. 
Gruytroede, Conrad de, 356. 



Gruytroy, Jacques de, 96. 
Grymby, Arnoul de, 331. 
Gueldres, 153, 191, 193, 196, 198, 

237, 240. 
Guell, Nicolas de, 117. 
Guifred, comte de Cerdagne, 

385, 386. 
Guillaume I, roi des Pays-Bas 

209, 247, 257. 
Guillaume V, stadhouder des 

Pays-Bas, 160, 161. 
Guillemot, 200. 
Gulpen, Gisbert de, Croisier a 

Maestricht, 55. 
Gumpart, Jacques, 73. 
Guttekoven, 144, 149, 205. 

Haaf, André van der, receveur 
der chapitre de Saint-Servais 
a Maestricht, 35. 

Haarlem, Nicolas de, général des 
Croisiers, 43. 

Hadamar, 251, 256. 

Haegen, Laurent van der, prieur 
des Croisiers a Maestricht, 49, 
66, 124, 125; — Thierry van 
der, 44. 

Haelen, 145, 157, 170, 171,176, 
268. 

Haelwyck, Jean,prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 47. 

Haen, Jean, 19, 277. 

Haene, Jean, 293. 

Haenen, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 40, 60. 

Haeps, Gérard, prieur des Croi- 
siers a Ruremonde, 22. 

Haeren, Barthélémi de, Croisier 
a Maestricht, 54; — Gérard 
de, 310; — Jean de, 15, 369; 
— Simon de, 369 

Haerlen, Gérard, recteur du cou- 
vent du Maagdendries a Maes- 
trieht, 29. 

Haesdaele, Mathias de, 290. 

Haestenrode, Henri de, 285. 



Digitized by 



Google 



442 



Halewyck, Lancelot, chanoine de 
Saint-Servais a Maastricht, 89. 

Hall, Théodore, 67; — Thierry 
de, général des Croisiers, 42. 

Halsberch, Godefroid, 299, 300; 
— Guillaume, 299, 300. 

Ham, Meinart de, 34. 

Hamal, Thierry de, 12. 

Hamme, Gérard vamme, 290. 

Hammen, Jéróme, membre de 
la chambre des comptes du 
duc de Brabant, 26, 27. 

Hamont, 305. 

Hamont, Gisbert,Croisier a Maes- 
tricht, 36, 58, 89; — Roger, 
58, 89, 90. 

Happart, Gertrude, 67, 120. 

Haren, Jean de, 323. 

Hasenpeck, Godart, 275. 

Hartwinis, Ruelkenus, 279. 

Hasselt, 46, 112, 214, 237, 245. 

Hasselt, Arnoul, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 113, 114; — 
Gérard de, 97; — Henri de, 
Croisier a Maestricht, 57; — 
Josse de, prieur des Croisiers a 
Schiedam, 46; — Servais de, 
Croisier a Maestricht, 13, 42, 
50, 53. 

Haucin,Croisier a Maestricht, 59. 

Hausman, N., 153. 

Havensius, Arnoul, 390. 

Havert, Aleide de, 278 ; — Menta 
de, 314. 

Hasbasken, Laurent, échevin de 
Lenculen, 126, 127, 339. 

Haymois, Jean, prieur des Croi- 
siers a Maestricht. 

Haynin, de, 170,171. 

Heel, 148, 152, 157, 163, 165, 171, 
176,180,184,187,268. 

Heer, 146, 147, 158, 170,176, 178, 
180,182,262,303. 

Heerderen, 69, 85, 86. 

Heerlen, 146, 153, 159, 170, 171, 
175,176,180,182,268. 



Hees, 147, 322. 

Hees, Lambert de, 103; — Pierre 
de, 115. 

Heggen, Jean de, 339. 

Hemius, 191. 

Heinsberg, 198, 237. 

Heinsberch, Emmelen, de, 311; 
— Jean de, prince-évèque de 
Liége, 13, 14, 129. 

Heinsberch, Servais, Croisier a 
Maestricht, 22, 27, 29,31, 34,46, 
54, 62, 64, 66, 70, 113, 133, 134. 

Heinsberg dit Kampstirper, Go- 
defroid de, 310. 

Heinsberg, 237. 

Heinsberg, Guillaume de, général 
des Croisiers, 35, 47. 

Heynsberch, Chrétien de, prêtre, 
306; — Jean, 70, 299, 354. 

Helden, 143, 196, 204, 269, 270. 

Helgers, Hilger, 117; — Nicolas, 
422, 423, 427, 428. 

Hellinx, André, sous-prieur des 
Croisiers a Maestricht; — 
Gérard, 66 ; — Servais, 66. 

Helmont, Catherine de, 292; — 
Gobbel de, 372. 

Helyas, Croisier a Maestricht, 56. 

Hemstede, Engel bert de, prévót 
de Saini-Servais a Maestricht, 
379^381. 

Henisdael, Jean, 81. 

Hennisdael, Léonard de, chanoine 
de Saint-Servais a Maestricht, 
35. 

Henri III dit Ie Noir, empereur, 
385. 

Henri VIII, roi d*Angleterre, 11. 

Henri Ie Lion, empereur, 378. 

Heppencrt, 171. 

Herben, Mathieu, recteur des 
écolesdu chapit re de Saint-Ser- 
vais a Maestricht, 286. 

Herbena, Guillaume de, 291, * 

Herborch, Pierre de, 320; — 
René de, 335, 336. 



Digitized by 



Google 



— 443 



Herck (Herk), 99, 159. 

Herckenraede, 170. 

Hercke, Jean de, 299, 316; — 
Philippe de, échevin de Saint- 
Pierre lez Maest richt, 300, 301, 
309. 

Herderen, 5, 112, 158, 171. 

Herderen, Albert de,334; — Gi- 
selbert de, 126. 

Herderman, Conrad, 350; — Jean, 
custode de Téglise Saint-Servais 
a Maestricht, 282, 297,350,351; 
— Macaire, 350. 

Here, Gérard de, prêtre, 370; — 
Godart de, 344; — Jean de, 
276; — Jean de, échevin de 
Maestricht, 340, 342, 345, 353, 
357, 358, 360, 365, 376, éche- 
vin de Lenculen, 299, 338. 

Herent hals, 44. 

Herenthals,Gautierde,prieur des 
Croisiers a Maestricht, 21, 63, 
82 113 

Herkenbosch, 144, 157, 159, 196. 

Hermal, 147. 

Hermanni, George, 65. 

Hermans, Antoine Adolphe, 
bourgmestre de Venlo, 405. 

Hermans, René, 217, 423. 

Hermens, Pierre, 111. 

Herkenrode, Tilman de,chanoine 
de Saint-Jean et abbé de Saint- 
Jacquesa Liége, 25. 

Herstal, 208, 237. 

Herten, 142, 158, 176. 

Hertman, Herman, 109. 

Hertogenrade, pays de s', 141. 

Hertte, Florent van den, 360; — 
Jean van den, échevin de Maes- 
tricht, 278, 309, 322,325,342, 
345, 348, 349, 355, 357, 360, 
370, 375, 376. 

Herve, 387. 

Hery, Henri de, 115. 

Hese, Godart de, échevin de 
Maestricht, 342, 349 ; — Gode- 



troid de, échevin de Maestricht, 
306, 312, 318, 328, 331, 337, 
338; — Henri de, éclievin de 
Heer,304;- Henri de, 342, 344. 
Hese, Herman de, échevin de 
Maestricht, 296, 362; — Jean 
de, échevin de Maestricht, 286, 

298, 318, 325, 339, échevin de 
Lenculen, 316, 339; — Macaire 
de, échevin de Lenculen, 293, 

299, 313, 315, 323, 329, 332, 
338; — Marsile de, 338. 

Heugem (Hoegem), 96, 147, 158, 
170, 179. 

Heukelom (Hoekelem), 145, 289. 

Heusch, Bonaventure de, 214. 

Heusden, 238. 

Heyden, 266. 

Heyen, 144, 203. 

Heyendale, Godart de, receveur 
du chapitre de Saint-Servais a 
Maestricht, 336, 342-44, 349, 
355; — Godefroid de, 335; — 
Godefroid de, receveur au cha- 
pitre de Saint-Servais a Maes- 
tricht, 357. 

Heyllaert, Hedwige, 300. 

Heythuysen, 145, 157, 170, 175, 
176, 268, 269. 

Heze, Godefroid de, 297. 

Hilbrands, Elise, 349. 

Hildernisse, Catherine, 99. 

Hillensberg, 205. 

Hinkelenoord, 238. 

Hingebach,Brunon,comtede, 187. 

Hinsberch, Jacques de, 78. 

Hinsberg, 159. 

Hoche, général francais, 189, 194. 

Hocht, 65, 101. 

Hockarts, Mathias, 305. 

Hadrves, Henri, 283. 

Hoeclriesch, Henri, 320. 

Hoefman, Jan, échevin de Eersel, 
354, 358. 

Hoeghem, Marie de, 354. 

Hoeghenen, Jan de, 78. 



Digitized by 



Google 



— 444 — 



Hoekelem, Bauduin de, 313; — 

Tilman de, 313, 314. 
Hoelbeeck, 73. 100. 
Hoen, Libert, 70; — Libert, Croi- 

sier a Maestricht, 36, 54. 
Hoensbroeck, 142, 159,170,176, 

180, 183. 
Hoensbroeck, Philippe Damien 

de, évêque de Ruremonde, 398, 

404. 
Hoesche, Henri, 277. 
Hoeselt, Guillaume de, 312; — 

Jean de, 345. 
Hoeven, Henri van der, 71. 
Hogarts, Gérard, 358. 
Hohenbusch, 9, 40, 50. 
Hoho, Léonard, Croisier a Maes- 
tricht, 41. 
Hokelheym, Tilman de, voir 

Hokelem. 
Hollandia, Elise, 116. 
Hollen, Gérard, échevin de Ha- 

mont, 305. 
Hollender, Nicolas, 275. 
Holstein, 251. 
Holthalen, Martin, prieur des 

Croisiers de Bruggen, 22. 
Holzet, 170, 186. 
Hommerich, 188. 
Hondt. Philippe d', 81. 
Honich, Gisbert, 78-97. 
Honizx, Pierre, 112. 
Hontem, 179, 180, 187. 
Hoogstraten, 210. 
Hoorn, 10, 50. 
Hoppertingen, 147. 
Horbach, 158. 
Horne, 141, 145, 157, 171, 176, 

214, 268. • 
Horne, Arnoul de, prince-évèque 

de Liége, 278; — Jean de, 

Erince-évêque de Liége, 77; — 
•ambert de, prètre et chape- 
lain de Téglise Saint-Servais a 
Maestricht, 284, 289, 291, 292, 
306, 316, 320, 321, 332. 



Horreo, René de, échevin de 
Saint-Pierre, 300, 301, 320, 
333. 

Horsmans, Pierre, sous-prieur 
des Croisiers a Maestricht, 
52 55 

Horst, 43, 87, 143, 196, 198, 
204, 206, 230. 

Horst, Guillaume de, prieur des 
Croisiers a Maestricht, 87. 

Hostienbecker, Paul, 3J2. 

Hougen, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 58. 

Houriez, 172. 

Houscheid, 10. 

Houthem (Hunthem), 146, 158, 
170, 171, 176. 

Houthem, Jean de, prêtre, 335. 

Hueghen, 361. 

Hugenpoth, van, 211, 212, 223. 

Hugues, prévótde Saint-Servais 
a Maestricht, 386, 387. 

Hugues, prévót de Saint-Lambert 
a Liége, 337. 

Huffues B. Maret, 197, 199, 202. 

Hulsberch, Guillaume de, 349 ; 

— Jean de, chevalier, 286. 

Hulsberg, 146, 159, 170, 176, 268. 

Hulshorst, Henri, 57, 76. 

Hultenpant, Jacques, 277. 

Hultman, C. G., 239. 

Hunsel, 142, 148, 158, 171, 176, 
180, 181. 

Huy, 6, 8, 9, 10, 12, 13, 46,47, 
48, 57 58, 66, 129, 133, 379. 

Huy, Jaspar de, Croisier a Maes- 
tricht, 51, 58. 

Huynen, René, 62. 

Huyo, Colin de, 290, 291; — 
Guillaume de, 277. 

Huyser, Jean, prieur des Croisiers 
a Duisbourg, 22. 

Huysmans, Guillaume, 45. 

Hynsberch, écolatre de Saint-Ser- 
vais a Maestricht et doyen de 
Saint-Paul a Liége, 115. 



Digitized by 



Google 



— 445 — 



Innocent III, pape, 7, 8. 
Innocent IV, pape, 8. 
Iserman, Jean, écoutête de Saint- 

Pierre lez Maestricht, 300. 
Itteren, 146, 158, 170. 268. 
Ittervoort, 148. 158. 171, 180, 

181, 185, 187. 

Jabeek, 142, 15B, 170, 176, 268. 

Jacobs, Guillaume, prieur des 
Croisiers a Maestricht, 49. 

Jamots, Gilles, 333. 

Janssens, Henri Silvestre, Croi- 
sier a Maestricht, 60. 

Jecora, Macaire de, échevin de 
Maestricht, 285, 289, 291,293, 
294, 305, 307,310, échevin de 
Lenculen, 299, 313, 315. 

Jemappes, 151. 

Jenthis, André, 135. 

Jevardat 173. 

Joannis,Liebert,général des Croi- 
siers, 62. 

Jonckers, Anne, 405; — Pierre, 
103. 

Jonckum, Guillaume, 134, 135. 

Joconde, 385. 

Joede, Gobelin, 280. 

Jopilhe, Nicolas, Dominicain a 
Maestricht, 288. 

Jorissen, Michel, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 49, 55. 

Joseph II, cmpereur, 398. 

Joubert, 153, 156. 

Jouwe, Jean, 341. 

Juleymont (Juyleymont), Jean 
de, échevin de Maestricht, 283, 
290, 296, 303, 306, 320, 324, 
326, 336, 337, 339.-342, 352, 
354, 355, 358, 363, 365, 371, 
373, 376, échevin de Lenculen, 
293, 299, 313, 315, 316, 323, 
328, 332. 

Juliers, 193. 

Juliers, Guillaume, duc de, 30. 

Junccis, Gilles de, 299, 302, 303. 



Juncis, Giselbert de, 274; — 
Marguerite de, 290. 

Kaefstert, Marguerite de, 113. 

Kaex, 369. 

Kaldenkirchen, 177, 196, 204, 

206, 268. 
Kampen, Péregrin de, général 

des Croisiers, 15. 
Kanghieters, Pierre, 54. 
Karmpt, Jean de, 340. 
Karreners, Roger, 324. 
Karseel, Jean, 290. 
Kartils, Ywan de, 329, 330. 
Katert, 179, 180, 187 
Kecken, Jean, 362. 
Keelsten, Pierre, 306. 
Keen, Pierre, II 3. 
Keer, 146, 147, 158, 170, 178. 
Kellenere, René, chapelain de 

Saint-Servaisa Maestricht, 287, 

288. 
Kelleners, Arnoul, Croisier a 

Maestricht, 58. 
Keipen, 179, 187. 
Kelre, Henri op den, 361. 
Kerkrade, 142, 158, 170, 176, 181. 
Kerstkens, Lambert, 115. 
Kessel, 143, 157, 196, 204. 
Kessel, Léonard de, recteur des 

Jésuites a Cologne, 33. 
Kessenich, 171. 
Kestelman, Henri, échevin de 

Saint-Pierre lez Maestricht, 

309, 320, 333; — Philippe, 

échevin de Saint-Pierre, 300, 

301. 
Kestelt, Jean de, 73, 86, 106, 

122, 314. 
Kestelt (Kestele), Lambert de, 

273, 275. 277, 278, 281, 282, 

284. 
Ketelbantz, Gertrude, 276. 
Ketelbueter, Etienne, Croisier a 

Maestricht, 53. 
Kickelmoy, Arnoul, 319. 



Digitized by 



Google 



— 446 



Kiggen, Gérard, 359. 

Kinroy, 182. 

Kips, Servais, échevin de Maes- 
tricht, 372. 

Kirleman, Godefroid, 328. 

Kleber, 152. 

Kleine Meers, 185. 

Klercs, Godefroid, 291. 

Klimmen, 146, 170, 176. 

Knaepe, Jean, 281. 

Knapen, Jean, 308. 

Knoeds, Gertrude, 358. 

Knoep, Jean, Ie jeune, 308. 

Knoeps, Jacques, 80. 

Koeman, Mathias, 304. 

Kocx, Jean, 108. 

Koec, Gérard, 108, 309, 310, 
333; — Henri, bénéficier de 
Téglise Saint-Servais a Maes- 
tricht, 284; — Jean, 334. 

Koenen, 217. 

Koenen, Jacques, 62. 
Kokenbeckers, Conrad, 67. 
Kokart, Jean, 324; — Théodore, 

324. 
Kolckman, Marguerite, 405, 
Koningsheym, 147. 
Koningsveen, 205, 206. 
Koppe, 216, 217. 
Kotelport, Gérard, 305. 
Kouman, Gautier, prêtre, 292, 

350, 351. 
Krayel, Evrard de, 274. 
Kreuznach, 210. 
Krüzemarck von, 218. 
Krykelman, échevin de Maes- 

tricht, 64. 
Kryns, Dominic, sous-prieur des 

Groisiers a Maestricht, 50. 
Kryns, Paul, 50, 90. 
Kuersyns, Marguerite, 355. 
Kulemans, Aleide, 63. 
Kyepart, Jean, curé de Limmel, 

319. 
Kyppe, Mathilde, 303. 



Lacu, Laurent de, 312 ; — Laurent 
de, échevin de Saint-Pierre, 
320, 300, écoutête 301, 333. 

Lacum, Mathias supra, échevin 
de Saint-Pierre, 309,310,333. 

Laecken, Gertrude van der, 369. 

Laeffelt, 147, 338. 

Laer, Bertrand de,écuyer, 277; — 
Bertrand de, échevm de Maes- 
tricht, 376; — Godart van der, 
346; — Lambert de, 315. 

Lahaye, 160, 161, 164, 222, 231, 
233. 

Laloy* P. A., 172. 

Lam boy, Jean, échevin de Maes- 
tricht, 352;— Thierry, échevin 
de Maestricht, 274; — Thierry, 
355. 

Lambrechs, Jean, 345. 

Lamson, Lambert, 288, 289. 

Lanaeken (Loyenaken), 100, 115, 
186, 187. 

Lanaye, 154, 158, 171, 178, 184, 
188. 

Landen, 151. 

Lare, Lambert de, 365. 

Laurens, Catherine, 51, 54. 

Laurensberg, 186, 196, 204, 269. 

Laurent, 152. 

Laurentii, Catherine, 99. 

Lavatorio, Henri de, chanoine 
de Saint-Servais a Maestricht, 
286, 372. 

Laven, Herman, 304. 

Lebrun, 174. 

Leenaerts, Martin, Croisier a 
Maestricht, 59. 

Leenaars, Croisier a Maestricht, 
40. 

Leerdam, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 56. 
Leert, Lambert de, 355. 
Leeuwen, 45, 47. 
Leeuwen, Gérard de, Croisier a 
Maestricht, 56; — Henri de, 
Croisier a Maestricht, 57; — 



Digitized by 



Google 



447 



Jean de, prieur des Croisiers a 
Maestricht,47; — Ludolphe de, 
prieur des Croisiers, 45, 50, 53. 

Lefebvre-Cayet, 200. 

Leiden (Leyden), Martin de, 
Croisier a Maestricht, 13, 53; 

— Mathias de, Croisier a 
Maestricht, 56. 

Leipzig, 210. 
Lemiers, 146, 158. 
Lemmael, Nicolas de, 285. 
Lemmels, Mathilde, 91. 
Lemmoel, Pierre de, 285. 
Lenaers, Béatrice, 49 ; — Martin, 

110. 
Lenkens, Laurent, 82. 
Leonardts, de, 213. 
Lepelhem, Herman, 67,98,116; 

— Herman, Ie jeune, 80. 
Leurs, Joseph, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 40, 49; — 
Laurent, bourgmestre de oit- 
tard, 49. 

Leut, Jacques de, écuyer, 295. 

Leute, Lambert de, 349, 360. 

Leuth, 185 

Lewe, Jean der, 280. 

Lewis (Leuwis), Ludolphe de, 
Croisier a Maestricht, 113. 

Leyel, P., 174. 

Leyen, de la, 193. 

Liberti, Jutte, 290. 

Libra, Jean de, 310. 

Liége, 5, 9, 14, 15, 19, 20, 25, 
30, 31, 33, 37—40, 44, 46, 51, 
59, 66, 85, 89, 94, 103, 104, 
115, 117, 126, 134, 136, 151, 
152, 154, 155, 160, 161, 163, 
167, 183, 208, 210, 216, 218, 

• 220, 227, 232, 243, 244, 253, 
278, 351, 381, 386, 387. 

Lierre, 42. 

Limborgh, Nicolas de, 310 

Limbourg, 153, 168. 

Limbricht, 149, 158, 159, 160, 
196, 205, 271. 



Limmel (Lumel, Lemmoel), 70 
158, 319. 

Lincoln, 377. 

Linne, 147, 151, 158, 170, 176, 
268. 

Lixe, 154, 178, 188, 208. 

Lodenaken, Philippe, 279. 

Loedens, Daniel, 126. 

Logne, 161. 

Lom, 144. 

Lombard, Jacques, 91. 

Lomoix, Guillaume, 81. 

Londres, 9, 64, 186, 208, 229, 
230, 266. 

Longueval, 31. 

Lontzen, 332. 

Loon, Godardde, 126; —Image 
de, abbesse de Susteren, 17. 

Looz, 141, 153. 

Lottum, 143, 204. 

Louis XIV, roi de France, 39. 

Louis XVIII, roi de France, 174. 

Lousbergh, Lambert, 75. 

Louvain, 24. 

Louvain, Arnoul de, écoutête de 
Maestricht, 331; — Gérard de, 
Croisier a Maestricht, 57; — 
Jean de, Croisier a Maestricht, 
57; — Théodore de, Croisier 
a Maestricht, 58; — Thierry 
de, Croisier a Maestricht, 36. 

Lovanio, Jean de, prêtre, 273, 
301. 

Loyens, Jean Antoine, Croisier 
a Maestricht, 60. 

Loys, Arnoul, échevin d'Eersel, 
354, 358. 

Lueckart, Gilles, 301. 

Luxembourg, 161, 255, 263. 

Luytman, Jean, 110. 

Lybeke, Jean de, 291. 

Lychtenborgh, Winand de, 300. 

Lyebeeck, Nicolas de, échevin 
de Maestricht, 287. 

Lyebeke, Nicolas de, 324. 

Lymborch, Léonard de, recteur 



Digitized by 



Google 



— 448 — 



du Nieuwenhof a Maestricht, 
29. 

Lymborch dit de Falcone, Ni- 
colas de, 314. 

Lynde, Lambert de, échevin de 
Maestricht, 376. 

Lyon, 8. 

Lysens, Henri, Croisier a Maes- 
tricht, 60. 

Maartenslinden, Jean de, Croi- 
sier a Maestricht, 58. 

Maasbracht, 147, 151, 158, 170, 
176. 

Maasbree, 143, 186, 196, 205, 
262, 270. 

Maashees, 270. 

Maasniel, 142,157,170,176,181, 
182, 185. 

Maen, Jean, chanoine de Saint- 
Servais a Maestricht, 94. 

Maenlostraet, 182. 

Maer, Servais van der, Croisier 
a Maestricht, 51, 58. 

Maerland, 158. 

Maesen, Léonard van der, 213. 

Maeseyck, 9, 10,43-45,95,153, 
171, 175, 183. 

Maestricht, 10, 12, 13, 16-20, 
22-39, 42—61, 65, 67-69, 71, 
72, 74, 75, 77—80, 83, 84, 89, 
93, 97, 102, 103, 106,107, 113, 
115, 118-120, 126-129, 133, 
134, 136, 137, UI, 145. 151 — 
155, 157, 161—164, 167, 174- 
176, 181, 186, 210,216, 219- 
221, 223. 224, 226, 233, 235, 
247, 249, 252-254, 257, 259, 
262, 273, 278, 285, 287, 288, 
293, 300, 302, 303, 305-308, 
310-314,306-328, 331—333, 
335-336, 369—375, 379, 382, 
385, 386. 

Magnée, 214. 

Mainz, 378. 

Malines, 325, 326, 381. 



Malmedy, 161, 241. 

Manderscheid, 193. 

Mans, Marie Barbe, 401. 

Manshoven, Jean de, sous-prieur 
des Croisiers a Maestricnt, 52. 

Manyart, Jean, 273. 

Mare, Erard de Ia, 77. 

Marca (Marcka), Gérard de, 76, 
114. 

Marck, Guillaume de la, 30. 

Margraten, 170, 176. 

Mareys, Marie, 75. 

Marienvoede, 10. 

Maroelen, Ameille, 283; — Béa- 
trice, 369. 

Marres, Guillaume, Croisier a 
Maestricht, 49, 54; — Paul, 
Croisier a Maestricht, 60. 

Marscalck, Gérard, 290. 

Masschereel, Louis de, chanoine 
de Saint-Lambert a Liége, 89. 

Mathias, pret re, 371. 

Mathie, Marguerite, 19, 86, 106. 

Mayence, 192. 

Méan, Jean Ferdinand de, pré- 
vót de Saint-Servais a Maes- 
tricht, 381 ; — Laurent Déodat 
de, prévót de Saint-Servais a 
Maestricht, 381. 

Mechelen 97, 147, 148, 170, 186, 
187, 381. 

Meeme, Henri, 337, 338; —Jean, 
chanoine a Aix-Ia-Chapelle, 
338; — Mathieu, chapelain de 
Téglise Saint-Servais a Maes- 
tricht 338; — Mathilde, 338. 

Meemen, Jean, 325. 

Meens, Jean, chanoine a Aix-la- 
Chapelle, 351. 

Meer, Gérard de, bourgmestre de 
Maestricht, 97, 98; — Gertrude 
de, 76, 94, 124; — Godefroid 
de, 91; — Jean de, 312; — 
Nicolas de, Croisier a Maes- 
tricht, 58. 

Meerhout (Merhout), Jean de 



Digitized by 



Google 



449 - 



299; — Jean de, chapelain de 
Saint-Servais a Maestricht 313, 
333, 351. 

Meerio, 143, 196, 205. 

Meerssen, 117, 145, 159, 168, 170, 
175, 176, 182, 262. 

Meerssen, Waleram de, Croisier 
a Maestricht, 57. , 

Meerssenhoven, 158, 170. 

Meertens, Marguerite, 45. 

Meeswyck, 207. 

Megen, Jean de, recteur des Dames 
Blanches a Maestricht, 29. 

Meggelen, Henri de, 279, 280. 

Mehr, 170. 

Melick, 144, 157, 159, 196, 205. 

Membrugghen, Libert de, 289. 

Menten, Bonaventurede, 215; — 
(Meynte), Gobbelin, 273, 317, 
327, 336. 

Mere, Catherine de, 349; — Wi- 
nand de, vicaire de Téglise 

• Saint-Servais a Maestricht, 298. 

Merkelbeek, 142, 158, 170, 176. 

Merkstein, 158, 170. 

Merlin, 173 

Merrhem, Adam de, vice-curé de 
Waltwilre, 110. 

Mersche, Ruth de, 349. 

Mersen, Catherine de, 356; — 
Jean de, chanoine de Notre- 
Dame a Maestricht, 296; — 
Mathieu de, 79. 

Merten, Jean de, 69. 

Merode, Arnoul de, chanoine de 
Liége, 116; — Pierre de, cha- 
noine de Saint-Séverin a Co- 
logne, 81; — Ricald de, doyen 
de Notre-Dame a Maestricht, 
33; — Richard de. Seigneur de 
Frentz, Sa'mpt et Stampei, 31. 

Mertens, 216, 220; — Marie 101. 

Merum, 142, 170. 

Merva, Jacques de, 84. 

Merxem, 210. 

Merzen, Godefroid de, 288, 289. 



Mesch, 148, 158, 165, 170, 176, 
182, 208. 

Mesens, Chrétien, 370. 

Metsmaker, Antoine, 107. 

Metz, 377. 

Mewen, Gautier de, 353. 

Meyel, 142, 158, 171, 176, 268, 
269. 

Meyer, Guillaume, 322.- 

Meyers, Croisier a Maestricht, 
40; — Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 59; — Jean Tainé, prieur 
des Croisiers a Maestricht, 48, 
59. 

Meyloere, Herman de, 350. 

Meyme, Henri, 371. 

Meynte, voir Meynten. 

Meynten, Gobbehn, receveur de 
la confrérie des chapelainsde 
Saint-Servais a Maestricht, 
282, 316, 336. 

Meysenbeyn, Jean, 340. 

Meys, Jacques, échevin de Saint- 
Fierre lez Maestricht, 301. 

Mheer, 143, 158, 176, 269. 

Michaelis,, Pierre, 70. 

Michels, Corneille, Croisier a 
Maestricht, 60. 

Michielse, Pierre, 409. 

Middelaer, 143, 196. 

Millen, 73, 78, 158, 171, 175, 
182, 196, 205. 

Millen, Arnoul, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 24,46, 112; 
— Denis, 46; — Nicolas,46; — 
René, bourgmestre de Hasselt, 
46; - René, 46; — Robin de, 
127,289; — Robold, 101. 

Minuth, 216, 218. 

Miranda, 151. 

Moeien, Arnoul van der, échevin 
de Maestricht, 286, 362. 

Moelingen, 178, 208. 

Moenarts, Marie, 363. 

Moens, Lambert, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 47. 



Digitized by 



Google 



— 450 



Moentz, Médard, 123. 
Moers, Hubert, 373. 
Moeurs, 193. 

Moffel, Lambert, 309, 333. 
Molbeek, 177, 204. 
Molenbeersel, 181, 182. 
Molendino, Arnoul, voir van der 

Moeien. 
Molendino,Baudouin de, 282, 295; 

— Baudouin de, custode de 
Téglise Saint-Servais a Maes- 
tricht, 282; — Chrétien de, 
chapelain de Téglise Saint- 
Servais a Maestricht, 282,331; 

— Godefroid de, 117. 
Molenere, Jean, 309. 
Mols, Gérard, 101. 
Mombeke, Guillaume de, 275, 

276. 

Monck, Jean, 284; — Pierre, 284. 

Moneta, Elise de, 119. 

Monix, AIeide,97; — Elie,vicaire 
de Téglise Saint-Servais a 
Maestricht, 97; — Francois, 36; 

— Marguerite, 66; — Marie, 
68, 97. 

Mons, 161. 

Montenaken, 46, 145, 158, 171, 

335. 
Monte Crucis, Guillaume de, 

échevin de Saint-Pierre lez 

Maestricht, 301. 
Montenaken, Gosuin de, échevin 

de Maestricht, 358, échevin de 

Lenculen, 299, 316, 339, 365; 

— Henri de, échevin de Maes- 
tricht, 274, 277; — Lambert 
de, 296, 311. 

Monthenaken, René de, chape- 
lain de Téglise Saint-Servais 
a Maestricht, 372. 

Montfort, 147, 158, 170, 176. 

Montmorency, Philippe de, 145. 

Montz, Médard, 123. 

Monyouwen, Gobbelin, échevin 
de Maestricht, 275, 279, 280, 



284, 291, 296, 297, 303, 313, 
315-317, 319, 320, 322, 327, 
329, échevin de Lenculen, 293, 
299, 313, 315, 322, 323; — 
Pierre de, chapelain de Saint- 
Servais a Maestricht, 352. 

Mook, 144, 196, 205. 

Mopertingen, 72, 86, 147. 

Morderoggen, Pierre, 375. 

Moresnet, 241. 

Morgenstern, Nicolas, 122. 

Mormans, Gérard, sous-prieur des 
Croisiers a Maestricht, 51. 

Mormans, Léonard, 51, 107. 

Morseel, Gérard, 361. 

Mortyr, 73, 86. . 

Mosa, Jean de, échevin de Maes- 
tricht, 339; — Lenval de, 279. 

Motten, Guillaume van der, 17, 
103. 

Mouts, Gautier, 309. 

Muelenbrueke, Guillaume, 324. 

Muicken, Antoine, Croisier a 
Maestricht, 40, 66. 

Mulken, Guillaume de, échevin 
de Lenculen, 126, 339; — Jean 
de, 294; — Jean de, écuyer, 
301; — Jean de, échevin de 
Maestricht, 340; — Servais de, 
échevin de Maestricht, 275, 277, 
282, 285, 288, 294, 297, 299, 
303, 305, 308, 319, 320, 335, 
342, 356, 372. 

Munsterbilsen, 67, 324. 

Munstergeleen, 144, 196, 205, 
268—270. 

Musemuelen, Mathieu, 412. 

Muylen, Lambert, 100. 

Muyssen, van, 214. 

Muyssen, Conrad, chapelain de 
Saint-Servais a Maestricht, 35. 

Mynecom (Mynekom), Gode- 
froid, 19; — Jean, 122; - 
Mathias, Croisier a Maestricht, 
19, 20, 44, 50, 53, 122. 

Mynnenboede, Marguerite, 322. 



Digitized by 



Google 



- 451 



Naghels, Hcnri, 273. 

Namur, 13, 20, 40, 46, 65. 114, 
161. 

Namurco, Jean de, 331; — Ni- 
colas de, 285. 

Napoleon I, 173, 174, 189, 239. 

Nassau, 260. 

Nassau-Dillenbourg, 251, 256. 

Nayman, Jean, 293, 321. 

Neaerius, Augustin, général des 
Croisier, 37. 

Nedercanne, Herman de, 358. 

Nederheim, 147. 

Nedercruchten, 157. 

Nedermoelen, Mathias van der, 
92. 

Nederweert, 142, 158, 171, 176. 

Neen, 145, 157, 171, 176. 

Neereys, Jacques, 19. 

Neeritter, 148, 152, 158, 163, 165, 
171, 176, 182, 253. 

Neeroeteren, 171. 

Nelissen, Jean, 77. 

Neysken, Henri, 303. 

Neerwinden, 151. 

Neve de Steyne, Michel, échevin 
de Maestncht, 278, 283, 298, 
331, 341-346, 349, 355, 357, 
363, 370, échevin de Lenculen, 
323, 324; échevin de Saint- 
Pierre lez Maestricht, 301. 

Nieuwenhagen, 146, 158, 171, 176, 
180, 182, 185. 

Nieuwensteyn, Jean de, doyen 
du chapitre de Saint-Servais 
a Maestricht, 13. 

Nieuwerstrate, Thierry van der, 
352. 

Nieuwstad, 147, 170, 176, 182, 
205. 

Nieuw- Vosmaer, 238. 

Nimègue, Antoine de, prieur des 
Croisiers a Venlo, 22; — Fran- 
fois de, Croisier a Maestricht, 
24, 25, 50, 53, 62 ; — Théodore 
de, sous-prieur des Croisiers 



a Maestricht, 50. 

Nivelles, 26. 

Noderbrueck, Henri de, 297. 

Noellens, Servais, 95. 

Noene, Jean, 313. 

Noetstock, Henri, 111; — Lam- 
bert, 64; — Mathilde, 64,111; 

— Sigismond, 111. 
Noitstock, Gérard, 99; — Ma- 

thieu, 85. 

Noorbeek, 143, 158, 170, 176, 
183, 208, 269. 

Nouts, 300; — Gautier, 308. 

Noviomago, Henri de, général 
des Croisiers, 72. 

Novolapide, Jean de, doyen de 
Saint-Servais a Maestricht, 
127; — Marie de, béguine, 73, 
86; — Marie de, 106, 121; — 
Mathias de, chanoine de Saint- 
Servais a Maestricht, 326, 351 ; 

— (Nuwensteyne), Siger de, 
doyen de Saint-Servais a Maes- 
tricht, 326, 325. 

Nuckloets, Élise, 292; — Jean, 
292. 

Nuest, Arnoul, 372; — Arnoul, 
échevin de Maestricht, 275— 
277, 288-290, 293, 294, 303, 
échevin de Lenculen, 293, 299, 
313, 315. 

Nulens, Anne, 124; — Eméren- 
tienièe, 124; — Marguerite, 92; 

— Martin, 124. 
Nullens, Mathias, 124. 
Nunhem, 145, 157, 171, 176. 
Nussia, Tilman de, 290. 
Nuth, 142, 159, 170, 176, 180, 

183, 186. 
N uwenhem(Nu wenhoen), Adam, 

de, 64, 94. 
Nuwenstein, Mathias van den, 

voir de Novolapide. 
Nuyss, Herman de, Croisier a 

Maestricht, 56. 
Nyess, Guillaume de, chanoine 



Digitized by 



Google 



— 452 — 



de Saint-Martin a Liége, 38. 
Nys, Arnoul, 325. 
Nysmans, Ameillê, 92; - Henri, 

92. 
Nyswylre, 148, 158. 

Obbicht, 158, 170, 176, 269. 
Ochem, Jean d', 77. 
üdiliënberg, 147, 151, 158, 170, 

176, 269. 
Oebrucke, Catherine, 325. 
Oederbrueke, Henri d', échevin 

de Maestricht, 292. 
Oem, Jean, 346. 
Oeteren, Lambert d', 355. 
Oeyen, 203. 
Offermans, Nithel, échevin de 

Heer 304. 
ühé et' Laak 147, 170, 176, 183. 
Oignies, 6. 
Oirlo, 143. 
Oirsbeek 142, 158, 170, 175, 176, 

268. 
Olesleghers, Jean 89. 
Onghewassen, Josse, chapelain 

de Notre-Dame a Aix-la-Cha- 

pelle, 110. 
Ooi, 142, 177 
Ooider, 179, 187. 
Oost, 146, 158, 170, 176, 178, 183. 
Oostrum, 143. 
Ooyen, 143. 
Opbaren, 158. 
Opheers, 214. 
Opoeteren, 82, 171. 
Ophoven, 145, 171. 
Ophoven, René d', 374, 375. 
Oppen, Thierry, échevin d'Eer- 

sel, 354, 358 
Orange, prince d', 38, 39. 
Ordenge, Arnoul d', chevalier, 72. 
Orsbach, 158. 
Orsoy, Erardab,général des Croi- 

siers, 123 
Ostlinger, 17. 
Ostyenbecker, Paul, 345 



Oteren, Jean d', 308. 
Ottersum, 144, 196, 203, 205, 

207, 267. 
Ottonis, Gilles, 338. 
Oudenrogge, Corneille, 404. 
Overcrucnten, 157 
üyslingher, Jean, échevin de Len- 

culen, 127. 
Oyslinghen, Jean, 312. 
Oyslingen, Jean, 357. 

Paep, Gautier, 346. 

Paif (Pain\ 147. 

Palmans, Jacques, Croisier a 
Maestricht, 59. 

Paludanus, Rudolphe, prieur des 
Croisier a Sainte-Agathe, 22. 

Palude, Catherine de, voir Blanc- 
kart. 

Panheel, 148, 171, 179, 180,187. 

Panneslegers, Marie, 113 

Papenhoven, 158, 170, 176, 269. 

Panhuis, de, commissaire du 
gouvernement, 232. 

Papin, commissaire du gouver- 
nement, 202, 232. 

Paradon, Mathilde, 308. 

Paresys, Jean, 345. 

Paris, 9, 111, 163, 174, 219, 229. 
231, 239. 

Parisys, Franco, 312. 

Parme, duc de, 35. 

Parys, 250; — Jean, 294; — Jean 
écuyer, 306,321; —Marie 45, 
123; — Mathias, 361. 

Passers, Laurent, 17. 

Pauli, Catherine, 115; — Hed- 
wige, 48; — Henri, 48, 115; 
— Jean, 69; — Louis, Croisier 
a Maestricht, 53, 59; — Martin, 
20, prieur des Croisiers a Maes- 
tricht, 37, 38, 48, 75,80, 115. 

Paxslegere, Gérard, 284. 

Peeliman, Thierry échevin de 
Hamont. 

Peer, 47, 48. 



Digitized by 



Google 



— 453 — 



Peer, Hubert de, chapelain de 
Téglise Saint-Servais a Maes- 
tricht, 86, 123; — Pierre 'de, 91 . 

Pelenberck, 125. 

Pelsers, Aleide, 69, 87;— Léo- 
nard, 100. 

Pennen, Jéan, 277, 282. 

Penre, Henri, chanoine de Notre- 
Dame a Maestricht, 350 351; 

— Pierre, 355. 

Penten, Croisier a Maestricht, 59. 

Pepers, Godefroid, 109. 

Perfusen, Paul, prétre, 346. 

Périgueux, 377. 

Peters, Pierre Jean, Croisier a 
Maestricht, 41, 61. 

Petershem, 96. 

Philips, Barthélémi, 412. 

Piautaz, commissair général du 
Bas-Rhin, 217, 219-223, 228, 
232, 236, 240, 242, 243. 

Pichegru, 151. 

Picguery, 170, 171. 

Pied de Boeuf, Guillaume, Croi- 

• sier a Maestricht, 59. 

Pierrepont, Hugues de, prince- 
évêque de Liége, 6. 

Pietersheim (Pytersheim), 82, 
114,115, 297, 298, 303. 

Pieiken, Herman, Croisier a 
Namur, 20, 65; — Laurent, 
Croisier a Maestricht, 59; — 
Pierre, Frère-Mineur a Liége, 

Pirots, Laurent, 358. 
Pirovano, Francois, 405; — 

Pierre, 405. 
Pisset, Pierre, 104. 
Pistor, Gérard, 316. 
Pistoris, Gautier, prieur des 

Croisiers a Maestricht, 44—46; 

— Guillaume, 44; — Jean, 63, 
113; — Jean, chapelain de 
Saint-Nicolas a Maestricht, 44. 

Plas, Catherine van der, 51, 90; 

— Josse, van der, 18; — ^ 



Pierre, van der, Croisier a 
Maestricht, 46, 113, 114. 

Plencker, Chrétien, 290. 

Ploumen, Catherine, 74. 

Pluymkens, Godart, 341. 

Poes, Hedwige, 73, 86,106,122. 

Poetsaet, Pierre, 112. 

Poisson, J., 162. 

Pol, 148, 171, 179, 180. 

Pol et Panheel, 176, 184. 

Pollart, de, 214. 

Pomerio, Pierre de, 99. 

Pontem, Pierre supra, 334. 

Porte, Jean in die, 327 ; — Ri- 
colphe in die, 334. 

Portier de TOise, représentant 
du peuple, 156. 

Post, Daniel ten, 357. 

Posierholt, 147, 158,170,176,268. 

Pottens, Guillaume, 46; — Lut- 
garde, 46, 70. 

PouUain-Grandprey, 173. 

Poyt, Jean, 293. 

Praag, 266. 

Preeckers, Marguerite, 320. 

Préneste, Gui de, légat aposto- 
lique, 6. 

Prenten, Gérard, 104; — Menta, 
97. 

Preytkers, Ide, 285. 

Prickinx, Franco, 21. 

Prisse, 170, 171. 

Proenen, Arnoul, 45, 62, 68,72, 
78, 82,87,92,97,102,109,116, 
• 120, 123;— Dominique, 45; — 
Elise, 108; - Francois, 45; — 
Gérard, 45; — Jean, prieur des 
Croisiers, 29, 45, 50, 60, 70, 
113;- René, échevin de Maes- 
tricht, 288;- Servais,45, 123; 
— Sophie, 45; — Théobald, 45. 

Proestens, Cyprien, 63. 

Prunen, Jean, 309. 

Pruyme, Jean, prètre,.322. 

Pruyt (Pruyts), Corneille, 304, 
305. 



Digitized by 



Google 



— 454 



Prynt, 17. 

Put, 159. 

Pylleroy, Christophe, 118. 

Pypers (Pipertz, ' Pypartz), 

Thierry, curé de Saint-Jean a 

Maestncht, 21. 
Pyse, Nicolas de, 333, 371. 
Pytershem, Jean de, 279, 280, 

341; — Servais de, 294. 

Quade, Jean, 79. 

Quadewasschen, Gautier van den, 
échevin d'Eersel, 358. 

Quant, Jean, 337; — Théodore, 
320; — Thierry, 305. 

Quants, Hedwige,361;— Thier- 
ry, 361. 

Querman, Gisbert, écoutête de 
Saint-Pierre, 320. ' 

Quentken, Jean, 284. 

Quiberville-sur-mer, 377. 

Qwoedeheyne, Henri, 352. 

Rademakers, Gosuin, 16. 

Raet dit Quaedeheyne, Henri,356. 

Raeven, Nicolas, receveur de 

Limbourg, 27, 28. 
Ramekers, Henri, 79. 
Ramoy, Jean, prêtre, 285. 
Randenraad, 159. 
Randenraed, Sibert de, recteur 

du couvent du Beyart a Maes- 

tricht, 29. 
Randenrade, Jean de, Croisiera 

Maestricht, 35, 36, 47, 58. . 
Rastadt, 165, 166. 
Rayemekers, Guillaume, Croisier 

a Maestricht, 58; — Henri, 58. 
Ravenstcin, 196. 
Reesen, Corneille, 36. 
Reintjens, J. M., 170, 171. 
Rcmbolt, Henri de, 78. 
René, Croisier a Maestricht, 56. 
Rensen, Jean, 360. 
Resen, Jeón Mathias, Croisier a 

Maestricht, 60. 



Reubell, 173. 
Reymerstock, 72, 100. 
Reymerstock, Godefroid de, 281. 
Reymslegers, Denis, 112. 
Reymst, Bauduin, 314. 
Reynders, Croisier a Maes- 
tricht, 60. 
Reys, Erard de, doyen de Saint- 

Servais a Maestricht, 364, 

370, 372. 
Rhoer de, 235. 
Richou, 173. 
Richterich, 196, 206. 
Riemslegers, Denis, 19. 
Riempst, 69, 158, 171. 
Riemst, Gilles de, 339. 
Rimbourg, 149, 158, 170, 177, 

184. 
Rivo, Catherine de, 44, 64, 73, 

122; — Guillaume de, général 

des Croisiers, 64, 80. 
Robart, Mathias, 304. 
Rochefort, comte de, 7. 
Roclenge, 58, 158, 171. 
Rode, Lambert de, échevin de 

Galoppe, 329. 
Rodenryt, Jean de, 305, 354. 
Roede Winandi, Lambert de 

365, 366. 
Roedreghers, Guillaume, voir 

Virgiferi. 
Roefeimans, Barbe, béguinc, 353. 
Roefs, Adam, 79. 
Roemers, Charles, 382. 
Roerdorp, 155, 170. 
Roesen, Henri van der, 274; — 

Jacques van der, orfêvre, 292. 
Roesmer, Alverade de, 284; — 

Otton, de, 317. 
Roetem, Alard de, 92. 
Roethem, Arnoul de, 92. 
Roffelman, Jean, 253, 254. 
Rogalla Zawatsky de Bieberstein, 

213. 
Roggel, 145, 157, 171, 177. 
Roggieri, 174. 



Digitized by 



Google 



— 4B5 — 



Rolandi, Léonard, cloitrier de 
Téglise Saint-Servais a Maes- 
tricht, 77, 

Rolduc, 158, 170, 175, 237, 398. 

Rolingen, Henri de, 351. 

Rome, 43, 389. 

Roosteren, 147, 156, 158, 170, 
177, 184, 203, 268—270. 

Rosentroc, Henri, 283; — Her- 
man, 283. 

Rosis, Aleide de, 327; — Anne 
de, 306; — Florent de, 304; — 
Henri de, écuyer, 273, 301; — 
Ide de, 304; — Thomas de,301. 

Rosmeer, 158, 171. 

Rossem, Martin de, 31. 

Rothem, 171. 

Roux, Remi, 408. 

Rubens, Gérard, 213, 214. 

Rubertz, André, 103; — Jean, 103. 

Rudler, commissaire du Gou- 
vernement, 194, 198. 

Ruedreger, Guillaume, chapelain 
de Samt-Servais a Maestricht, 
322. 

Ruetelinx, Marie, 93. 

Rupe, Jean de, 329. 

Ruremonde, 10, 142, 151, 152, 
157, 170, 175, 177, 214, 247, 
389, 390. 

Russon, 147. 

Rutger, curé de Gruytrode, doyen 
du doyenné rural de Maeseyck, 
274. 

Rutten, Nicolas, 110. 

Ryckholt, 148, 158, 170, 177. 

Ryempst, Aleide de, 307; — 
Gérard de, 353; — Henri de, 
307; — Ide de, 307; —Lam- 
bert de, 307. 

Rykel, Mathilde de, 106. 

Ryken, Cathine, 79, 118. 

Rynrierstock, Pierre de, 375. 

Rysinghen, Léonin de, chanoine 
de Téglise Sainte-Croix a Liége, 
66, 



Ryvo, Catherine de, 86, 106. 

Saarbruck, 193. 

Sac, Jean," custode de 1'église 
Saint-Servais a Maestricht 257, 
298; — Jean, chapelain de Té- 
glise Saint-Servais a Maes- 
tricht, 303, 317; — Jean, éche- 
vin de Maestricht, 285, 298, 
342, 358, 365, échevin de Len- 
culen, 299, 313, 315,316,323, 
332. 

Sack, 211, 226, 231, 233. 

Sack, gouverneur-général, 236. 

Sack, Florent, échevin de^Len- 
culen, 338; — Henri, prêtre, 
348; — Jean, écuyer, 290. 

Sainctfontaine, Jean, général des 
Croisiers, 9. 

Saint-Augustin, 8. 

Saint-Clète, pape, 7. 

Saint-Dominique, 6. 

Saint-Gerlac, 299. 

Saint-Pierre lez Maestricht, 144, 
152, 155, 158, 163, 171, 176, 
181, 183, 188, 247, 252, 254, 
262, 300, 301, 308, 309, 312, 
317, 320, 327, 333, 334, 369. 

Saint-Raymond de Pennafort, 
général des Dominicains, 8. 

Saint-Trond, 86, 106, 214, 215, 
351, 358. 

Saint-Vith, 241. 

Sainte-Agathe, 9, 40, 43,49,51. 

Sainte-Gertrude, 158, 170, 178. 

Sainte-Hélène lez Trèves, 10. 

Salm, 183. 

Samps, Simon, 92. 

Sancin, Louis, Croisier a Maes- 
tricht, 59. 

Sancta Agatha, Henri van, voir 
Sint-Aeghten. 

Sancta Margareta, Guillaume de, 
chanoine de Saint-Servais a 
Maestricht, 286, 335,353,356; 
— Guillaume de, porte-verge 



Digitized by 



Google 



— 456 — 



de Téglise Saint-Servaisa Maes- 

trlcht, 302, 303. 
Sancto Andrea, Jacques de, pré- 

cepteur des Antonins a Maes- 

tricht, 276. 
Sancto Petro, Martin de, 335. 
Sanderi, Henri, 112. 
Sanders, Marguerite, 352; — 

Nicolas, Croisier a Maestricht, 

36, 54, 98. 
Santfoort, 181, 185. 
Sauvegard, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 60. 
Sax, Henri, prètre, 348. 
Saxe-Xlobourg,prince de, 248,252. 
Saxe-Weimar, duc de, 230. 
Scaefdries, Simon, écoutête de 

Lenculen, 332. 
Schaetzen, G. F. L. de, 213. 
Scampert, Guillaume, 109. 
Scardels, Guillaume , échevin 

d'Eersel, 354; — Jean, 354. 
Scepens, Godefroid, 112 ; — 

(iuillaume, 297. 
Sceper, Arnoul, voir Drueper. 
Schaefdriess, Gaspar, Croisier a 

Maestricht, 57. 
Schaesberg, 170, 171, 177. 
Scharn, 177. 
Schencke, Gobbel, 292. 
Scheper, Jean, 327. 
Scherders, Mathias, 412. 
Scherees, Pierre, 99. 
Scherer, Syelys der, 336. 
Schermer, 10. 
Scherpenseel, 158, 205. 
Scheitzhabener, Jean, 33. 
Scheydt, 158, 170. 
Schick, Aldegonde, 409. 
Schiedam, 10, 46, 58. 
Schimmert, 142, 146, 159, 170, 

177, 184, 185. 
Schin-sur Geul, 146, 170. 177, 

184. 
Schinveld, 142, 158, 170, 177, 

154, 268. 



Schinnen, 142, 158, 170, 177, 183, 
269, 270. 

Schleider, 193, 241. 

Schmitz, Martin, 418. 

Schoenbeeck, Jean, 99. 

Schoor, van der, 214. 

Schotteldrayers, Ide, 80. 

Schomans, Marguerite, 71. 

Schrees, Milla,- 99, 120. 

Schuemeker, Herman, 293. 

Schwarzenbroich, 9, 49, 51, 54. 

Schyepe, Gautier int, 347. 

Scoenbeeck, Gérard de, échevin 
de Maestricht, 77. 

Scordels, Guillaume , échevin 
d'Eersel, 358; — Jean, 358. 

Scroux, Barthélémi, 100. 

Scrynemaker, Thewis, 63. 

Scuren, Ode de, 77. 

Sellart, Léonard, 101. 

Selys, de; Croisier a Maestricht, 
66. 

Sepperen, 71, 147. 

Serra, Nicolas in, 91. 

Servaas, Jean, 409. 

Sevenum, 143, 196, 204, 206. 

Shee, 194. 

Sichen, 158, 171. 

Siebengewald, 144, 203, 206, 207. 

Siegen, 251, 256. 

Simpelveld, 143, 158, 170, 177. 

Sint-Aechten (Sint - Aeghten) , 
Henri de, échevin de Maes- 
tricht, 283, 310, 311,324,335, 
337 339, 341—350, 353-357, 
360, 361, 363, 369, 370, 376. 

Sint-Annaland, 10. 

Sint-Joost, 158. 

Sint-Maartenslinde, 69, 106, 113. 

Sint-Margraten, 78. 

Sint-Margroeten, voir de Sancta 
Margareta. 

Sippenaken, 186. 

Sittard (Sittert), 24, 49, 53, 108, 
144, 158, 159, 196, 198, 206, 
207, 237,241,269,275,421, 423. 



Digitized by 



Google 



— 457 — 



Sittard, Etienne de, Croisier a 
Maestricht, 65; — Herman de, 
31; — Marguerite de. 18; — 
Pierre de, Croisier a Maes- 
tricht, 57; — Théodore de, 
Croisier a Maestricht, 57; — 
Thierry de, Croisier a Maes- 
tricht, 57. 

Sittert, Pierre de, 295, 296. 

Sixte IV, pape, 43. 

Slacht, Michel van der, 355. 

Sleeswyde, Jean, 354. 

Slenaken. 148, 165, 170, 177, 271. 

Sleutel dit Versammen, Thierry 
van den, 315, 365. 

Slicke, Pierre, 275. 

Sluysen, 147. 

Sluysman, Jacques, vicaire de 
Saint-Servais a Maestricht, 83, 
286. 

Slypen, de, 213. 

Smeermaes, 61. 

Smeets, Jean. 93. 

Smets, Aldegonde, 409; — Henri, 
échevin d'Eersel, 354. 

Smissen, Alard van der, 85; — 
René de, 85 

Smyet, Jean, 353. 

Sneek, 10. 

Snekis, Gebrand, général des 
Croisiers, 111. 

Snyders, Guillaume, sous-prieur 
des Croisiers a Maestricht, 51 

Snydeweynd, Mette, 369. 

Solms, prince de, 218, 219; — 
Alexandre de, gouverneur gé- 
néral du grand-duché de Berg, 
211. 

Sondervorst, Jean, 57, 97; — 
Servais, Croisier a Maestricht, 
57. 

Spa, 153, 168. 

Spa, Lambert de, 37. 

Spaubeek, 142, 158, 170, 177, 
184, 185. 

Spauden, Antoine de, receveur 



du chapitre de Saint-Servais 
a Maestricht, 369, 372; — Go- 
denul de, échevin de Maes- 
tricht, 298,301,309—311,331, 
342, 348, 349, 354, 355, 357, 
369, 370; échevin de Saint- 
Pierre, 333; — Nicolas de, 322; 

— Paul de, échevin de Maes- 
tricht, 275, 277, 281,284,285. 

Spauwen, 78. 

Spechouwer, Guillaume, échevin 

de Galoppe, 329. 
Spiers, 192. 
Spiker, Jean van den, échevin 

d'Eersel, 358. 
Spontyn, Marie de, 73, 86, 106, 

122. 
Spronc, Jean, 280. 
Spronchs, Aleide, 317. 
Spronx, Jean, 307. 
Stappers, de, 215. 
Stavelot, 161. 
Stavelot, Hubert de, prieur des 

Croisiers a Maestricht, 37, 47. 
Steckenborch, Jacques, 57, 76. 
Stephani, Henri, 362. 
Stein, von, 210. 
Steyn, 82, 148, 156, 158, 170. 

177, 179, 185, 267. 
Steyne, Arnoul de, 317; — Ern- 

ken, de, 356; — Gérard de, 

361; — Mathieu, chanoine de 

Téglise Saint Barthélémi a 

Liége, 126. 
Steynmetzer, Jean, 344. 
Steynstraien, Elise de, religieuse 

de Sinnich, 329. 
Stevensweei-t, 147, 170, 158, 177, 

233. 
Stochem, Arnoul de, 370—372; 

— (Stocheym), Nicolas de, 
349, 355, 360, 361. 

Stockbroeck, 96. 
Stockem, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 57. 
Stockheym, 312. 



Digitized by 



Google 



— 458 - 



Stoeten, Henri, 346. 

Stouten, Jean, Croisier a Maes- 

tricht, 56, 68. 
Stouwen, Henri, 362. 
Stox, Henri, 114. 
Strabeke, Jean, 105. 
Straeten, 405, 406, 412; — An- 

toine, van der, 214; — Nicolas 

van der, doyen de l'église 

Saint-Servais a Maestricht, 19, 

34, 35. 
Stralen, 186, 196, 203. 
Stramprooy, 148, 158, 171, 177, 

253. 
Strixs, Marcel, 359. 
Strucht, 146, 158, 170, 177, 184, 

185. 
Strucht, Mathias, Croisier a 

Maestricht. 25, 57. 
Strykerts, Béatrice, 112. 
Strythaegen, écoutête de Maes- 
tricht, 33. 
Stuerboult, Gilles, 327. 
Stuycker, Herman, 33. 
Suenken, Lambert, 279, 280. 
Supra Lacuni, Mathias, échevin 

de Saint-Pierre, 300, 301. 
Surlet de Chokier, de 248. 
Susschen, 332. 
Susteren, 17, 144, 158, 196, 206, 

241, 269, 270. 
Sutor, Godefroid, 297. 
Suxy, 9. 

S wagen, Adrienne, 71. 
Swalmen, 142, 157, 170, 177, 181, 

185, 269. 
Swalmen, Robin de, chanoine de 

Saint-Servais a Maestricht, 336. 
Swane, Arnoul van den, receveur 

des chapelains de Saint-Servais 

a Maestricht, 350, 351. 
Swolgen, 143, 205. 
Syeyes, 173. 
Sylvius, Henri, prieur des Croi- 

siers, suffragant de Liége, 38. 



Tacken, Herman, 4l3, 417 424. 
Tans, (Thans), Catherine, 96; — 

Laurent, 96; — Pierre, 96. 
Tant, Pierre, 287, 295. 
Tecklenbourg, 10. 
Tegelen, 144, 157, 196,204,206. 
Terblyt, 148, 158, 170, 177. 
Terheyden, 178, 179, 181, 206. 
Testelt, Michel de, prieur des 

Groisiers a Maestricht, 13, 14, 

42, 93. 
Tetken van Oeken, Thierry, 343. 
Thees, Jacques, 21. 
Theneren, Jutte de, 311. 
Théodoric II, évêque de Metz, 

377. 
Théoduin, évêque de Liége, 379. 
Theus, Gosuin, 307. 
Theuz, Jean, 291. 
Thierry, Croisier a Maestricht, 56. 
Thiers, 189. 
Thirion, Pierre, 37. 
Thisius, Henri, secrétaire com- 

munai de Maestricht, 137. 
Thoenis, Pierre, échevin de Maes- 
tricht, 341. 
Thomassen, Léonard, 40. 
Thonis, Pierre, échevin de Heer, 

304. 
Thonus, Thierry, échevin de 

Maestricht, 341. 
Thorn, 123, 148, 151, 158, 165, 

171,177,181,185,214,253,271. 
Thurelli, Lombard, 350. 
Thyenneren, Jutte de, 310. 
Thyssen, Guillaume, 401. 
Tiecken, de, 214. 
Tielen, Herman, 103. 
Tienray, 143, 205. 
Tombelle, 173. 
Tongerloo (Tongerloe), 90. 
Tongres, 69, 122, 175, 214, 216, 

381. 
Tongris, Guillaume de, 274. 
Toom, Pierre, 15. 
Toulouse, 6, 9. 



Digitized by 



Google 



— 459 



Tournai, 9. 

Trecwyn, Jean, 310. 

Trèves, 193, 210. 

Tronchiilon, Richard, vicaire du 

prince-évêque de Liége, 99. 
Tuleman, Guillaume, Croisier a 

Maestricht, 58. 
Twisteden, 196, 203, 206, 267. 
Tyl, Jacques de, 84. 
Tyloyken, Jean, 370. 

Ubach, 143, 158, 159, 170, 177, 
184, 185. 

Ubach, Thierry d', général des 
Croisiers, 4. 

Udenberch, Lambert d', 297. 

Ulenstraeten, Henri d', 342. 

Ulestraten, 146, 170, 177, 263. 

Urmond, 144, 158, 159, 196, 207. 

Ursbeke, Daniel d', 361. 

Utrecht, Jean d', Croisier a Maes- 
tricht, 60. 

Vaals, 146, 153, 158, 170, 177, 
186, 204, 207, 269. 

Vaechs, Jean, commissaire a 
Maestricht, 50; — Libert, Croi- 
sier a Maestricht, 26, 50, 79. 

Vaesraede, 142, 159, 170, 177, 180, 
183, 186. 

Vaire, Wolter, 340. 

Valcke, Rutger, 363, 364. 

Valle, Henn de, 97; — dit Hau- 
tain, Jacques, sous-prieur des 
Croisiers a Maestricht, 52, 124; 
— Jean de, curé de Téglise 
Saint-Jean a Maestricht, 127; — 
Jean de, 328; — Jeande, cha- 
pelain de Saint-Servais a Maes- 
tricht, 110. 

Vastrardi, Jean, 338. 

Vastert, Marguerite, 98. 

Vederwesche, Jean, 373-375. 

Veen, 205, 206. 

Velden, 144, 196, 203. 

Veidwezelt, 85, 100, 158, 171, 



186, 187. 
Vellens, Jacques, 94. 
Velman, Jean, Barthélémi, 409. 
Vels, Gertrude van den, 107. 
Venlo, 9, 10, 13, 19, 40, 43, 56, 

90, 98, 104, 114,146,161, 152, 

157, 162, 164, 170, 175, 177, 

186, 210,219-223,228,233, 

236, 247, 249, 257, 259, 262, 

269, 398, 405. 
Venloe, Alexandre de, Croisier 

a Maestricht, 90. 
Venray, 63, 120, 143, 196, 207. 
Verbong, Arnoul, 409. 
Vercregen, Jean, 338. 
Verheyen, Lambert, 400. 
Verboet, Jean, 294. 
Veringen, Arnoul de, 303. 
Verlyes, Pierre, 336. 
Vernenholt, Erard de, échevin 

de Maestricht, 273, 278—282, 

284, 294, 295, 348, 349. 
Vernia, Laurent de, prieur des 

Croisiers a Aix-Ia-Chapelle, 22. 
Verstolck van Soelen, J. G., mi- 

nistre plénipotentiaire prés S. 

M. Tempereur de Russie, 242, 

244, 245. 
Versammen, Pierre, 365; — 

Thierry, 165. 
Vessem, Gérard de, 354. 
Vetsop, Lambert, 279. 
Veulen, 147. 

Vienne, 229, 239, 240, 245, 251. 
Vieux-Fauquemont, 146, 158, 170, 

176. 
Vieux- Vroenho ven, 145, 154, 164, 

177, 182, 184, 186, 188, 262. 
Vilt, 177. 

Vincent, baron de, 230, 231. 
Vinck, Alexandre, Croisier a 

Maestricht, 66; — Arnoul, 56, 

90, 98. 104, 114. 
Vinea, Godefroid de, échevin de 

Maestricht, 276, 294; — René 

de, échevin de Maestricht, 328, 



Digitized by 



Google 



- 460 — 



336. échevin de Lenculen, 323, 
332. 

Virgiferi, Guillaume, prêtre, 294, 
295. 

Virton, 9. 

Visé, 24, 276. 

Viseto, Antoine a, 14. 

Viseto, Rutger de, échevin de 
Maestricht, 295, 312; échevin 
de Saint-Pierre, 300,301,309, 
320 

Visschers, Mathilde, 10. 

Visschers weert; 145, 156, 184. 

Vlaminc, Gérard, 110. 

Vlatten, René, 351. 

Vlecken, Mathias mit der, 317. 

Vleners, Godart, 342. 

Vleytingen, 12, 73, 86, 106, 122, 
123, 147, 158, 171, 357. 

Vleytingen, Catherine de. 67; — 
Gilles de, 129; — Godart de, 
échevin de Maestricht, 336, 342, 
350; — Guillaume de, 357; — 
Henri de, prètre, 317. 

Vleytinghen, Gatherine de, 116; 
— Guillaume de, 357. 

Vleytingis, Godefroid de, bourg- 
mestre de Maestricht, 307; — 
Godefroid de, échevin de Maes- 
tricht, 358, 365; — échevin de 
Lenculen, 316, 338; — Guil- 
laume de, 312; — Henri de, 
337. 

Vlodrop, 147, 151, 170, 177. 

Vlodrop, Guillaume de, 109. 

Voeghel, Baudouin, 314. 

Voeght, Pierre, 300. 

Voeren, Henri de, 361; — Macaire 
de, 280. 

Voerendael, 146, 170, 171, 177. 

Voirst, Henri, prieur des Croi- 
siers a Maestricht, 47. 

Volmoelen, Jean. 

Volquyn ( Volkwyn^ Volkens^ Vol- 
quint), Thierry, chanoine de 
l'église Saint-Servais a Maes 



tricht, 286, 287. 
Vorendael, Denis de, 110. 
Vriendts, Pierre Gaspar, Croisier 

a Maestricht, 40, 55. 
Vrimans, Gisbert, 298. 
Vroenhof, 233. 
Vroonen, 214. 
Vryehernen, Jean de, 294. 
Vrythof, 219, 224, 228; - Ber- 

nard Jean, 212. 
Vucht, 100. 
Vucht, Elise de, 69; — Marie de, 

68, 70, 84, 92, 98, 118; — 

Nicolas de, 286. 
Vylen, 146, 170, 186. 

Waalwyc, Jean de, 313. 

Waelgeboren, 362. 

Wael, vail den, chapelain de 

Saint-Servais a Maestricht, 88. 
Wagen, Philippe van der, 311. 
Waghermans, Henri, 76. 
Wal, Chrétien van de, chapelain 

de Saint-Servais a Maestricht, 

105. 
Walbeek, 196, 203, 207. 
Walcourt, Pierre de, 7 - 9. 
Waldfeucht, 268. 
Walhorn, 207. 
Wahlwilre {Wahlwilder, Walt- 

wil/er y Wautwylre), 24,48,87, 

110, 148, 170. 
Walrami, Roland, 279. 
Walter, Croisier a Maestricht, 

156. 
Walvucht, 158. 
Wanckum, 196, 198, 203. 
Wange, Ameille de, échevin de 

Saint-Pierre lez Maestricht, 

301. 
Wangh, 76. 
Wanghe, Gérard de, doven de 

Notre-Dame a Maestricht, 277. 
Wanssum, 143, 196, 207, 269, 270. 
Wardt, van de, 171. 
Warwellis, Barthélémi, échevin 



Digitized by 



Google 



461 — 



de Maestricht, 126, 127, 339, 
352. 

Warwelle, Godart de, échevin 
de Maestricht, 346. 

Wassenaer- Warmondt , Pierre 
René de, grand-prévót de 
1'église Saint-Servais a Maes- 
tricht, 380, 381; — Thomas 
Guillaume Jacques de, erand- 
prévót de Téglise Saint-Servais 
a Maestricht, 381. 

Wassenberg, 159. 

Wasserfall, administrateur du 
département du Rhin et Mosel, 
195. 

Waubach, 158, 185. 

Waule, Simon de, 312. 

Wauterus,Guillaume,porte-verge 
de de l'église Saint-Servais a 
Maestricht, 284. 

Waynartz, Jean, 97. 

Wee, Servais van der, 66. 

Weelde (Welde, Weylde, Weil- 
de), Florent de, échevin de 
Maestricht, 275, 276, 282, 283, 
289, 290, 294, 295, 307, 310, 
313, 317, 322, 327, 329, 333, 
340, 342, 353, 355, 358, 360, 
361, 365; — échevin de Lencu- 
len, 293, 299, 313, 315, 316, 
323 332. 

Weert, 67, 80, 98, 116, 142, 151, 
158, 171, 175, 177. 

Weert, Henri de, 362. 

Weeze, 48, 196, 203, 207. 

Wegberg, 40. 

Wehr, 196, 206, 207. 

Well, 143, 203. 

Wellen, Jean de, 346, 347. 

Wellens, Gautier, échevin d'Eer- 
sel, 354, 358. 

Welpsdaele, Rutger de, 337. 

Wels, 155, 170. 

Weiten, 158. 

Weiten, Guillaume, prieur des 
Croisiers a Maestricht, 34; — 



Henri, 43, 87. 

Wennemeeckers, Henri 84. 

Werva, Jean de, chanoine de 
Saint-Servais a Maestricht, 275. 

Wever, Tilman, 351 

Wesel, Henri de, Croisier a 
Maestricht, 43; — Jean,guar- 
dien des Franciscains a Maes- 
tricht, 328 

Weshem, Arnoul de, 325; — 
Pierre de, 325. 

Wessem, 142, 157, 171, 177— 
180, 187, 253. 

Wessem, René de, receveur du 
chapitre de Saint-Servais a 
Maestricht, 324, 363. 

Wester hoven. 359. 

Weusden, 137. 

Wevers, Jean, 345; — Tilman, 
346. 

Weyden, Michel de, chanoine de 
l'église Notre-Dame a Maes- 
tricht, 103. 

Wickrath, 10, 40. 

Widart, Udeman de, 354. 

Wildenraedt, 157. 

Willems, Godefroid, Croisier a 
Maestricht, 40, 61. 

Wilre (Wilder, Wylre) 92, 100, 
120, 148, 153, 158, 170, 171, 
177, 188, 332, 335, 336. 

Wilre, Arnoul de, 276; -- Ca- 
therine de, 114; — Gosuin de, 
écoutête de Maestricht, 258; 
— Marie de, 114. 

Winckel, 181, 182. 

Winteraken, 205. 

Wintzingerode, baron de, 210, 
212, 213, 216, 217, 219. 

Wittem, 148, 153, 158, 165, 170, 
175, 180, 186—188, 271. 

Woegen, Philippe, van den, 31 1. 

Woltzogen,von,général,227,230. 

Wonck, 188. 

Wonder, Jean, 286. 

Worms, 192. 



Digitized by 



Google 



462 



Woudrichem, 10. 

Wrede, Henri, 112. 

Wree, Jean, Croisier a Maes- 
tricht, 56. 

Wueste, Léonard, écoutête de 
Heer, 304, 317. 

Wyc (Wyke), Lambert de, 332. 

Wyc (Wyck), Martin de, curé 
de Lontzen, 322, 332. 

Wyck, Arnoul de, échevin de 
Heer, 304; — Jean de, Croi- 
sier a Maestricht, 25, 112. 

Wydoye, Herman de, curé de 
Grand-Spauwen, 17. 

Wyen, Elise de, 109. 

Wyk, 158. 

Wynandi, Jean, 82. 

Wynandsrade, 148, 159, 170, 177, 
315, 365. 

Wynandts, Arnoul Hyacinthede, 
grand pre vót de Téglise Saini- 
Servais a Maestricht, 381. 

Wynandts, Paul, 30. 

Wynants, Jean, échevin de Bil- 
sen, 71. 

Wyngarde, Gosuin van den, 274. 

Wynman, Adam, 296. 

Wyse, Guillaume, 317. 

Wytmuys, Henri, 293. 

Wythoet, René, 290. 

Wythues (Wythuys),Florent de, 
échevin de Maestricht, 347, 
348, 350, 355, 357, 360; — 



Jean, 327; — Pierre, 306, 
Wytter, Jean, 323, 324, 359. 

Xandis, Jean, 76. 

Xanten, 56, 136, 326. 

Xanten, Jean de, Croisier de 

Maestricht, 56. 
Xantis, Jean de, voir Xanten. 
Xhenceval, Francois, Croisier a 

Maestricht, 59. 

Ypres, 161. 
Yserman, Henri, 312. 
Yvoy, 43. 

Zaehringen, Arnoul de, évêque 
de Liége, 5. 

Zanderus, Alcide, 72 

Zeeus, Guillaume, chanoine de 
Téglise Saint-Servais a Maes- 

. tricht, 288, 292. 

Zeilwender, Jean, 311. 

Zeus, Guillaume, voir Zeeus. 

Zingelbeeck, Jean, 102. 

Zortsoen, Lambert, 279. 

Zuderman, André, chanoine de 
Téglise Saint-Servais a Maes- 
tricht, 350. 

Zuerinck, Thomas, 285. 

Zuschen, Godefroid de, 327. 

Zusteren, Béatrice de, 310. 

Zyttart, Pierre, voir Sittert. 



Carte et Planches. 

1. Carte: Politieke indeeling van het grondgebied van Limburg 
tusschen 1785 — 1894 (se trouve a la fin du volume). 

2. Planche, représentant la croix sépulchrale de Geldulphe, 
prévót de réglise Saint-Servais a Maestricht, retrouvée en 
cette église Ie 30 aoüt 1903 377 

3. Planche, représentant Ie sarcophage de ce prévót . . . 383 

4. Planche, représentant Ie plan terriër de Téglise Saint-Martin 

a Venlo avec indic^tion des pierres tombales . . . 400, 411 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



PUBLICATIONS 

DE LA SOCIÉTÉ 

H18T0RIQÜE ET ARCHÉOLOGIQUE 



DANS 



LE DUCHÉ DE LIMB0UR6. 



TOME XL. 



TOME XX. 



Vr's iiui/a major. 



1904. 



• t • 3 * r iS- 



MAESTRICHT, 

LEITER-NYPELS. 
1904. 



Digitized by 



Google 



'Digitized by 



Google 



JACOB DE EERSTE, 

ORAAF VAN HORNE, 



Fr. AURELIUS POMPEN, 

O. F. M. 



Wat hier volgt is eene verzameling, meer niet. De lezers zullen 
misschien veel, misschien het meeste reeds kennen van wat hun 
hier wordt voorgesteld. Toch meende ik met het bijeenverzamelen 
geen nutteloos werk te doen; ik geloof zelfs niet, dat ik mijn 
arbeid behoef te rechtvaardigen. Worden de brokstukken niet 
opgedolven, om daarmede het beeld te herstellen in zijn oude 
gedaante ? 

Maar ik spreek van een beeld, en het is slechts een zeer on- 
volledige en ongeregelde schets, die ik hier geven kan. Voor een 
groot gedeelte meen ik dit echter te kunnen wijten aan mijn 
onderwerp zelf, want slechts zelden bracht het mij in den vaak 
begeerenswaardigen „embarras du choix". Daarenboven: men 
moet roeien met de riemen, die men heeft. 

Daarom onderwerp ik de vrucht van mijn arbeid in alle nede- 
righeid aan het oordeel der lezers. Met de stille hoop evenwel, 
dat zij er iets in zullen vinden, wat hunne goedkeuring wegdraagt. 

Ik moet hier nog bijvoegen, dat deze studie is ondernomen uit 
een plichigevoel van piëteit. De Graaf van Horne is de stichter 
geweest van het klooster der Minderbroeders te Weert. 



Digitized by 



Google 



— 4 — 

De aard van mijn opstel maakt het mij moeielijk, hier naar 
loffelijke zede eene bespreking te geven der bronnen. 

Het prachtwerk van Goethals, waaruit Wolters voor een goed 
deel zijn Notice heeft overgeschreven, is onze voornaamste zegs- 
man geweest voor het eigenlijke leven van Graaf Jacob. Doch 
iedere bijzonderheid hebben wij getoetst en vergeleken met gege- 
vens van elders. 

Overigens is ons slechts één opstel bekend, di^x ex professo ov^t 
hem handelt, nl. een artikeltje in De Bode van den H, Francisciis 
XI (Antwerpen 1885), 49 vv., geschreven door Fr. Zacharias de 
Keyser^ terwijl zeer vele auteurs met waardeering doch slechts 
terloops van hem spreken. 

Aan den voet der bladzijde hebben wij telkens aangegeven, 
waaruit wij onze aanteekeningen hebben getrokken, of waar over 
de door ons aangeraakte onderwerpen iets meer is te vinden. Voor 
het gemak der aanhaling geven wij hier de 

Volledige titels der meermalen aangehaalde werken. 

Aa, A. J. V. d., Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden. 

14 dln. Gorinchem 1839—1851. 
Analecta Franciscana, sive Chronica aliaque varia documenta ad 

historiam Fratrum Minorum spectantia, edita a Patribus coUegii 

S. Bonaventurae adjuvantibus aliis Patribus ejusdem Ordinis. 

Tom. II. Chronica fratris Nicolai Glassberger Ordinis Mino- 
rum Observantium. Quaracchi 1887. 
Analectes pour servir a Thistoire ecclésiastique de la Belgique, 

publiés par Edm. Reusens etc. Tomé I ss. Bruxelles-Louvain 

1863 SS. 
Chifletius, J., Insignia gentilitia equitum ordinis Velleris Aurei. 

Antverp. 1672. 
Coppens, H. J. A., Algemeen overzicht der kerkgeschiedenis van 

Noord-Nederland, van de vroegste lijden tot het jaar 1581. 

Utrecht 1900. 
Creemers, Ch., Kronijk uit het klooster Maria-Wijngaard ie 

Weert. Roermond 1875 {Publicatio7is XII). 
Daris, J., Histoire du diocese et de la principauté de Liége 

pendant Ie XV<^ siècle. Liége 1887. 



Digitized by 



Google 



— 5 — 

Daris, J., Notices historiques sur les églises du diocese de Liége. 
Liége 1867 ss. 

Etat et nature des terres et pays de Wert en forme de deduction 
de droit pour messire Charles-Louis-Antoine d'AIsace, comte 
de Boussu, prince de Chimay et du St. Empire, etc. Rescri- 
bent. contre messire Ulrich, comte de Frezin, d'Arberg etc. 
qualitate qua suppliant, s. 1. et a. (^). /;/ het Rijksarchief in 
Limburg. 

Eversen, J. M. H. en J. L. Meulleners, De Limburgsche gemeente- 
wapens. Maastricht 1899 (J^ublicaiions XXXV). 

Fisen, B., Sancta Legia seu Historia Ecclesiae Leodiensis. Leodii 
1696. 

Flament, A. J. A., Chroniek van de heerlijkheid Weert, getrokken 
uit de stadsrekeningen, charters en andere oorspronkelijke 
bescheiden. Maastricht 1892 (^Publications XXIX). 

Godsdienstvriend, De. Dl. 82-87. 's Hage 1859-1861. 

Goethals, M. F. V., Histoire généalogique de la maison de Hornes. 
Bruxelles 1848. 

Gonzaga, F., De origine seraphicae religionis Franciscanae. Ve- 
netiis 1603. 

Habets, J. en A. J. A. Flament, De Archieven van het kapittel 
der hoogadellijke rijksabdij Thorn. 2 dln. Algemeene lands- 
drukkerij 1889 en 1899. 

Habets, J., Chronijk der landen van Overmaas en aangrenzende 
gewesten [door Peter Trekpoel]. Roermond 1870 (JPublica- 
• tions VII). 

Habets, J., Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom Roermond 
en van de bisdommen, die het in deze gewesten zijn voor- 
afgegaan. 3 dln. Roermond 1875-1892. 

Habets, J., De Loonsche leenen in het tegenwoordig hertogdom 
Limburg. Roermond 1871, {Publications VIII). 

Haute Petr. v. d.. Breviarium historicum Ordinis Minorum. 
Romae 1777. 

Historische und genealogische Prüfungen über die von weiland 
Herrn, Grafen Johann, den III. zu Hoorn, und Altena, des 



(1) Zie bij hoofdslr. XVll. 



Digitized by 



Google 



— 6 — 

heiligen Römischen Reichs obristen Erb-Jagermeister, edlen 
Herrn zu ober und nieder Weert, Hulst, Waarden, Cortessen 
und Bedbuur, Erb Schuzvoigt des kayserlichen freyen welt- 
lichen Stiftes Thorn per fidei commissum familiae conven- 
tionale et perpetuum festgestellte Successions-Ordnuug in der 
kayserlichen freyen Reichs-Grafschaft Hoorn: mit ausführ- 
lichem Bericht: wie das fürstliche Hochstift Lüttich sich 
desselben zum Nachtheil des nunmehr abgestorbenen reichs- 
freyherrlichen Geslechtes von Millendonk, und dessen weib- 
lichcn Erbfolgere, der verwittweten Frau Prinzeszin von 
Croy-Solre, und derer Gevettere von dem Knesebeck zu 
Tylssen in der Alten-Mark Brandenburg, ab Anno 1614 abs- 
que ullo titulo angemassct, und sie denenselben noch bis dato 
vorenthalt. Alles mit Beylagen von Num. I. bis LVIII. be- 
starket. — Gedruckt im Jahr 1754 (y). In het Rijksarchief 
in Limburg. 

Hoogstraten, D. v.. Groot algemeen historisch woordenboek. 7 dln. 
Amsterdam, Utrecht, 'sHage 1733. 

Knippenbergh, J , Historia ecclesiastica Ducatus Geldriae. Bru- 
xellis 1719. 

Kremer, Akademische Beitrage zur Gülich- und Bergischen 
Geschichte. Manheim 1769. 

Lacomblet, Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins. 
Düsseldorf 1840-1853. 

Leeuwen, S. v., Batavia illustrata ofte HoUandsche Chronyk. 
'sHage 1685. 

Maasgouw, De, Orgaan voor Limburgsche geschiedenis, taal- en 
letterkunde. Jgr. I vv. Maastricht 1879 vv. 

Martène, Edm. et Urs. Üurand, Veterum scriptorum et monu- 
mentorum, historicorum, dogmaticorum, moralium amplissima 
collectio. 9 voll. Parisiis 1724—1733. 

Miraeus, Aub., Opera diplomatica et historica, ed. 2 * a J. F. Foppens. 
4 voll. Bruxellis 1723—1748. 

MoU, W., Johannes Brugman en het godsdienstig leven onzer 
vaderen in de vijftiende eeuw. 2 dln. Amsterdam 1854. 



(i) Zie bij hoofdst. XVII. 



Digitized by 



Google 



— 7 — 

Moll, W., Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming, 
2^^ dl., 2d« stuk. Utrecht 1867. 

Nijhoff, Is. An., Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van 
Gelderland. 8 dln. Arnhem— 's Hage 1830-1875. 

Pastor, Ludw., Geschichte der Papste im Zeitalter der Renais- 
sance bis zur Wahl Pius II. 2'« Aufl. Freiburg 1891. 

Poell, G. M., Beschrijving van het Hertogdom Liniburg. Weert 
1851. 

Pontanus, J. J., Historiae Gelricae libri XIV. Hardervici 1639. 

Publications de la société (d'archéologie) historique et archéolo- 
gique dans Ie Duché de Limbourg. Tomé I ss. Roermond — 
Maestricht 1864 ss. 

Royaardts, H. J., Geschiedenis van het .gevestigde christendom 
en de christelijke kerk in Nederland gedurende de Middel- 
eeuwen. 2 dln. Utrecht 1849, 1853. 

Romer, R. C. H., Geschiedkundig overzicht van de kloosters en 
abdijen in de voormalige graafschappen Holland en Zeeland. 
Leiden 1854. 

Schutjes, L. H. Chr., Geschiedenis van het bisdom 's Hertogen- 
bosch. 5 dln. St. Michiels-Gestel 1870—1876. 

(Sivré, J. B.), Inventaris van het oud-archief der gemeente Roer- 
mond, 4 dln. Roermond 1868—1883. 

Slanghen, Eg., Bijdragen tot de geschiedenis van het tegenwoor- 
dige Hertogdom Limburg. Amsterdam-Si ttard 1865. 

Stokvis, A. M. H. J., Manuel d'histoire, de généalogie et de 
chronologie. Tom. III. Leiden 1890—1893. 

Wadding, L., Annales Minorum. Tom. V. s. Lugduni 1642, 1648. 

(Wolters, M. J.'), Notice historique sur Tancien Comlé de Hornes 
et sur les anciennes Seigneuries de Weert, Wessem, Ghoor 
et Kessenich. Gand 1850. 



Ten slotte zij het mij nog geoorloofd, hier mijne erkentelijkheid 
te betuigen aan de velen, die mij met hunne hooggewaardeerde 
hulpvaardigheid hebben ter zijde gestaan. De Rijksarchivaris in 
Limburg, de Secretaris van Weert, de Burgemeester van Roer- 



Digitized by 



Google 



— 8 — 

mond en anderen, die ik allen niet noemen kan of ook niet 
noemen mag, bewezen mij op verschillende wijze zeer gewichtige 
diensten. Aan hen allen zij hier nogmaals mijn oprechte, harte- 
lijke dankbaarheid uitgesproken. 



Digitized by 



Google 



I. 

De Heeren en Landen van Home. 



Het derde kwartier van het Limburgsche wapen wordt gevormd 
door het blazoen der Heeren, later Graven, van Horne. En hoe 
men ook denken moge over de. samenstelling van het provinciale 
wapen (i), niemand zal aan de drie jachihorens (2) van keel op 
het gouden veld daar hunne plaats betwisten. Want niet alleen 
strekte het land van Horne zich uit over een aanzienlijk gedeelte 
onzer provincie, de Heeren en Graven zelve hebben eene voor- 
name rol gespeeld in de geschiedenis dezer streken. 

Laat ons liever zeggen : hun invloed heeft zich doen gelden 
over geheel Nederland en België. En hierbij behoeven wij niet 
slechts te denken aan Philips van Montmorency, die optreedt in 
het bekende tweetal Egmond en Hoorn (3): gedurende heel de 



(1) Men zie hierover o. a. Theod. Dorren, Tets over h t Limburgsch Wapen in 
Limburg' s Jaarboek 1902, 114 vv. 

(2) Vgl. Bijlage IV. 

(8) Het is vreemd, dat men bij Noord-Nederlanders steeds hoort spreken van 
Hoorn en niet van Home. Het laat zich echter verklaren. „Ieder Hollander kende 
de stad Hoorn en slechts weinigen *t weinig beteekenende Horn" zegt A. J. C. Kreraer 
{De Navorschcr XXXIV, 517). De gewone naam in oude Hollandsche stukken is 
Horne. in Fransdie charters Hornes. Overigens vindt men nog vele varianten: 
Horn, Hoerne, Iluerne en een enkele maal Hoorne. Het thans nog voortlevende 
dorp heet officieel Hom, doch het volk spreekt gewoonlijk van Heur. — Kostelijk is 
het onderschrift van een prentbrief kaart voorstellend het kasteel van Horne of liever 
de ruïne daarvan: „Historisch kasteel der Graven van Egmond en Hoorn"! Alsof zij 
daar samen hebben gewoond ,,en compagnie", terwijl geen van beiden daar ooit heeft 
verbleven. De graaf van Horne toch, nl. de hier bedoelde Philips de Montmorency, 
woonde, zoo hij niet buitenslands vertoefde, gewoonlijk te Weert. 



Digitized by 



Google 



— 10 — 

latere middeleeuwen werden de Heeren van Home wijd en zijd 
geroemd als onverschrokken krijgslieden en machtige ridders. 

Diep in de verte der eeuwen verschuilt zich hun oorsprong. 
Slechts in weifelend vernïoeden durft Goethals de meening uit- 
spreken, dat zij in de 12^* eeuw gesproten zouden zijn uit de 
Hertogen van Lotharingen (i), terwijl anderen nog eene afstam- 
ming voorstaan uit de Graven van Loon (2). 

Hoe het zij, reeds in de 13**« en 14^« eeuw klimt de luister 
van hun naam tot een wijdstralenden, schoon niet altijd vlek- 
keloozen roem. 

Ik acht mij niet geroepen lot hun loftrompetter. Ik spreek niet 
van de bisschoppen die uit hen zijn voortgekomen; de lofprijzing 
van den kerkvoogd Arnold van Horne (f 1389) behoort bij de 
geschiedschrijvers der bisdommen Utrecht en Luik. Ik ga de 
stichtende vroomheid hunner dochters voorbij, waarvan de adel- 
lijke stiften van Thorn, Nivelles, Maubeuge, Bergen en Anderghem 
kunnen getuigen. Ook de vermelding der lauweren, die zij ver- 
zameld hebben op de velden van Zierikzee, Woeringen, Azincourt 
en elders, valt buiten mijne om.raming. Ik bepaal mij bij een 
enkele aanhaling. Waar een tijdgenoot den slag bezingt van 
Stavoren (1345), daar wordt Heer Gerard van Horne ingeleid 
met deze woorden: 

Den besten here set ie voren: 

Hij droech gout van keel III horen 

Van silver waren sie gebonden. 

Manlijck sach men tallen stonden 

Als hem last op quam oft nood. 

Dees is ter Vriesen bleven dood. (3) 
Ik moet hier nog bijvoegen, dat Keizer Hendrik IV of Fre- 
derik II hun de hooge waardigheid schonk van erfelijk opper- 



(1) Goethals 39 ss. 

(2) Deze meening der oudere schrijvers vindt nog aanhangers in Wolters 10 
en Stokvis III, ch. X, tabl. n° 7 et 8. Zij werd door Goethals krachtig verworpen. 

Er worden zelfs Graven van Horne genoemd in de 9« en 10» eeuw, doch hier- 
omtrent kan de historie slechts zeer primitieve aanwijzingen geven. Vgl. De 

Corswarem, Histoire historique sur les anciennes limites de Limbourg 

(Bruxelles ia57) 134, 304. 

(8) Willems, Belgisch Museum V, 104 ; bij Goethals 35. 



Digitized by 



Google 



— 11 — 

Jachtmeester van het Keizerrijk (grandveneur hereditaire de 
TEmpire) (^), en dat zij verwant waren, niet slechts met de 
Heeren van Arkel of de Hertogen van Brabant en Kleef (*), maar 
zelfs met de Koningen van Engeland en de Keizers van Duitschland. 

Het is onmiskenbaar, dat zij een verreikenden invloed hebben 
verworven door hunne persoonlijke hoedanigheden, door hun 
dapperheid, door hun doorzicht en . . . door hunne aanmatigingen. 

Evenwel ook de rijkdom hunner bezittingen was een groote 
stuwkracht voor hun invloed daarbuiten, al zou het ook hier 
moeielijk vallen, al hunne rechtsgronden te verdedigen voor het 
tribunaal der Justitia. 

De eigenlijke heerlijkheid Horne was het wettelijk erfgoed 
hunner familie. Er straalt hier evenwel te weinig licht door de 
nevelen der tijden, om met zekerheid den oorsprong te onder- 
scheiden. Wolters (^) meent, dat de heerlijkheid reeds bestond 
ten tijde van Karel den Groote, en wel in bezit en beheer van 
„quelque vaillent chef des armées de l'Empereur". Nadat in de 
lO^e eeuw de leenen erfelijk waren geworden, zou zij door aan- 
huwelijking eene bezitting geworden zijn van de Graven van 
Loon, die er een jongeren tak hunner familie mede beleenden. 

Anderen evenwel nemen met Habets (**) aan, dat Horne oor- 



(1) Wat onder den titel van grand-veneur juist begrepen werd, en wanneer hij 
ontstaan is, kunnen wij kwalijk vaststellen. „Cette haute di^nité date probablement 
des premiers temps de l'empire, alors que de vastes forêts couvraient la plupart des 
contrées et que la chasse et la pêche formaient Ie revenu principal des souverains 
OU feudataires tout en constituant un de leurs plus grands plaisirs" zegt Goethals 
39 not., en deelt dan nog ecnige gegevens over dezelfde waardigheid in Frankrijk 
mede. Elders vinden wij nog het volgende: „Sie waren des Heiligen Römischen 
Reichs Oberste Erb-Jagermeister, von denen IV so im teutschen Reiche recipirt 

waren Sohe die Tabelle von denen Quaternionen einigen Grund haben, so waren 

die Herren von Hoorn unter denen 4 Reichs-Jagern (Hoorn, ürach, Schomburg 
und Metsch, bey Chur in Graubunden) die obersten gewesen... Es wird vermuthlich, 
dasz die Würde quoad Exercitinm^ sich blosz über Westphalen und die Niederlande 
erstrecket habe". Historische und Genealogische Prüfungen 84. 94, Not. 26. f. 

(2) Zie Bijlage II. 
(3j p. 10. 

(^) De Loonsche leenen 48. Elders schreef Habets {Het Vrijdorp Neerttter in 
Pnblications IV, 281), dat de heerlijkheid Horne behoord heeft tot de eigeftdommen 
van Ansfried, Graaf van Hoei en Teisterbant, die in 1010 als Bisschop van Utrecht 
is gestorven. — Ansfried zal dan deze bezitting, evenals zoovele andere, geschonken 



Digitized by 



Google 



— 12 — 

spronkelijk deel uitmaakte van het graafschap Loon, waarvan het 
in latere tijden als een mannelijk leen werd afgespleten, ten voor- 
deele van eenen tak des huizes van Altena. 

Wat .daarvan ook zij, zeker is het, dat ten minste vanaf het 
begin der 14^« eeuw de Heeren van Horne optreden in geregelde 
erfopvolging onder gestadigen leenplicht aan de Graven van Loon, 
en sinds 1356 — toen het graafschap) met het bisdom werd ver- 
eenigd (i) — aan de bisschoppen van Luik. 

De heerlijkheid Horne omvatte het dorp en het slot van dien 
naam, Buggenum, Halen, Heythuizen, Beegden, Neer, Nunhem, 
Roggel, Geijstingen en Ophoven (2). 

Reeds spoedig evenwel breidden die bezittingen zich verder 
uit. Ook hier, als op zoovele andere plaatsen bood de voogdij- 
schap de gelegenheid en het masker aan de hebzucht. Voogden 
[avoués, advocati] waren oorspronkelijk de wereldlijke verte- 
genwoordigers van geestelijke eigenaars en hadden als zoo- 
danig uitgebreide rechten te genieten maar ook zware plichten te 
vervullen. Hun was een gedeelte der rechtspleging opgedragen, 
en de onder hunne voogdij staande kerkelijke bezitting moesten 



hebben aan het bisdom Luik, waarna zij verceiiigd werd met het Luiksche graaf- 
schap Loon. 

(') Zie hierover o. a. J. Mantelius, Hisioriae Lossensis libri X, ed. Laur. Robyns 
(Leodii 1717) I, 266 ss.; vooral Kremer I. 28 ff. 

(2) Al deze dorpen, behalve de twee laatste, welke thans tot België behooren, zijn 
gelegen op Limburgsch grondgebied. — Er wordt eenige twijfel over gevoerd, of 
Buggenum wel oorspronkelijk deel van de heerlijkheid uitmaakte. Misschien werd het 
er eerst in 1219, tegelijk met Wessem, aan toegevoegd. Zie Eversen-Meulleners 99. 

Eene beschouwing der appelhoven doet den twijfel nog eenigszins verder gaan. 
De schepenbank van Buggenum (vgl. Eversen-Meulleners 100. 206 noot. 582) Heyt- 
huizen en Neer appeleerden op die van Haelen (Horn), en vandaar naar het Loon- 
sche schepenhof in Vliermael. De banken daarentegen van Weert, Nederweert, 
Ophoven, Geijstingen. (In 1446 vormden de beide laatste plaatsen nog slechts ééne 
bank, want den 6'^<'" Maart van dat jaar is spiake van „in der banck van Ophoven 
en Geijstingen" [Habets-Flament I, 332]), Beegden, Heel, Pol en Panheel appeleerden 
op de bank van Wessem en vandaar naar Aken (later in hoogste instantie naar het 
„Reichskammergericht"). Zie G. D. Franquinet, Les appels a la cour {TAix-la- 
ChapelUy Publicaiions IX, 310. Vgl. De Maasgouw\m),''Jè'^\ Pubhcations W\, iS. 

Ter verklaring der oude leenakten zij hier nog bijgevoegd, dat het land van Horne 
vroeger ook wel genoemd werd de Baronie van Maasland of de Baronie van liet 
land van Eyck (Macseyck). 



Digitized by 



Google 



— . 13 — 

zij met de gewapende hand vrijwaren tegen allen onrechtmatigen 
aanval. Maar de rechten strekten zich verder uit, of werden 
althans over het algemeen beter geobserveerd dan de plichten. 
Dit werd vooral in de hand gewerkt, doordat overal feitelijk 

— niet rechtens — de voogdijschap erfelijk bleef in cene familie. 
Voogden waren de verdedigers van kerkelijke goederen en 

stichtingen, maar schier overal legden zij het er op aan, de sou- 
vereiniteit te verwerven over de hun toevertrouwde goederen. 
Keizers, Bisschoppen en Pausen kwamen wel daartegen in verzet, 

— zelfs kostte deze strijd voor de vrijheid der oude stichtingen 
een aartsbisschop van Keulen, den H. Engelbertus, het leven 
(f 1225), — maar op vele plaatsen waren al deze pogingen 
vruchtelooze moeite (}'). 

Merkwaardige phasen uit zulken strijd vindt men in de geschie- 
denis der Heeren van Home. Nochtans kunnen wij niet alles in 
den breede verhalen; wij moeten ons tot de hoofdfeiten beperken. 

Men moet twee soorten van voogden onderscheiden. Vooreerst 
die welke aangesteld waren over eene abdij, een kapittel of eene 
kerk, en ten andere de bewindvoerders over een afzonderlijke 
bezitting of cur^is eener kerk (-). 

Tot de eerste soort moet men de Heeren van Horne rekenen, 
in zooverre zij voogdij voerden over het vorstendom Thorn. 

Hierover spreken wij later in een afzonderlijk hoofdstuk. 

Wij behandelen hier hunne voogdijschap in den tweeden, meer 
beperkten zin. 

De abdij van St. Pantaleon te Keulen ontving van den H. Bruno, 
broeder van Keizer Ütto den Groote, de dorpen Wessem en 
Hengelo [Elsloo] (3). Tot de aanhoorigheden van Wessem be- 
hoorden de burcht te Buggenum, de vi/he Keipen (thans onder 
Grathem) en Oirle, de curies Exaeten (onder Baexem), Katert 
(onder Heel en Panheel) en Boschmolen. 

Over Wessem met deze onderhoorigheden verkreeg reeds een 
der eerste Heeren van Horne de voogdijschap. 

Met toestemming van den H. Engelbertus van Keulen stond de 



(1) Zie Publications XXXIV, 214—218. 

(") J. Habets, Hei Vrijdorp Neeriiter, Publications IV, 237. 
(3) Sloet, Oorkondenboek der graafschappen Geire en Zutfen I, n» 98. Vgl. 
Eversen-Meulleners 561. 



Digitized by 



Google 



— 14 — 

abt van St. Pantaleon, den 15***° Mei 1219, dit alles reeds aan 
Willem III van Horne in erfpacht af, tegen eene jaarlijksche 
rente van veertien Keulsche marken (i). 

Het feit spreekt door zich zelf. 

Men ging nog verder. Door een excommunicatie-t rotseerende 
vermetelheid maakten de volgende heeren er zich geheel meester 
van, en den 27*'«° April 1329 draagt Gerard I van Horne wat 
hij noemt het allódium der stad Wessem met aanhoorigheden 
(„legitime . . . redempta"!) op aan Willem van Gulik en ontvangt 
het van hem ter leen (*). 

Sinds is Wessem c. a. eene erfelijke rijksheerlijkheid gebleven, 
in bezit der Heeren van Horne, die door persoonlijken leenband 
aan de Graven van Gulik en sinds 1402 — toen Gulik met Gelder 
werd vereenigd — aan de Hertogen van Gelder waren verbonden. 

Een dergelijk lot onderging ook Weert. 

Ook hierover oefenden de Heeren van Horne oorspronkelijk de 
voogdijschap uit voor het kapittel van St. Servaas te Maastricht, 
die het omstreeks 1062 had ontvangen van den Markgraaf Otto 
van Thuringen (^). Maar Willem III en Gerard I wisten het 
kapittel in 1306 tot een contract te brengen, waarbij hun de 
voornaamste rechten werden afgestaan. De tiende en het recht, 
om beurtelings met den Heer de voorstelling te doen van den 
pastoor, benevens eene niet onbelangrijke grondgerechtigheid 
waren de hoofdzaken van wat nog behouden bleef (*). 

Onder de heerlijkheid Weert was ook Nederweert, of Weert 
ten benedensten einde, begrepen. De stad Weert werd beschouwd 
als 'slands hoofdplaats; de Heeren hadden er hun gewone verblijf 
en hunne munt (5). 



(1) Lacombet II, N" 81. Door de woorden van het diploom straalt duidelijk genoeg 
herinnering aan oude veete en vrees voor de toekomst. De jaarlijksche rente moest 
binnen den bepaalden termijn betaald op straffe van den ban voor Willem en de 
parochianen van Wessem. 

(5) Lacomblet III, N" 243; vgl. Wolters 146 ss. Zie echter een verdrag tusschen de 
Keulsche abdij en Gerard I, gesloten den 13"^''"Mei 1305, in Z?^ /ï/<iaj^ö//2c/ 1881, 581. 

(8) Flament, Chroniek 145. 

(*) Het geheele contract bij Flament 226 v. Zie ook De MaasgoHW 1880, 394. 
Eversen-MeuUeners 65. 

(«) Slanghen 130. — Was dit reeds zoo vóór 1455? 

Het jus cudendae tnonetae was een jus superioritatis territortalis, een regale 



Digitized by 



Google 



— 15 — 

Weert werd verheven aan het Geldersche leenhof. Het valt 
moeielijk te onderkennen, wanneer dit voor het eerst geschied is. 
De oudste leenverheffing door J. B. Sivré uitgegeven (}) dateert 
van 1405. Waarschijnlijk heeft Weert in dit opzicht een zelfde 
geschiedenis als Wessem. Eveneens was de leenband persoonlijk. 

Van minder belang was de voogdij, welke de Heeren en Graven 
van Horne, als leen van het graafschap Loon, uitoefenden over 
het eigendom der Luiksche domkerk, Neeritter. Ook hier had 
een Willem III van Horne zich eene uitbreiding van rechten 
willen aanmatigen, maar met minder gevolg dan elders (2). 

Vermelden wij nog het vrijgoed (met kasteel) dat de Heeren 
bezaten te Heel^ over welk dorp zij waarschijnlijk ook de voogdij 
voerden voor het domkapittel te Luik (3) en ten slotte de suze- 
reiniteit met eenige rechtsmacht, die hun toekwam over Pol en 
Panheel (4), en wij meenen nauwkeurig de grenzen te hebben 
getrokken van hun gebied en rechtstreeksch gezag in Limburg; 
althans voor zoover wij kunnen nagaan. 

Wat nu de bezittingen betrof buiten onze provincie, daarover 
kunnen wij korter zijn. 

Het land of de heerlijkheid van Altena nr^t de stad Woudrichem 
was oorspronkelijk een deel van het door Bilderdijk zoo gepoë- 
tiseerde Teisterbant. Omstreeks 1155 kwam het door het huwelijk 



tnajus imo reservaium Majestaticum, Zie Historische und genealogische Priijun^en 
96, Not. 34; vgl. Janssen, Geschichte des deuischen F^Z/t^fj I (14^« Aufl. Freiburg 1887), 
447. 

(1) De Maasgoiiw 1880, 214. Eveneens de deductie Eiat et nature etc p. 83. 
Wij vinden echter in P. N. v. Doorninck, Het oudste ieenactenboek van Gelre J326 
(Haarlem 1898), blz. 5: „Item de her van Hoerne helt van den greve de vochdije 
van Thoren, eijn deel van den dorpe te Wirte ende dat dorp te Bekei". Zie ook 
beneden blz. 35 noot 4. Hieromtrent schreef mij Flament: „Dat f^dee/ van Weert" 
doet mij vermoeden, dat niet heel Weert oorspronkelijk Geldersch leen was en dat 
de Geldersche hertogen later hun leenrecht op Weert hebben uitgebreid. Daarbij 
komt, dat Weert aanspraak maakte op den titel .van Vrije Rijksheerlijkheid en er 
omstreeks 1704 het Geldersche landrecht niet zonder moeielijkheden is ingevoerd". 

O Zie J. Habets, Het Vrijdorp Neeritter, Pitblicaiions IV, 234. 

(*) Eversen-Meulleners 172; vgl. Habets 1.1. 288. 29i. 299 vv. 316. 341 vv. 

(<) Zie De Maasgouw 1880, 262 v. 



Digitized by 



Google 



-- 16 — 

van Margaretha van Montbeliard met Willem II aan het huis 
van Home (i). 

Deze heerlijkheid was sinds 1332 een leen van het graafschap 
Holland (2). 

Cortessem^ cene oude heerlijkheid in België, niet verre van 
Hasselt, roerde te leen van het graafschap Loon (bisdom Luik). 
In het begin der 13**« eeuw werd het eene bezitting van Dirk van 
Altena, die het in 1243 vermaakte aan den zoon zijner zusier, 
Willem III van Horne (^). 

Over Eindhoven en Cranendonk, alsmede over eenige persoon- 
lijke bezittingen van Jacob I, zullen wij later spreken. Het wordt 
meer dan tijd, dat de hoofdpersoon ten tooneele verschijnt. 



(1) Goethals 13. 43. — Ook het nabij gelegen Moniiikenland tusschen Brakcl en 
Loevestein, leenroerig van het hertogdom Gelder, was eene bezitting der Heeren van 
Horne, zooals uit verschillende stukken blijkt. Zie o. a. Wolters 79. 108. 109; Sivré 
II, 99 en de straks (blz. 30) te vermelden leenakte. Er ontstond later een twist 
over de vraag, of aan de Graven van Horne buiten het bezit ook het gericht en de 
heerlijkheidsrechten toekwamen. Karel van Gelder schreef den 5 Januari 1523 een 
. brief aan Jacob III, waarin hij zelf aanspraak maakte op deze rechten. 

De heerlijkheid werd sindb 1640 een bezit van Constantijn Huygens en diens 
nakomelingen. Zie v. d. Aa VII, 1052. 

(2; S. van Leeuwen 197. Te voren was het een leen van Kleef. 

(*) Daris, Notices X, 143 ss.; vgl. ook De Corswarem, Mémoire hisforique sur 
les anciennes limites et circonscriptions de la province de Limbourg (Bruxelles 
1857), 321. 



Digitized by 



Google 



II. 
Geboorte, Ouders, Voogd. 



Hoogst moeielijk is het, eenige juistheid en zekerheid te vinden 
omtrent de geboorte en eerste levensjaren van onzen Jacob. In 
1439 zien wij hem voor het eerst optreden in de geschiedenis, 
en dan komt hij als uit de duisternis in het licht. Zoover onze 
zwakke oogen het toelaten, zullen wij echter trachten die duis- 
ternis te doorboren. 

Jacob werd hoogstwaarschijnlijk geboren in 1426 Q), 

Wanneer Slanghen's opmerking, die wij boven hebben vermeld, 
— dat nl. het gewone verblijf der Heeren (Graven) van Horne te 
Weert was gevestigd — ook reeds waarheid bevat voor het begin 
der 15**« eeuw, dan zullen wij de plaats der geboorte moeten 
zoeken, waar thans het Minderbroedersklooster staat. Daar althans 
verhief zich sinds overoude tijden de burcht der Hornsche 
Heeren, — waarom deze plaats later dan ook Aldenborch werd 
genoemd. 

Wat zal er een vreugde hebben geheerscht te Weert en in het 
geheele graafschap! Reeds lang, bijna negen jaren lang, had men 
uitgezien naar een stamhouder Q\ maar hope scheen er niet meer 



(1) Zie Bijlage I. 

(') Waren er reeds dochters? Of zijn er ten minste later nog dochters geboren? 
De laatste vraag wordt door Goethals (115) en Wolters(34) bevestigend beantwoord; 
want als kinderen van Willem VIII geven zij ook op „Mahand de Hornes, abbesse 
^ Thorn*'. Doch hier is ongetwijfeld eene persoonsverwisseling in het spel. Daar 
hebben twee personen uit de familie van Horne den vorstelijken zetel van Thorn 
bekleed: Margaretha, de dochter van Dirk van Horne. Heer van Perweis, en iMech- 
2 



Digitized by 



Google 



— 18 — 

te zijn. Treurend mijmerde men reeds over het uitsterven van 
het oude geslacht. 

En nu, eindelijk, daar was den Heer van het kasteel een zoon 
geboren. 

Het was in dien tijd reeds de gewoonte, dat de kinderen ge- 
noemd werden naar een der familieleden; en de oudste zoon 
kreeg bijna altijd den naam zijns vaders. De pasgeboren zoon 
echter van Heer Willem VIII werd Jacob gedoopt, een naam, 
dien nog niemand in de familie gedragen had. 

Daar moet een reden zijn voor die eigenaardigheid. 

Ik waag eene herinnering aan den H. Apostel Jacobus, wiens 
graf te Compostella door vele ridders vol eerbied werd bezocht. 
Mij dunkt, op een of andere wijze moet Compostella wel met de 
geboorte van Jacob in verband staan. Wellicht was hij de vrucht 
van een vurig gebed of een pelgrimsreize tot den H. Jacobus (^). 

Over zijne ouders weten wij slechts zeer weinig. 

Het waren Heer Willem VIII (*) en Johanna van Montigny. 

Willem VIII had tot vader Willem VII, die ten jare 1415 
met vele zijner bloedverwanten den heldendood stierf op het 



tildis, de docliter van Willem VII [Archieven van T/torn I, lxi). Beiden worden 
ook opgegeven door Goethals en Wohers doch gemaakt tot dochters respectief van 
Willem VII en Willem VIII. In zijn Notice sur Thorn (74, note 2) maakte Wolters 
dezelfde fout, waarom hij door Slanghen op de vingers werd getikt [Pubhcattons 
XVI, 75). 

J. Daris [Notices hisioriques X, 150) noemt op gezag van Lefort twee andere 
dochters, Dorothea en Maria, van wie overigens niet de minste bijzonderheid wordt 
aangegeven. Ik zou hier de autoriteit van Lefort gaarne aanvaarden om de eerste 
vraag bevestigend te kunnen beantwoorden — zoo het argunientiim ne^aihmm van 
het stilzwijgen aller andere auteurs er mij den moed niet toe ontnam. 

p) Dergelijke invoering van den naam „Jacob" vindt men bij vele adellijke families, 
vooral in de 15<^« eeuw. 

(') Zoo althans vindt men hem bij de meeste schrijvers genoemd in navolging 
van Wolters 43. Daar bestaat echter nog al eenige variatie. Miracus- Foppens I, 470 
noemt hem Willem IV. Wanneer men de genealogie van Ernst (^Hisf.de Limbonrg 
lll, 240) uitwerkt, dan zou men moeten spreken van Willem VI (Zie echter p. 421 ss.). 
Flament 138 noemt hem Willem Vil (Zie ook Goethals 39. 42 s.). Van Hoogstraten 
(i. v. Hornes) spreekt van Willem IX. De auteur der Historische und genealogische 
Priifungen brengt het in zijne a**» tabel tot Willem X, en op bladz. 125 stijgt hij 
zelfs tot Willem XII 



Digitized by 



Google 



— 19 - 

slagveld van Azincoürt (i) — en tot moeder Johanna van Heins- 
berg-Loon Q), Zijn oom, die den bisschoppelijken stoel van 
Osnabrück bekleedde, was reeds in 1404 gestorven. Hij had drie 
zusters: Oda Cof Marie) die huwde met Jan van Gemen, Mech- 
tildis (^) die abdis van Thorn was, en Catharina (of Isabella) de 
echtgenoote van Philips, graaf van Virnenburg ('*). 

Goethals en Wolters (^) verhalen ter loops eene schoone daad 
van Heer Willem VIII. Hij zou namelijk het klooster der Domi- 
nikanen gesticht hebben te Aken. Tot onze spijt moeten wij dit 
echter verwerpen, wijl het bewuste klooster reeds dagteekent van 
het jaar 1293 en zijn geschiedschrijver niets vermeldt wat eenig 
vermoeden zou kunnen baren (6). 

Over de laatste levensjaren van Heer Willem VIII ligt overigens 
een geheimzinnig duister. Het schijnt, dat hij reeds vóór 1428 



(1) Zoo vindt men tenminste opgegeven bij alle schrijvers. Doch mij is een stuk 
voorgekomen, waardoor mij deze opgave hoogst twijfelachtig wordt. Het is een 
afschrift in Ji/ra et Privilegia civitatis Ruraemutidensis op het stadsarchief in 
Roermond. Men leest daar op p. 93. „Van den Verekens Grynt. — Wer Willem 
here van Huerne, van Altena, ind van Kortershem, duen kont allen luijden also alse 
wer vurtyts in levenden lijve vrouwen Johannen van Heynsberge onser liever 
gesellynnen, der gott gedenck, onsen son Willem here tot Huerne, tot Alt'ena, ende 
tot Kortershem onse vurgli. lande over hebben laten nae ynnehalt synre brieve die 
hij dair aff heefft, so yst enz. (bevestigt den verkoop van den varkensgriend door 
zijn zoon aan de stad Roermond gedaan)... In orconde onss zegels mit onser weten- 
heit ind wille an desen brieve gehangen, gegh. int jair onss here dusent vierhondert 
ende sesteen op sent Bernarts dach des Abts." (20 Augustus). 

Nu is deze copie wel niet ouder dan het midden der achttiende eeuw, maar eene 
vergissing in het jaartal (1416) is hier toch niet aan te nemen; want vooraf gaat de 
verkoop van den varkensgriend door Willem (VIII) van Horne, gedaan op den 16 
Augustus '1416, welks authenticiteit gewaarborgd wordt door een origineel charter 
op perkament van den 8 Juli 1417 (in doos 3, n. 33; vgl. Sivré I, 201). Voor het 
vermoeden eener vrijwillige vervalsching zou men kwalijk voldoende gronden kunnen 
aangeven. 

(') Deze was de dochter van' Godfried II van Loon, Heer tot Heinsberg. Den 
20""° Mei 1374 werd zij door haren gemaal ,.gcliftocht en gewedompt." Zie Kremer, 
I, 40; Urkunden s. 49 ff.; Wolters 235 ss. 

(') En niet Margaretha, zooals Goethals en Wolters haar noemen. Zie blz. 17, noot 2. 

(^) In Etai et nature 103 wordt nog vermeld een broeder Arnold. 

(») Goethab 114; Wolters 44. 

(■) Chr. Qyix, Das ehetnaUge Dominikaner-Kloster und die Pfarre zum hl, Paul 
in Aachen (Aachen 1833) 4. 



Digitized by 



Google 



— 20 — 

afstand gedaan heeft van de regeering, want na dien tijd vindt 
men het bestuur steeds in andere handen en van hem wordt 
geen gewag meer gemaakt (i). Misschien heeft hij zich terugge- 
trokken te Aken, alwaar hij den 21*'"» Juli 1433 stierf (2) en in 
de Dominikanerkerk werd begraven. Jacob heeft later een prach- 
tig monument op doen richten boven het graf zijns vaders 
aan de Evangeliezijde des • hoogaltaars (3), met het volgende 



i}) In eene akte van leenverheffing gedateerd van 1428, treedt Fredcrik van Meurs 
op als Mombre des lands van Hoerne en spreekt van unser Herlicheü van Hoerne 
(Puöncations XVI, 33). Den 17*" Januari 1 432 noemt Frederik zich nogmaals /«<7w^^r 
van hei land van Hom (Sivré, InvenUiris III, 267). Den stevigsten steun mijner 
bewering vind ik echter in het charter van 30 October 1431: „Willem van Ghoer 
en zijn zoon Arnold verklaren, dat het hof op der Vysscher Oe^ door hen bij 
ruiling aan het klooster van O. L. Vr. te Roermond afgestaan, een leen is van den 
graaf van Horn en zij bij deze ruiling den last op zich genomen hebben om, bij 
meerderjarigheid van den jonker van Horn^ het voornoemde klooster de beleening 
daarvan op hunne kosten te verschaffen" (Sivré III, 2(>ü). Er schijnt dus nog geen 
Heer van Horn geweest te zijn, bij wien men de leenverheffing kon doen. 

(^) Aldus Daris, Noiices X, 149 en Chr. Butkens, La généalogie de la ires-illnsire 
mayson de Homes, Dressée sur /Utres ei charies avecq au ir es bonnes preuves 
(M. S. 1088 der Koninklijke Bibliotheek te 's Hage, N*> 129 B. 14. Het M. S. noemt 
eigenlijk als auteur slechts C. B.; doch de heer A. A Vosterman van Oyen, die 
mij welwillend een uittreksel stuurde, vermoedt, dat dit de initialen zijn van Chris- 
tophorus Butkens\ Eveneens het in den tekst te vermelden grafschrift. — Goethals 
114 evenwel en zijne volgelingen noemen den 25»»«» Juli 1433. 

(•') Qjiix a. a. O. Helaas, het monument is .,in unserer Zeit bei einer Renovation 
der Kirche unversiandiger Weise weggenommen worden" schreef Quix in 1833. 

Wolters (45) weet nog iets te verhalen, wat hij niet uit Goethals heeft overgeschre- 
ven, en waarvan hij zijn zegsman ook niet noemt. Doch het is mij gebleken, dat hij 
het letterlijk heeft genomen uit het aangehaalde werkje van Quix. Het gaat nl. over 
een woonhuis, dat de Heeren van Home zouden gehad hebben te Aken. Jammer 
echter, dat het eenige, waarin Wolters het werk van Goethals voor het leven van 
Jacob I heeft getracht aan te vullen, niet de minste waarde bezit. 

Wij ontvingen desaangaande, benevens over het genoemde grafmonument, door 
bemiddeling van den heer Flament het volgende belangrijke schrijven van Akens 
geleerden archivaris R. Piek: 

„Ueber das seit mehr als 80 Jahren verschwundene Grabdenkmal des Wilhelm 
Hcrrn von Horne is hier nichts bekannt. Auch das Archiv der Dominikanerkirche 
(jeizt St. Paul) enthalt nichts darüber. Was Quix übcr das Haus der Grafen von 
Hoorn in der Jakobstrasse schreibt, ist Phantasie. Das fragliche Haus (jetzt Jakob- 
strasse Nr. 24, 24a und 24b) hiess vormals „zum Hoorn". Der Hausernamen scheint 
Quix zu der Mythenbildung Veranlassung gegeben zu haben. In dem Schlusstein der 
Thorwölbung befindet sich das AUiancewappen Lamberts-Nütten, zu seiten desselben 



Digitized by 



Google 



— 21 — 

opschrift (1) : 

Hanc tabulam fieri, necnon depingi fecit 
Illustris dominus Jacobus primus Comes 
DE Horn, cuius Pater Illustris quondam 
.Dns d. Wilhelmus, dns de Horne 
hic sepultus est, qui obiit anno dni 1433. 

MENSIS JULII DIE 21. AnNIUERSARIUM EIUS 
SINGULIS QUATUOR TEMPORIBUS HIC SUPRASCRIPTUS 
Comes NOTABILITER FUNDANDO DOTAUIT 
PERPETUO CELEBRANDUM, QUORUM DeUS MISERERI 
DIGNETUR. 

Over Jacobs moeder hebben wij nog minder gegevens. 

Wij weten slechts, dat zij de dochter was van Jan van Mon- 
tigny en Eleonora van Quesnes. Haar broeder Robert viel, zonder 
kinderen na te laten, in den slag van Azincourt. Hare zuster 
Eleonora, gehuwd m?t Willem van Chatillon, herstelde het in 
1451 afgebrande Minderbroedersklooster te Reims, en werd daar 
ten jare 1455 begraven (*). 

Johanna erfde de bezittingen haars broeders, en zoo werd laler 
ook onze Jacob Heer van Montigny. 



links die Inschrift ZVM HORN, rechts AV CORNET. Das Haus brannte bei dem 
grossen Stadtbrand 1656 nieder, die genannte Familie baute es wieder auf und 
brachte an dem Neubau ihr Wappen mit den Inschriften an. Das Haus ,,zen Horne" 
gehorte uni die Mitte des 15. Jahrhunderts dem Martin Gruisser. Schon zu Ende 
des 14. Jahrhunderts scheint es im Besitze dieser Familie gewesen zu sein, da ein 
Gruisser damak op de Pauwe (so hiess vormals das hier in Betracht kommende Stück 
der Jakobstrassc) Hausbesitzer war. Das Haus wechselte in der Folge vielfach seine 
Besitzer, aber von den Herren oder Grafen von Horn ist nirgendwo die Rede. Den 
Namen „Lütticher Hof' hat das Haus nie gehabt. Die Bisschöfe von Lüttich hatten 
zwar in alterer Zeit zu Aachen ein Absteigequartier (domus episcopi Leodiensis], das 
bereits im Necrologium von (iiix (p. 70) erwahnt wird. Wo es aber lag, weiss 
man nicht". 

(1) Dit opschrift vonden wij in een M. S. MemoriaU Perpetuum van fr. Ant. van 
der Steen p. 223, waarvan wij later nog iets zullen zeggen. Het M. S. zegt letterlijk: 
Sequens epiiaphium habetur Aquisgrani in Monasterio fratruni dominicanorum.Rf ,^ 

Het is anders eenigszins vreemd, dat er in het begin sprake is van een iaöuia en 
van iiepingi\ eerder dan aan een eigenlijk monument zou men hierbij denken aan 
een grafechilderij, zooals men die nog o. a. te Venlo aantreft. — Aan het einde 
schijnen wel eenige woorden uit de copie te zijn weggevallen. 

(*) Goethals 114; vgl. Gonzaga 683. 



Digitized by 



Google 



— 22 — 

Ik kan hier nog bijvoegen, dat Willem en zijne echtgenoote 
groote weldoeners zijn geweest van het klooster der Cauliten 
te Nunhem — waarover later — , dat zij daar meermalen 
'sjaars dankbaar herdacht werden, en men vier jaargetijden voor 
hen hield tot aan de opheffing des kloosters tijdens de Fransche 
revolutie (i). 

Ziedaar alles. Het is te betreuren, dat wij vooral van Jacobs 
moeder zoo weinig weten. Niets kennen wij van den invloed, die 
zij gehad kan hebben op de opvoeding van haar jeugdigen zoon. 
Zelfs van haar stervensjaar vinden wij niet de minste aanduiding. 
Maar omdat haar naam in geen enkel stuk wordt aangetroffen, 
ook niet tijdens de minderjarigheid van Jacob, zou ik veronder- 
stellen, dat zij reeds vroeg is gestorven. 

Ofschoon wij er geen uitdrukkelijk getuigenis voor hebben, 
meenen wij uit den samenhang der feiten toch met genoegzame 
zekerheid te kunnen besluiten, dat Jacob, in nog jeugdigen ouder- 
dom, tijdens het leven zijner ouders, verloofd werd aan de dochter 
van Graaf Frederik van Meurs Q). 

Om den invloed, die deze verloving op Jacob's leven gehad 
heeft, en tevens om de voorname rol, die de Graven van Meurs 
in het land van Horne gespeeld hebben, willen wij hier een en 
ander over die Graven bijvoegen. 

Het graafschap Meurs was gelegen in het tegenwoordige Duitsch- 
land, doch aan deze zijde van den Rijn. Het grensde aan de 
hertogdommen Gelder en Kleef. Het grondgebied was betrek- 
kelijk klein, doch belangrijk is het deel, dat de Graven in ver- 
schillende tijdperken aan de omwentelingen hebben genomen, 
welke in ons land, met name in Gelderland hebben plaats gehad ('). 



(i) Zie het Necrologium van dat klooster in de Publications XVII, 21. 27. 31. 35. 
40. 45. 51. 

(^) Het eenige, dat zweemt naar eene uitdrukkelijke verklaring, bestaat hierin, dat 
omtrent 14JU — 1430 Frederik van Meurs in zake de hervorming van St. Elisabeths- 
dal — zie beneden blz. 25 vv. — optreedt als bestuurder van het land van Home 
„ob filiam Jacobo Hornano desponsatam" (Knippenbergh 77) of „eo ouod filia sua 
Johanna esset desponsata Jacobo filio D. Wilhelmi de Horn" (een archiefi^tuk des 
kloosters, door ons medegedeeld in De Maasgouw XXIV [1902], 44). 

(3; Nijhoff, Bijiiragtn voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde VI 
(1848), Aankondigingen enz. 22. 



Digitized by 



Google 



— 23 — 

Niet een der minsten was Graaf Frederik III (IV), die van 1418 
tot 1448 (of 1449) regeerde. In al de wapenaangelcgenheden der 
Neder-Rijnlanden wordt zijn naam genoemd; de Hoeksche en 
Kabeljaauwsche twisten konden niet worden volstreden zonder 
hem en bij het huwelijk tusschen Jacóba van Beieren en Frank van 
Borselen trad hij op als een invloedrijk middelaar (}'), 

Den 30*'*° December 1431 werd hij opgenomen onder de 25 
ridders der pas opgerichte orde van het Gulden Vlies (^). 

Hij wil mij voorkomen als een hoffelijk ridder, maar loszinnig 
van aard. Zooals het einde der Middeleeuwen er zoovelen kende. 
Nu voortgedreven door heerschzucht en ijdelheid, weerhouden 
straks door waarlijk echten godsdienstzin. 

Hij had twee broeders, die hoog opgeklommen zijn in de 
hiërarchie der Kerk. Dirk bekleedde den bisschoppelijken zetel 
van Keulen (f 1463), Hendrik (f 1450) was bisschop van Mun- 
ster. Beiden werden later tot kardinaal verheven. 

Een andere broeder, Walraven (f 1456), heeft eene treurige 
bladzijde gevuld in de geschiedenis van het .bisdom Utrecht. 
Gesteund door zijn broeder Dirk en het pseudo-concilie van Bazel, 
door den tegenpaus Felix V zelfs kardinaal gekozen, werd hij de 
mededinger van den wettigen bisschop, Rudolf van Diepholt. 
Meer dan dertien jaren lang bleef hij zijne voorgewende bisschop- 
pelijke macht uitoefenen tot onheil van bijna geheel ons vader- 
land. Eindelijk onderwierp hij zich en werd na den dood van zijn 
broeder Hendrik wettig benoemd tot bisschop van Munster, of- 
schoon hij nooit bezit van zijn zetel heeft kunnen nemen (^'). 

Het is eene eer voor Frederik, dat zijn naam niet genoenid 



(i) Arend, A/j^. Gesch, des Vader L II, 2« st. 521. — Over zijn vredestichtenden ar- 
beid zie o. a. Pontanus 442 ss. 458. 

(') Zie Chifletius 16: „Messire Frederic, dit Valeran, Comte de Meurs. Porloites- 
cartelé. Au I. et IV. d*or, a Ia fasce de sable (Meurs); au II. et III. de sable a I'aigle 
a deux testes d'argent, becqué et membré d'or (Saarwerden). 1'imbre: une teste de 
levrier d*or, au collier piquant de sable, au bord pointes et anneau d*argent. Ha- 
chements, d*or et de sable." 

(8) Zie Coppens 247 vv.; Nijhoff IV, xv vv.; Matthaei Veteris Aevi Atialecta 
(ed. a» Hag.-Comit. 17;]8) V, 86 ss. 119 ss. 458 ss,; voox^X Archief , . , van Utrecht 
XVI, 372 vv. en XVIII, 87 yv. 



Digitized by 



Google 



— 24 — 

wordt in die geschiedenis, dat hij zijn zwaard niet heeft gebruikt, 
om de aanmatigingen zijns broeders te verdedigen (i). 

Hij was gehuwd met Beatrix Engelberta van Kleef (2), bij wie 
hij vier kinderen won: Walburga (f 1459), die huwde met Willem 
van Egmond, broeder van Gelders hertog (3), — Margaretha, sinds 
1435 de echtgenoote van Gerard van Loon-Heinsberg, Heer van 
Gulik en Blankenheim (*), —Vincent, over wien later, — en Johanna. 

Met deze Johanna was het, dat Jacob door onderlinge over- 
eenkomst der ouders verloofd schijnt te zijn. Ongetwijfeld werden 
de toekomstige echtgenooten dan ook te zamen opgevoed, en wel 
aan het hof van Frederik, die na den dood — en ook reeds ge- 
ruimen tijd bij het leven (5) - van Jacobs ouders de voogdij 
waarnam over het land van Home. 

Over deze opvoeding is ons verder niets bekend. 

Wij zullen dus onzen Jacob de gewone oefeningen der ridder- 
school laten doorloopen en intusschen zien, wat Frederik als 
voogd in het land van Horne heeft bewerkstelligd. 

(1) Hij had nog een anderen broeder, Jan, die de vader werd der Graven van 
Saarwerden, en nog drie zusters: Elizabeth, gehuwd met Bernard van der J.ippe 
(Lacomblet IV, N° 21), Anna, gehuwd met Graaf Nicolaas van Tecklenburg (Goet- 
hals 120, vgl. Lacomblet IV, xv. 94), en Walburgis (Goethals 120 noemt haar 
Margaretha), gehuwd met Johan lil van Loon, Heer tot Heinsberg en Lewenberg 
(Kremer I, 66; Lacomblet IV, xxii. N' 42). — De genealogie, die Goethals geeft, 
is op zich zelf zeer verdacht, wijl zij zeer veel verschilt van andere meer betrouw- 
bare berichten. Zie o a. Hermann Altgelt, Geschichte cUr Graven von Moers (Düs- 
^seldorf 1846); vgl. Nijhoff, Rijdrairen VI (1848), in Aankondigingen enz. 22 vv.; 
Lacomblet sparsim; Stokvis III, 53. 

('•^) Goethals 120. Men vindt soms Catharina van Kleef als zijne vrouw opgegeven, 
o. a. bij Lacomblet IV. xxii; vgl. Nijhoff IV, 59 noot. Doch hier is een licht ver- 
klaarbare vergissing. Oorspronkelijk was nl. Catharina óf Irmgardis aan Frederick 
verloofd, doch wijl Catharina ten doop was gehouden door Frederiks moeder, werd 
deze verloving verbroken en in 1393 een andere aangegaan tusschen Frederik en 
Irmgardis óf „Engelbreche". Zie Lacomblet III, N° 975 en 990. De best-gedocumen- 
teerde genealogie van het Cleefsche Huis werd bewerkt door Dr. Robert Scholten in 
zijn Oevische Chroniek nach der Originalhandschrift des Gert van der Schuren 
(Cleve 1884). Hierin (S. 211) vindt men Engelberta ook als echtgenoote van Frederik 
van Meurs; zij stierf den 7^"" December 1458 te Keulen. Hare beide ::usters Irmgardis 
en Catharina stierven ongehuwd; eene derde, Johanna, werd abdis in het Clarissen- 
klooster van Hoerde. 

(') Nijhoff IV, N' 169 en 215. 

(*) Kremer I, 85; Lacomblet IV, xxili. 

i^) Zie boven blz. 20, noot 1. 



Digitized by 



Google 



III. 



Voogdijschap van Frederik van Meurs. 
Elisabethsdal. 



Tijdens de minderjarigheid van zijn pleegzoon voerde Graaf 
Frederik het bestuur over het graafschap Horne en de andere 
landen. — In deze hoedanigheid van „momber'* zien wij hem 
optreden in 1428 en 1432 (i). Maar wijl het toen gebeurde van ~ 
minder belang was, maken wij hier slechts melding van één 
enkel feit, geschied omstreeks 1434 dat inniger betrekking heeft 
met den toestand, den geestelijken toestand, en de geschiedenis 
der landen van Horne. 

Daar lag sinds lange jaren bij Roggel onder de gemeente Nun- 
hem een Cauliten-klooster, toegewijd aan de H. Elisabeth. 

Wat Cauliten zijn? — Neen, lezer, het is u volstrekt niet 
kwalijk te nemen, zoo gij het niet weet. Want sinds de Fransche 
revolutie bestaan er geen Cauliten meer; en daarenboven, dat 
klooster onder Nunhem was het eenige, voor zoover bekend is, 
in geheel Duitschland en Nederland (O- 

De Cauliten zijn door een Karthuizer gesticht omtrent het jaar 
1197. Guido (Virardus; heette die stichter, en hij vestigde zijn 
eerste klooster bij de stad Dijon in Val-des-Choux of Vallis Cau- 
lium. Vandaar de naam. Korten tijd daarna werd de nieuwe 
stichting goedgekeurd door Paus Innocentius III. 



(1) Zie boven blz. 20, noot 1. 

(') Publications XVII, 7, maken nog melding van een filiaalklooster te St. Joost 
onder Echt, vgl. ibid. 23. Er is overigens niets van bekend. Een gedeelte van het 
oude gebouw bestaat nog en dient tot boerenwoning. 



Digitized by 



Google 



- 26 — 

Zij was oorspronkelijk zeer streng. De monniken mochten nim- 
mer hun klooster verlaten. Hunne bezigheden waren verdeeld 
tusschen gebed en handenarbeid, waartoe vooral behoorde het 
afschrijven van boeken. Later hielden zij zich ook met landbouw 
onledig. 

De Cauliten waren zeer weinig verspreid; zij hebben 20, hoog- 
stens 30 kloosters gehad in hun grootsten bloei. Als bij toeval was 
er hier in onze streken een verzeild. 

Dirk, zoon van den Heer van Home was in 1211 ter bede- 
vaart getogen naar Compostella in Spanje. Op zijn terugtocht 
door eene ziekte overvallen, vond hij eene liefderijke verpleging 
in het Caulitenklooster bij Dijon. Op het verzoek der trouwe 
verplegers bouwde hij hun als vergelding eene woning in zijn 
land. Zoo ontstond in 1240 het klooster, dat den naam droeg 
van St. Elisabetsdal ter eere der Hongaarsche Heilige, die vijf 
jaren te voren was gecanoniseerd. En de monniken woonden er 
rustig en dienden God in eenzamen arbeid. 

Maar langzamerhand begon er verslapping te heerschen onder 
de eens zoo ijvervolle kloosterlingen, hetgeen niet te verwonderen 
is, wijl de oversten zoo verre verwijderd waren. De toestand werd 
vooral slecht in het begin der 15^* eeuw. Toch was er nog wel 
goede wil, maar zonder de bekwaamheid zich op te heffen door 
eigen kracht. 

Twee der vier monniken, die er nog waren overgebleven, en 
wel 2 Weertenaren, Godfried Nobis en Martinus Naus, hadden 
omstreeks 1430 het voornemen gemaakt, zich aan te sluiten bij 
de pas opgerichte en in volle kracht uitbloeiende Congregatie van 
Windesheim. Ten dien einde wendden zij zich tot den bestuurder 
der heerlijkheid, waarbinnen hun klooster was gelegen, tot Fre- 



(1) Zoon van Willem lil, zegt Habets (Puölicatiom XVII, 26). Mij dunkt het 
waarschijnlijker, of bijna zeker, dat hier de zoon van Willem 11 is bedoeld, gerekend 
volgens de genealogie van Wolters. Willem lil kan in 121 1 nog geene of slechts 
jeugdige kinderen gehad hebben. 

Opvallend is het, dat deze stichting in 1240 bevestigd werd, niet door Willem 111, 
die van 1240 tot 1264 over de heerlijkheid Horne regeerde, maar door diens zonen, 
den lateren Heer Willem IV en Engelbert, den kanunnik van Luik. Zie De Maasgouw 
1902, 54. 



Digitized by 



Google 



- 27 — 

derik van Meurs. Deze wist in 1434 van Paus Eugenius IV en 
het concilie van Bazel de gewenschte vergunning te bekomen, en 
den 7**«* April 1435 werd het klooster opgenomen onder de 
nieuwe Augustijnercongregatie. 

Ook de twee aanvragers sloten zich hierbij aan; de Prior, 
Hilbrandus Staeck, en een ander der overgeblevenen van vroeger 
behielden den regel der Cauliten, maar bleven toch tot hun dood 
in het klooster wonen Q^. 

Wij hebben deze hervorming eenigszins uitvoerig besproken, 
vooral om den invloed, die zij moet gehad hebben op de om- 
liggende streken. Want al hield* de nieuwe Congregatie zich vooral 
bezig met kloosterhervorming en studie en eigenheiliging, al had 
zij — zegt een Protestant — „de eenzaamheid lief, waar niets de 
stille devotie kwam storen en de kloosterling zich onverdeeld aan 
het schouwende leven kon overgeven, toch zagen de mannen van 
Windesheim niet voorbij, dat hunne roeping niet ten eenenmale 
buiten de menschenwereld gelegen was" (^). Zij moeten de oor- 
zaak geweest zijn eener intellectueele en religieuze verheffing 
voor poorters en dorpers en hoorigen. 

Deze vernieuwing was dus een prijzenswaardige daad van 
Frederik van Meurs. Eene daad van christelijken zin en doorzicht. 

Hij voltooide en volmaakte zijn werk door het klooster nog 
rijkelijk te begiftigen. Daardoor verdiende hij dan ook, dat de 
kanunniken later zijn naam herhaaldelijk inschreven in hun 
Necrologium, om meermalen 's jaars dankbaar voor hun weldoener 
te bidden, en dat telken jare in hun klooster een plechtige ziele- 
dienst voor hem werd opgedragen (3). Dit heeft geduurd tot op 
het einde der vorige eeuw; toen kwam de Fransche revolutie, en 
het klooster bezweek, en met het klooster stierf ook de god- 
vruchtige herinnering. 



(1) Zie Habets, GescA, v. h. Bisdom Roermond III, 656 vv.; — PubUcations XVII, 
1, SS.; — Wolters 166, uit Délices du pays de Liége\ — Knippenbergh 77; — 
Dr. Acquoy, Het klooster te WindesheitH en zijn invloed (Leiden -Utrecht 1880) 
III, 99; — Stimmen aus Maria^Laach 1900, 474; — onze mededeeling in De 
Maasgouw^ t. a. p.; — een belangrijk, doch onuitgevoerd decreet betrekkelijk dit 
klooster in 1600 bij Sivré II, 266 v. 

(») J. C. van Slee, De Kloostervereeniging van Windeslieim (Leiden 1874) 248. 

(») PubUcations XVII, 21. 27. 31. 40. 46. 53. 



Digitized by 



Google 



— 28 — 

Omtrent de voogdijschap van Graaf Frederik is ons verder 
niets bekend (}). In 1439 treedt Heer Jacob op. 



(1) Wij meenden aanvankelijk ook het charter, dat Flament in zijn Otroniek (146) 
stelt op den 12'^«° Maart 1436, te moeten schuiven op de rekening van Graaf Frederik. 
Doch vriendelijk gewaarschuwd door genoemden schrijver zelf, is ons gebleken, dat 
het charter tien jaren later is gedateerd; van Frederiks tusschenkomst kan hierbij dus 
geen sprake zijn. Zie beneden bk. 40. 



Digitized by 



Google 



IV. 



Aanvaarding der Regeering. 
Geldersche Successieoorlog. Landrecht van Weert. 
. Maria-Wijngaard. 



Wij weten weinig, niets, omtrent Heer Jacobs jonge jaren. En 
wij zouden zoo gaarne een blik slaan op die ontluikende ziel. 
Ongetwijfeld zouden wij daar, naast droomen van krijgsroem en 
riddereere, idealen vinden van godsvrucht en christelijke werk- 
zaamheid. 

De geschiedenis gunt ons dat schouwspel niet. Slechts op de 
groote jaartallen van Jacobs leven valt helder haar licht. 

De knaap had zijn dertiende levensjaar voleindigd. Dat was het 
tijdstip, waarop men in dien tijd meerderjarig werd (i). En al 
bleef de voogd dikwijls zijn gezag nog handhaven, zoo moesten 
toch de jeugdige vorstenzonen althans uiterlijk en officieel het 
bestuur op zich nemen. 

Dan moest de vazal den eed van trouw afleggen in handen van 
zijn suzerein en in het leenhof met een behoorlijk heergewade 
zijne goederen verheffen. 

Diensvolgens toog ook de jonge Heer van Home naar de leen- 
zaal van het graafschap Loon, die te Curingen was gevestigd (*), 
om daar in tegenwoordigheid zijner „Ebenbürtigen" de leenen Horne 



0) Zie Bijlage I. 

(') Zie hierover AnaUctes VI (1869), 143. Naast de leenzaal van Curingen (Curanges), 
had het leenhof ook nog een vasten zetel te Macseyck (Eyck). De leenzaal van 
Curingen werd later naar Hasselt overgeplaatst. 



Digitized by 



Google 



— 30 — 

en Cortessem te ontvangen uit de handen van den Bisschop van 
Luik, Jan van Heinsber^, of diens plaatsvervanger. 

Ziehier wat ons de Loonsche leenregisters desaangaande melden 
op het jaar 1439. 

„Der edele here Jacob here te Huerne, te Altena, te Cortessem 
„ende te Montangis, ontfinc te Curingen, int jaer ons Heren 
,,X1I11 ende XXXIX, den X^**» dach in December, nae doit syns 
„vaders selig gedechten, dat huys, slote ende heerlickheyt van 
„Huerne, dorppen, renten, censen, moelens, wyeren, visscheryen, 
„rechten ende alle andere syne toebehoirten, soe wie die gelegen 
,of gênant syn, in naeten ende in droegen, salvo etc Presentibus 
„nobili domicello Johanne de Looz (i), domino temporali de 
„Diest, de Sichem et de Zeelhem, Johanne de Asscha domino de 
„Hamme, Adam de Gudecoven, domino de Thiens, de Hozemont 
„et de Gorssum, necnon drossardo comitatus Lossensis (i), Henrico 
„de Galen marescalco, Theod. de Chyny reddituario com. Lossensis, 
„Wilhelmo Kannart et Ottone Vico et pluribus aliis. 

„Dieselve Jacob ontfanc alsdan op jaer, maynt ende dach vors. 
„die Herlicheyt van Cortessem mit allen horen toebehoirten, ende 
„die ontvenckenisse van beyde deze herlicheden is gedaen, wie 
„vors. is. Die vors. joncker Jacob voir mynen gen. Here ende 
„syne leenmannen wederriepe alle syne momberen, die hy in 
„syne onmundige dagen gehat hadde, ende hem van mynen ge- 
„nedigen Here verleent waren. Salvo etc. presentibus eisdem 
„hominibus feudalibus jam dictis" (^). 

Thans hield dus officieel Frederiks voogdijschap op, en nam 
Heer Jacob zelf het bestuur in handen. 

Naar het feudale recht mocht er na het aanvaarden der regee- 
ring slechts één jaar en één dag verloopen, alvorens men de 
leenverheffing deed (3). 



(1) Loon = Fransch: Looz == Latijn: Comitatus Lossensis. 

(2) J. Habets, De Loonsche leenen 51. — Uit de laatste woorden blijkt, dat Jacob 
nog meer voogden gehad heeft dan Frederik van Meurs, en dat ze hem waren toe- 
gevoegd door den Bisschop van Luik. 

(•) Etat et nature 187. „Dag" beteekent hier zes weken, nl. den tijd van eenc 
rechterlijke indaging, die ééns om de twee weken tot driemaal toe moest geschieden. 
Vandaar duurt de rouw in sommige gevallen Ook een jaar en zes weken. 



Digitized by 



Google 



— 31 — 

Omtrent dezen tijd zal Jacob ook wel voor zijne overige be- 
zittingen aan deze wet voldaan hebben. 

Wij bezitten echter slechts de verheffingsakte der Geldersche 
leengoederen, waarbij Jacob tevens, naar het gebruik dier tijden, 
aan zijn verloofde een lijftocht toewijst, zoo zij hem mocht overleven. 

De verheffing had plaats den 26*'*" Januari 1441 (i) te Goch, 
eene stad, die tot het üverkwartier van Roermond behoorde. 

„Anno XLl feria quinta post Pauli Conversionis ontfinck tot 
„Goch die edel Jacob heer tot Hoerne, tot Altena, tot Kurtershem 
„ende tot Montegijs van mijns heren genaden van Gelre te leen 
„Weyrdt mit synen Tobehoer ende dat Monnicklant beneden in 
„mijns heren lande gelegen, mit hoeren rechten, heerlicheiden 
„ende toebehoeren tot Zutphenschen recht (*), gelijck syne vur- 
„vaderen dat te leen gehalden hebben. Ende dieselve Jacob heeft 
„voirt an die vurs. leene getuchtich Johannen van Moirss ende 
„van Saruairden, syne echte huysfrouw (3), tot tuchterssen rechten, 
„deren te gebruicken na synen dode, beheltlich mijns heren genaden 
„ende malk(4) sijns gueden rechten dairan. Elbert van Alpen, 
„heer tot Hoenpel, Johan van Boitbergh, hofmeister der lande 
„van Gelre, ende vele andere gueden mannen. 

„Item gehoirt noch in dat leen Wessem ende die Vaichdie van 
„Thoren, ut habetur in antiquis libris, ende Beeckt"(^). 



(1) Indien tenminste de verheffingsakte volgens Geldersche gewoonte in Romein- 
sclien stijl is gedateerd; volgens hofstijl zou het de 27" Januari 1440 wezen. 

(') In casu is deze dausuul zonder veel beteekenis. Zij krijgt slechts effect, als er 
broeders aanwezig zijn Zie H. de TEscaille, Le régime féodal en Gueldre in Publi- 
caiions XXI, 100 s. 

(') Hier sensu latissimo te verstaan. Of liever men kan een matrimofüum ratuin 
aannemen, dat echter eerst in 1448 werd voltrokken. Deze veronderstelling vindt 
steun in de zeden van dien tijd. 

(*) Ieder. 

(') Rijksarchief te Arnhem, leenregister B. fol. 200, S. 3, met het opschrift „Weerdt 
eyn leen". De laatste woorden „Item gehoirt" enz. zijn door een andere hand bij- 
geschreven. — De heer Bijieveld archivaris te Arnhem, die voor ons deze akte heeft 
gecopieerd, teekent hierbij aan: „De voechdije van Thoren een deel van den dorpe 
te Wirte en dat dorp te Beket, vormden een afzonderlijk leen. Register: leenen 
buiten Gelderland, fol. 64". Ik waag het niet te beslissen, wat hier (zie ook boven 
blz. 15 noot 1) met „Beket" bedoeld kan zijn. De heer Flament vestigde mijne aan- 
dacht op het Loonsche leen Bocholt, dat dan tevens van het Geldersche leenhof zou 
releveeren. Het dunkt mij echter niet zeer waarschijnlijk, dat Bocholt reeds vóór 1458 



Digitized by 



Google 



— 32 — 

Weinig regeeringsdaden van Heer Jacob zijn uit deze jaren 
bekend. Behalve eene simpele beleening in het land van Altena 
uit den jare 1441 (i), is er niets in de geschiedenis der Hornsche 
landen, wat wij als een handeling der nieuwe regeering kunnen 
aanmerken. 

Het was ook nog eene jeugdige hand, die de teugels voerde. 
Heer Jacob telde slechts 15 jaren. 

Doch korten tijd daarna schijnt hij toch het zwaard reeds te 
hebben opgenomen. Het gold de rechten van de verwanten zijner 
jonge verloofde. 

In het jaar 1423 was Reinoud, Hertog van Gelder en Gulik, 
gestorven, zonder dat een mannelijk erfgenaam de regeering der 
beide hertogdommen kon overnemen. De ridderschap en de steden 
van Gulik huldigden daarop Hertog Adolf van Berg (2), doch de 
landstenden van Gelder kozen Arnoud van Egmond tot hun vorst. 

Beiden konden het recht van naaste bloedverwantschap doen 
gelden (3). Maar Adolf was een man van onverzadigbaren hoog- 
moed, woest en geweldig en laaghartig, die zich niet had ontzien, 
zijn eigen vader in de gevangenis op te sluiten; terwijl Arnoud, 
nog een kind van 13 jaren, de sympathieën van geheel Gelderland 
tot zich trok (4). 

Een lange, hardnekkige oorlog ontbrandde, die heel de Rijn- 
streken in vlam zette. Adolf vond een bondgenoot in Frederik 
van Meurs, Arnoud in Hertog Adolf van Kleef. 

Ook Keizer Sigismond mengde zich in den strijd. Hem was 



eenigszins aan de Heeren van Horne verbonden was. Integendeel meen ik, dat zulks 
positief wordt uitgesloten door den inhoud der leenakte bij Wolters 241 s. — Is 
hier dan sprake van Bocholt bij Gelre of van Beek nabij Bree?? 

(1) Zie Kronijk v, h. kist. genootschap te Utrecht VII (2« serie, 1851), 50. 

O Adolf had in 1414 een eeuwig bondgenootschap gesloten met Johan II van 
Loon Heinsberg-l.ewcnberg (f 1488), met wien hij reeds in 1420 een contract tee- 
kende over de toekomstige erfenis van Hertog Reinoud. Diensvolgens zou Johan als 
zijn aandeel o. a. ontvangen het slot en het land van Borne met de steden Sittard 
en Susteren (Kremer I, 48; ürkunde XXXIX). Toen echter na 1423 deze plaatsen 
in pandbezit bevonden werden van Frederik van Meurs, kreeg JohaQ daarvoor van 
Adolf eene jaarlijksche vergoeding (Kremer I, 50 ff.). Sinds 1428 treedt Johan op als 
Heer van Gulik en Gelder, terwijl Adolf zich Hertog noemde (Vgl. o. a. NijhofflV, 
no 3; Kremer I, Urkunde XLIII f.). 

(S) Zie Lacomblet IV, vi; Nijhoff IV, iv v. 

(*) Ibid. 



Digitized by 



Google 



— 33 — 

Adolf van Berg de wettige vorst, ook in Gelder. Doch slechts 
moreele middelen wendde hij aan om zijn cliënt te handhaven ; 
zware belastingen kwamen neder op de inwoners van Gelder en 
Zutphen, ban en rijksacht volgden (i), en onder des Keizers 
invloed dreigde de synode van Bazel met kerkelijke censuren (^). 

In 1435 werd er tusschen Kleef en Gulik een vreedzame over- 
eenkomst, het volgende jaar tusschen Gulik en Gelder een wapen- 
stilstand gesloten door bemiddeling van Philips van Bourgondië ('). 

De vrede nam een einde in 1444, en al was in 1437 Adolf 
van Berg gestorven, zijne aanspraken werden opgenomen en ver- 
dedigd door zijn neef Gerard. 

Bij. de hernieuwing der vijandelijkheden schijnt ook de acht- 
tienjarige Heer van Horne zich met zijne wapenknechten naar 
het oorlogsterrein te hebben begeven. Hij stond aan de zijde van 
Arnoud van Gelder en Adolf van Kleef (^). 

Doch zijne partij moest het onderspit delven. Den 3^" November 
1444 kwam het tot een geweldigen slag bij Linnich aan de Roer, 
midden in het land van Gulik, en Gerard van Berg behaalde 
eene glanzende overwinning (^). Vele Geldersche edelen vonden 
hun dood op het slagveld, anderen werden gevangen genomen, 
en het scheelde weinig, of ook Arnoud zelf was in de handen 
van den vijand gevallen. 

Zoo begon dus Jacobs openbaar leven met eene teleurstelling; 
eene ontgoocheling van jonge eeredroomen! 

Onder de gevangenen bevond zich ook Willem van Egmond, 
broeder van Gelders Hertog en zwager van Jacobs verloofde. 

Eerst te Gulik en daarna te Duren in verzekerde bewaring, 
kreeg hij het volgende jaar van zijne gevangenis eene vacantie 
voor eenige weken. 

(1) Lacomblet IV, N° 202; Nijhoff IV, N»» 86. 

C) Lacomblet IV, 248, Not. 

(^) Lacomblet IV, ix. In hetzelfde jaar werd ook duurzaam de vrede gesloten 
tusschen Arnold en Frederik van Meurs. Zie Pontanus 465. 

(*) De zuster van Adolf van Kleef was gehuwd met Frederik van Meurs, en de 
dochter (Catharina) met Arhoud van Gelder. Lacomblet IV, xxii. xviii. 

(*) Ter gedachtenis van deze overwinning, behaald op het feest van den H. Huber- 
tus, stelde de overwinnaar de ridderorde in van St. Hubertus of van den Hoorn. 
Zie Lacomblet IV, X; Knippenbergh 120; Pontanus 488; Nijhoif IV, Lxviii; S, van 
Leeuwen 702; Martène et Durand IV, col. 604. 
3 



Digitized by 



Google 



— 34 — 

Den 23**«° November 1445 bezegelde hij een stuk, waarbij hij 
beloofde, zich na zijn verlof, op „sonnendach nae dem heiligen 
Derthiendage" [Zondag na Driekoningen], weder te stellen in de 
handen zijner overwinnaars. Mocht het zijn, dat anderen hem 
zouden verhinderen van weder te keeren, dan zou hij immer 
„nyet anders noch mee dan slecht puyr wasser ind broit essen 
„ende drincken" en „dach noch nacht nyet anders slaifen noch 
„ligen dan up bloisser ungedeckter erde off up hoize, dat unbelacht 
„ind unbedeckt sy mit ennigen anderen saichen". En mocht de 
Hertog van Gulik gedwongen worden den gevangene de vrijheid 
te geven: „dat en mach noch en sall mich wenich noch vyll 
„nyet lichten noch ledigen an mynre gevenknisse". 

Dat waren de strenge voorwaarden, die Willem van Egmond 
bezweren moest, vooraleer hij een tijdelijk verlof bekwam. 

„Dis alles zo wairen urkunde ind getzuge hain ich myn segel 
„an desen briefF gehangen, ind hain vort gebeden die edelen Vin- 
„centius junge greve zo Moirsse ind zo Sarwcrden indJacobhere 
„zo Hoern, myne lieve swager, broider ind neve, dat sy ouch mit 
„mir' zo getzuge alre vurschreven saichen yre segelen by dat myne 
„an desen brieflF gehangen haven" (i). 

Wat hierop gevolgd is, weten wij niet. Zeker is het, dat Willem 
nimmer in zijne gevangenis is teruggekeerd en kort daarop in het 
rijk zijns broeders ridder werd geslagen om zijn dapper gedrag ('). 

De vrede tusschen Gulik en Gelder werd intusschen hersteld 
en niet meer verbroken. Niet lang daarna begonnen de inlandsche 
woelingen in het land van Gelder, waarover wij later zullen spreken. 

Heer Jacob keerde weder in zijne landen en liet zijn zwaard 
voor vele jaren rusten, om de taak des vredes te volbrengen. 

De 21*** Maart 1446 is merkwaardig in de geschiedenis der 
stad Weert. 



(1) Lacomblet IV, N^ 274. 

O Pontanus 488. Volgens Nijhoff IV, Lxvii werd hij nog vóór zijn gevangen- 
schap ridder geslagen, wal meer overeenkomt met de gewoonte des tijds. Tijdens 
zijn verlof, den 29*» December, trad liij op als borg voor zijn broeder (NijhofF IV, 
N' 230). Kort daarop schreef Graaf Willem van Buren hem een zeer vinnig briefje, 
dat hij terug moest keeren naar de gevangenis (Zie Pontanus 489, alwaar ik echter 
een datum vind opgegeven, die niet met de feiten valt te harmonieeren}; doch in 
1448 handelt hij als geheel onafhankelijk man (Nijhoff IV, N<> 244). 



Digitized by 



Google 



— 35 — 

Op het raadhuis aldaar bewaart men een statigen foliant van 
zware perkamenten bladeren. Als gij den ouderwetschen omslag 
daarvan openslaat, dan leest gij op de eerste bladzijde in monu- 
mentale letters: Regisier van den Copien van allen previlegien der 
stadt van Weerdt gegeven ende verleent van den heeren ende Greven 
van Hoerne ioit dach van huifden toe ie weten XV^ XL VUL 

Verder bladerende, vindt gij 'privilegiën van Dirk en Willem 
van Horne (i), en dan volgt er : 

Privilegie van lantrecht gegeven ende verleendi van Heer Jacop 
Heeren zoe Hoerne, 

Dat is de groote daad van 1446. Eene daad van vorstelijke 
genegenheid voor zijne dierbare stad Weert. Eene bekrachtiging 
der goede gewoonten, die het leven der poorters regelden en 
beschermden. Een „blijde inkomste", naar het schijnt, waarmede 
hij zijne stad bij den aanvang zijner regeering wilde begiftigen. 

Wij deelen hier dit privilegie mede, zooveel mogelijk in zijne 
oorspronkelijke gedaante hersteld, gezuiverd van de fouten, welke 
blijkbaar in de copie zijn ingeslopen (*). 

„Wijr J^cop, heere zo Hoerne zo Altenae zo Corterschem ind 
»zo Montangys doen kondt allen luden ind bekennen mit diesene 
„brieve voir ons onsse erven ind naecommelinge dat wijr mit 
«gueden voirberaet ind waelbedaichten sinnen in bijwesen unsser 
„frunde her nae bescreven aengesien ind besonnen haeven getrouwen 



(1) Flament, Chroniek 214 vv. 

O Flament heeft in zijne Chroniek 217 vv. de lezing van het genoemde register 
letterlijk doen afdrukken. 

Op het raadhuis bevinden zich echter van dezelfde privilegieên nog een drietal 
andere copieën^ in de 2^ portefeuille der archieven. N' 2 draagt denzelfden titel en 
hetzelfde jaartal als het genoemde register (N^ 1) en Is blijkbaar het voorbeeld ge- 
weest, waarnaar een schoonschrijver de privilegies moest overschrijven in het groote 
register. — N® 3 draagt als titel: „Copie der Privelegien der sudt ende Heijrlicheijt 
Weert en Nederweert". Zij voert geen jaartal, doch de lettervorm wijst, naar ik 
meen, op het midden der 16» eeuw. De copiist had de origineele stukken vóór zich, 
zooals blijken zal, en is nauwkeuriger geweest dan zijne beide voorgangers. — N^ 1 
draagt geen titel, dateert van iets later en schijnt minder gezag te bezitten. De or- 
thografie is in alle copieên verschillend. Doch, ofschoon eene nauwkeurige vergelij- 
king onder taalkundig opzicht niet onbelangrijk zou wezen, meenden wij voor ons 
dool te volstaan met slechts acht te slaan op de woord varianten. Ook hebben wij 
enkele fouten van zakelijk gewicht kunnen verbeteren. 



Digitized by 



Google 



— 36 — 

„dienst unsser underseesen van Weert, sij onssen alderen ind onss 
„gedaen haeven ind noich alle daeghen midt gueden willen doin. 
„Ind haeven dairom denselven onssen onderseesen zo Weert vrij- 
„heijt, privilegiën ind rechten gegheven. Ind geven mit diesene 
,,brieve diese vrijheijt ind rechten hijr nae beschreven der sij bis 
„noich voir gheijn recht dan voir guede gewoente gehalden haeven. 
„Inden irsten soe en sullen noich en plegen die watermoelen tot 
„Leijvelroe tot Tonghelroe noch tot Hoichten niet te maelen voir 
„sijnt Remeijs daich (i) noich aichter halff Meert dat sij water 
„sullen scutten. Weert saeke dat sij dair weder deden ende 
„scutten waeter als sijt niet scutten en soulden soesa! ons amptman 
„commen ende draeghen dat molenijser met hem opdat sij gheijnen 
„schaeden en zullen doen in bossch ende broick ende an beenden 
„noich anders aen der luijden erve. Weert oich saeke dat sij water 
„schutten ende der luijde beenden ende erve verdroncken nae 
„halffmeert ende voir sint Remeijs daich als voirscr. is ende der 
„moelener en wil des niet laeten soe mach een man den dije 
„schaede gheschiet een schudtbeert optrecken sonder broeken 
„oft mijsdoen ende laeten t water loupen. Item soo sal*ons moe- 
„lener maelen op onsser molen een malder roggen om eenen cop 
„rogghen, ende een vaet roggen om een schotel roggen der sess 
„eenen cop maecken ende nyet meer en sal die molener niemen 
„van recht. Item soe sal die ghene die onsse waeghe heeft weghen 
„eenen steen swairs om eijn paijments moirken. Item bossch ende 
„broicke ende die ghemeijnte allgemefjn dair moeghen die vurscr. 
„onss onderseesen vaeren* ende gaen ende der luijdt beesten 
„op ende in te gaen. It. soe soilen die koeren van den brueken 
„staen, soo wijemen dair in vindt houwende, op sess buijschen ende 
„die koeren haeven wijr onssen ondersesen van Weert hallF gege- 
„ven tot hulpen tot hoeren renboumen ende bruggen te halden 
„ende dat lant mijt te versten (2). Item weert saeke dat unsse 
„rintmeister gementen uijtgeven wolde die sal hij vijtgeven 
„overmitz scepen ende die boede sall die kuulen steken ende van 
„elcker kulen sall die boede haven eijnen alden brabants. Item soe 
„wanneer wijr eynen scoltit tot Weert setten, die sal zweeren 



(1) l October. 

(•) Versten = versterken? 



Digitized by 



Google 



— 37 — 

„allen menschen sittende binnen diesen twee bencken te weten ten 
„oversten ende ten nedersten ende (}) tot Weert recht ende vonnisse 
„te doen binnen diesen bencken alsoe verre als die luijde ofFymen 
„bcgheert. Ende weert saeke das sij niet zweeren en wolden, soe 
„moeghen die scepen opstaen ende vijt der banck gaen sonder 
^mijsdoen weder ons tot der wijlen dat sij geswoeren sullen haeven. 
„Item weert saeke dat onsse amptluijden eenighen minssche aen- 
„tasten ende vinghen die geseten weere binnen diesen voorscr. twe 
„bencken van wat saeken dat weere, hedden sij burgen te setten, 
„soe en sal men den mensche niet stocken noich sluijten mer 
„op zijn. borghen laeten gaen, soe verre hij borghen voir die 
„brueken heeft, dair om hij aengetast woirde. Item woirde een 
„mensche ghecommert vur schuit, ende hij en hadde gheijn borghen 
„te setten (*), soe en salmen den niet stocken mer int ijser setten 
„drij daeghe lanck. Ende off hij langher sitten bleve soe maich 
„men den stocken oflF setten dair hij laest weer (3). Item een man 
„die gefangen woirde van schuit ende gesat woirde te sluten^ sal 
„gheven eenen brabants ende te ontsluijten eene brabants. Item 
„van eenre hoifFvaert tot Wessem (*) sal een drosszt haven XXVI 
„vleems ende een Scoltitvan Weert XIII vleems lUick scepen VIi/^ 
,,vleems. Item der boidt van Weert VI1/2 vleems. Der Scoltit van 
„Maeslant twe spint vueders ende een half veerdel wijns. Illick 
„scepen van Wessem een quart wijns ende der boidt van Wessem 
„een quart wijns. Item om eenen commer te slaen sal eijn Scoltit 
„heijssen (^) eenen brabants ende den vierden pinninck den scepen 
„geven. Item der boidt van Weert sall heflFen voir zyne rente 
„van eijnen ploeger een gerve op den acker te ousre ende te 



(1) Weert en Nederweert; sinds eenigen tijd hadden beide plaatsen eene afzonder- 
lijke schepenbank. 

(') Deze geheele zinsnede is in K° 1 uitgevallen, waardoor de zin tot onzin wordt. 
Voor „ghecommert" leest N° 4 hier „gecommij teert"! 
• (') N» l leest: „dair her vast weer". 

(*) "Wessem was het appelhof voor de schepenbank van Weert, ^'len moet Ao/vaari 
echter niet verstaan in den zin van appel; het was eerder een soort raadpleging door 
de rechters zelven, eene ieering^ zooals men het in Limburg noemde. Zie Nijhoff 1, 
138; Publications IV, 258; Wolters, Noiice historique sur Thorn (Gand 1850) 37. 
Vgl. ook Janssen ^^ 468 f. 

(*) N. 1 en 2 lezen » heffen». De betcekenis is dezelfde; heijsschen =eijsschen (Kil). 



Digitized by 



Google 



— 38 — 

„winter eijn broit ende daerom sal hij den ploger daeghen alsoe 
„mennich princepalen als hij begeert ende tot elcken een vol getuijch, 
„mer wilt hij meer waerheijt gedaicht haven soe mach der boede 
„van eiken eijn paijmens moirken niemen alsoe mennighen als hij 
„der hem daicht. Item die den boede gheijn provande en gheven, 
„die soelen hem gheven van elcken mensche die hij hem daicht 
„een paijmens moirken. Item soe sall der boede eenen kommer 
„kondt doen eijnen ploeger off hijs begeert, alsoe verre als hij den 
„kommer gereken kan ende kondt gedoen kan binnen eynen daeghe 
„ende des aventz wederom thuijs zijn maich op zijns selffs cost. 
„Item soe maich malleck douffhoilt poëten opten straeten die gemeijn 
„zijn ende dat houwen tot zijnen oirbaersonder misdoen. Item soe 
„wanneer ons off" onsen naecommelinghen onss onderseesen van 
„Weert scattinge off* bede geven off ander ongelt betalen dije somme 
„van drij hondert pijnnick des soilen die van den oversten inde 
„gelden honden pinnick ende XCIII ende die van den nedersten 
„inde soilen des betaelen hondert pinnick inde sesse. Ind des gelijcks 
„alweghe nae beloip der somme sal ijgelick alsoe zijn aendeijl 
„gheven. Diese voirscr. punten sementlich ind ijgelich besundor sij 
„ind ijre naecommelinghen van ons ind onssen naecommelinghen 
„vur vrij bescreven Q) previlegien ind rechten zo haven ende tzo 
„behalden mit den onderscheijde off" onss off onssen frunden off" 
„naecommelinghen zo eijnighen naecomenden tzijden beduchte dat 
„onsser heerlicheijt in deijle off tzomaele hijr in zo kortz geschiet 
„weer off" geschege dat wijr off ons naecommelinghen dan maicht 
„sullen haven diese punten voirscr. zo veranderen ind zo versetzen, 
„zo oirbaer onsser ind onseer vurscr. onderseesen, beheltlich onss 
„ind onsser naecommelinhen heerlickheijt ind rechten. Hijr zijn 
„aen ind overgeweest onsse frunde mit naemen Johan van Ghoir 
„inder tzijt onsse Drosszt, Goirt van Vlodorp Heere zo Leute, 
„Meertmont onsse rintmeister ind Wilm van Kelft onsse Scoltit 
„van Weert. In dijs zo oirkunde soe haeven wijr Jacop heer tzo 
„Hoerne vursc. onsse zegell bij unsser wijsentheijt aen diesen 
„brieff doen hangen in den jaere ons heren duijsent vierhonderd 



(1) Aldus N. 2 en 3; N. 1 leest »befreien«; N. 4: »bescheijden«. 



Digitized by 



Google 



- 39 — 

„sessendeveertzich des maendaichs nae den Sondaeghe Oculi'*(i^. 

Zóó regelde Jacob het bestuur zijner poorters van Weert. 

Men zou hier kunnen, denken aan een dier privilegies, welke 
vele machtige steden zoo vaak afdwongen van hun landheer. 
Maar het uitdrukkelijk beding eener mogelijke herroeping ver- 
zwakt ten zeerste dien indruk van dwang. 

Liever beschouw ik daarom dit Privilegie van Landrecht als 
een blijde inkomste, in vrije vrijgevigheid geschonken. Eerst Jacob 
II zal in 1482 deze en andere privilegies moeten bezegelen als 
van kracht „ten eeuwigen dage toe'* (2). 

Maar niet aan alle bewoners van Weert bracht de eerste lente- 
dag van 1446 blijheid en vrijheid. 

Eenige devote maagden hadden er zich sinds eenigen tijd ver- 
eenigd, om gezamenlijk te leven in stille eenzaamheid. Zij hadden 



P) Wij hebben in deze dateering, die ook in het volgende stuk voorkomt, weer 
den Romeinschen stijl verondersteld. Volgens hofstijl krijgt men den 13<*'" Maart 1447. 
Rij N. 3 leest men het volgende aan het slot: 

y,Ende en was niet onderteikent. Was geschreven in fransijn f^) ènde met enen 
yyfrancijnen wuthangende Stert ende daerop gedruct in groenen was den Segei van 
,.vursz. herc Jacob su Hoorne". 

Hiernaast staat met eene andere hand geschreven: 

„Geclationert overmijts Schepenen tegens die originele Privelegien ende sijn be- 
., vonden van woorde tot woorde daermede te accorderen, quod attestor J. Sonnemans 
„Secret." 

{a) Fransijn of fronsijn is niets dan een soort perkament uit scha pen vellen bereid. 
Zie Du Cange i. v. »francenum«. Dat men het werkelijk beschouwde als eenigszins 
van perkament onderscheiden vindt men bewezen bij W. Wattcnbach, Dtts Fchrift' 
wesen im Mittelalter^ (3- Aufl. Leipzig 1896) 1 19. Het woord schijnt echter slechts 
in de Nederlanden voor te komen. 

(') Publications XII, 440. — Dat dit tweede privilegie van Jacob II afkomstig 
is — iets waaraan Flament, 1. c. p. 220, schijnt te twijfelen — acht ik boven 
alle bedenking verheven. Dat hij van zijn inhuldiging a]s van een verleden zaak 
spreekt is niet in tegenspraak met de leenhulde van 15 November 1484, want dit 
was eene relevatio a novo domino, — Zie Publications VIII, 62. — *t Is echter 
wel zonderling, dat in de copieën ten raadhuize van Weert dit tweede privilegie 
telkens voorkomt met het opschrift: «Previlegie van Greeff Jacop den irsten van 
den nijen Previlegiënr. Toch durf ik dit als een onjuistheid afwijzen, ook om deze 
reden dat in den aanhef van dit stuk Graaf Jacob wel alle andere titels voert maar 
niet dien van >Heer van Montigny«. Jacob I was Heer van Montigny, Jacob II niet. 
Maar waarschijnlijk zal men dat opschrift aldus moeten lezen: „Previlegie van Greef 
Jacop, den irsten van den nijen Previlegién". 



Digitized by 



Google 



— 40 — 

daartoe verlof gevraagd en bekomen van Jonker Jacob van Home, 
die tevens het civiele rechtsbestaan van het jonge convent. Af aria- 
IVijffjTiUird geheeien, bekrachtigde en regelde. De zusters volgden 
den derden regel van Sint Franciscus en verwierven door haar 
vroom leven de welwillendheid der omwonende poorters. Vele 
dochters der stad sloten zich bij haar aan, en het werd een talrijke 
vergadering, wier bezittingen zich dagelijks uitbreidden. - 

En nu op den dag zelve van het groote privilegie %"oor de stad, 
moesten de biechtvader en de moeder der zusters een belofte 
bezegelen, waarbij de rijke vrijheid des kloosters eenigszins werd 
ingekrompen. 

Het perkamenten stuk dezer belofte wordt nog in zijn oor- 
jtpronkclijken vorm op het raadhuis van Weert bewaard (i) en 
luidt nlH volgt: 

„Wyr Lambrecht Gysskens, priester as eyn biechter (^\ ind 
^wyr (ieirtruyt Gysskens, van Sevcnhem as eyn moider ind voirt 
Hilat gcmeyne Convent des Susterhuys tot Weert doin condt allen 
^ludcn ind bekennen vur vnss ind vnse nacomelingen, alsoe die 
„hoghcboren Joncher Jacob, here zo Hoerne, zo Altenae, zo 
„(>)rtcrshem ind zo Montangys, vnse genedige lie%'c Joncher, 
„hclicfl't ind consentiert heefft vnse vergaderinge ind hait vnss 
^dair tzo geghont ind gegheven wie ind in wat manieren die 
„Sustcren vnss huys yerre erve ind ghuet an vnss soilen brenghen, 
^glych die brieff, wyr van synen genaden dairaifhebn dat kleirlich 
^vitwyst. Alsoe gelaven wyr vur vnss ind vnse nacomelingen, 
„nummer behulp te suecken, die guede, die wyr nu hebben oflf 
„hernamaels verkrygen voirder te vryen dan sy nu syn in gheynre 
„wyse myt gheystliche off wertliche manieren. Ind wyr ind vnse 
„nacomelinge soilen dair aff dienst, schadt, bede ind rechten 
„ghehoirsam syn, glych as op dach datum dyss brieffs dair aff 
„syn, die die guede nu hantplichten (*). Wyr hebn ouch gelaifft 
„ind erkaeren (?), dat wyr nae diesen daige voirtaen gheyn erve 



i}) Hij Je lezing van dit moeielijk te ontcijferen charter heeft de heer Flament mij 
«eer gewichtige diensten bewezen. Zie boven biz. 28, noot. 

('■'; Het schrift heeft hier zeer veel geleden, doch laat bij mij geen twijfel over aan- 
gaande de ware lezing. »Biechtes« was het gewone woord voor «biechtvader.* Zie 
Kiliaen i. v. 

(*\ De zin is mij eenigszins duister of gewrongen; handplichten = uti, frui (Kil.). 



Digitized by 



Google 



— 41 — 

„noch erffliche rente off guede bynnen den lande van Hoerne 
„gelden en soilen, heymlich noch openbayre, noch vnss gheynre 
„erffguede in den lande van Hoerne onderwinden ep soilen voirder 
„dan wyr nu hebben off "vnss aenkomen moighen van vnsen 
„susteren nu off hernamaels ind die soilen assdan voirt stai^n 
„blyven zo sulchen rechten as vursz is. Wyr en soilen ouch 
„boeven sestzich personen, so biechter, moider ind susteren, nyet 
„halden. Ind all sonder argelist. Dyss zo oirkonde zo haven wyr 
„vnss conventz siegell an diesen brieff vur vnss ind vnse nacome- 
„lingen doin hangen. Inden jaeren vnss Heren Dusent vierhondert 
„sessindvertzich dess Mayndaighs nae deme Sondaighe Oculi"(0. 

Waarschijnlijk heeft Heer Jacob deze beperking aan de zusters 
alleen opgelegd, om den magistraat der stad te believen. Dat op 
vele plaatsen het stadsbestuur met leede oogen de vermeerdering 
van goederen zag in de tioode hand der kloosters en daaraan 
zooveel mogelijk paal en perk zocht te stellen, zullen wij later 
nog zien. Maar dan ging men gewoonlijk veel strenger te werk. 
Want als men dit stuk goed beschouwt, dan zal men zien, dat 
het in vele woorden slechts weinig zaaks bevat. Alles komt neer 
op de verplichting, de goederen des kloosters niet verder te 
„vryen", dan zij waren, en niet meer dan 60 personen in het 
convent op te nemen. Overigens mochten de zusters „nu en her- 
namaels" al hare bezittingen aan het klooster blijven schenken. 

Zoo schijnt Heer Jacob getracht te hebben aan den magistraat 
voldoening te geven, zonder op het recht der kerkelijke stichting 
eenigen inbreuk van beteekenis te maken. 

Het klooster is door dezen maatregel dan ook niet tot armoede 
vervallen (*); en hoezeer het later de achting der Graven van 
Horne bleef genieten, blijkt wel uit het feit,